20250320 Presentatie Verordening Jeugdhulp 2025 Werkgroep Jeugd
Tekst van het document
Verordening Jeugdhulp Breda 2025 Gesprekstafel jeugd (2)
20 maart 2025
Agenda 1. Opening en welkom 2. Korte terugblik
3. Op weg naar een nieuwe Verordening Jeugd: voorgestelde wijzigingen 4. Impact voor inwoners 5. Toelichting op het vervolgproces 6. Rondvraag 7. Sluiting
2. Korte terugblik Sinds 2020: Huidige Verordening Jeugdhulp van kracht Wijzigingen: o 24 februari 2022 – Eerste wijziging o 19 december 2024 – Tweede wijziging Belangrijke momenten: o 21 maart 2024: Gesprekstafel met Tim Robbe – Waardenvol keuzeruimte benutten o 7 november 2024: Gesprekstafel over bestaande verordening o 21 nov. - 19 dec. 2024: Wijzigingen m.b.t. Stevig Lokaal Team (SLT) o 20 februari 2025: Gesprekstafel: proces aanpassen verordening o 20 maart 2025: Bespreken voorgestelde wijzigingen inclusief impact Volgende stap: Besluitvorming over de herziening
3. Op weg naar een nieuwe Verordening Jeugd:
voorgestelde wijzigingen
Hoofdstuk 1 • Definities.
• Afbakening aangewezen gebied SLT.
• Aanwijzing veelvoorkomende vormen van jeugdhulp.
• Weinig wijzigingen ten opzichte van huidige verordening.
5
Hoofdstuk 2 • Dit hoofdstuk beschrijft de beschikbare vormen van jeugdhulp.
• Doelen van dit hoofdstuk: • 1) Beschrijving van het beschikbare aanbod van voorzieningen in de gemeente Breda (in beginsel geen aanspraken als die buiten het aanbod vallen).
• 2) Bepalen welke van die voorzieningen wel en niet vrij toegankelijk zijn (voor niet vrij toegankelijke voorziening is een beschikking of verwijzing nodig). • 3) Bij de niet vrij toegankelijke voorzieningen worden in de verordening de maximale duur en frequentie van de voorziening vastgelegd. Daarnaast wordt bepaald welke hulpverleners de zorg moeten verlenen.
6
Hoofdstuk 2 Belangrijkste wijzigingen/toevoegingen in vergelijking met de huidige verordening:
❑ Opnemen van BSO+ als vrij toegankelijke voorziening (2.1 lid 1 b). ❑ Vastleggen van de keuze voor de basisvariant bij niet vrij toegankelijke voorzieningen (artikel 2.2 lid 1). ❑ Niet vrij toegankelijke voorzieningen moeten in Nederland geleverd worden, tenzij (artikel 2.2 lid 3). ❑ Bepalen van de maximale duur en frequentie van de niet vrij toegankelijke voorzieningen (artikel 2.3 lid 1).
❑ Bepalen van de (soort) jeugdhulpverlener die de niet vrij toegankelijke jeugdhulp moet verlenen (artikel 2.3 lid 1). ❑ De voorziening vervoer kan in beginsel alleen worden verstrekt als de jeugdige op speciaal vervoer is aangewezen. In bijzondere gevallen blijft het mogelijk om vanwege beperkingen van de ouders een vervoersvoorziening toe te kennen (artikel 2.3 lid 3)
7
Hoofdstuk 3 • Dit hoofdstuk beschrijft de manieren waarop een jeugdige of zijn ouders toegang kunnen krijgen tot niet vrij toegankelijke vormen van jeugdhulp.
• Onderscheid tussen: toegang via de gemeente (‘beschikking’) (artikel 3.1), toegang via de medische verwijsroute (artikel 3.2) en toegang via het justitiële kader (artikel 3.3).
• Zonder geldige toegang wordt de jeugdhulp niet bekostigd door de gemeente.
8
Hoofdstuk 3 • Belangrijkste wijzigingen in de bepalingen over de toegang via de gemeente:
❑ Aanvraag kan pas worden ingediend nadat een gesprek over de hulpvraag heeft plaatsgevonden met het CJG of (in het SLT-gebied) het Stevig Lokaal Team (artikel 3.1 lid 2 en 3).
❑ Aanvraag moet in het SLT-gebied worden ingediend bij het Stevig Lokaal Team (artikel 3.1 lid 1).
❑ Rechtstreekse indiening van een aanvraag bij het college blijft mogelijk bij veiligheidsrisico’s of andere dringende redenen (artikel 3.1 lid 4).
9
Hoofdstuk 3 • Belangrijkste wijzigingen in de bepalingen over de toegang via de medische verwijsroute:
❑ Er moet sprake zijn van een geldige verwijzing (artikel 3.2 lid 1).
❑ De jeugdhulpaanbieder waarnaar wordt verwezen, moet zich bij de indicatie houden aan de spelregels die gelden voor het indiceren door de gemeentelijke toegang (b.v. beoordelen eigen kracht en het bestaan van een voorliggende voorziening) en de afspraken die daarover in de overeenkomst of in het subsidiebesluit zijn gemaakt (artikel 3.2 lid 3).
❑ Bij een concrete aanleiding is het college bevoegd om een controle uit te voeren naar aanleiding van een verwijzing of een door een jeugdhulpaanbieder gegeven indicatie. Controle gaat over het naleven van professionele standaarden en (bij een indicatie) het naleven van de spelregels voor indiceren (zie het vorige punt). Naar aanleiding van het onderzoek kan besloten om geen of een andere voorziening toe te kennen (artikel 3.2 lid 4 en 5).
10
Hoofdstuk 3 • Belangrijkste wijzigingen in de bepalingen over de toegang via de medische verwijsroute:
❑ Als is verwezen naar een niet-gecontracteerde of -gesubsidieerde aanbieder, geldt er een toestemmingsvereiste (‘beschikking’). Toestemming wordt niet gegeven als de hulpvraag passend binnen het gecontracteerde of gesubsidieerde aanbod opgepakt kan worden. Ook geen toestemming als bij verwijzing of indicatie de professionele standaarden of de spelregels voor het indiceren niet gevolgd zijn (artikel 3.2 lid 7).
❑ Jeugdhulpaanbieder moet binnen 6 weken na verwijzing melden of en welke jeugdhulp er wordt ingezet (artikel 3.2 lid 9).
11
Hoofdstuk 3 • Belangrijkste wijziging in de bepalingen over de toegang via het justitieel kader:
❑ Invoering van een aparte procedure als een gecertificeerde instelling wil verwijzen naar een niet-gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder. De gecertificeerde instelling en het college moeten in dat geval op overeenstemming gericht overleg voeren. Als partijen er in dat overleg niet uitkomen, beslist uiteindelijk het college over de inzet van de jeugdhulp (artikel 3.3 lid 3 en 4).
12
Hoofdstuk 4 • Hoofdstuk 4 regelt de wijze waarop de toegang via de gemeente verloopt. Het bevat regels over: • 1) De inhoud van het onderzoek door het college of het SLT naar aanleiding van een aanvraag (artikel 4.1-4.3). • 2) De criteria om te beoordelen of en in hoeverre een jeugdige of zijn ouders voor een niet vrij toegankelijke voorziening in aanmerking komt (artikel 4.4 en 4.5). • 3) regels over de inhoud van de beschikking en de evaluatie van de jeugdhulp (artikel 4.6 – 4.8).
•
13
Hoofdstuk 4 • Belangrijkste wijzigingen in de bepalingen over het onderzoek naar aanleiding van de aanvraag: ❑ Regels over het onderzoek staan op dit moment met name in de nadere regels (wat wordt er op welke wijze onderzocht?). Die regels zijn vanwege ontwikkelingen in de rechtspraak verplaatst naar de verordening (artikel 4.1). Inhoudelijk zijn er geen grote materiële wijzigingen. In essentie regelt de bepaling dat het college of het SLT het onderzoek op een zodanige wijze moet uitvoeren dat aantoonbaar aan de eisen uit de rechtspraak (‘het stappenplan’) wordt voldaan.
❑ Bepalen in welke gevallen er een externe adviseur moet worden ingeschakeld door het college of het SLT en bepalen aan welke eisen die deskundige moet voldoen (artikel 4.2 lid 1 en 2). Dit moet op grond van de rechtspraak in de verordening geregeld worden.
❑ College moet voorzieningen treffen om te waarborgen dat het onderzoek en de voorbereiding van de besluitvorming door het college en het SLT zorgvuldig verloopt (artikel 4.2 lid 3). 14
Hoofdstuk 4 • In de verordening moeten op grond van de rechtspraak duidelijk de voorwaarden worden beschreven waaronder een jeugdige of een ouder in aanmerking komt voor een niet vrij toegankelijke voorziening (artikel 4.4). De belangrijkste voorwaarden zijn: ❑ Er moet sprake zijn van een individuele voorziening zoals omschreven in de verordening. ❑ De hulpvraag kan niet met een vrij toegankelijke (bijvoorbeeld SLT) of voorliggende (bijvoorbeeld Wlz of Wet passend onderwijs) voorziening worden opgelost. ❑ Jeugd-ggz moet voldoen aan de stand van de wetenschap en praktijk. ❑ Overige jeugdhulp moet van voldoende toegevoegde waarde zijn. Dat betekent: wezenlijk bijdragen aan de hulpvraag en werken met – indien beschikbaar – een bewezen effectieve interventie. Databanken van het Nederlands Jeugdinstituut, het RIVM en MOVISIE worden daarbij als leidraad gebruikt. Ruimte voor innovatie/nieuwe interventies. ❑ Als er voor een tweede of meerdere keer eenzelfde voorziening wordt aangevraagd moet duidelijk zijn dat er ondanks de al ingezette jeugdhulp een noodzaak bestaat om de voorziening nogmaals in te zetten.
15
Hoofdstuk 4 • In de verordening moet duidelijk worden omschreven wat de gemeente onder eigen kracht verstaat en hoe wordt vastgesteld of een jeugdige of zijn ouders eigen kracht hebben. Dit is geregeld in artikel 4.5. De essentie van de voorgestelde regeling is:
❑ Eigen kracht is aanwezig als er sprake is van a) gebruikelijke hulp, b) bovengebruikelijke hulp als de ouders beschikbaar en in staat zijn om die hulp te bieden, c) ondersteuning vanuit het sociale netwerk en/of d) een afgesloten aanvullende zorgverzekering kan worden aangesproken (artikel 4.5 lid 1).
❑ Gebruikelijke hulp is de ondersteuning die voortkomt uit de normale ontwikkeling van een jeugdige met een bepaalde leeftijd. In een bijlage bij de verordening worden richtlijnen opgenomen om te bepalen welke hulp gebruikelijk is. De richtlijnen benoemen daarbij ondersteuning die in beginsel altijd gebruikelijk is (zoals begeleiden naar sportactiviteiten en ziekenhuisbezoeken) en vormen van ondersteuning die afhankelijk van de leeftijd (boven)gebruikelijk zijn. In de richtlijnen wordt onderkend dat de ontwikkeling per kind kan verschillen. Daarnaast geldt dat bij kinderen met een chronische aandoening, ziekte of beperking het gebruikelijk is dat ouders zelf in beginsel de dagelijkse zorg leveren (artikel 4.5 lid 2). 16
Hoofdstuk 4 ❑ Bij gebruikelijke hulp geen jeugdhulpvoorziening, tenzij er sprake is van (dreigende) overbelasting. Voor (dreigende) overbelasting zijn geobjectiveerde redenen nodig (ziekte, werkverplichtingen). Bij werkverplichtingen geldt dat eerst moet worden geprobeerd om de (dreigende) overbelasting weg te nemen door het werk anders in te richten en/of te verminderen (artikel 4.5 lid 3).
❑ Bij bovengebruikelijke hulp wordt de balans tussen draaglast en draagkracht van de ouders bepaald (artikel 4.5 lid 4). In de verordening is het uitgangspunt neergelegd dat ook bovengebruikelijke hulp hoort bij de verantwoordelijkheid van ouders (artikel 4.5 lid 5), tenzij de draaglast van de ouders daaraan in de weg staat (artikel 4.5 lid 6).
❑ Er wordt onderscheid gemaakt tussen kortdurende (< 3 maanden aansluitend) en langdurende hulp. Voor kortdurende hulp wordt in de verordening bepaald dat het uitgangspunt is dat de draaglast van ouders in beginsel voldoende is om de hulp te kunnen bieden (artikel 4.5 lid 7).
17
Hoofdstuk 4 ❑ Bij structurele situaties wordt de draaglast door het college beoordeeld aan de hand van de relevante omstandigheden van het geval, waaronder het lichamelijke en geestelijke welzijn van de ouders, het eventueel bestaan van problemen bij de ouders, de woonsituatie en de aan- of afwezigheid van een sociaal netwerk (artikel 4.5 lid 8).
❑ Bij het bepalen van (dreigende) overbelasting geldt als uitgangspunten dat (artikel 4.5 lid 10). a) Spanningen door het werk geprobeerd moeten worden op een andere manier verminderd te worden. b) Als dat mogelijk is van ouders herinrichting of verminderen van werk wordt verwacht. c) Het verlenen van hulp aan een jeugdige gaat in principe voor op sociale of maatschappelijke activiteiten van de ouder.
18
Hoofdstuk 5 • Dit hoofdstuk regelt de voorwaarden waaronder een persoonsgebonden budget (pgb) kan worden verstrekt (artikel 5.1 – 5.4) en de hoogte van het pgb (artikel 5.5).
• Belangrijkste voorwaarden voor een pgb: ❑ De ouders of de jeugdige moeten zich voldoende serieus hebben georiënteerd op het gecontracteerde en gesubsidieerde aanbod. Als het college meent dat de jeugdhulp ook binnen dat aanbod passend geleverd kan worden volgt er een gesprek met de ouders. Als na dat gesprek door de ouders wordt vastgehouden aan een pgb dan wordt die keuze gerespecteerd, tenzij die kennelijk onredelijk is. ❑ De budgethouder of de ingeschakelde budgetbeheerder moet voldoende pgb-vaardig zijn. ❑ De met het pgb in te kopen jeugdhulp moet van voldoende kwaliteit zijn. ❑ Er mogen jegens de beoogde uitvoerder geen integriteitsrisico’s bestaan.
19
Hoofdstuk 5 • In artikel 5.3 wordt nader geregeld hoe de pgb-vaardigheid wordt beoordeeld. Enerzijds door de taken te formuleren die de budgethouder of -beheerder in ieder geval moet kunnen verrichten (artikel 5.3 lid 1). Anderzijds door omstandigheden te noemen die het vermoeden rechtvaardigen dat er geen sprake van pgb-vaardigheid (jeugdhulp en budgetbeheer zijn in één hand, er is sprake van ernstige verslavings- of schuldenproblematiek (artikel 5.3 lid 2).
• In artikel 5.4 wordt nader geregeld hoe wordt vastgesteld of de in te kopen jeugdhulp van voldoende kwaliteit is:
❑ Er gelden basiseisen waaraan de uitvoerders van formele en informele jeugdhulp moeten voldoen, o.a. een geldige en voldoende recente VOG, een voldoende beheersing van de Nederlandse taal en werken op basis van een plan waarin activiteiten en doelen zijn vastgelegd (artikel 5.4 lid 2). ❑ Daarnaast gelden voor een uitvoerder van formele hulp aanvullende eisen, o.a. handelen in overeenstemming met de professionele standaard, inschrijving in het BIG- of SKJ-register (artikel 5.4 lid 3).
20
Hoofdstuk 5 • Hoogte van het pgb:
❑ Formele hulp: 90% van het laagst adequate tarief voor dezelfde jeugdhulp in natura geleverd door vrijgevestigden, tenzij de vorm van jeugdhulp niet is gecontracteerd of gesubsidieerd of de jeugdhulp door een niet-gecontracteerde of gesubsidieerde aanbieder moet worden geleverd (artikel 5.5 lid 1).
❑ Informele hulp (geleverd door een persoon uit het sociale netwerk): het wettelijk minimumloon (artikel 5.5 lid 2).
❑ Als uit het budget- en motivatieplan blijkt dat de jeugdhulp ook tegen een lager tarief kan worden ingekocht, dan wordt dat lagere tarief vergoed (artikel 5.5 lid 4).
21
Hoofdstuk 6 en 7 • Hoofdstuk 6 bevat de bevoegdheden om controles uit te voeren en daartoe een toezichthouder aan te wijzen (geen materiële wijzigingen ten opzichte van de huidige verordening).
• Hoofdstuk 7 gaat over het herzien en intrekken van individuele voorzieningen en het terugvorderen van (de geldswaarde van) ten onrechte genoten jeugdhulp in natura of pgb. Deze bevoegdheden zijn op dit moment gedeeltelijk in de verordening en gedeeltelijk in de nadere regels geregeld. In de nieuwe verordening worden de regels over dit onderwerp geconcentreerd in één bepaling in de verordening.
• Intrekken en herzien wordt ook mogelijk als de jeugdige of zijn ouders onvoldoende of niet meewerken aan onderzoeken door het college of aan een tussentijdse evaluatie. Intrekking en herziening is ook mogelijk als er (bij een pgb) integriteitsrisico’s ten aanzien van de uitvoerder opkomen.
22
Hoofdstuk 8 • Dit hoofdstuk bevat ‘overige bepalingen’, zoals regels over de instelling door een jeugdhulpaanbieder van een vertrouwenspersoon en over de afhandeling van klachten door een jeugdhulpaanbieder. Veel van de bestaande bepalingen blijven in de nieuwe verordening ongewijzigd. De belangrijkste wijzigingen zijn:
❑ Aanscherping van de aan voorzieningen te stellen kwaliteitseisen (artikel 8.4). Toegevoegd is dat de hulp moet worden geboden die aansluit bij de problematiek, ontwikkelingsbehoefte en mogelijkheden van de jeugdige en de ouders en dat samenhangende en waar nodig integrale hulp aan de jeugdige en zijn ouders wordt geboden (o.a. naar aanleiding van de lessen die zijn getrokken uit de casus van het Vlaardingse meisje). Verder is het in de inkoop gehanteerde Kwaliteitskader van toepassing verklaard in de verordening.
❑ Afstemming met onderwijs (artikel 8.9). Onderwerpen waarover afspraken met het onderwijs (samenwerkingsverbanden, onderwijsbesturen) moeten worden gemaakt wordt uitgebreid, bijvoorbeeld over afbakening onderwijs-jeugdhulp en over de ondersteuning die de school zelf biedt en de ondersteuningsstructuur van de school.
23
Hoofdstuk 9 •
Dit hoofdstuk bevat de slotbepalingen.
❑ Hardheidsclausule.
❑ Overgangsrecht. Hoofdregel: de nieuwe regels gaan meteen gelden voor alle bestaande situaties. Vanwege de rechtszekerheid worden bepaalde uitzonderingen gemaakt: lopende voorzieningen en bezwaren en beroepen tegen lopende voorzieningen.
24
4. Impact voor inwoners
5. Toelichting op het vervolgproces April-M e i202- :Be sluitvvrm ing • 10 april:Be e ld vvrm e nd e se ssie m e td e raad • 8m e i:O ptivne le e xtra be e ld vvrm e nd e se ssie • 1- m e i:O vrd e e lsvvrm e nd e se ssie • 28m e i:De batraad e n d e fi nitie f be sluit
6. Rondvraag