CConstaterende datBorsele
Koppel je AI →
Document · PDF

8.5 Archeologisch onderzoek

Besluitvormende raadsvergadering 3 november 2022, gemeente BorseleBij agendapunt: Voorstel tot het verklaren van geen bedenkingen voor de bouw van tien levensloopbestendige woningen aan de Laurierstraat te ’s-Gravenpolder (portefeuille wethouder Weststrate)9.346 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Niet gevonden in dit document.

ARTEFACT! RAPPORT 729

‘s-Gravenpolder Laurierstraat Gemeente Borsele Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

M. van den Berg J.E.M. Wattenberghe

ARTEFAC T RAPPORT 729

’S-GRAVENPOLDER LAURIERSTRAAT

Colofon Titel

’s-Gravenpolder Laurierstraat. Gemeente Borsele. Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen.

Auteur(s)

M. van den Berg MA en drs. J.E.M. Wattenberghe

Artefact rapport

729

Status rapport

Definitief Voorliggend rapport is beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid.

Datum

29 september 2022

Projectcode

2022ART98

Projectleider veldwerk

Drs. S. Diependaele (KNA Prospector MA)

ISSN

2213 7424

Autorisatie

Naam

Drs. J.E.M. Wattenberghe (Senior KNA Prospector)

Paraaf

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V. Riemensstraat 9 4543 BW Zaamslag T 0115 851614 E info@artefact-info.nl W www.artefact-info.nl

© Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V., 2022 Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van het hierin verwoorde advies. Alle figuren zijn vervaardigd door de auteur(s) tenzij anders vermeld.

2

ARTEFAC T RAPPORT 729

’S-GRAVENPOLDER LAURIERSTRAAT

Inhoud Samenvatting .......................................................................................................................................... 4 Administratieve Gegevens.......................................................................................................................... 5

1

Inleiding ..................................................................................................................................... 7 1.1 Aanleiding van het onderzoek........................................................................................................7 1.2 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen................................................................................. 8 1.3 Wettelijk kader en beleid ............................................................................................................. 9 1.4 Plangebied, onderzoeksgebied en planvorming ..............................................................................10

2

Archeologische verwachting .................................................................................................... 13 2.1 Aanvullend bureauonderzoek ......................................................................................................14 2.2 Archeologisch verwachtingsmodel ...............................................................................................18

3

Inventariserend veldonderzoek ................................................................................................ 21 3.1 Methoden ................................................................................................................................21 3.2 Geologie en bodem................................................................................................................... 22 3.3 Archeologie ..............................................................................................................................23

4

Conclusie en Advies.................................................................................................................. 24 4.1 Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen................................................................................ 24 4.2 Advies .....................................................................................................................................25

Lijst met figuren ..................................................................................................................................... 26 Bronnen .................................................................................................................................................27

Bijlage 1

AMZ-cyclus......................................................................................................................... 28

Bijlage 2

Verklarende woordenlijst en afkortingen.................................................................................. 29

Bijlage 3

Tijdstabel ........................................................................................................................... 30

Bijlage 4

Planvorming ....................................................................................................................... 32

Bijlage 5

Boorstaten.......................................................................................................................... 34

3

ARTEFAC T RAPPORT 729

’S-GRAVENPOLDER LAURIERSTRAAT

Samenvatting De Gemeente Borsele heeft het voornemen om woningen te realiseren in een plangebied aan de Laurierstraat te ’sGravenpolder. In het kader van de hiertoe benodigde planologische procedure heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed hier een Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd. Eerder in 2022 heeft Artefact al een bureau- en booronderzoek verricht in het nabijgelegen plangebied Seringestraat – Magnoliastraat – Vuurdoornstraat. De bevoegde overheid heeft bepaald dat voor het huidige plangebied geen (nieuw) bureauonderzoek moet worden opgesteld en dat kan worden volstaan met het opstellen van een verwachtingsmodel voor het plangebied, gebaseerd op het reeds uitgevoerde onderzoek, aangevuld met relevante gebiedseigen informatie. Op basis van de resultaten van het hierop volgende booronderzoek kan gesteld worden dat: ⎯ In het plangebied afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, op geërodeerd Hollandveen, op afzettingen het Laagpakket van Wormer aanwezig zijn; ⎯ Geen aanwijzingen zijn gezien voor de aanwezigheid van een archeologische vindplaats; ⎯ Voor alle niveaus kan worden uitgegaan van een lage archeologische verwachting. Zodoende worden er geen archeologische waarden bedreigd door de planvorming. Op basis hiervan wordt geadviseerd dat het plangebied voldoende is onderzocht.

Vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Voor vondsten die (ondanks het vooronderzoek) tijdens de uitvoeringsfase van de toekomstige graafwerkzaamheden aan het licht komen, bestaat een wettelijke meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet (2016).

4

ARTEFAC T RAPPORT 729

’S-GRAVENPOLDER LAURIERSTRAAT

Administratieve Gegevens Projectnaam

’s-Gravenpolder Laurierstraat

Onderzoeksvorm

Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

LOCATIE Provincie

Zeeland

Gemeente

Borsele

Plaats

’s-Gravenpolder

Adres / Locatie

Laurierstraat

Hoekpunten coördinaten RD Centrumcoördinaat RD

NW 52.568 / 386.649 NO 52.629 / 386.691 ZW 52.581 / 386.617 ZO 52.653 / 386.654 52.610 / 386.653

Kaartblad

65H

Kadastraal perceel

Gemeente Borsele, Sectie AG, Perceel 4167

Oppervlakte plangebied

3.006 m²

Vigerende bestemmingsplan

Oostgaarde (2009), enkelbestemming Wonen

BEKENDE WAARDEN Gemeentelijke vindplaats

Geen

AMK status

Geen

Archis vondstlocatie

Geen

Zeeuws Archeologisch Depot

Geen (mail helpdesk 16 augustus 2022)

OPDRACHTGEVER Naam

Gemeente Borsele

Contactpersoon

Mevr. M. Heijdra

Adres

Postbus 1, 4450 AA Heinkenszand

Telefoon

06 25 33 74 16

Email

MHeijdra@Borsele.nl

BEVOEGDE OVERHEID Naam

Gemeente Borsele

Contactpersoon

Mevr. A.I. Elling

Adres

Postbus 1, 4450 AA Heinkenszand

Telefoon

0113 23 83 83

Email

aielling@borsele.nl

5

ARTEFAC T RAPPORT 729

’S-GRAVENPOLDER LAURIERSTRAAT

ADVISEUR BEVOEGDE OVERHEID Naam

Erfgoed Zeeland

Contactpersoon

Dhr. K-J. R. Kerckhaert

Adres

Postbus 49, 4330 AA Middelburg

Telefoon

0113 249715

Email

adviesarcheologie@erfgoedzeeland.nl

BEHEER EN PLAATS DOCUMENTATIE EN VONDSTEN Naam

Zeeuws Archeologisch Depot

Contactpersoon

dhr. J.J. H. van den Berg

Adres Telefoon

Looierssingel 2, 4331 NK Middelburg Postbus 49, 4330 AA Middelburg 0118 670618

Email

jjh.vanden.berg@erfgoedzeeland.nl

E-depot

EDNA (E-Depot Nederlandse archeologie via www.easy.dans.knaw.nl)

UITVOERDER Naam

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed B.V.

Contactpersoon

dhr. J.E.M. Wattenberghe

Adres

Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag

Telefoon

0115 851614

Email

janwattenberghe@artefact-info.nl

Certificaat

ARC-010/2 - BRL4000 SIKB: protocollen 4002, 4003 en 4004

ONDERZOEKSGEGEVENS Planologische aanleiding

Planologische procedure (uitgebreide omgevingsvergunningsprocedure)

Uitvoeringsperiode

23 augustus 2022

Projectnummer Artefact

2022ART98

Archis onderzoeksmelding

5284613100

Vindplaats(en)

-

6

ARTEFAC T RAPPORT 729

1

Inleiding

1.1

Aanleiding van het onderzoek

’S-GRAVENPOLDER LAURIERSTRAAT

In opdracht van de Gemeente Borsele heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd binnen een plangebied aan de Laurierstraat in ‘sGravenpolder. De Gemeente heeft het voornemen om hier tien levensloopbestendige woningen te realiseren. Het plangebied omvat één perceel dat kadastraal bekendstaat onder Gemeente Borsele, Sectie AG, Perceel 4167. De oppervlakte van het plangebied bedraagt 3.006 m².

Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.

Het plangebied is binnen het bestemmingsplan Oostgaarde (2009) gesitueerd in een gebied met enkelbestemming Wonen. Het vigerende gemeentelijke archeologiebeleid is in dit bestemmingsplan echter nog niet opgenomen. In het gemeentelijke archeologiebeleid geldt voor deze locatie een hoge verwachting op het voorkomen van archeologische vindplaatsen (categorie 4; zie hoofdstuk 1.3), hetgeen impliceert dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij werkzaamheden die groter zijn dan 250 m² én dieper reiken dan 0,40 m -mv (meter beneden maaiveld). Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. De voorgenomen herinrichting past niet geheel binnen het bestaande bestemmingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken, zal een uitgebreide omgevingsvergunningprocedure noodzakelijk zijn. In het kader hiervan is voorliggend archeologisch onderzoek uitgevoerd. 7

ARTEFAC T RAPPORT 729

’S-GRAVENPOLDER LAURIERSTRAAT

Een archeologisch vooronderzoek dient in de Provincie Zeeland standaard te bestaan uit Archeologisch Bureauonderzoek en een Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen. Recentelijk is echter door Artefact een Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen uitgevoerd voor het plangebied Seringestraat – Magnoliastraat – Vuurdoornstraat te ’s-Gravenpolder. 1 Aangezien deze locatie in de directe omgeving van het onderhavige plangebied ligt, heeft de bevoegde overheid besloten dat voor het huidige plangebied geen nieuw bureauonderzoek dient te worden opgesteld en dat het archeologische verwachtingsmodel uit zojuist genoemd onderzoek kan worden overgenomen, aangevuld met gebiedseigen informatie, zoals bekende verstoringen in de bodem. 2 Het opgestelde archeologische verwachtingsmodel wordt getoetst door het uitvoeren van een Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen.

1.2

Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen

Een inventariserend veldonderzoek heeft als doel het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Inventariserend veldonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied. Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVO-proefsleuvenonderzoek (IVO-P waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als een IVO-overig (IVO-O waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek). Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen. ⎯ De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Dit kan met een eenvoudige terreininspectie, maar ook door geo-archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes.

Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek. ⎯ Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen. ⎯ Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen Het resultaat van dit onderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk selectieadvies (buiten normen van tijd en geld), op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie-advies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden. 3 Het advies kan dan zijn: vrijgeven, vervolgonderzoek en/of planologische bescherming.

Voorliggend onderzoek Het voorliggend onderzoek betreft een verkennend inventariserend veldonderzoek door middel van boringen waarbij de volgende vragen dienen te worden beantwoord: ⎯ Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? ⎯ Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld?

1 Winterswijk & Delporte 2022. 2 Schriftelijke communicatie mevr. M. Heijdra, d.d. 28 juli 2022. 3 SIKB, Protocol 4003, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: 4-5.

8

ARTEFAC T RAPPORT 729

’S-GRAVENPOLDER LAURIERSTRAAT

⎯ Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? ⎯ Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? ⎯ Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? ⎯ Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd?

1.3

Wettelijk kader en beleid

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, hiermee is het Europese Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van archeologische onderzoeken. De Erfgoedwet moet samen met de (nog in werking te treden) Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. Op landelijk niveau is een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld, waarin het Zeeuws kleigebied als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en -vragen toegelicht worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per periode en complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd die richtinggevend kunnen zijn bij onderzoek. Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017-2020, deze is met een jaar verlengd in 2021. In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld. 4 In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is indien de provincie als bevoegde overheid optreedt.

Daarnaast is in 2016 de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017-2020 gepubliceerd waarin de kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland worden gepresenteerd: ⎯ Basale harde gegevens en diachrone datasets ⎯ Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen ⎯ Uitwerking oud archeologisch onderzoek ⎯ Verdronken land en dorpen ⎯ Onderzoek naar infrastructuur ⎯ Verdedigingswerken in Zeeland ⎯ Boerderijen en rurale nederzettingen ⎯ Voedseleconomie van stad en platteland ⎯ Religieuze en rituele verschijningsvormen ⎯ Scheeps- en onderwaterarcheologie ⎯ Publiekswerking van archeologisch onderzoek Tot slot heeft de provincie een Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. De Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland zijn bevoegde overheid in het kader van de Ontgrondingenwet (die op het voorliggende project niet van toepassing is).

4 Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2 017.

9

ARTEFAC T RAPPORT 729

’S-GRAVENPOLDER LAURIERSTRAAT

Met de komst van de (herziene) Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007, de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 is de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate gedecentraliseerd en verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten worden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden. Daartoe dienen gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren en te verankeren in de ruimtelijke ordening. Als gevolg van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) zijn de burgemeester en wethouders de bevoegde overheid in het kader van de omgevingsvergunning. Het gemeentelijke beleid van Borsele is in 2011 door Vestigia opgesteld 5 en vervolgens door het college van burgemeester en wethouders vastgesteld. In de beleidsnota is geconcludeerd dat de gemeentelijke ondergrond in vier archeologisch relevante lagen kan worden onderverdeeld. Op de hieruit volgende archeologische maatregelenkaart-in-lagen is de archeologische waarde bepaald op basis van bekende landschappelijke en bodemkundige informatie, archeologische waarnemingen en bekende vindplaatsen. Elk van de vastgestelde 8 categorieën vertegenwoordigt een bepaalde archeologische waarde of –wanneer de waarde nog niet is vastgesteld– een archeologische verwachting.

Dit gemeentelijk beleid is meegenomen in de sinds 2011 opgestelde bestemmingsplannen waarbij gebieden met (een) archeologische (verwachtings)waarde een planologische bescherming hebben gekregen. De vrijstellingsgrenzen werden toegekend op basis van de (verwachtings)waarde. Op de vigerende gemeentelijke archeologische maatregelenkaart-in-lagen geldt voor het plangebied: ⎯ Een hoge verwachting (categorie 4) op het niveau van het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk; Laag 1), het Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop; Laag 2) en het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk; Laag 3); ⎯ Geen verwachting (categorie 8) voor het Pleistoceen (Formatie van Boxtel; Laag 4). Het plangebied is binnen het bestemmingsplan Oostgaarde (2009) gesitueerd in een gebied met enkelbestemming Wonen. Het vigerende gemeentelijke archeologiebeleid is in dit bestemmingsplan echter nog niet opgenomen. De hoge archeologische verwachting in het gemeentelijke archeologiebeleid impliceert dat archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij werkzaamheden die groter zijn dan 250 m² én dieper reiken dan 0,40 m -mv.

Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad.

1.4

Plangebied, onderzoeksgebied en planvorming

Het plangebied ligt in een woonwijk in het zuidoosten van het dorp ’s-Gravenpolder. Het plangebied heeft een oppervlakte van 3.006 m² en omvat één braakliggend perceel, dat kadastraal bekendstaat onder Gemeente Borsele, Sectie AG, Perceel 4167. Aan de zuidzijde wordt het plangebied begrensd door de Laurierstraat, aan de noordzijde door een groenstrook met wandel-/fietspad en aan de oost- en westzijde door woonpercelen. De Gemeente Borsele heeft het voornemen om in het plangebied tien levensloopbestendige woningen te realiseren, bestaande uit een rij van drie woningen aan de westzijde, een rij van drie woningen aan de noordzijde, en een rij van vier woningen aan de oostzijde van het plangebied. Een centraal gelegen terrein aan de zuidzijde van het plangebied wordt beplant. De overige inrichting van het plangebied bestaat uit bergingen, parkeerplaatsen, voetpaden en tuinen. Een tekening van het inrichtingsplan is opgenomen in bijlage 4.

5 Alkemade et al. 2011; Brugman et al. 2011.

10

ARTEFAC T RAPPORT 729

’S-GRAVENPOLDER LAURIERSTRAAT

Figuur 2 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op de topografische kaart. Bron: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst, www.imergis.nl.

11

ARTEFAC T RAPPORT 729

’S-GRAVENPOLDER LAURIERSTRAAT

Figuur 3 Plangebied geprojecteerd op een luchtfoto uit 2021. Bron: Beeldmateriaal.nl.

12

ARTEFAC T RAPPORT 729

2

’S-GRAVENPOLDER LAURIERSTRAAT

Archeologische verwachting

Eerder in 2022 heeft Artefact al een bureau- en booronderzoek verricht in het nabijgelegen plangebied Seringestraat – Magnoliastraat – Vuurdoornstraat. 6 Dit ligt circa 60 m ten noorden van het huidige plangebied (figuur 4) en kent dan ook een vrijwel identieke landschappelijke en geologische alsook historisch-geografische ontwikkeling als het huidige plangebied. De bevoegde overheid heeft zodoende bepaald dat voor het huidige plangebied geen (nieuw) bureauonderzoek moet worden opgesteld en dat kan worden volstaan met het opstellen van een verwachtingsmodel voor het plangebied, gebaseerd op het reeds uitgevoerde onderzoek, aangevuld met relevante gebiedseigen informatie. Deze gebiedseigen informatie wordt in hoofdstuk 2.1 besproken. In hoofdstuk 2.2 wordt op basis van de informatie uit het eerdere bureauonderzoek, gecombineerd met de gegevens uit onderhavig hoofdstuk 2.1, het verwachtingsmodel gepresenteerd.

Figuur 4 Situering van het plangebied Seringestraat – Magnoliastraat – Vuurdoornstraat (groene polygoon; Winterswijk & Delporte 2022) ten opzichte van het huidige plangebied (rode polygoon). Bron: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst, www.imergis.nl.

6 Winterswijk & Delporte 2022.

13

ARTEFAC T RAPPORT 729

2.1

’S-GRAVENPOLDER LAURIERSTRAAT

Aanvullend bureauonderzoek

Landschap en geologie Wat betreft landschap en geologie is hoofdstuk 2.2 van het bureauonderzoek van Winterswijk en Delporte op onderhavig plangebied toepasbaar, met uitzondering van de ligging op de Geologische Kaart van Nederland 7. Projectie van het plangebied hierop (figuur 5) leert dat het hele plangebied te situeren is in een zone met code A0.3a met witte ruitjes. Dit wil zeggen dat hier sprake is van Afzettingen van Duinkerke IIIa op oudere Afzettingen van Duinkerke (beide Laagpakket van Walcheren in de nieuwe nomenclatuur) op Hollandveen (Hollandveen Laagpakket in de nieuwe nomenclatuur) op Afzettingen van Calais (Laagpakket van Wormer in de nieuwe nomenclatuur). Ten zuiden en westen van deze zone ligt een groot geelgekleurd gebied met code D0.3a dan wel D0.3b. Dit zijn Afzettingen van Duinkerke III (respectievelijk a en b), oftewel het Laagpakket van Walcheren, veroorzaakt door een grote geul die hier heeft gelopen. Ten oosten van het plangebied is een smallere, kronkelende, lichtgroen gekleurde zone te zien met code Bd0.3a / Bd0.2. Hier is sprake van Afzettingen van Duinkerke IIIa dan wel II die hier erosief op Afzettingen van Calais liggen. Ook dit is door een geultje veroorzaakt. De maaiveldhoogte ligt in het plangebied tussen 0,70 en 1,00 m +NAP, maar bedraagt meestal circa 0,80 m +NAP.

Hiermee wijkt de maaiveldhoogte nauwelijks af van die in het plangebied Seringestraat – Magnoliastraat – Vuurdoornstraat.

Figuur 5 Projectie van het plangebied (rode polygoon) en meest nabijgelegen DINO-boring (blauwe stip) op een uitsnede van de Geologische Kaart van Nederland. Bron: Van Rummelen 1978.

7 Van Rummelen 1978.

14

ARTEFAC T RAPPORT 729

’S-GRAVENPOLDER LAURIERSTRAAT

Op 20 m ten zuiden van het plangebied is een geologische boring (B48H1056) gezet. 8 De situering ten opzichte van het plangebied is te zien op figuur 5. Hier bestaat de ondergrond uit klei- en zandafzettingen van het Laagpakket van Walcheren op een 0,80 m dikke laag Hollandveen (bovenzijde op 2,30 m -mv/ 1,50 m -NAP) op zandige kleiafzettingen van het Laagpakket van Wormer (bovenzijde op 3,10 m -mv/ 2,30 m -NAP). Het Laagpakket van Wormer reikt tot de einddiepte van 9,71 m -mv/ 8,91 m -NAP. Gezien de nabijheid van deze boring bij het plangebied is het aan te nemen dat de diepteligging van de geologische eenheden in het plangebied vergelijkbaar zal zijn. Een appelboormodel, aangemaakt via het DINOloket, 9 geeft voor het plangebied tot een diepte van 2,00 m -mv/ 1,75 m -NAP het Laagpakket van Walcheren aan, met hieronder een 1 m dikke laag Hollandveen en vervolgens vanaf 3,00 m -mv/ 2,75 m -NAP het Laagpakket van Wormer. Dit reikt volgens het model tot 16,50 m -mv/ 16,25 m -NAP; hieronder ligt de Formatie van Boxtel. Historie De door Winterswijk en Delporte beschreven historisch-geografische ontwikkeling is goeddeels ook van toepassing op onderhavig plangebied. Historisch kaartmateriaal geeft geen aanwijzingen dat er op enig moment bebouwing in het huidige plangebied aanwezig is geweest.

Op de Kadastrale Minuut uit de eerste helft van de 19de eeuw is te zien dat het plangebied op dat moment deel uitmaakte van twee langgerekte kavels, die zich uitstrekten van de Langeweg in het noorden tot de Haagdijk in het zuiden. Deze kavels staan in de Oorspronkelijke Aanwijzende Tafels aangeduid als bouwland.

8 www.dinoloket.nl/ondergrondgegevens. 9 www.dinoloket.nl/ondergrondmodellen.

15

ARTEFAC T RAPPORT 729

’S-GRAVENPOLDER LAURIERSTRAAT

Figuur 6 Projectie van het plangebied (roze polygoon) op een uitsnede van de gedigitaliseerde Kadastrale Minuut (circa 1832). Bron: Geoloket Cultuurhistorie Provincie Zeeland.

Uit kaartmateriaal van later datum blijkt dat het plangebied ook nadien deel bleef uitmaken van onbebouwd agrarisch gebied. Omstreeks het begin van deze eeuw verrees direct ten westen van het plangebied een woonwijk. Vanaf 2010 werd deze woonwijk in oostelijke richting uitgebreid, maar bleef het plangebied vooralsnog braakliggend. Topografische kaarten noch luchtfoto’s geven concrete aanwijzingen voor verstoringen, behalve verstoringen als gevolg van agrarisch gebruik, zoals ploegen en het graven van perceelsgreppels (de percelering is geregeld gewijzigd). Op de kaarten en foto’s is ook te zien dat een noordelijk deel van het plangebied in de 20 ste eeuw in gebruik is geweest als boomgaard. De doorworteling van bomen en de bewerking van het land kunnen tot verstoringen van onbekende diepte hebben geleid. De KLIC-melding levert voor het plangebied geen aanwijzingen op voor verstoringen als gevolg van de aanleg van kabels en leidingen. Raadpleging van (de website van) het Zeeuws Archief leverde geen aanvullende informatie op. De opdrachtgever heeft aangegeven dat het perceel in het verleden is onderzocht op bodemverontreinigingen en toen geschikt is bevonden voor wonen. Omdat het bodemonderzoek inmiddels verouderd is, wordt opnieuw onderzoek uitgevoerd. Dit onderzoek moet nog plaatsvinden, maar er worden geen bijzonderheden verwacht.

10 Ook bij het Bodemloket11 zijn geen saneringen in het plangebied bekend.

10 Schriftelijke mededeling mevr. M. Heijdra (Gemeente Borsele), d.d. 8 augustus 2022. 11 www.bodemloket.nl, geraadpleegd op 16 augustus 2022.

16

ARTEFAC T RAPPORT 729

’S-GRAVENPOLDER LAURIERSTRAAT

Archeologie Het bureau- en booronderzoek in plangebied Seringestraat – Magnoliastraat – Vuurdoornstraat werd uitgevoerd in het kader van een bestemmingsplanwijziging. De situering van betreffend plangebied ten opzichte van het huidige plangebied staat weergegeven op figuur 4. In het betreffende onderzoek werd vastgesteld dat: ⎯ De afzettingen van het Laagpakket van Walcheren bestaan uit kwelder- op overgangsafzettingen; ⎯ De bovenste laag van het Laagpakket van Walcheren doorwerkt is tot een akkerlaag (aanwezig vanaf 0,50 m -mv/ 0,35 m +NAP met daarboven een pakket opgebrachte grond; ⎯ De top van het Hollandveen (bovenzijde op 2,75 - 3,05 m -mv/ 2,09 - 2,18 m -NAP) is geërodeerd. Er zijn geen aanwijzingen voor moernering; ⎯ Het Laagpakket van Wormer (wadafzettingen, amper bodemvorming) intact aanwezig is vanaf 3,72 - 4,20 m -mv/ 3,06 – 3,33 m -NAP; ⎯ Geen aanwijzingen zijn gezien voor de aanwezigheid van vindplaatsen. Op basis hiervan werd de verwachting op het voorkomen van vindplaatsen voor het Neolithicum tot en met de MiddenIJzertijd, de Middeleeuwen en de Nieuwe Tijd laag gesteld. Voor de Late IJzertijd en Romeinse tijd geldt geen verwachting meer. Geadviseerd is geen dubbelbestemming archeologie op te nemen in het nieuw op te stellen bestemmingsplan. Archeologisch vervolgonderzoek werd voor betreffend plangebied niet noodzakelijk geacht.

Na afloop van bovengenoemd onderzoek zijn in de tussentijd in Archis geen nieuwe onderzoeken of vondstlocaties aangemeld in een straal van 200 m rond het huidige plangebied. Navraag bij het Zeeuws Archeologisch Depot (mail helpdesk archeologie d.d. 16 augustus 2022) heeft geen aanvullende informatie opgeleverd t.a.v. het plangebied. Op de luchtfoto’s die zijn bestudeerd ten behoeve van het plangebied Seringestraat – Magnoliastraat – Vuurdoornstraat zijn geen aanwijzingen voor mogelijke vindplaatsen gezien in of nabij het huidige plangebied. Bouw- en cultuurhistorische waarden Raadpleging van het Geoloket Cultuurhistorie van de Provincie Zeeland leert dat in, dan wel direct grenzend aan het plangebied geen bouw- en cultuurhistorische waarden worden aangegeven, behalve het feit dat het plangebied deel uitmaakt van de ’s-Gravenpolder, die in de eerste helft van de 14 de eeuw werd bedijkt in de Zwake als aanwas van de polder De Breede Watering bewesten Yerseke. Raadpleging van de Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) leert dat binnen, of direct grenzend aan, het plangebied geen militaire relicten uit de Tweede Wereldoorlog worden aangegeven.

Samenvattend blijkt uit het aanvullende bureauonderzoek het volgende: ⎯ In het plangebied zijn afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, op het Hollandveen Laagpakket, op het Laagpakket van Wormer te verwachten; ⎯ De maaiveldhoogte ligt in het plangebied tussen 0,70 en 1,00 m +NAP, maar bedraagt meestal circa 0,80 m +NAP; ⎯ Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor de aanwezigheid van vindplaatsen; ⎯ Het plangebied lijkt eeuwenlang agrarisch te zijn gebruikt. Het agrarische gebruik kan verstoringen hebben veroorzaakt (ploegen, boomteelt, aanleg perceelsgreppels), voor andersoortige verstoringen zijn geen aanwijzingen gezien.

17

ARTEFAC T RAPPORT 729

2.2

’S-GRAVENPOLDER LAURIERSTRAAT

Archeologisch verwachtingsmodel

In het plangebied zijn afzettingen van het Laagpakket van Walcheren, op het Hollandveen Laagpakket, op het Laagpakket van Wormer te verwachten. Het Laagpakket van Wormer reikt naar verwachting tot op grote diepte. De maaiveldhoogte ligt in het plangebied tussen 0,70 en 1,00 m +NAP, maar bedraagt meestal circa 0,80 m +NAP. Op basis van de gegevens en het model van het DINOloket valt de bovenzijde van het Hollandveen Laagpakket te verwachten op 2,00 - 2,30 m -mv/ 1,50 – 1,75 m -NAP en die van het Laagpakket van Wormer op 3,00 – 3,10 m -mv/ 2,30 – 2,75 m -NAP. Bij het eerdere booronderzoek in het plangebied Seringestraat – Magnoliastraat – Vuurdoornstraat lagen deze eenheden iets dieper: het Hollandveen vanaf 2,75 m -mv/ 2,09 m -NAP en het Laagpakket van Wormer vanaf 3,72 m -mv/ 3,06 m -NAP. Onderstaand verwachtingsmodel is overgenomen uit het bureauonderzoek naar het plangebied Seringestraat – Magnoliastraat – Vuurdoornstraat, 12 waar nodig aangepast naar het onderhavige plangebied. Per niveau zal de archeologische verwachting worden besproken. Enkel perioden met een middelhoge of hoge verwachting zijn vervolgens in de verwachtingstabellen opgenomen. Oud getijdenlandschap – Laagpakket van Wormer – Formatie van Naaldwijk Volgens de gemeentelijke Maatregelenkaart geldt een hoge verwachting voor het Laagpakket van Wormer binnen het plangebied.

In de top van dit pakket kunnen resten worden aangetroffen uit het Neolithicum. In de DINO-boringen uit de nabije omgeving worden deze afzettingen echter met name beschreven als een kleiig pakket. Dit wijst erop dat de zone rondom het onderzoeksareaal deel uitmaakte van een getijdengebied en dus niet geschikt was voor bewoning. Daarenboven zijn er geen vondsten in de omgeving bekend uit het Neolithicum. Voor het Laagpakket van Wormer wordt de archeologische verwachting dan ook bijgesteld naar middelhoog. Datering

Neolithicum

Complextype Soort vindplaats

Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving, agrarische productie en voedselvoorziening Vindplaatsen met zowel grondsporen als een vondststrooiing

Omvang

Huisplaats: 500 - 2.000 m²

Uiterlijke kenmerken

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal

Vondstdichtheid

Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²

Diepteligging

Vanaf 3,00 – 3,72 m -mv/ 2,30 – 3,06 m -NAP

Locatie

Volledig plangebied

Gaafheid en conservering

Goed tot matig: afgedekt landschap met goede bewaarcondities voor o.a. organisch materiaal -

Mogelijke verstoringen

Veenlandschap – Hollandveen Laagpakket – Formatie van Nieuwkoop In het Hollandveen kunnen resten worden verwacht uit de Bronstijd tot Midden-IJzertijd. Gedurende dit tijdperk bestond de omgeving van het plangebied uit een groot veenmoeras dat, vanwege de natte omstandigheden, vermoedelijk ongunstig was voor bewoning. In de ruimere omgeving zijn geen vindplaatsen of vondsten bekend uit deze periode en dus kan van een lage archeologische verwachting worden uitgegaan. Vindplaatsen en resten uit de Late IJzertijd tot en met de Romeinse Tijd kunnen worden verwacht in de (intacte) top van het Hollandveen. Volgens de Maatregelenkaart van de gemeente Borsele geldt een hoge verwachting voor deze 12 Winterswijk & Delporte 2022.

18

ARTEFAC T RAPPORT 729

’S-GRAVENPOLDER LAURIERSTRAAT

periode. In de omgeving van ’s-Heer Abtskerke, een dorp net ten noordoosten van ’s-Gravenpolder, zijn Romeinse resten gevonden in de vorm van een ovenbatterij met bijbehorende afvallagen. 13 Bij Kapelle Smokkelhoek werden enkele Romeinse sporen waargenomen. 14 Voor de Late IJzertijd en Romeinse tijd geldt een hoge verwachting. Het plangebied ligt op de overgang tussen het komgebied en inversierug. Naar verwachting is de top van het veen dan ook in een deel van het plangebied geërodeerd. De resultaten van eerder onderzoek en de gegevens uit het DINO-loket duiden hierop, maar zijn niet eenduidig. Onderzoeken die ten westen van het plangebied zijn uitgevoerd, laten een bodemprofiel zien van diepreikende geulafzettingen waarbij het veen volledig is geërodeerd, terwijl in drie DINOboringen in de nabije omgeving van het plangebied veen is aangetroffen vanaf een diepte van 2,10 m -mv/ 1,50 m NAP. Waar het veen (deels) is geërodeerd of gemoerneerd, vervalt de verwachting voor de Late IJzertijd en Romeinse tijd. Aanwijzingen voor moernering zijn evenwel niet waargenomen. Datering

Late IJzertijd - Romeinse tijd

Complextype

Rurale nederzettingen, grafvelden, sporen gerelateerd aan ambachtelijke activiteiten, infrastructuur: grondsporen (paalsporen, afvalkuilen, greppels) en houten paaltjes in het veen, bodembewerking in functie van de landbouw

Soort vindplaats

Vindplaatsen met grondsporen; mogelijk vondststrooiing; off-site vindplaatsen

Omvang

Vondstdichtheid

> 200 m2; de omvang van deze vindplaatsen varieert sterk en is afhankelijk van de aard van de vindplaats De archeologische resten zullen zich kenmerken door bewerkt natuursteen (zoals maalstenen), bewerkte organische resten (hout, bot) en aardewerk en bouwkeramiek. Tevens bestaat de mogelijkheid dat er houtskool wordt aangetroffen. Nederzettingsterreinen kunnen zich ook vertalen in een zwak heterogene en/of brokkelige, losse structuur in het veen, soms met bijmenging van klei Zeer laag: < 40 per m².

Diepteligging

Vanaf 2,00 – 2,75 m -mv/ 1,50 – 2,09 m -NAP

Locatie

Volledig plangebied

Gaafheid en conservering

Matig: afgedekt landschap met goede bewaarcondities voor o.a. organisch materiaal. Omdat dit (bij aanvang) een relatief organisch rijk en vochtig niveau betreft en dit naderhand in een vochtig zuurstofarm pakket gelegen is, zal naar verwachting de conservering van organische materialen redelijk goed zijn. Mogelijk is de bovenzijde van het pakket aangetast door erosie; moernering valt niet uit te sluiten -

Uiterlijke kenmerken

Mogelijke verstoringen

Jong getijdenlandschap – Laagpakket van Walcheren – Formatie van Naaldwijk Schriftelijke bronnen betreffende de bewoning in de ruime omgeving van het plangebied verschijnen niet eerder dan met het ontstaan van de ’s-Gravenpolder aan het begin van de 14 e eeuw. Kort na de inpoldering van dit gebied is het gelijknamige dorp ontstaan. Betrouwbare kaarten voor deze polder zijn in de Middeleeuwen niet bekend en dus kan er weinig geconcludeerd worden over de bewoning in of rondom het plangebied in deze periode. Het lag weliswaar niet in de dorpskern, maar de aanwezigheid van individuele boerderijen is mogelijk, aangezien dit gebied wel hoger ligt dan de aangrenzende komgronden. De verwachting voor het aantreffen van vindplaatsen uit de Middeleeuwen wordt, overeenkomstig de gemeentelijke Maatregelenkaart, hoog geacht. Datering

Middeleeuwen

Complextype

Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, infrastructuur en nijverheid

Soort vindplaats

Vindplaatsen met alleen grondsporen; mogelijk vondststrooiing; off-site vindplaatsen; vindplaatsen met een archeologische laag

13 Monumentnummer 13584 en Archis onderzoeksmelding 4887382100. 14 De Groot & Warning 2010.

19

ARTEFAC T RAPPORT 729

’S-GRAVENPOLDER LAURIERSTRAAT

Omvang

Huisplaats: 500-2.000 m²; Nederzetting: 2.000-8.000 m²

Uiterlijke kenmerken

Vondstdichtheid

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; voorkomen van 'vuile' laag of antropogeen doorwerkte bodem/sporen(niveau); voorkomen van leef-, cultuur- of ophooglagen Hoog: > 80 per m²

Diepteligging

Maaiveld/ onder bouwvoor

Locatie

Volledig plangebied

Gaafheid en conservering

Matig tot goed: een zavelige bovengrond met matig tot goede bewaarcondities voor o.a. organisch materiaal Mogelijk bovenin wat verstoord door het gebruik als boomgaard (deels) en (diep)ploegen van het landbouwgebied, aanleg perceelsgreppels

Mogelijke verstoringen

De verwachting voor de Nieuwe Tijd is daarentegen laag. Kaartmateriaal geeft geen aanwijzingen dat het gebied gedurende deze periode enig ander gebruik heeft gekend dan agrarisch.

20

ARTEFAC T RAPPORT 729

’S-GRAVENPOLDER LAURIERSTRAAT

3

Inventariserend veldonderzoek

3.1

Methoden

Het voorliggend onderzoek betreft een Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). In de aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland staat immers beschreven dat het, op basis van het voorafgaand bureauonderzoek, opgestelde archeologisch verwachtingsmodel door een verkennend booronderzoek moet worden getoetst. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 (IVO-O) van de KNA 4.1, de Aanvullende Richtlijnen van de Provincie Zeeland (2019) en het hiertoe opgestelde Plan van Aanpak15. Het verkennend booronderzoek is niet de meest geschikte methode voor het in kaart brengen van (de aan- of afwezigheid) van archeologische vindplaatsen; dit vormde evenwel ook niet het doel van het onderzoek, waarbij het bepalen van de landschappelijke vormeenheden en het toetsen van het archeologische verwachtingsmodel voorop stond. De strategie en werkwijze is afgestemd op de bovengenoemde richtlijnen en in onderstaande tabel opgenomen: Aantal boringen

4

Grid

Zoveel mogelijk verspreid over het plangebied en rekening houdend met planvorming

Dichtheid

8 boringen per hectare (4 boringen voor plangebieden < 5.000 m²)

Plaats- en hoogtebepaling

RTK-GNSS (GPS & GLONASS, max. afwijking horizontaal/verticaal= 2cm)

Boorgegevens

Digitaal vastgelegd op iPad

Gebruikte codelijsten - standaard

(afgeleide van) ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode) en ABR (Archeologisch Basis Register)

Boordiepte

Maximaal 4 m -mv/ 3,23 m -NAP

Gehanteerde boor

Edelmanboor (Ø 7 cm tot circa 1,0 m -mv), Gutsboor (Ø 3 cm)

Opsporen indicatoren

In het veld visueel door versnijden/verbrokkelen

Monstername

Geen

Oppervlaktekartering

Geen

Tijdens het beschrijven van de boringen is verder specifieke aandacht besteed aan de volgende geologische en bodemkundige kenmerken: ⎯ de aard, kleur en kalkgehalte van het sediment ⎯ aard van de laagovergangen (erosieverschijnselen) ⎯ de genese van de laag ⎯ bodemvormende kenmerken (bodemvorming/veraarding, ontkalking, rijping e.d.) ⎯ de diepteligging van het reductievlak De boorpuntenkaart wordt afgebeeld op figuur 10, de boorstaten zijn opgenomen in bijlage 5.

15

Delporte, F.M.J. en M. van den Berg, 18-08-2022. Plan van Aanpak Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen ’s-Gravenpolder Laurierstraat.

21

ARTEFAC T RAPPORT 729

’S-GRAVENPOLDER LAURIERSTRAAT

Figuur 7 Boorpunten geprojecteerd op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst, www.imergis.nl.

3.2

Geologie en bodem

Het booronderzoek heeft een goed beeld opgeleverd van de bodemopbouw binnen het plangebied. In dit hoofdstuk worden de resultaten besproken. Oud getijdenlandschap – Laagpakket van Wormer – Formatie van Naaldwijk In alle vier boringen is aan de basis lichtgrijze klei aangetroffen met hierin riet. Deze afzettingen zijn tot het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk) gerekend. In het oosten van het plangebied (boringen 1 en 2) zijn deze afzettingen aan de top kleiig en bevatten zij aan de top veel riet, hetgeen de geleidelijke overgang markeert naar het bovengelegen rietveen (zie hieronder). Duidelijke sporen van bodemvorming zijn niet waargenomen. Het Laagpakket van Wormer is intact; de top is aan te treffen op diepten van 3,40 – 3,70 m -mv/ 2,58 - 2,81 m -NAP. Veenlandschap – Hollandveen Laagpakket – Formatie van Nieuwkoop In alle boringen wordt het Laagpakket van Wormer afgedekt door een laag veen, in dikte variërend van 0,50 tot 0,85 m. Aan de onderzijde betreft dit mineraalarm, zwak amorf, geelbruin rietveen. Naar boven toe gaat dit rietveen geleidelijk over in mineraalarm, matig amorf, roodbruin tot donkerroodbruin mosveen. In boring 1 wordt dit mosveen nog afgedekt door een dunne laag donkerbruin, sterk amorf bosveen. Dit hele veenpakket is gerekend tot het Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop).

De bovenzijde is aan te treffen op diepten van 2,55 – 3,10 m -mv/ 1,88 - 2,21 m -NAP. Aanwijzingen voor moernering zijn niet waargenomen. Overal wordt het veen erosief afgedekt door geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren (zie hieronder); de top van het Hollandveen Laagpakket is zodoende niet intact. 22

ARTEFAC T RAPPORT 729

’S-GRAVENPOLDER LAURIERSTRAAT

Jong getijdenlandschap – Laagpakket van Walcheren – Formatie van Naaldwijk In alle boringen wordt het veen afgedekt door een pakket kleiige geulafzettingen, bestaande uit matig slappe, lichtgrijze, kalkrijke klei met dunne zandlagen. Op de meeste plaatsen (boringen 2, 3 en 4) zijn deze afzettingen onderin sterk siltig. Naar boven toe worden ze zwak zandig en is het aantal zandlagen groter. Op een diepte van 1,70 – 1,80 m -mv/ 0,83 - 1,03 m -NAP volgt een geleidelijke overgang naar een hierboven gelegen pakket van siltig, licht oranjegrijs gekleurd, kalkrijk zand met schelpfragmenten dan wel schelpgruis. Zowel de kleiige geulafzettingen als de hierop gelegen zandige afzettingen zijn te rekenen tot het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk). Bovenin de zandige afzettingen van het Laagpakket van Walcheren is in alle vier boringen sprake van een matig humeuze, sterk tot uiterst siltige, lichtbruin gekleurde laag met een dikte van 0,15 tot 0,35. Deze laag is geïnterpreteerd als een oude akkerlaag. Deze is aan te treffen onder de bouwvoor, op diepten van 0,35 - 0,50 m -mv/ 0,54 - 0,32 m +NAP. De bouwvoor is 0,20 tot 0,35 m dik en bestaat uit sterk siltig, zwak tot matig humeus lichtbruin zand. In boring 4 werd tussen de bouwvoor en oude akkerlaag nog een 0,30 m dikke tussenliggende, zwak humeuze laag aangetroffen.

3.3

Archeologie

Tijdens het booronderzoek zijn in alle boringen archeologische indicatoren aangetroffen. Dit betreft puinbrokjes dan wel puinspikkels. Deze bevinden zich in de oude akkerlaag en in de bouwvoor. De indicatoren zijn niet scherp te dateren en zeggen vanwege het gebrek aan context niets over het gebruik van het plangebied in het verleden. Ook wijzen ze niet op de aanwezigheid van een vindplaats. Mogelijke cultuurlagen of grondsporen zijn niet aangetroffen; ook zijn er geen vondsten gedaan of intacte afgedekte (oudere) bodems vastgesteld. .

23

ARTEFAC T RAPPORT 729

4

Conclusie en Advies

4.1

Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen

’S-GRAVENPOLDER LAURIERSTRAAT

Op basis van de beschikbare aardwetenschappelijke, archeologische en historische gegevens zoals deze zijn opgenomen in het eerder opgestelde bureauonderzoek, aangevuld met gebiedseigen informatie, is een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Tijdens het inventariserende veldonderzoek is het opgestelde verwachtingsmodel door middel van vier boringen getoetst. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde booronderzoek kunnen de onderstaande onderzoeksvragen worden beantwoord en kan het verwachtingsmodel worden bijgesteld en verfijnd. ⎯ Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? In het plangebied zijn op diepten vanaf 3,40 m -mv/ 2,58 m -NAP kleiige afzettingen van het Laagpakket van Wormer aanwezig met riet. Hier bovenop heeft zich veen gevormd van het Hollandveen Laagpakket. Hiervan is een deel nog aanwezig. Aanwijzingen voor moernering zijn niet waargenomen. Het veen is aan te treffen op diepten vanaf 2,55 m mv/ 1,88 m -NAP. De oorspronkelijke top van het veen is geërodeerd door geulafzettingen van het Laagpakket van Walcheren. Deze kleiige geulafzettingen worden afgedekt door zandige afzettingen, eveneens van het Laagpakket van Walcheren. Op basis van historische gegevens is bekend dat het plangebied is ingepolderd in de eerste helft van de 14de eeuw en sindsdien in het buitengebied van het dorp ’s-Gravenpolder heeft gelegen.

De bovenzijde van het Laagpakket van Walcheren bestaat uit een oude akkerlaag met hierboven een moderne bouwvoor. ⎯ Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? De bodem is intact, er zijn geen verstoringen vastgesteld. ⎯ Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Er zijn in het plangebied geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van vindplaatsen vastgesteld. ⎯ Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Op basis van het verwachtingsmodel bestond een middelhoge verwachting voor het Neolithicum op/in de top van het Laagpakket van Wormer, een lage verwachting voor de Bronstijd t/m Midden-IJzertijd in het Hollandveen, een hoge verwachting voor de Late-IJzertijd en Romeinse tijd op/in de top van het Hollandveen, een hoge verwachting voor de Middeleeuwen op/in het Laagpakket van Walcheren en een lage verwachting voor de Nieuwe Tijd. Op basis van het booronderzoek kunnen deze verwachtingen deels worden bijgesteld. ⎯ Het Laagpakket van Wormer is weliswaar intact aanwezig, maar de kleiige afzettingen met riet wijzen op zeer natte omstandigheden gedurende het Neolithicum, die het gebied ongeschikt maakten voor bewoning.

Het valt niet uit te sluiten dat er op dit niveau archeologische resten aanwezig zijn, maar hierbij valt vooral te denken aan mogelijke restanten van tijdelijke aanwezigheid in het gebied, zoals pijlpunten. Dergelijke losse vondsten zijn een toevalstreffer. In de omgeving zijn nog geen vondsten uit deze periode bekend. Zodoende wordt de verwachting voor het Neolithicum bijgesteld naar laag. ⎯ Het booronderzoek geeft geen aanleiding om de lage verwachting voor de Bronstijd t/m Midden-IJzertijd naar boven bij te stellen. ⎯ Het Hollandveen Laagpakket is geërodeerd vanuit het Laagpakket van Walcheren en zodoende niet intact. Hierdoor kan de verwachting voor de Late IJzertijd en Romeinse tijd worden bijgesteld naar laag. ⎯ Voor mogelijke vindplaatsen uit de Middeleeuwen en Nieuwe Tijd is op het niveau van het Laagpakket van Walcheren geen enkele aanwijzing vastgesteld. Zodoende kan de verwachting voor de Middeleeuwen worden bijgesteld naar laag en is er geen aanleiding om de lage verwachting voor de Nieuwe Tijd bij te stellen.

24

ARTEFAC T RAPPORT 729

’S-GRAVENPOLDER LAURIERSTRAAT

⎯ Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? In het plangebied zal volgens de planvorming woningbouw plaatsvinden. Voorgenomen ontgravingsdiepten en funderingsmethoden waren ten tijde van het opstellen van voorliggend rapport nog niet bekend. Omdat op basis van het booronderzoek de archeologische verwachting voor elke periode vanaf het Neolithicum naar laag is bijgesteld, worden naar verwachting geen archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling. ⎯ Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonde rzoek wordt geadviseerd? Het plangebied is in voldoende mate onderzocht; vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht.

4.2

Advies

In bovenstaande hoofdstukken wordt het archeologisch potentieel binnen het plangebied geïllustreerd. Hieruit is gebleken dat in het hele plangebied een lage archeologische verwachting geldt voor alle perioden vanaf het Neolithicum. Hierdoor worden naar verwachting geen archeologische waarden bedreigd. Het plangebied is daarmee voldoende onderzocht; archeologisch vervolgonderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Omdat dit advies geldt voor het hele plangebied, is geen advieskaart in de rapportage opgenomen. Tot slot dient het volgende opgemerkt. Het is niet uit te sluiten dat desondanks toch relevante archeologische vindplaatsen in de bodem verborgen zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de toekomstige graafwerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet (2016).

Om ervoor te zorgen dat aan deze wettelijke plicht wordt voldaan bij het eventueel aantreffen van sporen en/of vondsten tijdens de uitvoering van de werkzaamheden, wordt verzocht om navolgende tekst in het uitvoeringsbestek op te nemen: Archeologie Ondanks het feit dat er bij het vooronderzoek geen behoudenswaardige archeologische waarden werden aangetroffen, is niettemin de kans aanwezig dat archeologische sporen en vondsten in de bodem aanwezig zijn en dat deze in de uitvoeringsfase van de graaf- en inrichtingswerkzaamheden aan het licht komen. Voor dergelijke vondsten bestaat een wettelijke meldingsplicht ex. artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit 2016. Bij graafwerkzaamheden dient men dan ook attent te zijn op eventuele vondsten. Opdrachtgever verplicht de aannemers om attent te zijn op eventuele vondsten en/of sporen tijdens de werkzaamheden en verplicht hen archeologische vondsten direct te melden bij de bevoegde overheid.

Voorliggend rapport is beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid. Deze heeft aangegeven het advies over te nemen. 16

16 Mailcorrespondentie K.-J. Kerckhaert (Erfgoed Zeeland) d.d. 28 september 2022.

25

ARTEFAC T RAPPORT 729

’S-GRAVENPOLDER LAURIERSTRAAT

Lijst met figuren Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors............................................ 7 Figuur 2 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op de topografische kaart. Bron: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst, www.imergis.nl. ........................................................................................................................11 Figuur 3 Plangebied geprojecteerd op een luchtfoto uit 2021. Bron: Beeldmateriaal.nl. ..................................... 12 Figuur 4 Situering van het plangebied Seringestraat – Magnoliastraat – Vuurdoornstraat (groene polygoon; Winterswijk & Delporte 2022) ten opzichte van het huidige plangebied (rode polygoon). Bron: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst, www.imergis.nl. ..............................................................................................................13 Figuur 5 Projectie van het plangebied (rode polygoon) en meest nabijgelegen DINO-boring (blauwe stip) op een uitsnede van de Geologische Kaart van Nederland. Bron: Van Rummelen 1978. ................................................. 14 Figuur 6 Projectie van het plangebied (roze polygoon) op een uitsnede van de gedigitaliseerde Kadastrale Minuut (circa 1832). Bron: Geoloket Cultuurhistorie Provincie Zeeland. ......................................................................

16 Figuur 8 Boorpunten geprojecteerd op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst, www.imergis.nl. ....................................................................................................................... 22

26

Bronnen Literatuur Alkemade, M., R.M. van Heeringen en W.A.M. Hessing, 2011. Archeologiebeleid gemeente Borsele. Deel A: Beleidsnota archeologie, Vestigia-rapport V702-A, Amersfoort. Brugman, B.A., R.M. van Heeringen en R. Schrijvers, 2011. Archeologiebeleid gemeente Borsele. Deel B: Toelichting beleidskaart, Vestigia-rapport V702-B, Amersfoort. Groot, R.W. de en S. Warning, 2010. Aardgasleiding Zuid-Beveland, gemeente Reimerswaal, Kapelle en Borsele; een archeologische begeleiding. RAAP-rapport 1815, Weesp. Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA), versie 4.1, 19 februari 2018, Stichting Infrastructuur en Kwaliteitsborging Bodembeheer, Gouda. Provinciaal Blad van Zeeland, nr. 8080, 2019. Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland van 10 december 2019, kenmerk 19434306, houdende vaststelling regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. Provincie Zeeland, 2017. Wie wat bewaart, die heeft wat. Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 20172020. Middelburg. Rummelen, F.F.F.E. van, 1978. Toelichtingen bij de Geologische Kaart van Nederland, Beveland, 1:50.000. Rijks Geologische Dienst, Haarlem. Winterswijk, D.G. en F.M.J. Delporte, 2022. ’s-Gravenpolder Seringestraat – Magnoliastraat - Vuurdoornstraat Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen.

Artefact! Rapport 684, Zaamslag.

Websites Actueel Hoogtebestand Nederland: http://www.ahn.nl. Archeologisch informatiesysteem Archis 3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort: https://archis.cultureelerfgoed.nl/ Bodemloket: https://www.bodemloket.nl DINOloket: www.dinoloket.nl Geoloket Atlas van Zeeland: https://kaarten.zeeland.nl/map/atlasvanzeeland Geoloket Cultuurhistorie Provincie Zeeland: http://zldgwb.zeeland.nl/gwbh5/?Viewer=Cultuur%20Historie

Bijlage 1

AMZ-cyclus

De KNA-processen in relatie tot de Archeologische Monumentenzorg (AMZ). Bron: SIKB, Protocol 4001, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018:p.4

28

Bijlage 2

Verklarende woordenlijst en afkortingen

Afkortingen - mv

beneden maaiveld

KNA

Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie

n. Chr.

na Christus

NAP

Nieuw Amsterdams Peil

v. Chr.

voor Christus

Woordenlijst Antropogeen

door menselijk handelen

ARCHIS

het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Dit bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen, daterend van de Prehistorie tot de Nieuwe Tijd

Erosie

verzamelnaam voor processen die het aardoppervlak aantasten en los materiaal afvoeren. Dit vindt voornamelijk plaats door wind, ijs en stromend water

Geul

rivier- of kreekbedding

Holoceen

geologisch tijdvak, vroeger Alluvium genoemd, binnen het Quartair, van ongeveer 10.000 jaar geleden tot nu, met daarin o.a. het Mesolithicum, Neolithicum, de Bronstijd, de IJzertijd, de Romeinse Tijd en de historische tijd

In situ

bewaard gebleven op de oorspronkelijke plaats. Dit met name met betrekking tot onverstoorde archeologische sporen en vondsten

Moernering

veenafgraving, hoofdzakelijk ten behoeve van zoutwinning en de winning van brandstof

OM-nummer

het landelijk registratienummer ten behoeve van archeologisch onderzoek, uitgegeven door het Centraal Informatiesysteem

Sediment

afzetting gevormd door bezinksel of neerslag

Site

een plaats waar in het verleden menselijke activiteiten hebben plaatsgevonden

Vindplaats

een ruimtelijk begrensd gebied waarbinnen zich archeologische informatie bevindt (monument, type monument, aard archeologische waarde, archeologische indicatie)

Vondst

alle soorten mobilia: roerende of roerend geraakte onderdelen van onroerende goederen afkomstig van archeologisch veldwerk of uit bestaande collecties

Bijlage 3

Tijdstabel

ARCHEOLOGISCHE PERIODEN ZEELAND (Bron: van Dierendonck 2016) BP = Before Present (14C-datering ijkmoment 1950) Paleolithicum: tot 8800 v. Chr. Paleolithicum vroeg: tot 300000 BP Paleolithicum midden: 300000 BP-35000 BP Paleolithicum laat: 35000 BP 8800 v. Chr. Paleolithicum laat A: 35000 BP-18000 BP Paleolithicum laat B: 18000 BP-8800 v. Chr. Mesolithicum: 8800-4900 v. Chr. Mesolithicum vroeg: 8800-7100 v. Chr. Mesolithicum midden: 7100-6450 v. Chr. Mesolithicum laat: 6450-4900 v. Chr. Neolithicum: 5300-2000 v. Chr. Neolithicum vroeg: 5300-4200 v. Chr. Neolithicum vroeg A: 5300-4900 v. Chr. Neolithicum vroeg B: 4900-4200 v. Chr. Neolithicum midden: 4200-2850 v. Chr. Neolithicum midden A: 4200-3400 v. Chr. Neolithicum midden B: 3400-2850 v. Chr. Neolithicum laat: 2850-2000 v. Chr. Neolithicum laat A: 2850-2450 v. Chr. Neolithicum laat B: 2450-2000 v. Chr. Bronstijd: 2000-800 v. Chr. Bronstijd vroeg: 2000-1800 v. Chr. Bronstijd midden: 1800-1100 v. Chr. Bronstijd midden A: 1800-1500 v. Chr. Bronstijd midden B: 1500-1100 v. Chr. Bronstijd laat: 1100-800 v. Chr. IJzertijd: 800-20 v. Chr. IJzertijd vroeg: 800-500 v. Chr. IJzertijd midden: 500-200 v. Chr. IJzertijd laat: 200-20 v. Chr. Romeinse tijd: 20 v. Chr.-450 na Chr. Romeinse tijd vroeg: 20 v. Chr.-70 na Chr. Romeinse tijd vroeg A: 20 v. Chr.-25 na Chr. Romeinse tijd vroeg B: 25-70 na Chr. Romeinse tijd midden: 70-270 na Chr.

Romeinse tijd midden A: 70-150 na Chr. Romeinse tijd midden B: 150-270 na Chr. Romeinse tijd laat: 270-450 na Chr. Romeinse tijd laat A: 270-350 na Chr. Romeinse tijd laat B: 350-450 na Chr. Middeleeuwen: 450-1500 na Chr. Middeleeuwen vroeg: 450-1050 na Chr. Middeleeuwen vroeg A: 450-525 na Chr. Middeleeuwen vroeg B: 525-725 na Chr. (Merovingische tijd/periode) Middeleeuwen vroeg C: 725-900 na Chr. (Karolingische tijd/periode) Middeleeuwen vroeg D: 900-1050 na Chr. (Ottoonse tijd/periode) Middeleeuwen laat: 1050-1500 na Chr. Middeleeuwen laat A: 1050-1250 na Chr. Middeleeuwen laat B: 1250-1500 na Chr. Nieuwe tijd: 1500-heden Nieuwe tijd A: 1500-1650 na Chr. Nieuwe tijd B: 1650-1850 na Chr. Nieuwe tijd C: 1850–heden

Bijlage 4

Planvorming

Bijlage 5

Boorstaten

Rapportage Archeologisch Booronderzoek

Project: Laurierstraat 2022ART98 Plaats:

s-Gravenpolder

Gemeente:

Borsele

Opdrachtgever: Gemeente Borsele

Kaartblad:

65H

OM-nummer:

5284613100

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11940727/1