CConstaterende datBorsele
Koppel je AI →
Document · PDF

3 Koersplan Sociaal Domein

Informerende- en kaderstellende raad 18 november 2021, gemeente Borsele14.868 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Consequenties Bij voldoende formatie binnen onze lokale toegang kunnen we de professionals opdracht geven in het geval van de volgende casuïstiek zelf kortdurend hulp te verlenen: begeleiding bij lichte problematiek, middel/zware opvoedvraagstukken en preventieve jeugdbescherming (de laatste in relatie tot de maatregel duurdere casussen en casussen sociale veiligheid). We kunnen er verder voor kiezen onze jeugd- en gezinsprofessionals en/of zorgprofessionals in het voorliggend veld nog beter te positioneren binnen de huisartsen. Ook moeten we kijken waar mogelijk we jeugdzorgtrajecten kunnen afschalen en onderbrengen binnen de reguliere kinderopvang (met begeleiding). Resultaat Als we kijken naar de huidige contractering en de daarmee samenhangende perceelindeling en productcodes zien wij een kans om de lichtere vormen van ondersteuning deels op te vangen in het voorliggend veld, bijvoorbeeld met ondersteuning van onze zorgprofessionals. We hebben het dan over lichte begeleiding en lichte dagbesteding. In 2020 zijn er 60 klanten die een lichte vorm van begeleiding hebben ontvangen. Gemiddeld ging het om inzet van 2 uur per week (à € 55 per uur) voor de duur van 1 jaar. Dat komt neer op een indicatie van ongeveer € 5.700 per klant. In totaal gaat het, op basis van het aantal klanten 21

Koersplan Borsele sociaal domein

(60) om een bedrag van ongeveer € 342.000. Zoals gezegd verwachten we dat een deel (maximaal 20% à € 68.400) kan worden opgevangen door zorgprofessionals verbonden aan onze lokale toegang. Daarnaast ontvingen ruim 50 klanten een lichte vorm van dagbesteding. We verwachten dat een deel van deze zorg ook binnen het voorliggend veld – in de vorm van indicatieloze dagbesteding- kan worden ondergebracht. Uit diepteonderzoek (AEF rapport) bleek dat het uurtarief van een lokaal team gemiddeld 15 % lager is dan een vergelijkbare medewerkers bij een zorgaanbieder. Verder bleek dat bij lichtere hulptrajecten veelal eerder afschaalt waardoor het traject 10 – 30 % goedkoper is. Een andere besparing betreft dat er geen inhoudelijke overdracht tussen organisaties meer plaatsvindt waarbij dubbele uitvragen worden voorkomen, ook hoeft er geen beschikking in orde gemaakt te worden. Voor beide maatregelen geldt dat een businesscase zal moeten uitwijzen wat de financiële opbrengst zou kunnen zijn in relatie tot de benodigde formatie. Afhankelijk van hoe snel we een en ander in kunnen inzetten kun je al op korte termijneffect verwachten. Daarvoor hebben we wel formatie nodig om het uit te kunnen voeren. Relatie actieplan - Actiepunt 5 – kwalitatieve aanpak toegang jeugd - Actiepunt 6 - kwantitatieve aanpak toegang jeugd - Actiepunt 8 - alternatieven maatwerkvoorziening

22

Koersplan Borsele sociaal domein

Maatregel 4 - Jeugd Niet automatisch verlengen van indicaties en doorlooptijd indicaties verkorten Toelichting Het algemeen beeld over de toename van de kosten binnen de jeugdzorg is dat veranderde maatschappelijke normen en nabijheid van het aanbod zou leiden tot grotere instroom. Doch in het AEF-rapport kunnen we lezen dat dit niet de oorzaken zijn van de volumestijging maar dat e.e.a. is gerelateerd aan een achterblijvende uitstroom. In de praktijk betekent dit dat trajecten steeds langer duren, wat ook de toename van cliënten verklaart. We willen (nog) strakker sturen op de duur en omvang van indicaties. Na een uitgebreide intake en analyse wordt binnen het lokale toegangsteam het zorgproduct, de intensiteit en de duur van het zorgtraject door het afgeven van een beschikking bepaald. In casussen waarbij wij geen directe betrokkenheid hebben -in geval van initiële verwijzing via een andere wettelijk verwijzer- kennen wij de zorg vaak toe voor een looptijd van één jaar. Dit is een landelijk gemiddelde dat op praktijkervaring gestoeld is. We willen binnen Borsele experimenteren met een verkorting van de doorlooptijd. Op casusniveau zal contact worden gezocht met de zorgaanbieder om een realistische termijn te bepalen. We willen tevens het rijgen van hulp tegengaan. Daarmee bedoelen wij het jaar-in-jaar uit verlengen zonder (nieuwe) doelen te behalen.

Dat houdt in dat een vooraf afgesproken resultaat behaald moet worden. Lukt dit niet binnen de gestelde termijn, dan is het niet mogelijk om voor hetzelfde resultaat een nieuwe, zelfde indicatie te ontvangen. We zien echter dat er toch dezelfde voorzieningen worden ingezet, doordat de hulpvraag net iets anders wordt geformuleerd. Deze manier van omzeilen van de regels noemen we het rijgen van hulp. We willen dit voorkomen door hierover de dialoog aan te gaan met de zorgaanbieders, wanneer we vermoeden dat er sprake is van rijgen van hulp. Consequenties Toegangsmedewerkers raken steeds vaker verstrikt in discussies met zorgaanbieders en ouders over de te behalen doelen binnen de voorgestelde termijn en het vermoeden over het rijgen van zorg. Het gesprek hierover aangaan vraagt een bepaalde deskundigheid die de samenwerkingsafspraken en -relatie niet altijd ten goede komen. We moeten er als gemeente blijvend in investeren dat toegangsmedewerkers toegerust zijn op deze taak. Het opvolgen en monitoren van de doelen kosten veel tijd, welke nu onvoldoende is ingecalculeerd in het werkproces. Door het verkorten van de indicatieperiode lopen we het risico dat zorgaanbieders aangeven niet binnen de gestelde termijn de doelen te kunnen behalen, waardoor zij alsnog willen opschalen of zorg willen verlengen.

Dit heeft indirect consequenties voor de administratieve lasten en bureaucratie, zowel voor zorgaanbieders, de gemeente als IJZ. Ook is er het risico van meer klachten en of bezwaren. Resultaat Door bovenstaande maatregel door te voeren verwachten we op een deel (30%) van de indicaties een besparing te kunnen bewerkstelligen. Het gaat om het strikter toezien op de trajectduur van indicaties gericht op lichte en middelzware jeugdhulpvoorzieningen zoals ambulante jeugdhulp, dagbesteding en jeugd GGZ. Wanneer we deze maatregel doorvoeren verwachten we een besparing van € 50.000 te kunnen bewerkstelligen (gebaseerd op data 2020). Nadere analyse zal moeten uitwijzen of deze prognose realistisch is. De maatregel kan direct ingevoerd worden zonder koerswijziging. Wanneer we deze maatregel doorvoeren kunnen we op korte termijn resultaat verwachten.

23

Koersplan Borsele sociaal domein

Relatie actieplan - Actiepunt 5 – kwalitatieve aanpak toegang jeugd - Actiepunt 6 – kwantitatieve aanpak toegang jeugd

24

Koersplan Borsele sociaal domein

Maatregel 5 - Jeugd Verwijzingen van derden monitoren Toelichting Jeugdhulp is onder andere toegankelijk na verwijzing van een huisarts, jeugdarts of medisch specialist. Na verwijzing door een arts staat het vaak nog niet vast in welke vorm en voor welke omvang de jeugdhulp geboden wordt. In de praktijk is het dan vaak de jeugdhulpaanbieder zelf die, samen met de jeugdige en/of ouders, beoordeelt welke specifieke voorziening (productcode) nodig is, in welke omvang en hoelang. Kortom, de rol van de jeugdhulpaanbieder bij het bepalen van de zorginzet is veelal leidend en cruciaal. Om als gemeente meer zicht te krijgen op de wijze waarop jeugdhulpaanbieders de zorginzet concretiseren, is afstemming nodig. Op dit moment ontvangen jeugdigen en/of ouders in geval van een verwijzing door de huisarts, jeugdarts of medisch specialist geen beschikking7. Als we besluiten om in geval van deze verwijzingen een schriftelijke bevestiging te sturen van de zorg die geleverd mag worden, kunnen we bij correspondentie richting de jeugdige en/of ouders standaard een contactpersoon vanuit CJG koppelen aan deze casussen. Dit met als doel om deze beter op te kunnen volgen. Tussentijds meedenken en bijsturen op de doelen kan mogelijk zorgen voor een kostenbesparing.

Ons registratiesysteem is nog niet voldoende ingericht om dit proces op efficiënte wijze uit te voeren Consequenties De voorgestelde werkwijze kost zowel op gebied van administratie als het opvolgen/evalueren/afstemmen van de casus veel tijd welke niet rechtstreeks aan zorg gerelateerd is. We hebben op dit moment niet voldoende formatie toegangsmedewerkers om bij al deze casussen een contactpersoon vanuit het CJG / toegang jeugd toe te voegen. Daarnaast voorzien wij bij het doorvoeren van deze maatregel een mogelijke bedreiging ten aanzien van de samenwerkingsrelatie die is opgebouwd met de huisartsen. Tevens zal onderzocht moeten worden of deze maatregel mag worden doorgevoerd zonder de verordening aan te passen. Resultaat Ook hier geldt dat als je geïnvesteerde uren afzet tegen de beheersbaarheid van de kosten je effectief kunt zien of deze maatregel winst oplevert. Op dit moment is nog onvoldoende duidelijk of dit daadwerkelijk winst gaat op leveren. Relatie actieplan - Actiepunt 5 – kwalitatieve aanpak toegang jeugd - Actiepunt 6 – kwantitatieve aanpak toegang jeugd

Bij wet is vastgelegd dat deze personen gemachtigd zijn een doorverwijzing te doen, daardoor is een beschikking vanuit de gemeente niet aan de orde. 7

25

Koersplan Borsele sociaal domein

Maatregel 6 - Jeugd Zakelijkere houding aannemen (naleving contractuele afspraken zorgaanbieders) Toelichting De aanbesteding van jeugdhulpaanbieders in Zeeland is in 2020 afgerond. De door de Inkooporganisatie Jeugdhulp (IJZ) gesloten overeenkomsten bieden een goede en solide basis voor het borgen van de kwaliteit van de jeugdzorg en voor beheersing van de kosten. We constateren tegelijkertijd dat het uitwerken van de ontwikkelopgaven en de controle op het naleven van de overeenkomsten veel vraagt van IJZ. Het volledig realiseren van de doelen uit het beschrijvend document is echter essentieel en de naleving van de overeenkomst is daar onlosmakelijk aan verbonden. We onderzoeken op welke wijze we IJZ kunnen ondersteunen bij het naleven van de contractueel vastgelegde afspraken. Daarnaast verwachten we van onze procescoördinatoren en toegangsmedewerkers dat zij zich bij het monitoren van de resultaten en de te behalen doelen (micro- en macroniveau) zakelijk opstellen. Daarnaast verwachten we dat zij zorgaanbieders zo nodig wijzen op de contractueel vastgelegde afspraken. Dan hebben we het bijvoorbeeld over het naleven van samenwerkingsafspraken (op welke wijze en wanneer stem je met elkaar af) maar ook over de gezamenlijke verantwoordelijkheid om jeugdhulp beschikbaar te houden voor die jeugdigen, waarbij een voorliggende voorziening niet toereikend is.

Consequenties Door ons meer te richten op de contractueel vastgelegde (financiële) afspraken en het naleven hiervan ontstaat de kans dat zorgaanbieders zich onvoldoende gesteund voelen in hun professionaliteit en vertrouwen. Het vraagt ook een andere houding van onze toegangsmedewerkers. Hierop zullen we moeten investeren. Daarnaast kan het beeld ontstaan dat de gemeente een organisatie is die met name handelt vanuit financieel oogpunt, en onvoldoende oog heeft voor kwalitatief goede (en benodigde) zorg. De zorgvuldig opgebouwde samenwerkingsrelaties kunnen onder spanning komen te staan. Resultaat Ondanks dat we vanuit het actieplan al gestart zijn met het uitvoeren van deze maatregel, zien we dat om hogere opbrengst te behalen er meer nodig is dan waar nu ruimte voor is. Door beter toe te zien op de contractuele en financiële afspraken, verwachten we dat we meer kunnen sturen op de duur, omvang en kosten van maatwerkvoorzieningen. De mogelijke opbrengst van deze maatregel zal in een businessplan moeten worden onderzocht en zal moeten worden afgezet tegen de benodigde formatie om de maatregel uit te voeren.

We merken dat we reeds op korte termijn minimale winsten hebben geboekt met bijvoorbeeld het nalopen van alle facturen en de afgesproken inzet (veelal ging het hier om menselijke foutjes en hebben we geen grote onvolkomenheden geconstateerd) Bij verdere intensivering van dit proces verwachten we op langere termijn nog meer winst te boeken maar zoals boven omschreven moet dit worden afgezet tegen de investering die hiervoor nodig is Relatie actieplan - Actiepunt 5 – kwalitatieve aanpak toegang jeugd - Actiepunt 14 – aansluiten bij de provinciale en regionale ontwikkelingen

26

Koersplan Borsele sociaal domein

Wmo

27

Koersplan Borsele sociaal domein

Maatregel 1 - Wmo Gebruikelijke zorg/voorliggende voorzieningen Toelichting Terug naar de essentie van de Wmo (Berenschot): als gemeente zijn wij verantwoordelijk voor de uitvoering van de taken die vallen onder de Wmo. De essentie van de Wmo is: ‘dat burgers een eigen verantwoordelijkheid dragen voor de wijze waarop zij hun leven inrichten en deelnemen aan het maatschappelijk leven en dat van burgers mag worden verwacht dat zij elkaar naar vermogen daarin bijstaan; dat burgers die zelf, dan wel samen met personen in hun naaste omgeving onvoldoende zelfredzaam zijn of onvoldoende in staat zijn tot participatie, een beroep moeten kunnen doen op door de overheid georganiseerde ondersteuning; dat de ondersteuning erop gericht moet zijn dat burgers zo lang mogelijk in de eigen leefomgeving kunnen blijven. De invoering van het abonnementstarief heeft het nog makkelijker gemaakt om een beroep te doen op voorzieningen vanuit de Wmo. Omdat de wet geen duidelijke kaders biedt om Wmo-aanvragen af te wijzen, wordt het voor inwoners vanzelfsprekend en voelt het als een ‘dief van je eigen portemonnee’ wanneer je zelf de huishoudelijke hulp betaalt of een woningaanpassing financiert. De vanzelfsprekendheid waarmee inwoners een beroep doen op de Wmo wordt de standaard en het is hard nodig om die maatschappelijke trend te keren.

Berenschot noemt hier verschillende oplossingsrichtingen voor: maak alle partijen deelgenoot van de financiële schaarste: zowel de zorgaanbieders, als de consulenten als de inwoners. Maak hierbij meer gebruik van draagkracht van inwoners. Consequenties Het is belangrijk om de boodschap van schaarste en normalisatie breed uit te dragen om deze maatschappelijke verandering op gang te krijgen. Het vraagt een gestructureerde aanpak om deze communicatieboodschap doorlopend uit te dragen. We maken deze houding onderdeel van ons beoordelingsproces voor de toegang. Dat betekent dat er voor de verschillende Wmo-maatwerkvoorzieningen aanpassingen moeten komen in het afwegingskader. Deze moeten ook in beleidsregels of verordening worden verankerd. Toegangsmedewerkers kunnen hierdoor vaker te maken krijgen met mondige inwoners. Mogelijk krijgen we meer klachten en of bezwaarprocedures. Resultaat De maatschappelijke verandering die we hiermee te weeg willen brengen, laat zich niet uitdrukken in een besparing en zal op langere termijn merkbaar worden in de samenleving. Dit samen met alle andere maatregelen moet de instroom in de maatwerkvoorzieningen beperken. Deze dient ter ondersteuning om andere maatregelen goed uit te kunnen voeren.

Koppeling met actieplan - Actiepunt 6 (kwantitatieve aanpak), - Actiepunt 8 (alternatieve maatwerkvoorziening) - Actiepunt 13 (versterken en opbouwen netwerken binnen onze dorpen)

28

Koersplan Borsele sociaal domein

Maatregel 2 - Wmo De lichtste maatwerkvoorzieningen opvangen binnen basisstructuur. Toelichting Een goede basisstructuur, waarmee we het palet aan voorliggende voorzieningen bedoelen, moet een oplossing bieden voor lichtere problematiek. Hulpvragers kunnen hier gebruik van maken zonder een indicatie voor een maatwerkvoorziening. Een aantal acties is daarvoor al opgenomen in het actieplan (ontwikkelen alternatieven voor maatwerkvoorzieningen). Belangrijk hierbij is het benutten van de eigen mogelijkheden van de inwoner, informele netwerken en verenigingen maar ook het gericht ondersteunen van inwoners. Dat vraagt goede ondersteuning, wijkgericht werken, het bespreken van casuïstiek en een omgeving waar continu leren centraal staat. Nieuw in dit koersplan is de maatregel uit het rapport Berenschot: het omvormen van de maatwerkvoorziening begeleiding naar algemene voorzieningen. Voordeel van Wmo-begeleiding bieden vanuit een algemene voorziening (zoals nu algemeen maatschappelijk werk aangeboden wordt), is dat deze snel kan worden ingezet en dat ondersteuning flexibel op- en afgeschaald kan worden. Daarnaast is het een stimulans voor de werker die de begeleiding biedt om te sturen op resultaat (clientdoelen) omdat hij te maken heeft met een bepaalde maximale caseload. Daarnaast hoeft er geen indicatie afgegeven te worden.

De ervaring in andere gemeenten leert dat de ondersteuningstrajecten minder intensief en minder lang worden ingezet, wat een besparing oplevert. Het rapport Berenschot gaat er van uit Wmo-begeleiding in een algemene voorziening te beleggen bij algemeen maatschappelijk werk (AMW) en heeft op basis daarvan voor Borsele een besparing doorgerekend. Omdat de capaciteit bij AMW nu al onder druk staat, kijken wij naar mogelijkheden om dit anders te doen. Mogelijk kan dit ook belegd worden bij onze huidige aanbieders door dit apart in te kopen. Dan hoeft de dienst niet geleverd te worden door de Hbo-geschoolde maatschappelijk werkers, maar door de nu al beschikbare mbo-medewerkers die nu voor de bouwsteen Wmo-begeleiding worden ingezet. Dat kunnen we als lokale gemeente vormgeven door deze mensen in dienst te nemen en onder te brengen bij ons welzijnswerk of uitvoeren in samenwerking met de Oosterschelderegio gemeenten door gezamenlijk in te kopen. Consequenties De druk op het maatschappelijk werk neemt toe. De capaciteit zal hierop moeten worden aangepast wanneer het bij het algemeen maatschappelijk werk wordt ondergebracht. Mogelijk kunnen ook mbo’ers die nu de Wmo-begeleiding vormgeven, worden gekoppeld aan het maatschappelijke werk. Zodat er een verschuiving van capaciteit is en de hogere loonkosten daarmee voorkomen worden.

Risico is dan wel dat deze mbo’ers mogelijk niet in korte tijd hetzelfde kunnen bereiken als de Hbo geschoolde maatschappelijk werker. Resultaat We gaan uit van de aannames uit het rapport Berenschot. Wanneer we kiezen voor de verdergaande maatregel als het zelf in dienst nemen van een aantal hulpverleners is de besparing mogelijk hoger. Dit is echter afhankelijk van de keuze van de raad of die koerswijziging ondersteund wordt. Resultaat van deze maatregel zou al op korte termijn zichtbaar kunnen worden. Voor deze maatregel is rekening gehouden met de volgende aannames: - De besparing (door het voorliggend aanbieden van begeleiding thuis) is 25% per indicatie. - 45% van de nieuwe indicaties en herindicaties begeleiding thuis kunnen voorliggend aangeboden worden in 2021. - 35% van de nieuwe indicaties en herindicaties begeleiding thuis kunnen voorliggend aangeboden worden in 2021 tot en met 2025. 29

Koersplan Borsele sociaal domein

Er is gecorrigeerd voor de afname in uitvoeringskosten per gemeente, omdat er minder beschikkingen voor begeleiding thuis worden afgegeven.

Koppeling met actieplan - Actiepunt 9 – Actieplan Wmo-begeleiding

30

Koersplan Borsele sociaal domein

Maatregel 3 - Wmo Afschalen van zware maatwerkvoorzieningen naar lichte maatwerkvoorzieningen (voor nieuwe en her-indicaties). Toelichting Uit de analyse van Berenschot blijkt de Wmo-toegang onvoldoende kaders te hebben om een goede afweging te maken tussen de verschillende zwaartes van ondersteuning binnen de bouwsteen Wmo-begeleiding. Het voorliggend veld is onvoldoende bekend of voorziet onvoldoende in de behoeften om deze te kunnen benutten als onderdeel van het ondersteuningsaanbod. De Wmo-consulenten krijgen duidelijke kaders en ontwikkelen meer inzicht in het voorliggend veld. Daardoor kunnen zij beter keuzes maken in het beschikkingsproces. Op het moment dat een beschikking afloopt, kunnen ze beter in beeld brengen of er opgeschaald of afgeschaald kan worden. Dit geeft eenmalig een besparing en voorkomt op lange termijn onterechte instroom in de zware maatwerkvoorzieningen. Consequenties Het blijft belangrijk dat inwoners recht houden op passende zorg. Afschalen moet daarom het streven zijn en niet de norm. Het uitgangspunt is ‘scherper aan de wind te varen’ maar het perspectief van de inwoner centraal te blijven stellen. Resultaat Wij baseren ons voor deze maatregel op de berekening in het rapport Berenschot.

Hier is rekening gehouden met de volgende aannames: • Het aantal her-indicaties begeleiding thuis speciaal (BTS) kent in 2025 de volgende verhouding: - 20% opnieuw BTS (nu 47%) - 20% BT (2019: 3%) - 60% geen indicatie (2019: 50%). • Het aantal her-indicaties dagbesteding speciaal (BDS) kent in 2025 de volgende verhouding: - 10% opnieuw BDS (2019: 47%) - 20% BT (2019: 3%) - 70% geen indicatie (2019: 50%). • De verdeling tussen de lichte en de zware variant is in 2025: - begeleiding: 80% BT (2019: 57%) en 20% BTS (2019: 43%) - dagbesteding: 90% BD (2019: 84%) en 10% BDS (2019: 16%). De ingroei en daarmee de effecten kunnen per gemeente verschillen. Wanneer de verhouding voor bijvoorbeeld dagbesteding licht en zwaar in 2019 al hoger is dan 90%, dan is deze correctie niet van toepassing. Deze maatregel kan op korte termijn resultaat laten zien. Effect

Koppeling met actieplan -

Actiepunt 9 – Actieplan Wmo-begeleiding

Maatregel 4 - Wmo 31

Koersplan Borsele sociaal domein

Zakelijkere houding aannemen naar zorgaanbieders Toelichting Het realiseren van besparingen is een gezamenlijke opgave van zowel gemeenten als zorgaanbieders. Het onderzoek van Berenschot geeft als belangrijke conclusie dat de dialoog met aanbieders wel gaat over de stijging van de kosten, maar dat het onvoldoende lukt om op basis hiervan tot gerichte projecten en afspraken te komen. Consulenten geven aan dat ze te weinig tijd (kunnen) besteden aan een gerichte sturing op cliëntdoelen voor de producten begeleiding en dagbesteding. Dit betekent dat wanneer een cliënt een beschikking heeft en verwezen is naar een aanbieder, deze deels uit beeld is. Ook aanbieders bevestigen het beeld dat de afspraken over de gewenste doelen onvoldoende concreet zijn, dat de voortgang onvoldoende wordt gemonitord en dat de resultaten onvoldoende worden geëvalueerd. Door deze drie elementen (doelen stellen, monitoren, evalueren) nadrukkelijk onderdeel te laten zijn van de dagelijkse bedrijfsvoering, zorgen we ervoor dat de ondersteuning minder vrijblijvend is en aanbieders nadrukkelijk worden gestimuleerd om doelen te realiseren. Daarnaast ontstaat er een zakelijker houding tussen consulenten en aanbieders. De inkoop van de Wmo-begeleiding geven we zodanig vorm dat resultaatgerichtheid een voorwaarde is. De toegang bepaalt wat het resultaat moet zijn van de begeleiding, aanbieders bepalen hoe.

Dat moet zorgen voor een verschuiving van zwaardere zorg naar lichtere zorg, zo mogelijk in een algemene/basisvoorziening. Zo licht als mogelijk, zo zwaar als nodig. Het realiseren van de gewenste doelen moet onderdeel zijn van het contractmanagement. We betrekken onze huidige aanbieders in de financiële krapte op een manier dat ze hier ook daadwerkelijk een noodzaak voelen met innovatieve ideeën te komen om besparingen te realiseren. Dit moet ondersteund worden door concrete contractafspraken op dat vlak. Denk hierbij aan een budgetplafond of een afschalingstaakstelling. We zetten een rem op de toetreding van nieuwe aanbieders en leggen dit contractueel vast. Er zijn in de afgelopen jaren veel nieuwe aanbieders bijgekomen, waarvan een substantieel deel een groeiambitie heeft. Deze ambitie kan op onderdelen haaks staan op de besparingsopgave van gemeenten. Van sommige aanbieders is bijvoorbeeld de indruk ontstaan dat ze een actief wervingsbeleid voeren hetgeen mogelijk een aanzuigende werking heeft. Consequenties Evenals bij jeugd is het gevolg dat – doordat we ons meer richten op de contractueel vastgelegde (financiele) afspraken en het naleven hiervan - de kans bestaat dat zorgaanbieders zich onvoldoende gesteund voelen in hun professionaliteit en vertrouwen. Het vraagt ook een andere houding van onze toegangsmedewerkers. Hierop zullen we moeten investeren.

Daarnaast kan het beeld ontstaan dat de gemeente een organisatie is die met name handelt vanuit financieel oogpunt, en onvoldoende oog heeft voor kwalitatief goede (en benodigde) zorg. De zorgvuldig opgebouwde samenwerkingsrelaties kunnen op onder spanning komen te staan. Wanneer de toegang (consulent) meer gaat sturen op resultaat door monitoren en evalueren en mogelijk kortere indicatietermijnen hanteert, dan heeft dat invloed op de capaciteit bij de toegang voor de inhaalslag, maar ook om dit structureel in te voeren als onderdeel van het proces. De verordening en beleidsregels moeten worden aangepast. Hierin moet worden beschreven dat wordt gestuurd op het behalen van resultaten en afschalen van de zwaarte van de zorg.

32

Koersplan Borsele sociaal domein

Onderdeel is hierbij ook de een eenduidige communicatie welke de toegang ondersteund in hun meer zakelijke opstelling of iemand wel of niet in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening mits goed gemotiveerd en er passende ondersteuning wordt geboden zijn hieraan geen risico's. Resultaat Later maken we een inschatting (onder meer aan de hand van het Berenschot rapport Grip op Wmo) voor deze maatregel. Dit is een maatregel waar we resultaat op lange termijn verwachten. Koppeling met actieplan Actiepunt 21 – Van zorgmaatschappij naar participatiemaatschappij

33

Koersplan Borsele sociaal domein

Maatregel 5 - Wmo Niet automatisch verlengen van indicaties en indicatietermijnen/doorlooptijd indicaties verkorten Toelichting Deze maatregel is onderdeel van de beschreven Wmo-maatregel Zakelijkere houding aannemen, waarbij we ingaan op het sturen op resultaat. Hier doelen wij dan vooral op het verkorten van de indicatietermijnen zodat het evaluatiemoment eerder komt. Uit het onderzoek Berenschot kwam ook naar voren dat wanneer een client gedurende de looptijd van de beschikking geen of minder ondersteuning nodig heeft, de zorgaanbieder zelden of nooit op eigen initiatief een aanvraag doet om de beschikking tussentijds te beëindigen of af te schalen. Consequenties Genoemde maatregel vraagt meer capaciteit van de toegangsmedewerkers doordat zij tijdens de lopende beschikkingsperioden vaker een moment van contact moeten hebben met zorgaanbieders. Zoals eerder ook genoemd gaan zij sturen op resultaat, monitoren en evalueren met als doel de passende ondersteuning in te zetten. Resultaat Dit is onderdeel van de uitwerking van het versterken van de toegang maar dan voor de Wmo. De mogelijke besparing is al onderdeel van het actieplan. Wanneer de uitwerking is zoals verwacht dan is het effect daarvan op korte termijn zichtbaar. Koppeling met actieplan - Actiepunt 7 – stimuleren kwalitatieve en kwantitatieve aanpak in de uitvoering toegang Wmo

34

Koersplan Borsele sociaal domein

Maatregel 6 - Wmo Gerichtere aanpak duurdere casussen en complexe zorg Toelichting In de afgelopen jaren zijn de relatief dure casussen niet altijd overal even goed in beeld geweest. Voor jeugd hebben wij hier al verdiepend onderzoek op gedaan. Voor de Wmo nog niet. Dit komt deels door de beperkte cijfermatige inzichten hierin en doordat er onvoldoende tijd en ruimte was om te zoeken naar integrale oplossingsmogelijkheden. Uit onze analyse is gebleken dat op verschillende situaties onnodig ondersteuning wordt toegewezen en/of dat er sprake is van onnodige stapeling. Door de duurste casussen zorgvuldig en individueel opnieuw te beoordelen verwachten wij dat er een besparing gerealiseerd kan worden. Daarnaast kunnen we leren van deze herbeoordelingen zodat we dit in de toekomst kunnen voorkomen. Een integrale toegang met vertegenwoordiging vanuit de verschillende wetten jeugd, Wmo en participatie (ontschotting) kan hier een oplossing voor bieden (gezinsgericht werken). We stellen capaciteit beschikbaar om minimaal de relatief duurdere casussen opnieuw te beoordelen en starten een pilot met een integrale intake. We gaan hierbij uit van het principe van de omgekeerde toets. Consequenties Het dossier onderzoek kost tijd. Ook het opzetten van een pilot en het trainen van medewerkers kost tijd. Hiervoor moet de benodigde capaciteit beschikbaar gesteld worden.

Prognose besparing Voor de besparing geven wij de berekening in het rapport Berenschot weer. Deze maatregel kan besparing op leveren op korte en langere termijn. Voor deze maatregel is rekening gehouden met de volgende aannames: • Overhevelen naar de Zorgverzekeringswet (Zvw) of Wet langdurige zorg (Wlz): - 2021 en 2022: de 0,7% duurste cliënten van het SWVO-bestand - 2023 en 2024: de 0,3% duurste cliënten van het SWVO-bestand - In 2025: geen. • Besparingen op de relatief dure casussen door gerichtere aanpak: - Percentage duurste casussen waar de gerichtere aanpak van toepassing op is: 2021: 5%, 2022: 4%, 2023: 3%, 2024: 2%, 2025: 1% - Percentage besparing per casus: 2021: 5%, 2022: 4%, 2023: 3%, 2024: 2%, 2025: 1%. • De gerichtere aanpak zorgt voor een toename van de uitvoeringskosten (consulenten): 7% per jaar. Dit wil zeggen dat de formatie in de uitvoering met 7% wordt verhoogd om deze maatregel te implementeren.

Koppeling met actieplan - Actiepunt 7 - stimuleren kwalitatieve en kwantitatieve aanpak in de uitvoering toegang Wmo

35

Koersplan Borsele sociaal domein

Maatregel 7 - Wmo Abonnementstarief inkomensafhankelijk maken: pilot. Toelichting Voor de maatwerkvoorzieningen vanuit de Wmo betaalden de inwoners een inkomensafhankelijke bijdrage. Hoe hoger het inkomen, hoe hoger de eigen bijdrage die iemand betaalde. Vanaf januari 2019 voerde het Rijk het abonnementstarief in. Waardoor iedereen ongeacht het inkomen en ongeacht het aantal Wmo-maatwerkvoorzieningen eenzelfde maandbedrag van € 19 betaalt. Sinds de invoering van het abonnementstarief, zien we een aanzienlijke toename van het aantal aanvragen voor een Wmo-maatwerkvoorziening. Het is een optie om een pilot te starten waarbij we het abonnementstarief niet langer hanteren, maar een inkomenstoets toepassen. Daarmee hopen we de aanzuigende werking te stoppen. Wettelijke gezien bestaat deze mogelijkheid nu niet. Is Borsele bereid dit toch te doen en hiermee een signaal af te geven aan het Rijk over de consequenties van het abonnementstarief? Dan informeren we de minister per brief over dit voornemen en werken we mogelijkheden uit voor een pilot met onze samenwerkingspartners GR de Bevelanden WIZ en Samenwerkingsverband Oosterschelderegio. Consequenties Een bezwaarprocedure zou hiervan een gevolg kunnen zijn. Prognose besparing Om hiervoor een prognose af te kunnen geven, moeten we eerst onderzoeken hoe we de proef vorm willen geven.

Bijvoorbeeld voor welke Wmo-bouwste(e)n(en) wel en voor welke niet? Daarvan is ook de mogelijke besparing-versus opbrengst van de inkomensafhankelijke eigen bijdrage van afhankelijk. Wanneer er consensus is in Oosterschelderregio kan dit al op korte termijn een effect geven. Koppeling met actieplan - Actiepunt 21 – van zorgmaatschappij naar participatiemaatschappij

36

Koersplan Borsele sociaal domein

Maatregel 8 - Wmo Inzet van huishoudelijke hulp beperken Toelichting Actie 1: Gemiddelde uren inzet Huishoudelijke hulp beperken. Dit bereiken we door het beschikkingsproces voor huishoudelijke hulp strakker in te richten (zowel op inhoud als proces). Voor huishoudelijke hulp zijn er nu drie verschillende intensiteiten/producten geïntroduceerd, die op basis van resultaatfinanciering worden bekostigd. De producten HHN (huishoudelijke Hulp Nieuw) en HZR (Huishoudelijke Zorg Regulier) zijn beide gebaseerd op verschillende wekelijkse inzet (respectievelijk gemiddeld 2,08 uur en 2,83 uur). Uit onderzoek bleek dat de verhouding tussen beide producten, en hiermee dus ook de gemiddelde inzet per cliënt, varieert per gemeente. Ook bleek dat HZR in combinatie met het product individuele begeleiding zorgt voor onnodige dubbelingen omdat het stukje regie binnen beide producten is belegd. Hierdoor is het mogelijk om de verhouding van de verschillende intensiteiten te veranderen. Op dit moment is het onderscheid tussen de verschillende producten gebaseerd op de mate waarin de cliënt in staat is om regie te voeren. Voorheen hing deze taak ook samen met de inschaling van huishoudelijk medewerkers. Door de invoering van de nieuwe HV-schaal is dit geen functieverzwarende taak meer.

Daarnaast maakt de regio gebruik van resultaatfinanciering waarbij het maar de vraag is of de regiefunctie automatisch zorgt voor een hogere gemiddelde ureninzet. Dit kan voorkomen worden door het onderscheid tussen de zorgproducten daarom in de toekomst te baseren op de hoeveelheid taken/inzet van de medewerker en niet zozeer op de regiefunctie. Hierdoor wordt het onderscheid tussen de producten ook minder subjectief. Actie 2: Hulp bij het Huishouden als 1 product (geen onderscheid tussen HH, HZ en HZiB) [WIZ] De beoogde besparing uit het rapport Berenschot (hiervoor genoemde actie 1) voor het afschalen naar lichtere zorg kan sneller worden bereikt door geen onderscheid meer te maken tussen HH, HZ en HZiB. We stellen op basis van de gewenste verhoudingen in het rapport Berenschot één budget beschikbaar aan de zorgaanbieder. Actie 3: Wij gaan inkomen en vermogen van mensen onderzoeken en betrekken bij de indicatiestelling Hulp bij het Huishouden. [WIZ] Deze actie heeft als doel is het verder uitdiepen van het begrip 'eigen kracht'. (Dit opnemen in algemene uitgangspunten? Normalisatie?) Op 23 november 2020 is er een ledenbrief verzonden waarin de VNG de gemeenten oproept maatregelen te treffen om de gevolgen van het abonnementstarief tegen te gaan. De verwachting is dat dit burgers motiveert bijvoorbeeld hun eigen particuliere hulp aan te houden en de melding in te trekken.

Voorwaarde blijft wel dat er zorgvuldig onderzoek wordt gedaan, dat de situatie van de burger in kaart wordt gebracht en dat er een goede onderbouwing op papier komt. Belangrijk aspect bij deze maatregel is communicatie in het kader van normalisatie. Actie 4: Invoeren van een wachttijd voor huishoudelijke hulp (crisissituaties uitgezonderd) [WIZ] Het idee is bijvoorbeeld een budgetplafond in te stellen (rapport Berenschot). Uitgangspunt hierbij is burgers te helpen die het echt niet zelf kunnen regelen en betalen. Voor burgers met financiële zelfredzaamheid wijzen we huishoudelijke hulp af of we plaatsen deze op een wachtlijst. Doordat de zorgaanbieders al enige tijd niet of nauwelijks aan de stijgende vraag naar huishoudelijke hulp kunnen voldoe, zijn we ook genoodzaakt hier maatregelen op te nemen.

37

Koersplan Borsele sociaal domein

Consequenties Kans op extra bezwaren en (tijdrovende) procedures. De Wmo geeft de verplichting burgers te ondersteunen, met een maatwerkvoorziening als sluitstuk. De manier waarop de gemeente dit vormgeeft is in principe vrij. De Wmo is niet ontworpen om rekening te houden met inkomen en vermogen van cliënten. Daarnaast is het een verplichting om niet-zelfredzame burgers te ondersteunen, al dan niet via een maatwerkvoorziening. Wanneer er andere mogelijkheden zijn die je kunt hardmaken dan kun je een indicatie op die basis afwijzen. Communicatieplan: belangrijk hierbij is dat er veelvuldig communicatie naar de burgers is over dit onderwerp en dat er (met SWVO als contractbeheerder) afstemming moet zijn met de zorgaanbieders en dat de gemeente bereid moet zijn 'minder populaire maatregelen' te nemen. Consequentie actie 2: Risico is dat zorgaanbieders "de krenten uit de pap" kiezen en cliënten waar meer hulp nodig is niet willen accepteren. Dit risico is echter in de huidige werkwijze ook aanwezig. Zolang we voldoen aan de kaders rondom resultaatgericht indiceren (bijvoorbeeld dat het ondersteuningsplan tussen zorgaanbieders en client onderdeel uitmaakt van de beschikking en concrete activiteiten moet bevatten) zijn er geen juridische risico's.

Consequentie actie 3 en 4: Hier zitten natuurlijk de nodige risico's aan: zowel het ministerie als de CRvB (Centrale Raad voor Beroep) hebben herhaaldelijk aangegeven dat financiële draagkracht geen rol mag spelen/ geen reden is een vraag af te wijzen. Toch roept de VNG nu nadrukkelijk gemeenten op hiermee te gaan experimenteren, met het aanbod hen te ondersteunen bij een eventueel proefproces. Het invoeren van een wachtlijst en het toetsen van inkomen en vermogen heeft gevolgen voor de uitvoering. Deze procedure moet eenvoudig uitvoerbaar zijn. Resultaat Dit zou voor Borsele in 2025 uit kunnen komen op een besparing van €100.000. Hiervoor gaan wij uit van de aannames uit het rapport Berenschot. Aannames Voor deze maatregel is rekening gehouden met de volgende aannames: • In 2025 is 80% van de indicaties een indicatie voor HHN, 15% van de indicaties voor HZR, 5% van de indicaties voor HZib. • De ingroei van deze percentages verschilt per gemeente omdat de huidige verdeling fors verschilt tussen gemeenten. Hierbij is de verhouding van de eerste drie maanden in 2020 als startpunt genomen.

Koppeling met actieplan - Actiepunt 7 – stimuleren kwalitatieve en kwantitatieve aanpak in uitvoering toegang Wmo - Actiepunt 21 – van zorgmaatschappij naar participatiemaatschappij

38

Koersplan Borsele sociaal domein

Maatregel 9 - Wmo We passen het primaat verhuizen consequent toe en als zoekgebied hanteren we het totale gebied van de vijf Bevelandse gemeenten met een straal van 10 kilometer eromheen. Toelichting Op dit moment is de grootte van het zoekgebied voor verhuizing niet vastgelegd in beleid. Dat betekent dat het juridisch lastig is om te verplichten dat iemand verhuist buiten het eigen dorp. Als we hiervoor kaders stellen kunnen we dit strikt hanteren. Het gevolg hiervan is dat inwoners in voorkomende gevallen ook moeten verhuizen naar woningen buiten de gemeente. Deze maatregel in Bevelands verband: GR de Bevelanden - WIZ. Nieuwe situatie die ontstaat: we stellen als zoekgebied de vijf Bevelandse gemeenten met een straal van 10 kilometer daaromheen. Als er geschikte woningen binnen dat zoekgebied beschikbaar zijn, verwachten we dat iemand verhuist naar die geschikte woning. We kennen geen maatwerkvoorziening toe. Consequenties Inwoners die gebonden zijn aan niet-planbare en afroepbare mantelzorg kunnen we niet verplichten om te verhuizen buiten de huidige woonplaats. Als we het primaat verhuizen opleggen, moeten we (lees: WIZ) eerst een afwegingskader doorlopen. Binnen dit afwegingskader zijn er verschillende aspecten die we onderzoeken en waar we rekening mee houden.

Dus bijvoorbeeld als het gehele sociale netwerk van de klant zich in kern Y bevindt dan is het moeilijker om te zeggen tegen de klant je moet naar kern X. Prognose besparing Het zoekgebied wordt groter, waardoor de kans dat een geschikte woning wordt gevonden ook groter wordt. Er kunnen door vergroting van het zoekgebied meer cliënten verhuizen naar een passende woning. Daardoor hoeven we minder woningen aan te passen of zijn de aanpassingen minder groot. Welke besparing dit oplevert is niet bekend omdat we niet registreren of er geschikte woningen buiten de eigen wijk of het dorp beschikbaar waren. Maar ‘winkels dichtbij’ of goed contact met buren zijn geen argumenten dat iemand niet kan verhuizen. Het effect hiervan zien we op lange termijn. Koppeling actieplan - Actiepunt 3 | Optimalisatie maatwerk

39

Koersplan Borsele sociaal domein

Maatregel 10 - Wmo Woningaanpassingen als algemeen gebruikelijke voorziening bestempelen. Toelichting Bij iedere melding voor een voorziening wordt betrokkene in een vroeg stadium gewezen op het verloop van beperkingen en wordt hiermee bij iedere volgende aanvraag rekening gehouden. Wanneer iemand zich bijvoorbeeld enkel meldt voor de regiotaxi onderzoeken we ook meteen de woonsituatie. Wanneer een woning op termijn niet meer geschikt is nemen we dat op in de rapportage over de aanvraag regiotaxi. Een belangrijk punt van aandacht bij deze keuze is communicatie, bijvoorbeeld door inwoners te informeren over hoe zij zich voor kunnen bereiden op het ouder worden. We communiceren gezamenlijk dat ‘langer zelfstandig thuis wonen’ niet betekent dat dit ook altijd voor de huidige woning geldt en dat dat inhoudt dat het dan ook in een andere - wel geschikte - woning kan. Nieuw is dat we in de beschikking op de aanvraag regiotaxi en andere voorzieningen opnemen dat de huidige woning op termijn niet meer geschikt is. Bij een latere aanvraag voor een woonvoorziening kunnen we terugverwijzen naar die beschikking en de aanvraag woonvoorziening afwijzen. Consequenties Goed onderzoek doen en uitgebreid motiveren is een vereiste om dit toe te kunnen passen. Daarnaast is deze maatregel alleen toepasbaar als er een bepaalde voorzienbaarheid is in het verloop van de beperkingen.

Hiervoor is misschien medisch advies nodig. Prognose besparing De mogelijke besparing is niet uit het systeem te halen. Een grove schatting is dat we hiermee - op Bevelands niveau - vijf woonvoorzieningen en woningaanpassingen besparen per jaar. Stel dat het om een traplift gaat, dan is de besparing zo'n € 12.000 per jaar. Dit is al op korte termijn te realiseren. Koppeling actieplan - Actiepunt 6 (kwantitatieve aanpak).

40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10794928/1