CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Rotonde Well N271 vastgesteld Toelichting Bijlage 11 MER-beoordeling

Gemeenteraad 7 maart 2023, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot vaststellen bestemmingsplan Rotonde Well;5.643 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Niet gevonden in dit document.

Memo Onderwerp Aan Auteur Datum

1

Vormvrije m.e.r.-beoordeling Marc van der Loo - Ducot Engineering & Advies Natascha Pirovano 11 augustus 2022

Inleiding

Ter plaatse van de kruising van de Wezerweg en de N271 Moleneind wordt een rotonde aangelegd.

Figuur 1 Toekomstige situering van de rotonde

Om de wijziging van de weg mogelijk te maken wordt een bestemmingsplan voorbereid. In het kader van dat ruimtelijke plan moet ook worden beoordeeld of en in hoeverre voor dit planeen verplichting bestaat om een milieueffectrapportage te maken of dat het bevoegd gezag moet beoordelen of dit noodzakelijk is.

1/20

2

Toetsingskader

In artikel 7.2 Wm worden activiteiten, plannen en besluiten aangewezen waarvoor een m.e.r.(beoordeling) verplicht is. In onderdeel C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. is aangegeven welke activiteiten in het kader van het omgevingsvergunning plan m.e.r.-plichtig, project m.e.r.plichtig of m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn. Voor deze activiteiten zijn in het Besluit m.e.r. drempelwaarden opgenomen. Daarnaast dient het bevoegd gezag bij de betreffende activiteiten die onder de bijbehorende drempelwaarden blijven, toch na te gaan of sprake kan zijn van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu, gelet op de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling1 of bijlage II van de SMB richtlijn (de zogenaamde ‘vormvrije’ m.e.r.-beoordeling). Deze omstandigheden betreffen: • de kenmerken van de projecten; • de plaats van de projecten; • de kenmerken van de potentiële effecten.

Daarnaast bevat artikel 7.2a Wm de verplichting om een MER op te stellen indien een plan wordt vastgesteld voor een activiteit waarvoor een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming noodzakelijk is. Op grond van artikel 3 besluit MER is geen MER noodzakelijk indien het een plan betreft dat het gebruik bepaalt van kleine gebieden, waarbij: • een bestuursorgaan van de gemeente het bevoegd gezag is; • de omvang van het gebied in verhouding tot het totale grond gebied van de gemeente klein is, en; • het bevoegd gezag heeft beoordeeld dat de vaststelling van het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft.

3

m.e.r.(-beoordelings)plicht

3.1

Bijlage C en D Besluit mer

In de bijlage onderdeel D, categorie 1.2, bij het Besluit milieueffectrapportage is opgenomen dat de wijziging of uitbreiding van een weg bestaande uit vier of meer rijstroken, of verlegging of verbreding van bestaande wegen van twee rijstroken of minder tot wegen met vier of meer rijstroken niet zijnde een autosnelweg of autoweg m.e.r.-beoordelingsplichtig is. Dit geldt in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een weg met een tracélengte van 5 km of meer. In figuur 1 is de huidige weg weergegeven, terwijl in figuur 2 de toekomstige weg wordt getoond.

1

Criteria uit Bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r. (2011/92/EU)

2/20

Figuur 2 Huidige situatie (bron: pdok.nl)

Figuur 3 Toekomstige situatie

3/20

Uit figuur 1 blijkt dat de wegen in het plangebied momenteel bestaan uit 2x 1 rijstrook, gescheiden door een middenberm waarin incidenteel opstelstroken voor afbuigend verkeer zijn opgenomen. Ook de toekomstige weg bestaat uit 2 x 1 rijstrook met een middenberm. De opstelvakken voor afbuigend verkeer zijn niet meer nodig omdat met de rotonde een andere aansluiting op het onderliggend wegennet wordt gerealiseerd. De wijziging van de weg valt niet onder categorie 1.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage omdat geen weg met 4 of meer rijstroken wordt gerealiseerd. Aangezien de wijziging van de weg niet valt onder categorie 1.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage is geen m.e.r-beoordeling noodzakelijk. Voor het bestemmingsplan waarmee de ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt, is volgens het Besluit m.e.r. dan ook geen m.e.r.-procedure of m.e.r.-beoordelingsprocedure noodzakelijk. 3.2

Passende beoordeling

In verband met de toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebied Maasduinen is een passende beoordeling op grond van de Wet natuurbescherming opgesteld. Het bestemmingsplan waarmee de aanleg van de rotonde mogelijk wordt gemaakt betreft echter een plan dat betrekking heeft op een klein gebied in de zin van artikel 3 van het Besluit m.e.r.. De wijzigingen aan de weg hebben betrekking op een oppervlakte van circa 4.500 m2. In verhouding tot het oppervlakte van de gemeente Bergen 108,5 km2, is sprake van een zeer klein gebied2. Dit betekent dat volgens artikel 3 Besluit m.e.r. geen MER noodzakelijk is, mits het bevoegd gezag heeft vastgesteld dat het plan geen aanzienlijke milieueffecten heeft. In deze notitie wordt daarom ingegaan op de milieueffecten van de aanleg en het gebruik van de rotonde.

4

Procedure en beoordelingscriteria

De m.e.r. beoordeling hoort bij het besluit (i.c. het bestemmingsplan), waarin de hiervoor genoemde activiteiten mogelijk worden gemaakt. De gemeenteraad is bevoegd gezag voor het vaststellen van het bestemmingsplan en bevoegd te besluiten of een milieueffectrapportage nodig is (de m.e.r.-beoordeling), dan wel het bestemmingsplan onder de uitzonderingen van artikel 3 Besluit m.e.r. valt.. De adviseurs en bestuursorganen die op grond van een wettelijk voorschrift adviseren over de besluiten die benodigd zijn voor de activiteiten waarop het plan betrekking heeft, moeten worden geraadpleegd over de plan-mer-beoordeling. Daarnaast worden ook de Minister van Infrastructuur en Waterstaat, de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap of een door hen aangewezen bestuursorgaan daaromtrent geraadpleegd. Het is niet uitgesloten dat deze ministers hetzelfde bestuursorgaan aanwijzen.

2

0,004% van het oppervlakte van de gemeente.

4/20

Uit artikel 3 lid 5 Besluit mer vloeit voort dat het resultaat van de plan-mer-beoordeling in (de toelichting bij) het plan wordt opgenomen. Er is dus geen apart plan-mer-beoordelingsbesluit nodig. De m.e.r.-beoordeling wordt gedaan aan de hand van drie hoofdcriteria die zijn opgenomen in bijlage III van de Europese m.e.r.-richtlijn of bijlage II bij de SMB richtlijn. Deze drie hoofdcriteria zijn: • kenmerken van het project; • plaats van het project; • kenmerken van het potentiële effect. In deze notitie is de informatie opgenomen op basis waarvan het bevoegd gezag kan beoordelen of sprake is van mogelijk belangrijk nadelige gevolgen van de beoogde ontwikkeling voor het milieu. In het geval belangrijke nadelige milieugevolgen niet kunnen worden uitgesloten, kan het bevoegd gezag besluiten dat een m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Als geen belangrijke nadelige milieugevolgen optreden of te verwachten zijn, wordt gemotiveerd aangegeven dat geen milieueffectrapportage hoeft te wordt doorlopen. Voor het opstellen van deze notitie is gebruik gemaakt van de onderzoeken die zijn uitgevoerd om de genoemde ontwikkeling in de toelichting van het uitwerkingsplan ruimtelijk te onderbouwen (zie de bijlagen met de onderzoeken).

5

Kenmerken en plaats van het project

5.1

Kenmerken van het project

Bij het kenmerk van het project moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a. de omvang van het project; b. de cumulatie met andere projecten; c. het gebruik van natuurlijke hulpbronnen; d. de productie van afvalstoffen; e. verontreiniging en hinder; f. risico van ongevallen, met name gelet op de gebruikte stoffen of technologieën. Ad a. De N271 vormt de verbindingsweg tussen de A67 bij Venlo en de A77 bij Gennep. Ter hoogte van Well ontstaat stagnatie door de aansluiting op de Kasteellaan en de Wezerweg. Daarnaast is er regelmatig sprake van verkeersonveilige situaties. Om deze problemen op te lossen wordt ter hoogte van hmp 95.5 een rotonde aangelegd waarop zowel de Wezerweg als de Kasteellaan worden aangesloten. Het plan heeft betrekking op een oppervlakte van circa 4.500 m2. Een groot deel van dit oppervlakte wordt momenteel al gebruikt als weg en is al bestemd voor verkeer. Omdat het ruimtebeslag van een rotonde anders is dan het ruimtebeslag van een kruising, zal de bestemming verkeer beperkt uitgebreid worden.

5/20

Ad b. Er zijn in de omgeving van het plangebied geen andere ontwikkelingen voorzien die kunnen leiden tot cumulatie. Ad c. De ontwikkeling zorgt niet voor een relevante wijziging in het gebruik van natuurlijke hulpbronnen. Bij de aanleg van de rotonde wordt naar verwachting gebruik gemaakt van machines op brandstof, maar dit is tijdelijk en geeft geen aanleiding om aanzienlijke gevolgen voor het milieu te veronderstellen. Ad d. De activiteiten leiden niet tot een relevante productie van afvalstoffen. Vrijkomende afvalstoffen zoals beton, asfalt, bodem etc. worden afgevoerd naar een erkend verwerker. Na een of meerdere bewerkingsprocessen zijn deze stoffen weer inzetbaar als grond- of hulpstof in andere processen. Ad e. De rotonde heeft geen extra verkeersaantrekkende werking ten opzichte van de huidige situatie met kruisingen. Verkeersprognoses laten zien dat in de toekomst zelfs sprake zal zijn van een daling van de verkeersintensiteit. Extra verontreinigingen naar de lucht, water of bodem zullen daarom niet ontstaan. Als gevolg van de aanleg van de rotonde wordt de afstand van de weg tot de woningen anders. Dit leidt tot een toename van de geluidbelasting. Om de hinder als gevolg van wegverkeer zo veel mogelijk te beperken, wordt waar mogelijk stil asfalt toegepast. Ad f.

De aanleg en het gebruik van de rotonde zorgt niet voor een relevant risico op ongevallen gelet op de gebruikte stoffen. De rotonde moet zelfs gaan zorgen voor een verkeersveiligere situatie.

5.2

Plaats van het project

Bij de mate van kwetsbaarheid van het milieu in de gebieden waarop het project van invloed kan zijn moet in het bijzonder in overweging worden genomen: a. het bestaande grondgebruik; b. de relatieve rijkdom aan en de kwaliteit en het regeneratievermogen van de natuurlijke hulpbronnen van het gebied; c. het opnamevermogen van het natuurlijke milieu, met in het bijzonder aandacht voor de volgende typen gebieden: - wetlands; - kustgebieden; - berg- en bosgebieden; - reservaten en natuurparken; - gebieden die in de wetgeving van lidstaten zijn aangeduid of door die wetgeving worden beschermd; speciale beschermingszones door de lidstaten aangewezen krachtens Richtlijn

6/20

79/409/EEG (= Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (= Habitatrichtlijn); - gebieden waarin de bij communautaire wetgeving vastgestelde normen inzake milieukwaliteit reeds worden overschreden; - gebieden met een hoge bevolkingsdichtheid; - landschappen van historisch, cultureel of archeologisch belang. Ad a. Het plangebied is momenteel al voornamelijk in gebruik als weg met bijbehorende voorzieningen. Met name aan de oostzijde van de weg zullen kleine stukken groen als weg ingericht worden. Daar staat tegenover dat de gehele weg groener ingericht gaat worden. Ten opzichte van de huidige situatie is sprake van een afname van het verhard oppervlak. Ad b. Het plangebied heeft op dit moment geen bijzondere kwaliteit. Van natuurlijke hulpbronnen in het plangebied is geen sprake. Ad c. Onder gevoelige gebieden (zoals genoemd in bijlage III van de Europese richtlijn m.e.r.) vallen Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland (NNN), Nationale landschappen, beschermde monumenten en Belvedèregebieden. Het plangebied is gedeeltelijk gelegen binnen Natura 2000-gebied ‘Maasduinen’ en binnen NNN-gebied (Goudgroene zone).

Figuur 4 Ligging van het plan ten opzichte van Natura 2000-gebied Maasduinen

7/20

Figuur 5 Ligging van het plangebied ten opzicht van NNN-gebied

Uit ecologisch onderzoek blijkt dat belangrijke negatieve gevolgen op Natura 2000-gebieden zijn uitgesloten (zie ook paragraaf 6.8). Wel leidt de aanleg en het gebruik van de rotonde tot een toename van de stikstofdepositie. Door externe saldering met een veehouderijbedrijf wordt een deel van deze toename weggenomen. Van de resterende toename van de depositie is vastgesteld dat deze geen gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied. Nadelige effecten op het Natura 2000-gebied zijn daarmee uitgesloten. Voor het NNN-gebied kunnen negatieve effecten niet uitgesloten worden. Hiervoor moet compensatie worden geboden (zie ook paragraaf 6.8).

6

Kenmerken van de mogelijke effecten

6.1

Verkeer

De aanleg van de rotonde leidt niet tot een toename van de verkeersintensiteiten ter plaatse. Uit verkeersprognoses blijkt zelfs dat in de toekomst sprake is van een afname van de verkeersintensiteiten. Doordat zowel de Kasteellaan als de Wezerweg worden aangesloten op de rotonde vindt over een zeer beperkte afstand een verschuiving plaats van verkeersintensiteiten. De rotonde is zo ontworpen dat hij het verkeer goed kan afhandelen. De bestaande stagnatie wordt naar verwachting opgelost, waardoor de doorstroming van het verkeer zal verbeteren.

8/20

Conclusie Voor het aspect verkeer worden geen belangrijke negatieve milieueffecten verwacht. 6.2

Luchtkwaliteit

De luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer vormen geen belemmering voor een plan of project indien aannemelijk is gemaakt dat het plan of project voldoet aan één of meer van onderstaande grondslagen: • het plan/project leidt niet tot overschrijding van grenswaarden; • als er aannemelijk is gemaakt dat er grenswaarden worden overschreden: o maar ten gevolge van het plan/project is er per saldo sprake van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of blijft de concentratie gelijk; o maar ten gevolge van een door het plan/project optredend effect of een met het plan samenhangende maatregel is er per saldo sprake van een verbetering van de concentratie van de betreffende stof of blijft de concentratie gelijk; • het plan/project draagt niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit; • het plan/project is genoemd of beschreven in, dan wel past binnen of is in elk geval niet strijdig met het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit. Uit het onderzoek luchtkwaliteit3 blijkt dat de concentraties van de beschouwde luchtverontreinigende stoffen (NO2, PM10 en PM2,5) ruim voldoen aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Bij deze berekende concentraties is geen rekening gehouden met de afname van de verkeersintensiteiten en met het verbeteren van de doorstroming van het verkeer.

Conclusie Voor het aspect luchtkwaliteit worden geen belangrijke negatieve milieueffecten verwacht. 6.3

Geluid

De Wet geluidhinder (hierna: Wgh) beoogt de burger te beschermen tegen te hoge geluidbelastingen. In deze wet zijn onder meer de normen voor geluid als gevolg van weg- en railverkeerslawaai en industrielawaai vastgelegd. Bij ruimtelijke plannen dient rekening gehouden te worden met de in de Wgh opgenomen grenswaarden en bepalingen. In de Wgh gelden voorkeursgrenswaarden en maximaal toelaatbare grenswaarden voor de geluidbelasting op de gevel van een geluidgevoelige bestemming. In geval van een wijziging van een weg wordt onderzocht of er sprake is van een reconstructie in de zin van de Wgh. Hiervan is sprake als aan de volgende twee voorwaarden is voldaan: • het betreft een fysieke wijziging op of aan een aanwezige weg; • als gevolg van deze wijziging neemt de geluidbelasting in het toekomstig maatgevend jaar zonder het treffen van maatregelen toe met 2 dB of meer.

3

Lievense | WSP, N271 – rotonde Well hmp 95.54, Luchtkwaliteitsonderzoek, 29 mei 2020.

9/20

Indien de geluidbelasting op de woning in de situatie voor aanpassing van de weg lager is dan 48 dB, dan wordt de toename berekend ten opzichte van 48 dB. Indien de geluidbelasting op de woning in de situatie vóór aanpassing van de weg hoger is dan 48 dB, dan wordt de toename berekend ten opzichte van de heersende geluidbelasting of een eerder vastgestelde hogere waarde. De toename van de geluidbelasting mag niet meer dan 5 dB bedragen en wordt verder beperkt door de maximaal toelaatbare geluidbelasting. De maximaal toelaatbare geluidbelasting is afhankelijk van de ligging van de woning (in stedelijk of buitenstedelijk gebied) en de heersende geluidbelasting. Uit het akoestisch onderzoek4 blijkt dat bij 13 woningen een toename van de geluidbelasting van afgerond 2 dB of meer wordt berekend als gevolg van de wijzigingen aan de N271. Bij deze woningen is sprake van een reconstructie. Om de geluidbelasting op de woningen te reduceren wordt binnen de grenzen van het werkgebied5 geluidreducerend asfalt van het type SMA NL 8G+ toegepast. Met deze maatregel wordt bij 7 woningen de geluidbelasting teruggebracht tot de geluidbelasting vóór reconstructie. Overige maatregelen om de geluidbelasting te reduceren zijn niet gewenst vanuit stedenbouwkundig en verkeerskundig opzicht.

Voor de woningen waar de geluidbelasting niet voldoende gereduceerd kan worden, wordt een hogere waarde aangevraagd. Indien noodzakelijk moeten aan deze woningen maatregelen worden getroffen om te voldoen aan de eisen ten aanzien van het binnenniveau. De geluidbelasting als gevolg van de Wezerweg is lager dan de voorkeursgrenswaarde van 48 dB. Voor de Kasteellaan en de Sterrenbos geldt een snelheid van 30 km/uur waardoor de Wet geluidhinder hier niet van toepassing is. Als gevolg van deze wegen kan dus geen sprake zijn van een reconstructie. De gecumuleerde geluidbelasting bedraagt ten hoogste 66 dB. Omdat van de beschouwde woningen de meeste woningen een geluidbelasting ondervinden van minder dan 50 dB, wordt de geluidsituatie ter plaatse beoordeeld als goed. Conclusie Voor het aspect geluid geldt dat bij een aantal woningen een toename van de geluidbelasting wordt verwacht. Deze toename is echter niet zo hoog dat sprake is van belangrijke negatieve milieueffecten. 6.4

Externe veiligheid

Ten behoeve van externe veiligheid is onderzocht of de aanleg en het gebruik van de rotonde gevolgen heeft voor het plaatsgebonden risico (PR) en groepsrisico (GR). Het plaatsgebonden risico gaat over het risico om te overlijden. Hiervoor is een norm afgesproken: de kans dat een onbeschermd persoon overlijdt als gevolg van een calamiteit met gevaarlijke stoffen mag niet groter zijn dan 1 op de 1 miljoen per jaar (PR=10-6). Het groepsrisico is een maat die aangeeft 4

Lievense | WSP, N271 – rotonde Well hmp 95.54, Akoestisch onderzoek, 4 augustus 2022. Met uitzondering van de rotonde en de aansluitingen op de rotonde tot een afstand van circa 25 meter. In verband met het afremmen en optrekken van verkeer kan hier geen geluidreducerend wegdektype worden toegepast. 5

10/20

hoe groot de kans is op een ongeval met gevaarlijke stoffen waarbij een bepaalde groep slachtoffers valt. Hoe hoger het groepsrisico, hoe groter deze kans. Uit het onderzoek Externe Veiligheid6 blijkt dat over de N271 transporten plaatsvinden van brandbare vloeistof of van brandbaar gas. De aanleg van de rotonde heeft geen gevolgen voor de bevolkingsdichtheid in de omgeving van de rotonde. Het aantal transporten op de weg is zo laag dat geen sprake is van een 10-5 of 10-6 contour. Daardoor kunnen geen (beperkt) kwetsbare objecten liggen binnen de contouren voor het plaatsgebonden risico. Voor het groepsrisico geldt dat deze duidelijk lager is dan 10% van de oriëntatiewaarde van het groepsrisico. In de omgeving van de rotonde is, voor zover bekend, geen sprake van de aanwezigheid van groepen beperkt zelfredzame personen. In geval van een calamiteit wordt gewaarschuwd via het Waarschuwing Alarm Systeem. De aanpassing van de infrastructuur heeft geen gevolgen voor de bestrijdbaarheid van een calamiteit. Risicocommunicatie naar burgers vindt plaats via www.risicokaart.nl en het bestemmingsplan. Conclusie Voor het aspect externe veiligheid worden geen belangrijke negatieve milieueffecten verwacht. 6.5

Bodem

Voor het aspect bodem is een gecombineerde milieukundige en civieltechnisch (bodem)onderzoek uitgevoerd, bestaande uit een verkennend asfalt-, asbest-, funderings- en bodemonderzoek7. De bodem is vrij homogeen van opbouw. Zintuiglijk is er in de bodem zelf geen bodemvreemde bijmenging aangetroffen. Analytisch zijn enkel ter plaatse van de bermen en de parkeerplaats licht verhoogde gehaltes aan PFOS, metalen, PAK, minerale olie en/of PCB’s aangetroffen. Bij indicatieve toetsing is de grond geclassificeerd als bodemkwaliteitsklasse ‘AW2000 ’ danwel ‘industrie’. De hypothese dat de bodem heterogeen verontreinigd is ten aanzien van een bodemverontreiniging wordt op basis van de analyseresultaten bevestigd, vanwege de aangetoonde lichte verontreinigingen. In het grondwater zijn geen verhoogde concentraties aangetroffen van de onderzochte verontreinigende stoffen. Zowel zintuiglijk als analytisch is ter plaatse van de N271 geen asbest aangetroffen. Ter plaatse van het Sterrenbos en de Kasteellaan is een licht verhoogd gehalte aan asbest aangetroffen in de fijne fractie < 20 mm. Het funderingsmateriaal is zowel zintuiglijk als analytisch niet verontreinigd met asbest. Aangezien het funderingsmateriaal onder de parkeerplaats gelijk is 6

Lievense | WSP, N271 – rotonde Well hmp 95.54, onderzoek externe veiligheid, 25 juni 2020. Lievense | WSP, N271 – rotonde Well hmp 95.54, Milieukundig en civieltechnisch (bodem)onderzoek, 29 mei 2020. 7

11/20

aan de overige funderingen, is er geen aanleiding asbestverontreiniging onder de parkeerplaats te verwachten. In de onderliggende bodem is eveneens geen asbestverdacht materiaal aangetroffen. De locatie wordt daarom als onverdacht op het voorkomen van asbest beschouwd. De hypothese dat het funderingsmateriaal heterogeen verontreinigd is ten aanzien van asbest wordt verworpen. Er is zintuiglijk en analytisch geen asbest aangetroffen. De bodem is ook onderzocht op PFAS en PFOA. De aangetroffen gehaltes zijn boven de bepalingsgrens, maar beneden de (voorlopige) achtergrondwaarden, dus de kwaliteitsklasse verandert niet. Wel gelden er toepassingsvoorwaarden: toepassing van grond op landbodem in grondwaterbeschermingsgebieden en toepassing van grond in oppervlaktewater zijn niet toegestaan. Voor de onderzoekslocatie vormt de kwaliteit van de bodem vanuit milieuhygiënisch oogpunt geen probleem voor de voorgenomen herinrichting/renovatie. De licht verhoogde gehaltes in het funderingsmateriaal en de bodemlagen brengen geen onaanvaardbare risico’s met zich mee. Er worden geen belemmeringen gezien voor het toekomstige gebruik van de locatie. Voor grond die wordt afgevoerd van de locatie naar elders, gelden toepassingsvoorwaarden als gevolg van de licht verhoogde gehaltes aan PFAS en/of PFOA net boven de bepalingsgrens.

Conclusie Voor het aspect bodem worden geen belangrijke negatieve milieueffecten verwacht. 6.6

Water

Er is onderzoek8 gedaan naar de effecten van de aanleg en het gebruik van de rotonde op de waterhuishouding in het plangebied. Oppervlaktewater De voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op het oppervlaktewater en/of waterbeschermingsgebieden, omdat deze niet in de directe omgeving van het plangebied aanwezig zijn. Waterkwantiteit Als gevolg van de herinrichting neemt het verhard oppervlak af. Het afstromende water stroomt af op de naastgelegen bermen en greppels. Daar zakt het afstromende water richting de bodem. Aan weerszijden van de weg worden geschikte bergings- en infiltratievoorzieningen aangelegd. Tussen de weg en de naastgelegen percelen worden infiltratievoorzieningen gelegd om afstroom naar belendede percelen te voorkomen. Het afstromende water veroorzaakt daarom geen wateroverlast op naastgelegen percelen. Versnelde afvoer richting het oppervlaktewater vindt niet plaats. Tijdens (zeer) zware regenbuien kan (hemel-)water geconcentreerd in stroombanen zijn weg zoeken langs de noordelijke rand van de N271 en de oostelijke berm van de Wezerweg. De rotonde en de aan te passen toevoerwegen van het water leiden niet tot een verergering van de 8

Lievense | WSP, N271 – rotonde Well hmp 95.54, waterparagraaf, 22 april 2020.

12/20

situatie. Indien gewenst kunnen voorzieningen worden getroffen om dit toestromend water (gedeeltelijk) op te vangen. De toestroom van het water zal niet accumuleren ter plaatse van de rotonde maar over de weg afstromen naar een terrein ten zuiden van de weg. In de diepste boring die ten behoeve van het verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd is het grondwater op een diepte van 4 meter aangetroffen. Dit onderzoek is in een betrekkelijk natte periode uitgevoerd, het is daarom onwaarschijnlijk dat de Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand (GHG) van het grondwater hoger ligt dan 3,50 m-mv. Dit betekent dat er een ruime onverzadigde zone is waarin hemelwater tijdelijk kan worden geborgen. Bij het ontwerp van de bergende voorziening moet rekening gehouden worden dat deze onderhoudbaar en veilig is. Daarnaast zullen wadi’s zodanig uitgevoerd worden dat het talud dermate flauw is dat personen niet onverwacht ten val komen. Waterkwaliteit In de huidige situatie stroomt al het regenwater van de weg en de fietspaden in de bermen en infiltreert in de bodem. Om te voorkomen dat de bodem onder de hemelwatervoorzieningen verontreinigd raakt wordt de bodem voorzien van bodempassages. Conclusie Voor het aspect water worden geen belangrijke negatieve milieueffecten verwacht. 6.7

Archeologie

Op basis van de beleidskaart van de gemeente Bergen is de locatie gelegen in een gebied met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Voor het gebied geldt een onderzoeksplicht bij een verstoringsdiepte van meer dan 40 cm en een verstoringsoppervlakte van meer dan 250 m2.

13/20

Figuur 6 Uitsnede uit de archeologische beleidskaart van de gemeente Bergen

Uit archeologisch bureauonderzoek9 blijkt dat gebied ligt op de rand van het Dryas-terras en het interstadiaal-terreas van de Maas direct ten oosten van een brede, voormalige geul uit het laatglaciaal dat nog lange tijd watervoerend zal zijn geweest. Daardoor was de locatie in het verleden een zeer interessante locatie voor bewoning, begraving etc. Het betreft de periode van het neo-lithicum tot en met de nieuwe tijd, maar zeker ook voor jagers/verzamelaars uit het laatpaleolithicum en het mesolithicum. Eventuele archeologische sporen zullen zich direct onder het humeuze dek met een dikte van meer dan 50 cm en over het algemeen niet dikker van 70 tot 100 cm voorkomen. De N271 kruist ter hoogte van de geplande rotonde een oude landroute: de Hooghenweg; een eeuwenoude hoogwatervrije route op de hoge gronden langs de Maas die mogelijk zelfs teruggaat tot in de prehistorie. Het Sterrebos volgt tegenwoordig nog het tracé van deze weg. Bovendien bevindt zich ter hoogte van het plangebied de aftakking naar Weeze, eveneens een oude weg. Dit betekent dat zich in en in de directe omgeving van het plangebied resten van oude wegen kunnen bevinden op een geringe diepte onder het maaiveld. Op de plaats waar de kasteellaan aansloot op de oude landroute is op historische kaarten een gebouwencomplex aangegeven. Het gaat hierbij om een proto-industrieel complex dat 9

RAAP Adviesdocument 1104, 19 juni 2020.

14/20

onderdeel was van het uitgestrekte landgoed rond kasteel Well, bestaande uit een olierosmolen, een molenhuis (het huidige café Vink)en een windmolen op de nabijgelegen Molenberg waarvan de oorsprong teruggaat tot vroeg in de achttiende eeuw. In 1788 was hier bovendien ook een pellen- of linnenfabriek met een spinnerij gevestigd. Het merendeel van de gebouwen lijkt zich buiten het huidige plangebied te hebben bevonden, maar ter plaatse van de huidige parkeerplaats van café Vink, tussen de voormalige windmolen en het molenhuis lag een klein erf met een huis en aangebouwd bijgebouw naar het zich laat aanzien binnen de begrenzing van het plangebied. Dit erf was onderdeel van het voornoemde gebouwencomplex. Op basis van de landschappelijke ligging van het plangebied en de aanwezigheid van archeologische resten in de omgeving daarvan is vastgesteld dat de kans op het voorkomen van dergelijke resten middelhoog tot hoog is voor de perioden neolithicum tot en met nieuwe tijd en laag voor de perioden paleolithicum en mesolithicum. Een vervolgonderzoek om de archeologische waarden in het gebied in kaart te brengen moet nog uitgevoerd worden. Conclusie De archeologische verwachtingswaarde van het gebied is inzichtelijk gemaakt. Door middel van vervolgonderzoek worden de aanwezige archeologische waarden in kaart gebracht.

Daarna wordt vastgesteld of eventuele vervolgstappen noodzakelijk zijn. Indien archeologische resten aangetroffen worden kunnen deze leiden tot vertraging van het plan. Het is echter niet de verwachting dat eventuele vondsten kunnen leiden tot het niet doorgaan van het plan. Archeologische waarden worden zo veel als mogelijk in de bodem bewaard, indien dit niet mogelijk blijkt moeten ze worden opgegraven en gedocumenteerd. Voor het aspect archeologie zijn daarom geen negatieve milieueffecten te verwachten. 6.8

Ecologie

Voor ecologie zijn diverse rapporten beschikbaar10 bestaande uit bureaustudie in combinatie met terreinonderzoek. De onderzoekslocatie maakt voor een klein deel uit van het Natuurnetwerk en grenst verder grotendeels aan het Natuurnetwerk Nederland. Het betreft een Goudgroene natuurzone en een Bronsgroene landschapszone.

10

Econsultancy, Natuurtoets Moleneind (ong) te Well, 8 maart 2019 en Lievense | WSP, N271 – rotonde Well hmp 95.54, Quickscan Ecologie, 25 juni 2020.

15/20

Figuur 7 Ligging van het plangebied ten opzicht van NNN-gebied

Uit het uitgevoerde Nee, tenzij-onderzoek blijkt dat er door de geplande inrichting, zoals deze in de huidige situatie voorzien is, significant negatieve effecten te verwachten zijn op de wezenlijke kenmerken en waarden van de Goudgroene natuurzone. Door de voorgenomen plannen zal een deel van het Goudgroene natuurzone areaal verdwijnen. Tevens is er sprake van een verhoogde stikstofdepositie, zal er tijdelijke geluidsverstoring optreden tot dat bij de voorkomende soorten gewenning optreed en zal er openheid optreden op een plek waar nu geslotenheid heerst. Door rekening te houden met toekomstige verlichting kan verstoring door licht voorkomen worden. Er zijn voor de voorgenomen activiteit geen alternatieven, er is groot openbaar belang, de effecten zijn waar mogelijk beperkt en de resterende effecten worden conform provinciaal beleid gecompenseerd. Daarnaast is ten behoeve van de aanleg van de rotonde de kap van bomen noodzakelijk. Hiervoor geldt een herplantplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming Een deel van Een deel van de onderzoekslocatie is gelegen binnen de grenzen van een Natura 2000-gebied. Bovendien grenst het overige deel van de onderzoekslocatie aan een Natura 2000-gebied. Het betreft Natura 2000-gebied "Maasduinen".

16/20

Figuur 8 Ligging van het plan ten opzichte van Natura 2000-gebied Maasduinen

Er gaat geen oppervlakte van het Natura 2000-gebied verloren. Het aanwezige fietspad in de rand van het Natura 2000-gebied wordt omgevormd naar berm. Er is geen sprake van versnippering, verontreiniging met ecosysteem of gebiedsvreemde stoffen in de bodem, grondwater of lucht, het grondwaterniveau wordt niet aangetast. Daarnaast zal geen relevante wijziging optreden in de geluidbelasting of verstoring door licht in het Natura 2000-gebied. Er treedt geen negatief effect op door trillingen, optische verstoring of veranderingen in de populatiedynamiek. Wel leidt de ontwikkeling tot een toename van de stikstofdepositie. Om de toename te beperken wordt extern gesaldeerd met een nabij gelegen veehouderijbedrijf. Na het toepassen van de salderingsmaatregelen is alleen nog sprake van een toename van de depositie in het leefgebied van de Zwarte Specht en Nachtzwaluw. Uit de passende beoordeling11 blijkt echter dat significant negatieve effecten op deze soorten zijn uitgesloten. Ook de aanleg van de rotonde leidt niet tot significant negatieve effecten op habitattypen en soorten. De instandhoudingsdoelstellingen komen niet in het geding.

Soortenbescherming Er is vastgesteld dat de locatie een (potentiële) functie heeft voor: • algemene broedvogels; • boom- en steenmarter; • reptielen (hazelworm en levendbarende hagedis); • nationaal (vrijgestelde) amfibieën; • algemene grondgebonden zoogdieren. 11

WSP, Passende beoordeling Rotonde N271 Well in het kader van de Wet natuurbescherming, 27 juli 2022.

17/20

Soort

Algemene

Geschikt

Nader onderzoek

Is er sprake van

Ontheffing

habitat

nodig?

een overtreding?

noodzakelijk?

Ja

Nee

Nee mits het

Nee

-

Nee

-

Mogelijk

Nader

broedvogels

Vervolgstappen

verwijderen van nestgelegenheden buiten het broedseizoen uitvoeren of voorafgaand een broedvogelinspectie uitvoeren

Boommarter

Mogelijk

Ja, indien wordt

Nee mits takken-en

gewerkt buiten de

steenhopen worden

vrijstellingsperiode

verwijderd in de

en buiten de 10 m

vrijstellingsperiode

buffer t.o.v. de steen/takkenhopen Steenmarter

Mogelijk

Ja, indien wordt

Mogelijk

gewerkt buiten de

onderzoek

10 m buffer t.o.v.

indien wordt

de steen-

gewerkt buiten

/takkenhopen

de 10 m buffer t.o.v. de steen/takkenhopen

Hazelworm en

Ja, indien wordt

Nee mits potentiële

Levendbarende

gewerkt buiten de

verblijfplaatsen

hagedis

vrijstellingsperiode

worden verwijderd

en buiten de 10 m

in de

buffer

vrijstellingsperiode

Nee

Nee

Amfibieën

Mogelijk

Ja

Nee

-

Nee

Aandacht voor zorgplicht

Grondgebonden zoogdieren

Ja

Nee

Nee

Nee

Aandacht voor zorgplicht ten aanzien van konijn, vos, egel, mol en diverse muizensoorten

Voor alle soorten geldt dat te allen tijde de algemene zorgplicht in acht moet worden genomen. Conclusie De aanleg van de rotonde leidt tot aantasting van de Goudgroene natuurzone. Hiervoor is een nee-tenzij afweging doorlopen en wordt een compensatieplan opgesteld. Er zijn voor het voorgenomen plan geen alternatieven, er is een groot openbaar belang, de effecten zijn waar

18/20

mogelijk beperkt en de resterende effecten worden conform het provinciaal beleid gecompenseerd. Er zijn daarmee per saldo geen belangrijke nadelige gevolgen meer. Ook voor het Natura 2000-gebied geldt dat de effecten (toename van de stikstofdepositie) zo veel als mogelijk worden beperkt door toepassen van extern salderen. Significant negatieve effecten van de resterende toename voor habitattypen en leefgebieden van soorten zijn uitgesloten waardoor geen sprake is van aantasting van de instandhoudingsdoelstellingen. Ook voor aanwezige beschermde soorten kunnen maatregelen worden getroffen om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen. Daarnaast geldt de algemene zorgplicht. Voor het aspect ecologie worden geen belangrijke negatieve milieueffecten verwacht. 6.9

Niet gesprongen explosieven

Uit een onderzoek naar het risico op het aantreffen van Conventionele explosieven 12 blijkt dat het onderzoeksgebied zich vanaf september 1944 tot en met maart 1945 in het frontgebied bevond, waarbij het gebied betrokken is geweest bij granaatbeschietingen, boordwapenbeschietingen en raketbeschietingen. De sporen van de granaatbeschietingen en de raketbeschietingen zijn middels luchtfotoanalyse feitelijk herleidbaar tot het onderzoeksgebied. Ook is er middels luchtfoto-interpretatie in werking gestelde vernielingsladingen zichtbaar. Op luchtfoto’s is er eveneens een loopgraaf zichtbaar in het onderzoeksgebied, deze bevindt zich nabij de huidige rotonde op de N271. In de naoorlogse periode zijn werkzaamheden in en nabij het onderzoeksgebied uitgevoerd waarbij grondroerende activiteiten zijn uitgevoerd. De plaatsen waar grondroerende werkzaamheden hebben plaatsgevonden in het onderzoeksgebied zijn onverdacht voor achtergebleven Conventionele Explosieven. De uitzonderingen hierop zijn de randen van de rotonde op de N271 en parkeerplaats op de kruising van het Sterrenbos en het Moleneind, de ingrepen hier hebben slechts invloed gehad op de bovenste laag grond, hieronder is nog een restrisico op het aantreffen van Conventionele Explosieven. Binnen het onderzoeksgebied is gerede kans op het aantreffen van verschoten munitie van Geallieerde troepen.

Ook is er mogelijk in het onderzoeksgebied gedumpte Duitse infanteriemunitie en springlading aan te treffen. Daarom wordt aanbevolen om voorafgaand aan de werkzaamheden een onderzoek uit te voeren naar de aanwezigheid van mogelijk niet gesprongen explosieven. Conclusie De aanwezigheid van niet gesprongen explosieven kan niet uitgesloten worden. Voorafgaand aan de werkzaamheden wordt de locatie hierop onderzocht. Mochten tijdens de werkzaamheden nog explosieven worden gevonden, dan worden de werkzaamheden stil 12

Explosive clearance group, Vooronderzoek naar het risico op het aantreffen van Conventionele Explosieven in het onderzoeksgebeid ‘N271 rotonde Well’, 12 januari 2021

19/20

gelegd en de explosieven op met een daartoe geschikte methode onschadelijk gemaakt. Voor het aspect niet gesprongen explosieven worden geen belangrijke negatieve milieueffecten verwacht. Conclusie: Het plan voor de aanleg van de rotonde leidt tot bepaalde effecten. Het plan zorgt echter niet voor zodanige negatieve gevolgen voor het milieu dat hiervoor een milieueffectrapportage zou moeten worden doorlopen. Het vaststellen van het bestemmingsplan is daarmee in overeenstemming met de bepalingen van de Wet natuurbescherming, de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage.

Bijlage 1 Onderzoek luchtkwaliteit Bijlage 2 Akoestisch onderzoek Bijlage 3 Onderzoek externe veiligheid Bijlage 4 Milieukundig en civieltechnisch (bodem)onderzoek Bijlage 5 Waterparagraaf Bijlage 6 RAAP adviesdocument Bijlage 7 Natuurtoets Bijlage 8 Quickscan ecologie Bijlage 9 Passende beoordeling Bijlage 10 Vooronderzoek niet gesprongen explosieven

20/20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12385479/1