CConstaterende datBergen
Koppel je AI →
Document · PDF

Bestemmingsplan Tuinstraat 7a totaal

Gemeenteraad 23 maart 2021, gemeente BergenBij agendapunt: Voorstel tot vaststelling van het bestemmingsplan Tuinstraat 7A;25.561 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Niet gevonden in dit document.

BESTEMMINGSPLAN TUINSTRAAT 7A WELLERLOOI

Rapportnummer: 13201022–R2-12190403 Datum:

22 oktober 2020

S

T A M M

E N

p r o j e c t a d v i e s

Ruimtelijke onderbouwing bestemmingsplanherziening Tuinstraat 7a Wellerlooi Rapportnummer: 13201022-R1-12190403 Datum: 22 oktober 2020

Inhoudsopgave

1 Projectlocatie ................................................................................................................................................. 4 1.1 Aanleiding ............................................................................................................................................... 4 1.2 Ligging .................................................................................................................................................... 4 1.3 Kadastraal ............................................................................................................................................... 4 1.4 Geldend bestemmingsplan ........................................................................................................................ 5 1.5 Nieuw bestemmingsplan ........................................................................................................................... 5 2 Analyse omgevingskenmerken .................................................................................................................. 6 2.1 Het planvoornemen .................................................................................................................................. 6

2.1.1 Programma .................................................................................................................................................. 6 2.1.2 Integraal projectprofiel ............................................................................................................................... 6 2.1.3 Beleving- en gebruikswaarde ...................................................................................................................... 6 2.1.4 Parkeren ...................................................................................................................................................... 6 3 Beleidskader ............................................................................................................................................... 7 3.1 Inleiding .................................................................................................................................................. 7 3.2 Rijksbeleid en regelgeving......................................................................................................................... 7

3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte ...................................................................................................... 7 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) ................................................................................. 7 3.3 Provinciaal beleid ..................................................................................................................................... 7

3.3.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 .................................................................................................. 7 3.4 Regionaal beleid ...................................................................................................................................... 8 3.5 Gemeentelijk beleid .................................................................................................................................. 8 4 Omgevingsaspecten ..................................................................................................................................... 11 4.1 Bodem .................................................................................................................................................. 11 4.2 Archeologie ........................................................................................................................................... 11 4.3 Cultuurhistorie ....................................................................................................................................... 12 4.4 Wet Natuurbescherming ......................................................................................................................... 13 4.4.1 Natura 2000-gebieden .........................................................................................................................

13 4.4.2 Soorten .............................................................................................................................................. 13 4.5 Luchtkwaliteit ........................................................................................................................................ 14 4.6 Waterparagraaf ...................................................................................................................................... 14 4.7 Wet geluidhinder.................................................................................................................................... 15 4.8 Bedrijven en milieuzonering .................................................................................................................... 15

4.10 Geurhinder uit dierverblijven behorende bij veehouderij bedrijven ............................................................ 16 5 Uitvoerbaarheid........................................................................................................................................ 18 5.1 Financieel-economische uitvoerbaarheid ................................................................................................... 18 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ............................................................................................................ 18

Stammen ProjectAdvies

4.9 Externe veiligheid................................................................................................................................... 16

2

Ruimtelijke onderbouwing bestemmingsplanherziening Tuinstraat 7a Wellerlooi Rapportnummer: 13201022-R1-12190403 Datum: 22 oktober 2020

6 Juridische toelichting .................................................................................................................................... 19 6.1 Algemeen .............................................................................................................................................. 19 6.2 Verbeelding ........................................................................................................................................... 19

Stammen ProjectAdvies

6.3 Planregels ............................................................................................................................................. 19

3

Ruimtelijke onderbouwing bestemmingsplanherziening Tuinstraat 7a Wellerlooi Rapportnummer: 13201022-R1-12190403 Datum: 22 oktober 2020

1 Projectlocatie 1.1 Aanleiding Het voorliggende bestemmingsplan (NL.IMRO.0893.BP20004TUTUI-ON01) heeft betrekking op het initiatief tot wijziging van de bestemming ‘Agrarisch-glastuinbouw’ naar ‘Wonen’ en ‘Tuin’ ter plaatse van Tuinstraat 7a te Wellerlooi. Na beëindiging van de glastuinactiviteiten door gedeeltelijke verkoop en sloop van de kassen bestaat de wens om het huis particulier te bewonen. Particuliere bewoning is momenteel strijdig met het bestemmingsplan. Deze toelichting behoort bij de bestemmingsplanwijziging die particuliere bewoning mogelijk maakt. 1.2 Ligging Het plangebied ligt oostelijk van het dorp Wellerlooi in buurtschap ‘Tuindorp’. De locatie is gelegen aan de Tuinstraat. Aan de zuidzijde grenst het perceel aan de Paaldijk. De locatie bestaat uit een hoofd gebouw en twee losstaande bijgebouwen.

Stammen ProjectAdvies

1.3 Kadastraal De locatie bestaat uit het perceel dat kadastraal bekend staat als Gemeente Bergen, Sectie N, nummer 588. Het perceel is in eigendom van de initiatiefnemer.

4

Ruimtelijke onderbouwing bestemmingsplanherziening Tuinstraat 7a Wellerlooi Rapportnummer: 13201022-R1-12190403 Datum: 22 oktober 2020

1.4 Geldend bestemmingsplan De locatie ligt in het bestemmingsplan Buitengebied, onder verwijzing naar de plangrens uit het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied 2018” (NL.IMRO.0893.BP15024BUIBUIVA01). De bestemming is ‘Agrarisch - Glastuinbouw’ en de woning heeft de aanduiding plattelandswoning in het bestemmingsplan.

1.5 Nieuw bestemmingsplan Voor de beoogde ontwikkeling dient het bestemmingsplan herzien te worden. Door de bestemming ‘wonen’ en ‘tuin’ wordt particuliere bewoning mogelijk gemaakt.

wonen

Stammen ProjectAdvies

tuin

5

Ruimtelijke onderbouwing bestemmingsplanherziening Tuinstraat 7a Wellerlooi Rapportnummer: 13201022-R1-12190403 Datum: 22 oktober 2020

2 Analyse omgevingskenmerken De omgeving kenmerkt zich door lintbebouwing in een open agrarisch gebied. Het perceel is gelegen aan de Tuinstraat. De Tuinstraat is de hoofdweg door de buurtschap ‘Tuindorp’ behoorde bij het westelijker gelegen dorp Wellerlooi. Ter plaatse is de Tuinstraat een 50 km weg met laan beplanting. 2.1 Het planvoornemen 2.1.1 Programma De huidige plattelandswoning met bijgebouwen wordt gewijzigd in een reguliere burger woning met twee bijgebouwen. 2.1.2 Integraal projectprofiel Het toekomstbestendig maken van het perceel geeft aanleiding tot het wijzigen van de huidige bestemming. De locatie is eerder gebruikt voor agrarische doeleinden. 2.1.3 Beleving- en gebruikswaarde Het pand is een bungalow met één woonlaag. Het pand is gelegen op een ruime kavel met twee bijgebouwen. De locatie is in gebruik geweest ten behoeve van glastuinbouw. Aan de achterzijde van de van de woning stond een grote kas. Deze kas is reeds enkele jaren geleden gesloopt.

Waardevolle bomen bijgebouw

woning

Stammen ProjectAdvies

2.1.4 Parkeren Zowel de oprit als het terrein zelf heeft veel ruimte om te parkeren.

6

Ruimtelijke onderbouwing bestemmingsplanherziening Tuinstraat 7a Wellerlooi Rapportnummer: 13201022-R1-12190403 Datum: 22 oktober 2020

3 Beleidskader 3.1 Inleiding In dit hoofdstuk wordt aandacht besteed aan het rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Uitsluitend wordt er aandacht geschonken in dit hoofdstuk aan de onderwerpen die direct verband houden en samenhangen met de mogelijkheid tot bestemmen van een woning in het buitengebied van Wellerlooi. 3.2 Rijksbeleid en regelgeving 3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De structuurvisie Infrastructuur en Ruimte d.d. 13 maart 2012, voorziet met haar doelstellingen in de doorlooptijd tot 2040. Het gaat vooral om (inter)nationale ruimtelijke en mobiliteitsontwikkelingen. Hiermee moet concurrentie, bereikbaarheid, leefbaarheid en veiligheid van ons land worden verbeterd via een grotere decentralisatie van verantwoordelijkheden. Voor het beoogd plangebied in Wellerlooi is er uitsluitend een raakvlak met veiligheid en leefbaarheid. Verderop in de toelichting volgen hierover onderzoeksresultaten. 3.2.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) dient er toe dat in de afweging tot de vast te stellen bestemmingsplanregels in elk geval de nationale ruimtelijke afweging gerespecteerd wordt. De onderwerpen waar dit om gaat zijn dus van nationaal belang. Voor het beoogd plangebied zijn er geen rijksbelangen aan de orde.

3.2.3 Ladder van duurzame verstedelijking De ‘ladder voor duurzame verstedelijking’ (Besluit ruimtelijke ordening artikel 3.1.6 lid 2) is in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) geïntroduceerd en vastgelegd als procesvereiste in het Besluit ruimtelijke ordening. Het Besluit ruimtelijke ordening bepaalt dat voor onder meer bestemmingsplannen de treden van de ladder moet worden doorlopen. Overheden dienen op grond van het Besluit ruimtelijke ordening nieuwe stedelijke ontwikkeling standaard te motiveren met behulp van drie opeenvolgende stappen. Deze stappen borgen dat tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkelingen wordt gekomen. De stappen schrijven geen vooraf bepaald resultaat voor, omdat het optimale resultaat moet worden beoordeeld door het bevoegd gezag dat de regionale en lokale omstandigheden kent. Het ruimtelijk plan voorziet in de toevoeging van één burgerwoning. De Raad van State heeft in zijn uitspraak 201302867/1/R4 aangeven dat kleinschalige woningbouwplannen (t/m 9 woningen) geen stedelijke ontwikkeling betreffen als bedoeld in de Ladder duurzame verstedelijking. De Ladder duurzame verstedelijking is dan ook niet van toepassing.

3.3.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 Het provinciaal Omgevingsplan d.d. 12 december 2014 omvat diverse provinciale belangen op het gebied van duurzame economische structuur, aantrekkelijk woon- en leefomgeving, aantrekkelijk landelijkgebied, drinkwater en grondwaterbeheer, energie uit de ondergrond, ontgrondingen, archeologie en bodembeheer. Noord-Limburg kenmerkt zich door een aantrekkelijk woon- en leefklimaat. Er dient een transformatie van de bestaande woningvoorraad plaats te vinden, aangezien er nauwelijks bevolkingsgroei meer is. Daarbij zal primair worden gekozen voor inbreiding, aanpassing en functieverandering en slechts beperkte uitbreiding in de nabijheid van kleine kernen. De

Stammen ProjectAdvies

3.3 Provinciaal beleid

7

Ruimtelijke onderbouwing bestemmingsplanherziening Tuinstraat 7a Wellerlooi Rapportnummer: 13201022-R1-12190403 Datum: 22 oktober 2020

toenemende leegstand van vastgoed over zo’n breed front en het verdwijnen van voorzieningen hebben consequenties voor de leefbaarheid, zowel in dorpskernen in het landelijk gebied als in buurten en wijken in het stedelijk weefsel. Leegstand van identiteitsbepalende gebouwen vraagt daarbij bijzondere aandacht. Een goede kwaliteit van lucht, bodem en (grond)water is essentieel voor de gezondheid van mensen. De Limburgse ambitie is een toekomstbestendige woningmarkt. Deze toekomstbestendige Limburgse woningmarkt is gediend met een ontwikkeling van onder andere meer flexibiliteit in gebruiksmogelijkheden en functies. Het huidige gebruik van de locatie is niet toekomstbestendig. Het planvoornemen creëert ruimte voor een toekomstbestendige woonlocatie. Dit initiatief past binnen de regionale Structuurvisie Wonen Noord-Limburg. Binnen deze woonvisie is er ruimte voor dergelijke kleinschalige initiatieven. Ook past het initiatief binnen de gemeentelijke woonvisie. In het kader van het volkshuisvestingsbeleid zijn er gelet op de specifieke situatie die zich hier voordoet geen belemmeringen om medewerking te verlenen. Het Limburgs Kwaliteitsmenu stelt regels voor het bouwen in het buitengebied in Limburg. Het LKM geldt voor alle ‘rode ontwikkelingen’ zoals woningbouw, een bedrijfsuitbreiding, nieuwe agrarische bedrijven enzovoorts.

Dergelijke ontwikkelingen zijn alleen mogelijk indien een kwaliteitsverbetering van datzelfde buitengebied plaatsvindt. Enerzijds gaat het hierbij om het creëren van een ruimtelijke kwaliteitsverbetering op de plek van de ingreep, bijvoorbeeld afbraak van detonerende bebouwing en/of een harmonieuze inpassing in de landschappelijke structuur. Anderzijds is het beleid gericht op het realiseren van een kwaliteitsverbetering in groter verband in vorm van bijvoorbeeld de aanleg van nieuwe natuur of landschapselementen. 3.4 Regionaal beleid Strategische Regiovisie Maasduinen Op 24 februari 2010 is de Strategische Regiovisie Maasduinen vastgesteld. Dit beleidsdocument geeft haar visie op de ontwikkeling van de regio Maasduinen, waar de gemeente Bergen deel van uitmaakt. De kop van Limburg verkeert volgens de Strategische Regiovisie in de luwte. Het gebied kent relatief weinig economische dynamiek, ondanks voldoende potentie. De krimp van de bevolking is nog niet ingezet, maar ligt wel op de loer. De Strategische Regio heeft als doel de regio beter tot haar recht te laten komen en een bestendig perspectief te kunnen bieden. Als ontwikkelingsmodel wordt gekozen voor een onderscheidend profiel dat complementair is aan de stedelijke regio’s waartussen de regio geklemd is (Arnhem-Nijmegen en Venlo).

Voor de versterking van de regio is ingezet op vier hoofdthema’s: • Wonen • Zorg • Recreatie en toerisme • Landbouw

3.5 Gemeentelijk beleid Omgevingsvisie 2030 Door nadrukkelijk de koppeling te leggen tussen de aanwezige groene kwaliteiten en de kansen op het gebied van duurzaamheid wil Bergen zich nog meer dan voorheen profileren als ‘toekomstbestendige gemeente’. De lat wordt daarbij hoog gelegd. De ‘meest toekomstbestendige gemeente van Nederland’ vormt het hart van Nationaal Park De

Stammen ProjectAdvies

De Strategische Regio Visie, met de Regionale agenda en het bestuurlijk beslisdocument ‘Mooi Maasdal’ zijn gericht op de versterking van de bovengenoemde vier hoofdthema’s ten behoeve van een vitale en bestendige regio. Het onderhavige plan voorziet in een duurzame benutting van een bestaand pand en maakt bewoning mogelijk.

8

Ruimtelijke onderbouwing bestemmingsplanherziening Tuinstraat 7a Wellerlooi Rapportnummer: 13201022-R1-12190403 Datum: 22 oktober 2020

Maasduinen, biedt een aantrekkelijke omgevingskwaliteit voor wonen, werken en recreëren en voorziet in de eigen energiebehoefte. Daar horen dorpen bij die alle ruimte krijgen om hun eigen identiteit te behouden en te versterken. (Nieuwe) ontwikkelingen dienen bij te dragen aan het realiseren van een aantrekkelijke omgevingskwaliteit via ruimtelijke kwaliteitsverbetering en landschappelijke inpassing.

Uitsnede Visiekaart 2030

De kwaliteiten van Bergen worden voor een belangrijkdeel bepaald door het aanwezige landschap en het onderscheid tussen de verschillende landschapstypen. Gesteund door de uitkomsten uit het participatietraject blijft Bergen inzetten op het herkenbaar houden en versterken van de verschillende landschapstypen en het beleefbaar houden van de Maas. Dat geldt ook voor het behoud en het waar mogelijk versterken van het aan de landschapsstructuur gekoppelde cultuurhistorisch, archeologisch en landschappelijk erfgoed. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet daarom altijd rekening worden gehouden met cultuurhistorie, archeologie en de maat en schaal van het landschap. Dat betekent dat niet elke ontwikkeling op elke plek kan plaatsvinden. Daarnaast is voor grootschalige ‘rode’ ontwikkelingen in Bergen geen plaats. De gemeente streeft naar meer levensloop bestendige woningen. Ook de het verduurzamen van woningen is een belangrijk speerpunt van de gemeente. Het onderhavige plan zorgt er voor dat de locatie ook in de toekomst gebruikt kan blijven worden als woning. Hierdoor is wordt er interessant om invetseringen te doen met betrekking tot de woning waarbij ook de levensloopbestendigheid een aannemelijke investering is. Dit zelfde geldt ook voor verduurzamingsinvesteringen.

Er zullen maatregelen genomen worden om de het regenwater van de verharde oppervlakten te infiltreren op het eigen perceel.

Behoud en ontwikkeling van de karakteristieken van huidige situatie is de belangrijkste strategie. Dat vergt soms streven naar behoud van kleinschalig gebruik, het herkennen en beschermen van terreinvormen met cultuurhistorische waarden. Tuindorp is ontstaan als gepland “tuindorp” met op regelmatige afstanden huizen en daaromheen tuinderijtjes. Deze hebben zich nogal uiteenlopend ontwikkeld. Deels als

Stammen ProjectAdvies

Landschapsplan gemeente Bergen 2013 Het landschapsplan is een leidraad voor de gemeente voor concrete maatregelen bij landschappelijke ontwikkelingen. Het geeft praktische en onderbouwde criteria bij landschappelijke inpassingen van ruimtelijke plannen.

9

Ruimtelijke onderbouwing bestemmingsplanherziening Tuinstraat 7a Wellerlooi Rapportnummer: 13201022-R1-12190403 Datum: 22 oktober 2020

kassencomplexen, deels verloren gegaan als tuinderij, en deels als andere vormen van tuinbouwbedrijfjes. Daardoor een rommelig beeld. Ook de beplanting langs de grens ontbreekt hier. Daardoor wel zicht op de rand van het hoogterras. Bijzondere landschapselementen zijn laanbeplanting van zomereik. Aan de voorzijde van het perceel is een beschermde laanbeplanting aanwezig die het aanzicht bepaald van de Tuinstraat.

laanbeplanting

Weergave laanbeplanting

Stammen ProjectAdvies

Het planvoornemen zorgt er voor dat een bestaande woning ook in de toekomst gebruikt kan blijven worden. De wijziging doet geen afbreuk aan de laanbeplanting. Door het behoud van de waardevolle bomen wordt de ruimtelijke kwaliteit en het aanzicht van het perceel geborgd.

10

Ruimtelijke onderbouwing bestemmingsplanherziening Tuinstraat 7a Wellerlooi Rapportnummer: 13201022-R1-12190403 Datum: 22 oktober 2020

4 Omgevingsaspecten 4.1 Bodem In mei 2019 is er een verkennend bodemonderzoek op de locatie Tuinstraat 7a te Wellerlooi. Op basis van het vooronderzoek is geconcludeerd dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie "verdacht" (VED-HE-NL). Bij verdachte locaties luidt de onderzoekshypothese dat de bodem verontreinigd is. De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, zeer fijn tot matig grof zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak gleyhoudend. Plaatselijk bestaat de bodem uit grind. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen puin(resten) of andere asbestverdachte materialen aangetroffen. De bovengrond is plaatselijk licht verontreinigd met cadmium, kobalt, nikkel en zink. De lichte verontreinigingen houden mogelijk verband met het feit dat de onderzoekslocatie een oud agrarisch perceel betreft. In de ondergrond zijn geen verontreinigingen geconstateerd. Eveneens zijn in het grondwater geen verontreinigingen geconstateerd. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "verdacht" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten dus bevestigd.

Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging van de onderzoekslocatie.

Stammen ProjectAdvies

4.2 Archeologie Bij de opstelling en de uitvoering van ruimtelijke plannen moet rekening gehouden worden met bekende archeologische waarden. In de ‘Nota Archeologiebeleid Bergen – De implementatie van de Wet op de archeologische monumentenzorg in het gemeentelijke beleid”, is per categorie een onderzoeksplicht bij bestemmingsplanherziening opgenomen (zie onderstaande tabel).

11

Ruimtelijke onderbouwing bestemmingsplanherziening Tuinstraat 7a Wellerlooi Rapportnummer: 13201022-R1-12190403 Datum: 22 oktober 2020

Uitsnede gemeentelijke archeologische verwachtingskaart

Het plangebied behoort tot een gebied “Waarde archeologie 6”. De voorgenomen wijziging voorziet niet in verstoring van de bodem. Er is geen sprake van een onderzoeksplicht voor “Waarde archeologie 6”. Een nader onderzoek is niet noodzakelijk. 4.3 Cultuurhistorie Op grond van artikel 3.1.6 van het Bro dienen cultuurhistorische waarden uitdrukkelijk te worden meegewogen bij het opstellen van bestemmingsplannen. Binnen het plangebied en de directe omgeving bevinden zich geen (Rijks)monumenten en/of gemeentelijke monumenten.

Stammen ProjectAdvies

De voorgenomen bestemmingswijziging heeft derhalve geen invloed op cultuurhistorische elementen.

12

Ruimtelijke onderbouwing bestemmingsplanherziening Tuinstraat 7a Wellerlooi Rapportnummer: 13201022-R1-12190403 Datum: 22 oktober 2020

4.4 Wet Natuurbescherming 4.4.1 Natura 2000-gebieden De Wet Natuurbescherming vormt in Nederland het wettelijke kader voor onder andere de aanwijzing en bescherming van Natura 2000-gebieden. De wet bepaalt dat projecten en andere handelingen die de kwaliteit van natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of die een significant verstorend effect kunnen hebben op soorten waarvoor het gebied is aangewezen, niet mogen plaatsvinden zonder vergunning. Het maakt niet uit of een project of handeling in of buiten een Natura 2000-gebied plaatsvindt, omdat de wet uitgaat van ‘externe werking’. Als een activiteit buiten een Natura 2000-gebied plaatsvindt, maar er wel negatieve gevolgen te verwachten zijn in het Natura 2000-gebied, moet een beoordeling plaatsvinden van de effecten die de activiteit kan hebben op de beschermde natuurwaarden. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen, niet significant negatief mogen beïnvloeden. Een effect is significant als de instandhoudingsdoelstellingen van een Natura 2000-gebied dreigen te worden aangetast.

In deze toets wordt onderzocht of de instandhoudingsdoelen door de voorgenomen ontwikkelingen in gevaar kunnen komen. Het meest nabij gelegen beschermde natuurgebied is het Natura-2000 gebied Maasduinen op een afstand van circa 0,5 km van de planlocatie gelegen. De planontwikkeling leidt niet tot areaalverlies, geluidhinder, trillinghinder, lichthinder of emissies naar het oppervlaktewater zodat deze aspecten verder buiten beschouwing zijn gelaten. Gezien deze afstand kan alleen de verandering van de stikstofdepositie gevolgen hebben op de instandhoudingsdoelstellingen van de beschermde gebieden. Voor de berekening van de planbijdrage voor de depositie van NOx en NH3 in Natura-2000 gebieden is gebruik gemaakt van de AERIUS-2020(rekeninstrument van de Programmatische Aanpak Stikstof). Ten behoeve van de berekening is uitgegaan van een worst-case scenario waarbij de wooneenheid als continue emissie bron met een NOx een bijdrage heeft van 3 kg/jaar. Daarnaast vinden er ook vervoerbewegingen plaats naar de woning. Hierbij is gerekend met een gemiddeld aantal voertuigbewegingen van 8,6 per dag. De gebuikte ontsluiting is van de projectlocatie naar de Venweg. De berekening toont aan dat de NOx en NH3 bijdrage geen invloed heeft op de depositie in het Natura-2000 gebied. De AERIUS berekening is toegevoegd als bijlage.

Er kan geconcludeerd worden dat het planvoornemen geen negatieve gevolgen heeft voor de instandhoudingsdoelstellingen van Natura-2000 gebieden. 4.4.2 Soorten Op basis van de Wet Natuurbescherming moet bij alle geplande ruimtelijke ingrepen nagegaan worden of er schade wordt toegebracht aan beschermde dier- en plantensoorten.

Stammen ProjectAdvies

Het plangebied valt niet binnen de Natuurnetwerk Nederland en behoort verder ook niet tot een beschermingsgebied op basis van de Vogel- of Habitatrichtlijn (zie onderstaande kaart).

13

Ruimtelijke onderbouwing bestemmingsplanherziening Tuinstraat 7a Wellerlooi Rapportnummer: 13201022-R1-12190403 Datum: 22 oktober 2020

Uitsnede kaart: Natura-2000 gebied

De planontwikkeling brengt geen overtreding van verbodsbepalingen van de Wet Natuurbescherming met zich mee. Aantasting van de natuurlijke waarden of van nadelige gevolgen voor natuurlijke waarden wordt is niet aan de orde. 4.5 Luchtkwaliteit Er vindt geen wijzigingen plaats die van invloed zijn op de luchtkwaliteit zoals een toename van vervoersbewegingen of van invloed zijnde activiteiten. De realisatie van onderhavig plan heeft derhalve geen invloed op de luchtkwaliteit en onderzoek naar de luchtkwaliteit is daarom niet noodzakelijk. De blootstelling aan de aanwezige luchtverontreiniging is gezien de lage achtergrond concentraties geen belemmering voor de woonbestemming (bron: GCN-kaarten). 4.6 Waterparagraaf

• •

de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om de waterbeheerder vroegtijdig in de planvorming te betrekken, en de verplichting aan initiatiefnemers van ruimtelijke plannen om in hun plan verantwoording af te leggen over de manier waarop omgegaan is met de inbreng van de waterbeheerder. Dit laatste gebeurt doorgaans in de waterparagraaf bij het betreffende plan.

In onderhavig plan wordt de bestaande bedrijfswoning als burgerwoning bestemd. Met betrekking tot de waterhuishouding in het gebied veranderd er niets, er zijn geen nieuwe ontwikkelingen voorzien. De omliggende watergangen blijven behouden. Het initiatief wordt uitvoerbaar wordt geacht op het gebied van water.

Stammen ProjectAdvies

De 'watertoets' is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. De watertoets bestaat uit twee onderdelen:

14

Ruimtelijke onderbouwing bestemmingsplanherziening Tuinstraat 7a Wellerlooi Rapportnummer: 13201022-R1-12190403 Datum: 22 oktober 2020

Binnen de gemeente Bergen is er sprake van een afkoppelbeleid. Bij aanpassingen van de hemelwater afvoer dient rekening gehouden te worden met dit afkoppelbeleid. Er tevens de mogelijkheid om gebruik te maken van een subsidieregeling voor het afkoppelen. 4.7 Wet geluidhinder Ten aanzien van geluidbelasting voor de woning is er geen sprake van een wijziging. Er is redelijkerwijs geen reden tot het uitvoeren van een akoestisch onderzoek. 4.8 Bedrijven en milieuzonering Aan de oostzijde van het perceel is een transformatorhuisje gesitueerd. De VNG-brochure Bedrijven en milieuzonering adviseert richtafstanden aan te houden van 0, 0, 30 en 10 meter voor respectievelijk geur, stof, geluid en gevaar tussen Elektriciteitsdistributiebedrijven, met transformatorvermogen: <10 MVA en gevoelige bestemmingen in een rustige woonwijk of rustig buitengebied. De afstand van de geprojecteerde woning tot het transformator huisje is 28 meter. Er is sprake van bestaande gebouwen. Het huisje wordt natuurlijk geventileerd. Er is geen airco aanwezig. Tijdens een locatie bezoek is geen geluidemissie uit het gebouw waargenomen.

In onderhavig geval kan geconcludeerd worden dat, gezien de niet hoorbare geluidsemissie, de activiteiten in het transformatorhuisje kunnen worden voortgezet terwijl er sprake is van een goed woon- en leefklimaat in de woning. Hierbij kan met betrekking tot gevaar nog worden opgemerkt dat de kwetsbaarheid van de nieuwe bestemming niet groter is dan van de huidige bestemming. Rond de woning zijn diverse kassen gesitueerd. De maximale milieuzonering van de kas is 30 m vanwege geluid. De richtafstand voor geur, stof en gevaar bedraagt 10 m. De afstand van de woning tot de dichtstbijzijnde kas is 30 meter. Daarmee wordt voldaan aan de richtafstanden. De mogelijkheden van omliggende bedrijven worden niet gewijzigd. De invloed op de omgeving en vice versa blijft ongewijzigd. Geconcludeerd kan worden dat de milieuzonering geen belemmering vormt voor de voorgenomen wijziging naar wonen.

Stammen ProjectAdvies

Locatie transformatorhuisje

15

Ruimtelijke onderbouwing bestemmingsplanherziening Tuinstraat 7a Wellerlooi Rapportnummer: 13201022-R1-12190403 Datum: 22 oktober 2020

4.9 Externe veiligheid De huidige situatie met betrekking tot externe veiligheid wijzigt niet door het planvoornemen. In en rond de planlocatie zijn geen inrichtingen gelegen die zijn opgenomen in de lijst met risicovolle bedrijven in de gemeente Bergen en die van invloed kunnen zijn op het plangebied. Op dit moment zijn er ook geen risicovolle bedrijven als bedoeld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen in of in de nabijheid van het plangebied gevestigd. De woning is een beperkt kwetsbaar object en is niet geprojecteerd binnen een 10-6-contour voor het plaatsgebonden risico binnen een aandachtsgebied voor het groepsrisico. De planlocatie valt binnen het beschermingsniveau voor vervoer van gevaarlijke stoffen als bedoeld in het Besluit externe veiligheid transportroutes (richtwaarde 10-6 per jaar ) en is op grote afstand gelegen van het basisnet voor vervoer van gevaarlijke stoffen op weg, binnenwater en spoorweg.

Uitsnede risicokaart

Transport van gevaarlijke stoffen in de omgeving is niet uit te sluiten. In deze situatie zijn geen veranderingen voorzien. Omgekeerd geldt tevens dat de woning geen risicovolle inrichting is die risico voor de omgeving met zich meebrengt.

De geurhinder die feitelijk in een bepaald gebied op kan treden wordt bepaald door zowel de achtergrondbelasting als de voorgrondbelasting in dat gebied. De geurbelasting van alle veehouderijen samen op enige locatie wordt ‘achtergrondbelasting’ genoemd. Als vuistregel geldt dat de voorgrondbelasting bepalend is voor de hinder als de voorgrondbelasting meer dan de helft van de achtergrondbelasting bedraagt. Op grond van de (berekende) geurbelastingen (achtergrond of voorgrond) kan met behulp van de tabellen A (achtergrondbelasting) en B (voorgrondbelasting) uit bijlage 6 van de

Stammen ProjectAdvies

4.10 Geurhinder uit dierverblijven behorende bij veehouderij bedrijven De Wet geurhinder en veehouderij vormt in eerste instantie het wettelijk kader voor de beoordeling van geurhinder vanwege dierenverblijven van veehouderijen bij een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een inrichting ten behoeve van een veehouderij. De Wet geurhinder en veehouderij geeft hiervoor geurbelastings- en afstandsnormen in relatie met geurgevoelige objecten in de nabijheid van (geprojecteerde) veehouderijen. De Wet geurhinder en veehouderij heeft op twee wijzen betrekking op ruimtelijke procedures. Ten eerste speelt de geurbelasting een rol bij de beoordeling of er in het kader van een goede ruimtelijke ordening een goed woon- en leefklimaat kan worden gegarandeerd. Ten tweede moet bij de belangenafweging ten behoeve van een zorgvuldige besluitvorming worden nagegaan of een partij niet onevenredig in haar belangen wordt geschaad.

16

Ruimtelijke onderbouwing bestemmingsplanherziening Tuinstraat 7a Wellerlooi Rapportnummer: 13201022-R1-12190403 Datum: 22 oktober 2020

Handreiking de te verwachten geurhinderpercentages worden bepaald. Voor onderhavige situatie is de achtergrondgeurbelasting 7,3 ouE/m3. De voorgrondgeurbelasting 4,0 ouE/m3. Het hoogste geurhinderpercentage (voorgrondbelasting of achtergrondbelasting) is maatgevend voor de toekomstige situatie. Deze percentages zijn bedoeld om een vertaalslag te maken tussen de waarden voor de geurbelasting en veehouderij’ (PRA Odournet, 2001). De geursituatie wordt beschreven in termen van milieukwaliteit, onderverdeeld in acht categorieën van ‘zeer goed’ tot ‘extreem slecht’. Deze termen zijn afkomstig uit de ‘GGD-richtlijn geurhinder (oktober 2002)’ en zijn afhankelijk van geurhinderpercentages. Dit is beschreven in bijlage 7 van de Handreiking. Een overzicht van de geurbelasting in relatie tot de geurhinderpercentages en de milieukwaliteit wordt gegeven in onderstaande tabel.

In de onderhavige situatie geldt dat op basis van de aanwezige voor- en achtergrondgeurbelasting sprake is van een goed leefklimaat (milieukwaliteit). De Wet geurhinder en veehouderij verzet zich vooralsnog niet tegen de voorgenomen herziening van de bestemming.

Stammen ProjectAdvies

4.11 Kabels en leidingen Op het onderhavige perceel zijn geen kabel en/of leidingstroken aanwezig. De bestaande en voorgenomen situatie vormen geen belemmering voor de ondergrondse infrastructuur. Er zijn derhalve geen maatregelen nodig ten behoeve van kabels en leidingen.

17

Ruimtelijke onderbouwing bestemmingsplanherziening Tuinstraat 7a Wellerlooi Rapportnummer: 13201022-R1-12190403 Datum: 22 oktober 2020

5 Uitvoerbaarheid 5.1 Financieel-economische uitvoerbaarheid Het onderhavige plan voorziet niet in de mogelijkheid om een nieuwe woning te bouwen en betreft dus geen bouwplan in de zin van artikelen 6.2.1. Bro en 6.12 lid 2 Wro. Er behoeft dan ook geen anterieure overeenkomst op basis van de Wro te worden afgesloten en geen exploitatieplan te worden vastgesteld. Volgens artikel 3.1.6. Besluit ruimtelijke ordening (hierna: Bro) in juncto met artikel 5.20 Besluit omgevingsrecht (hierna: Bor) moet een ruimtelijke onderbouwing inzicht geven in de uitvoerbaarheid, zodat duidelijk is dat de beoogde afwijking ook daadwerkelijk kan worden gerealiseerd. Op 1 juli 2008 zijn samen met de Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepalingen omtrent de grondexploitatie (Afdeling 6.4 Wro) in werking getreden. In Afdeling 6.4 Wro (Grexwet) is bepaald dat de gemeente verplicht is bij het vaststellen van een planologische maatregel die mogelijkheden schept voor een bouwplan zoals bepaald in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), maatregelen te nemen die verzekeren dat de kosten die gepaard gaan met de ontwikkeling van de locatie worden verhaald op de initiatiefnemer van het plan. Dit betekent dat er voor de gemeente een verplichting bestaat om de kosten, die gepaard gaan met een bouwplan, te verhalen op de initiatiefnemer.

Ook mogelijke planschade behoort daartoe, voor zover vast komt te staan dat er sprake is van een planologische verslechtering. De realisatie van het project geschiedt voor rekening van de initiatiefnemer. De gemeentelijke financiën zijn hierbij niet in het geding. Verder zijn de gronden eigendom van de initiatiefnemer. Deze gronden zijn niet belast met beperkt zakelijke rechten van derden. Kostenverhaal is geregeld in een tussen de gemeente Bergen en de initiatiefnemer af te sluiten overeenkomst, waarin het planschadeverhaal wordt opgenomen. Hiermee wordt gewaarborgd dat eventueel te vergoeden planschade niet voor rekening van de gemeente Bergen komt maar voor rekening van de initiatiefnemer. De economische uitvoerbaarheid is hiermee voldoende verzekerd. 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Volgens artikel 3.1.1. Bro dient het ontwerpbesluit naar de wettelijk verplichte en andere door de gemeente erkende overlegpartners te worden verzonden voor zienswijzen, vanwege de mogelijke schending van de betreffende belangen. Voor de directe omgeving is er geen aanleiding om te veronderstellen dat er een onevenredige beschadiging van belangen optreedt. Er is gelegenheid tot het indienen van zienswijzen .

Stammen ProjectAdvies

Op basis van het voorgaande wordt het plan voldoende maatschappelijk uitvoerbaar geacht.

18

Ruimtelijke onderbouwing bestemmingsplanherziening Tuinstraat 7a Wellerlooi Rapportnummer: 13201022-R1-12190403 Datum: 22 oktober 2020

6 Juridische toelichting 6.1 Algemeen Het wijzigingsplan heeft als doel het planologisch-juridisch kader te geven voor de ontwikkeling van het beschreven plan. Dit wijzigingsplan bestaat uit de volgende onderdelen: • • • •

plantoelichting; planregels; verbeelding; ondergrond.

Bij het opstellen van het onderhavige wijzigingsplan is aansluiting gezocht bij de in de Wet ruimtelijke ordening en het Besluit ruimtelijke ordening geformuleerde uitgangspunten. Dit wijzigingsplan is gebaseerd op het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2018’ van de gemeente Bergen. Dit wijzigingsplan is opgesteld conform artikel 8.2.1 Bro en voldoet aan de ROstandaarden 2012.

6.2 Verbeelding De verbeelding bestaat uit een digitale geometrische bepaling en weergave van het plangebied en alle planobjecten in een GML-bestand alsmede uit één analoge kaart op een schaal van 1: 1000. De enkel- en dubbelbestemmingen en de aanduidingen zijn ingedeeld in de hoofdgroepen volgens het SVBP2012 en zijn bij de verbeelding opgenomen in een renvooi.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels Begrippen Wijze van meten Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels Tuin Wonen Waarde - Archeologische waarde 5 Waterstaat - Beschermingszone waterkering Hoofdstuk 3 Algemene regels Anti-dubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene gebruiksregels Algemene afwijkingsregels Algemene wijzigingsregels Algemene procedureregels Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel

Stammen ProjectAdvies

6.3 Planregels De voor dit wijzigingsplan relevante planregels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied 2018’, zoals vastgesteld door de gemeenteraad van Bergen op 12 november 2019 en zoals vervat in het GML-bestand (NL.IMRO.0893.BP15024BUIBUIVA01), zijn van toepassing op het wijzigingsplan ‘Tuinstraat 7a’ en als zodanig vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0893.BP20004TUTUI-ON01. De planregels zijn als volgt opgenomen:

19

VERKENNEND BODEMONDERZOEK TUINSTRAAT 7A TE WELLERLOOI

Rapportage verkennend bodemonderzoek Tuinstraat 7a te Wellerlooi Opdrachtgever

Mevr. A. Vink-Janssen Tuinstraat 7a 5856 CG Wellerlooi

Rapportnummer Versienummer

9816.001 D1

Status

Eindrapportage

Datum

13 juni 2019

Vestiging

Brabant Heinz Moormannstraat 1b 5831 AS Boxmeer 0485 - 581818 boxmeer@econsultancy.nl

Opsteller

ing. J. van de Weijer

Paraaf

Kwaliteitscontrole

Dhr. E. Zwerver

Paraaf

Kwaliteitszorg Econsultancy is lid van de Vereniging Kwaliteitsborging Bodembeheer (VKB). De VKB is een vereniging van bodemadviesen -onderzoeksbureaus en heeft als doel kwaliteitsborging en continue verbetering van de dienstverlening van haar leden op het gebied van bodembeheer. Het VKB keurmerk geeft opdrachtgevers de zekerheid dat het uitvoerend bureau werkt conform de eisen die de VKB aan haar leden stelt op het gebied van competenties en integriteit van medewerkers en het toepassen van vigerende normen en onderzoeksprotocollen. Econsultancy werkt volgens een dynamisch kwaliteits- en milieusysteem, zoals beschreven in het kwaliteits- en milieuhandboek. Ons kwaliteits- en milieusysteem is gecertificeerd volgens de eisen in de NEN-EN-ISO 9001 en NEN-EN-ISO 14001. Betrouwbaarheid Dit bodemonderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een bodemonderzoek wordt in zijn algemeenheid echter uitgevoerd door het steekproefsgewijs bemonsteren van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een bodemonderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de milieuhygiënische bodemkwaliteit. Daarnaast betreft het bodemonderzoek een momentopname.

Econsultancy accepteert op voorhand geen aansprakelijkheid ten aanzien van mogelijke beslissingen die de opdrachtgever naar aanleiding van het door Econsultancy uitgevoerde bodemonderzoek neemt.

INHOUDSOPGAVE 1

INLEIDING .................................................................................................................................. 1

2

AFBAKENING ONDERZOEKSLOCATIE ................................................................................... 1

3

VOORONDERZOEK................................................................................................................... 2 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7 3.8 3.9

Geraadpleegde bronnen ................................................................................................... 2 Historisch en huidig gebruik onderzoekslocatie ............................................................... 2 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Calamiteiten ...................................................................................................................... 3 Uitgevoerd(e) bodemonderzoek(en) op de onderzoekslocatie ........................................ 3 Aangrenzende terreindelen/percelen ............................................................................... 3 Terreininspectie ................................................................................................................ 3 Informatie lokale of regionale achtergrondgehalten ......................................................... 4 Bodemopbouw en geohydrologie ..................................................................................... 4

4

CONCLUSIES VOORONDERZOEK (ONDERZOEKSOPZET) ................................................. 4

5

VELDWERK ................................................................................................................................ 5 5.1 5.2

5.3

6

LABORATORIUMONDERZOEK ................................................................................................ 6 6.1 6.2 6.3

7

Algemeen.......................................................................................................................... 5 Grondonderzoek ............................................................................................................... 5 5.2.1 Uitvoering veldwerk ............................................................................................ 5 5.2.2 Zintuiglijke waarnemingen .................................................................................. 5 Grondwateronderzoek ...................................................................................................... 5 5.3.1 Uitvoering veldwerk ............................................................................................ 5 5.3.2 Bemonstering ..................................................................................................... 6

Uitvoering analyses .......................................................................................................... 6 Toetsingskader ................................................................................................................. 7 Resultaten grond- en grondwatermonsters ...................................................................... 8

SAMENVATTING, CONCLUSIES EN ADVIES .......................................................................... 9

BIJLAGEN: 1. 2a. 2b. 3. 4a. 4b. 5.

- Topografische ligging van de locatie - Locatieschets - Foto's onderzoekslocatie - Boorprofielen - Analysecertificaten - Getoetste analyseresultaten - Toetsingskader Circulaire bodemsanering

9816.001

1

INLEIDING

Mevrouw A. Vink-Janssen heeft aan Econsultancy opdracht verleend voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek op de locatie Tuinstraat 7a te Wellerlooi. Het bodemonderzoek is uitgevoerd in het kader van de voorgenomen bestemmingsplanwijziging ter plaatse van de onderzoekslocatie. Het verkennend bodemonderzoek heeft tot doel met een relatief geringe onderzoeksinspanning vast te stellen of op de onderzoekslocatie een grond- en/of grondwaterverontreiniging aanwezig is, teneinde te bepalen of er milieuhygiënische belemmeringen zijn voor de bestemmingsplanwijziging van de onderzoekslocatie. Het vooronderzoek is verricht conform de NEN 5725:2017 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek". Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740+A1:2016 "Bodem - Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond". Het veldwerk en de bemonstering zijn verricht onder certificaat op grond van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek", protocollen 2001 en 2002. De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader uit de Circulaire bodemsanering en aan de achtergrondwaarden voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage B, tabel 1).

Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor de protocollen 2001 en 2002 van de BRL SIKB 2000. In dat kader verklaart Econsultancy geen eigenaar van de onderzoekslocatie te zijn of te worden.

2

AFBAKENING ONDERZOEKSLOCATIE

Het vooronderzoek omvat de onderzoekslocatie en direct hieraan grenzende terreindelen binnen een afstand van 25 meter. De onderzoekslocatie (± 5.605 m²) is gelegen aan de Tuinstraat 7a te Wellerlooi (zie bijlage 1). De onderzoekslocatie is kadastraal bekend gemeente Bergen, sectie N, nummer 588. Volgens het Actueel Hoogtebestand Nederland bevindt het maaiveld zich op een hoogte van circa 19,0 m +NAP en zijn de coördinaten van het midden van de onderzoekslocatie X = 209.255, Y = 395.060.

Rapport 9816.001 versie D1

Pagina 1 van 9

3

VOORONDERZOEK

3.1

Geraadpleegde bronnen

Voorafgaand aan de uitvoering van de veldwerkzaamheden is een vooronderzoek uitgevoerd op basis van de NEN 5725. In tabel I zijn de in het kader van het vooronderzoek geraadpleegde bronnen weergeven. Van de locatie en de directe omgeving zijn uit verschillende informatiebronnen gegevens verzameld over het historische, huidige en toekomstige gebruik, eventuele calamiteiten, eventueel eerder uitgevoerde bodemonderzoeken, de bodemopbouw en geohydrologie, verhardingen, kabels en leidingen. Tabel I.

Geraadpleegde bronnen Onderdeel

Bron

Historisch, huidig en toekomstig gebruik

Opdrachtgever mevrouw A. Vink-Jansen (contactpersoon: mevrouw A. Vink-Jansen), d.d. 9 mei 2019

Bouw-/milieudossier, ondergrondse tanks, calamiteiten, eerder uitgevoerd bodemonderzoek

Gemeente Bergen (contactpersoon: de heer F. Verhappen), d.d. 13 mei 2019

Locatiegegevens van internet:

- bodemopbouw - geo(hydro)logie - kabels en leidingen

www.topotijdreis.nl www.pdok.nl www.kadaster.nl www.ahn.nl webservices.gbo-provincies.nl/lufo/services/wms maps.google.nl www.bodemloket.nl www.limburg.nl maps.bodemdata.nl www.dinoloket.nl www.kadaster.nl/klic-wion

Terreininspectie

Uitgevoerd door mevrouw N. Hutjens, d.d. 16 mei 2019

- historisch topografisch kaartmateriaal - basisregistratie grootschalige topografie - kadastrale gegevens - hoogtekaart - luchtfoto's - Google streetview - provinciale bodeminformatie

3.2

Historisch en huidig gebruik onderzoekslocatie

Uit historisch kaartmateriaal blijkt dat vanaf ongeveer 1900 tot 1922 de onderzoekslocatie onderdeel is van een veengebied. Rond 1925 is de locatie ontgonnen en in gebruik genomen als akkerland. Vanaf circa 1980 is de eerste bebouwing gerealiseerd op het oostelijke deel van de onderzoekslocatie. Het overige deel is dan nog steeds in gebruik als akkerland. Rond 1988 zijn er kassen gebouwd op het westelijke deel van de onderzoekslocatie. In 2011 zijn de kassen gesloopt en er is een groot deel van de onderzoekslocatie weer in gebruik genomen als akkerland. Sindsdien is de onderzoekslocatie niet wezenlijk meer veranderd. De onderzoekslocatie is momenteel in gebruik als woonhuis met bijbehorende siertuin. Het dak van het woonhuis is bedekt met asbestverdacht (plaat)materiaal. Op de locatie zijn diverse hobbykassen aanwezig. Op de onderzoekslocatie is een schuur aanwezig met asbestverdacht (plaat)materiaal. Zowel bij het woonhuis als de schuur is er een afwateringssysteem aanwezig in de vorm van een dakgoot. Voor zover bij de opdrachtgever en de gemeente Bergen bekend, heeft er op de onderzoekslocatie nimmer opslag van oliehoudende producten in ondergrondse of bovengrondse tanks plaatsgevonden. Uit de geraadpleegde bronnen blijkt geen aanwezigheid van ophogingen, dempingen of stortingen. In bijlage 2a is de huidige situatie op een locatieschets weergegeven.

Bijlage 2b bevat enkele foto's van de onderzoekslocatie.

Rapport 9816.001 versie D1

Pagina 2 van 9

3.3

Toekomstige situatie

De initiatiefnemer is voornemens de bestemming van de onderzoekslocatie te wijzigen. 3.4

Calamiteiten

Voor zover bij de opdrachtgever bekend hebben zich op de onderzoekslocatie in het verleden geen calamiteiten met een bodembedreigend karakter voorgedaan. Ook uit informatie van de gemeente Bergen blijkt niet dat er zich in het verleden bodembedreigende calamiteiten hebben voorgedaan. 3.5

Uitgevoerd(e) bodemonderzoek(en) op de onderzoekslocatie

Ter plaatse van de onderzoekslocatie is in 2000 door ‘’Grond- gewas- en milieulaboratorium, ZeeuwsVlaanderen b.v.’’ een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Destijds is er in de bovengrond een licht verhoogde waarde voor de parameter minerale olie aangetoond (Grond-, gewas- en milieulaboratorium Zeeuws-Vlaanderen, rapportnummer 4599, d.d. 18 juli 2000). In het grondwater zijn licht verhoogde concentraties voor de parameters arseen, cadmium, chroom en zink en een sterk verhoogde concentratie voor de parameter nikkel aangetoond. 3.6

Aangrenzende terreindelen/percelen

In paragraaf 3.1 zijn de geraadpleegde informatiebronnen voor de omliggende terreindelen en aangrenzende percelen binnen 25 meter van de onderzoekslocatie opgenomen. Het bodemgebruik van de omliggende terreindelen is als volgt:    

aan de noordzijde bevinden zich kassen en akkerland; aan de oostzijde bevindt zich een verharde weg (Tuinstraat); aan de zuidzijde bevindt zich een verharde weg (Paaldijk); aan de westzijde bevindt zich akkerland.

Van de aangrenzende percelen zijn geen bodemonderzoeksgegevens bekend. De huidige eigenaar van de onderzoekslocatie is niets bekend omtrent potentieel bodembedreigende activiteiten op aangrenzende percelen. De omgeving wordt gekenmerkt door tuinbouwbedrijven. 3.7

Terreininspectie

Voorafgaand aan het bodemonderzoek is er een terreininspectie uitgevoerd. Deze is gericht op de identificatie van bronnen, die mogelijk hebben geleid of kunnen leiden tot een grond- en/of grondwaterverontreiniging. De tijdens de terreininspectie aangetroffen situatie komt overeen met de locatiegegevens, zoals deze zijn opgenomen in paragraaf 3.2. Uit de informatie van de bewoonster blijkt dat grenzend aan de zuidelijk richting van het woonhuis een septic-tank ligt. Verder is er op het terrein een stookton aangetroffen en een plek waar oud ijzerwaar wordt opgeslagen. Op de onderzoekslocatie zijn geen mogelijke bronnen voor een grond- en/of grondwaterverontreiniging aangetroffen. Op het maaiveld zijn geen asbestverdachte materialen waargenomen.

Rapport 9816.001 versie D1

Pagina 3 van 9

3.8

Informatie lokale of regionale achtergrondgehalten

Er is geen informatie beschikbaar over mogelijk regionaal verhoogde achtergrondgehalten in de bodem. Regionaal komen verhoogde concentraties van metalen in het grondwater voor. 3.9

Bodemopbouw en geohydrologie

De originele bodem bestaat volgens de bodemkaart van Nederland uit een veldpodzolgrond, die volgens de Stichting voor Bodemkartering voornamelijk is opgebouwd uit grof zand. De afzettingen, waarin deze bodem is ontstaan, behoren geologisch gezien tot de Formatie van Kreftenheye. De gemiddelde stand van het freatisch grondwater bedraagt ± 17,5 m +NAP, waardoor het grondwater zich op ± 1,5 m -mv zou bevinden. Het water van het eerste watervoerend pakket stroomt volgens de isohypsenkaart van de Dienst Grondwaterverkenning van TNO in zuidwestelijke richting. Er liggen geen pompstations in de buurt van de onderzoekslocatie die van invloed zouden kunnen zijn op de grondwaterstroming ter plaatse van de onderzoekslocatie. De onderzoekslocatie ligt niet in een grondwaterbeschermings- en/of grondwaterwingebied.

4

CONCLUSIES VOORONDERZOEK (ONDERZOEKSOPZET)

Uit het vooronderzoek blijkt dat er sprake is van voormalige en/of huidige bodembelasting op de locatie, waardoor het vermoeden van bodemverontreiniging aanwezig is. Dit in verband met de geconstateerde verontreinigingen van het verkennend bodemonderzoek dat is uitgevoerd op de onderzoekslocatie in 2000 en gezien het feit dat het een oud agrarisch bedrijf betreft. Verwacht wordt, dat er verspreid over de locatie wisselende gehalten aan verontreinigende stoffen voorkomen. De verwachte verontreinigende stoffen voor deze situatie zijn metalen, PAK en minerale olie. Op basis van het vooronderzoek is geconcludeerd, dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). Het doel van het verkennend bodemonderzoek in deze situatie is het bepalen van de aard van de heterogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming. Tevens wordt vastgesteld of de vermoede verontreinigende stof de achtergrondwaarde of het geldend achtergrondgehalte overschrijdt.

Rapport 9816.001 versie D1

Pagina 4 van 9

5

VELDWERK

5.1

Algemeen

Tijdens het opstellen van het boorplan is rekening gehouden met de doelstellingen en de richtlijnen, die geformuleerd zijn in de inleiding. Daarnaast is rekening gehouden met de gegevens voortvloeiend uit het vooronderzoek en de ligging van kabels en leidingen. Bijlage 2a bevat de locatieschets met daarop aangegeven de situering van de boorpunten en de peilbuis. In bijlage 3 zijn de boorprofielen opgenomen. 5.2 5.2.1

Grondonderzoek Uitvoering veldwerk

Het veldwerk is op 17 mei 2019 uitgevoerd onder kwaliteitsverantwoordelijkheid van de heer K. Gerrist. Deze medewerker van Econsultancy staat geregistreerd als ervaren veldwerker voor het protocol 2001 van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek". In het totaal zijn er met behulp van een edelmanboor en zuigerboor 19 boringen geplaatst; 13 boringen tot 0,5 m -mv, 2 boringen tot 1,0 m -mv, 3 boringen tot 2,0 m -mv en 1 boring tot 2,5 m -mv. Deze diepe boring is afgewerkt als peilbuis, teneinde de milieuhygiënische kwaliteit van het grondwater te kunnen bepalen. Van het opgeboorde materiaal is een boorbeschrijving conform de NEN 5104 gemaakt en zijn er grondmonsters genomen over trajecten van ten hoogste 0,5 m, waarbij bodemlagen met verontreinigingskenmerken of een afwijkende textuur separaat bemonsterd zijn. 5.2.2

Zintuiglijke waarnemingen

De bodem bestaat voornamelijk uit zwak tot matig siltig, zeer fijn tot matig grof zand. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak gleyhoudend. Plaatselijk bestaat de bodem uit grind. In het opgeboorde materiaal zijn zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Tijdens de veldwerkzaamheden zijn op het maaiveld van de onderzoekslocatie, alsmede in de bodem, geen puin(resten) of andere asbestverdachte materialen aangetroffen. 5.3

Grondwateronderzoek

5.3.1

Uitvoering veldwerk

Centraal op de onderzoekslocatie is een peilbuis (filterstelling 1,5-2,5 m -mv) geplaatst. De filterstelling is bepaald op basis van de grondwaterstand, zoals deze tijdens de veldwerkzaamheden op 17 mei 2019 is ingeschat.

Rapport 9816.001 versie D1

Pagina 5 van 9

5.3.2

Bemonstering

De grondwaterbemonstering is op 29 mei 2019 uitgevoerd door de heer R.J.H. Denessen. Deze medewerker van Econsultancy staat geregistreerd als ervaren veldwerker voor het protocol 2002 van de BRL SIKB 2000 "Veldwerk bij milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek". De bemonstering is uitgevoerd conform de eisen uit het protocol 2002 van de BRL SIKB 2000 en de NEN 5744:2011. Tabel II geeft een overzicht van de peilbuisgegevens en de resultaten van de veldmetingen. Tabel II.

Overzicht gegevens peilbuis en veldmetingen grondwater

Peilbuisnummer

Situering peilbuis

Filterstelling (m -mv)

Grondwaterstand (m -mv)

Elektrisch Geleidingsvermogen (µS/cm)

Troebelheid (NTU)

Zuurgraad (pH)

01-1-1

centraal op onderzoekslocatie

1.5-2.5

0,98

571

18

6,95

6 6.1

LABORATORIUMONDERZOEK Uitvoering analyses

Alle grond- en grondwatermonsters zijn aangeboden aan een laboratorium dat is erkend door de Raad voor Accreditatie en AS3000-geaccrediteerd is voor milieuhygiënisch bodemonderzoek. In het laboratorium zijn in totaal 5 grondmengmonsters samengesteld (3 grondmengmonsters van de verdachte bovengrond en 2 grondmengmonsters van de ondergrond). De 5 grondmengmonsters en het grondwatermonster zijn geanalyseerd op de volgende pakketten: -

standaardpakket grond: droge stof, lutum en organische stof, metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), polychloorbifenylen (PCB), polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) en minerale olie;

-

standaardpakket grondwater: metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink), vluchtige aromaten (BTEX), styreen, naftaleen, gehalogeneerde koolwaterstoffen (VOX) en minerale olie.

Tabel III in hoofdstuk 6.3 geeft een overzicht van de samenstelling van de grondmengmonsters (en de analyseresultaten).

Rapport 9816.001 versie D1

Pagina 6 van 9

6.2

Toetsingskader

De analyseresultaten zijn getoetst aan het toetsingskader uit de Circulaire bodemsanering en aan de achtergrondwaarden voor grond uit de Regeling bodemkwaliteit (bijlage B, tabel 1). Dit toetsingskader voor de beoordeling van de gehalten en/of concentraties van verontreinigingen is gegeven in de toetsingstabel en bevat voor grond en grondwater elk drie te onderscheiden waarden met de verschillende niveaus: -

achtergrondwaarde: deze waarde ("AW") geeft de gehalten aan zoals die op dit moment voorkomen in de bodem van natuur- en landbouwgronden, waarvoor geldt dat er geen sprake is van belasting door lokale verontreinigingsbronnen;

-

streefwaarde: deze waarde ("S") geeft het milieukwaliteitsniveau aan voor grondwater, waarbij als nadelig te waarderen effecten verwaarloosbaar worden geacht;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/9769456/1