Beantwoording technische vragen Huisvestingsverordening CDA
Tekst van het document
Beantwoording technische vragen Huisvestingsverordening CDA Vraag 1: Waarom wordt bij de definitie van een sociale huurwoningen niet aangesloten bij de wettelijke definitie sociale huurwoning zoals omschreven in de Wet regie op de volkshuisvesting? Beantwoording: Aangezien de Wet regie op de volkshuisvesting nog niet is aangenomen is niet één op één verwezen naar deze definitie. De definitie ligt er in de lijn met de definitie die wordt voorgesteld in het wetsvoorstel. Vraag 2: Waarom geldt de huisvestingsverordening niet voor sociale huurwoningen die in bezit zijn van particuliere verhuurders? Beantwoording: In de ontwikkeling van de Huisvestingsverordening is uitvoerig gesproken over het meenemen van sociale huurwoningen van particuliere verhuurders. Voordelen zouden zijn dat er méér woningen beschikbaar zouden komen om urgente doelgroepen in te huisvesten, of dat er een ontmoedigende werking van uit zou gaan richting particuliere ontwikkelaars om zelf sociale huurwoningen te beheren in plaats van deze over te dragen aan een woningcorporatie. Uiteindelijk is het niet meegenomen in de voorliggende Huisvestingsverordening, omdat de uitvoering in de praktijk complex is. Gemeenten weten niet waar overal op dit moment particulier wordt verhuurd, en ook niet wat de hoogte van de huur is. Daardoor is niet te bepalen of ze onder de verordening vallen, of zouden kunnen vallen.
Onderzoek hierna vraagt veel inzet, waarbij de afweging moet worden gemaakt of dit opweegt tegen de opbrengst. De inschatting is dat het om enkele woningen gaat. Daarbij komen dan nog de praktische bezwaren (de verordening wordt er ingewikkelder van, de monitoring vraagt inzet, en de handhaving is complex). Vraag 3: Uit de reactie in de zienswijzennota wordt door het college gesteld dat de eisen omtrent lokale binding worden bijgehouden in het woonruimteverdeelsysteem van woningcorporaties (Thuis in Limburg). In hoeverre wordt hierin bijgehouden hoe lang een woningzoekende onafgebroken ingeschreven staat in van de kern? M.a.w. hebben corporaties hiervoor geen directe toegang tot de Basisregistratie Persoonsgegevens toe nodig om dit te kunnen verifiëren? Zo nee, op welke wijze kan de lokale bindingseis dit door corporaties geautomatiseerd worden bijgehouden? Beantwoording: Woningzoekenden moeten bij de woningcorporaties diverse stukken indienen om aan te tonen dat ze aan de voorwaarden voldoen, naast inkomensgegevens ook bijvoorbeeld een uittreksel uit het GBA, daar kunnen corporaties zien hoe lang de bewuste persoon al in de huidige gemeente woont. Vraag 4: Welke voorrangsregelingen buiten de in de huisvestingsverordening genoemde voorrangsregelingen zijn in de prestatieafspraken overeengekomen? Beantwoording: In de presentatieafspraken zijn geen verdere afspraken gemaakt
over het verkrijgen van urgentie. Wel is er binnen de gemeente Gennep, Mook en Middelaar en Bergen een beleidsregel die het voor de burgemeester mogelijk maakt om in het kader van de openbare orde en veiligheid te verzoeken om urgentie. Deze beleidsregel wordt slechts in uiterste gevallen gebruikt. Bekeken moet worden in hoeverre deze beleidsregel nog van meerwaarde is op basis van hetgeen in de Huisvestingsverordening wordt gesteld. Vraag 5: De adviesraad sociaal domein roept op om vast te stellen dat urgenten ook echt urgent zijn en de reactietermijn voor urgenten met een zoekprofiel te beperken. Heeft het college een beeld van de gemiddelde duur waarvan zo’n urgentieverklaring geldig Beantwoording: In de verordening staat dat gemeente en corporatie er naar streven om een urgentwoningzoekende binnen zes maanden een aanbod te doen, dat is een gangbare maximale termijn. De urgentiecommissie geeft in het besluit aan voor welke periode een urgentieverklaring wordt afgegeven. Dit moet nog verder afgestemd worden in de implementatie of hier richtlijnen voor moeten komen.