CConstaterende datBarendrecht
Koppel je AI →
Document · PDF

1.0 Def 2026 B1 - artikelgewijze toelichting.pdf

gemeenteraad 30 september 2025, gemeente BarendrechtBij agendapunt: Niet behandeld: Vaststellen Verordening Wmo 2026. Bij agendavaststelling terug in handen gesteld van het college.8.971 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Niet gevonden in dit document.

Artikelsgewijze toelichting verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Barendrecht 2026 Hoofdstuk 1. Begripsbepalingen Artikel 1. Begripsbepalingen In de Wmo en het Uitvoeringsbesluit dat daarbij hoort, staan al veel definities. Daarom staan in deze verordening alleen de belangrijkste begrippen. Niet elk onderdeel heeft uitleg nodig. Lid 1 a. algemeen gebruikelijke voorziening Bij deze voorziening gaat het om de vraag: zou de cliënt deze voorziening ook hebben gehad als hij geen beperkingen had? De regels hiervoor komen uit uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Het gaat er niet om of de cliënt dit inkomen echt heeft, maar of iemand met zo’n inkomen de voorziening kan betalen en of de voorziening normaal is volgens wat mensen in de samenleving gewoon vinden. Lid 1 b. algemene voorziening Algemeen vrij toegankelijke voorzieningen zoals bijvoorbeeld een boodschappenservice, welzijnsactiviteiten of vrijwilligersvervoer. Lid 1 e. (eigen) bijdrage In artikel 2.1.4 van de Wmo staat dat de gemeente een eigen bijdrage mag vragen voor ondersteuning. Als de gemeente daarvoor kiest, moet de cliënt dus een deel van de kosten zelf betalen. Lid 1 f. gebruiksduur De gebruiksduur is de periode waarin de cliënt de voorziening in bezit heeft. Ook als hij het tijdelijk niet gebruikt, telt dat nog als gebruiksduur.

Als de cliënt aangeeft dat hij het niet meer nodig heeft en het inlevert, stopt de gebruiksduur. - Lid 1 h. hoofdverblijf Het hoofdverblijf is de plek waar de cliënt het grootste deel van het jaar echt woont. Dat is niet altijd hetzelfde als het adres in de Basisregistratie Personen (BRP). - Lid 1 j. intramuraal Een intramurale verblijfsetting kan zowel van toepassing zijn op jeugdigen in een instelling (Jeugdwet) als ook op volwassenen op grond van de Wmo of de Wet langdurige zorg (Wlz). - Lid 1 l. leefeenheid Een groep mensen, dit kunnen zowel jeugdigen, jongeren als volwassenen of een combinatie zijn, die gezamenlijk een huishouden vormen. Er hoeft geen familierelatie te zijn. Ze verblijven in dezelfde woning met een gedeelde voordeur, keuken en badkamer. - Lid 1 n. melding Elke vraag over ondersteuning telt als een melding. Het maakt niet uit hoe de vraag wordt gesteld. Ook vragen om informatie of uitleg tellen als melding. Lid 1 s. semimuraal Een semimurale verblijfsetting kan zowel van toepassing zijn op grond van de Wmo of de Wet langdurige zorg (Wlz). Lid 1 t voorliggende voorziening Een voorziening die op grond van een andere wetgeving gefinancierd kan worden. Bijvoorbeeld ziekenvervoer naar het ziekenhuis wat ook vanuit de Zorgverzekeringswet (Zvw) verstrekt wordt.

Hoofdstuk 2. Melding, onderzoek en aanvraag In dit hoofdstuk staan de regels voor het traject dat begint als een cliënt de gemeente om hulp vraagt. Dit traject begint met een melding. De melding is voor de gemeente het moment om te starten met een onderzoek. Het onderzoek is het belangrijkste onderdeel van de procedure in de Wmo 2015. Tijdens het onderzoek kijkt de gemeente of er andere oplossingen zijn dan een maatwerkvoorziening. Denk daarbij bijvoorbeeld aan voorliggende of algemene voorzieningen. Als die voldoende zijn, is een maatwerkvoorziening niet nodig.

1

Artikel 2. Melding De cliënt doet een melding als hij maatschappelijke ondersteuning nodig heeft. Dit heet ook wel een hulpvraag. De melding kan op verschillende manieren worden gedaan: schriftelijk, digitaal, mondeling of telefonisch. Het maakt dus niet uit hoe of waar de melding wordt gedaan. De cliënt kan zelf de melding doen, maar ook iemand namens hem, zoals een familielid of mantelzorger.

Artikel 3. Cliëntondersteuning De verplichtingen uit dit artikel staan ook in de artikelen 2.2.4 lid 1 onderdeel a en 2.3.2 lid 3 van de Wet. Het is belangrijk dat de cliënt wordt gewezen op de mogelijkheid van cliëntondersteuning. Daarom staat in de ontvangstbevestiging van de melding hoe de cliënt contact kan opnemen met een cliëntondersteuner. Cliëntondersteuning is uitgelegd in artikel 1.1.1 van de Wet. De cliëntondersteuning is gratis en onafhankelijk.

Artikel 4. Persoonlijk plan De verplichtingen voor het college die hier genoemd worden staan ook in artikel 2.3.2 van de Wet. De cliënt mag, voordat het onderzoek start, een persoonlijk plan maken. Hierin schrijft de cliënt op, welke hulp nodig is en hoe dit georganiseerd kan worden. Het voordeel hiervan is dat de gemeente direct weet wat de wensen van de cliënt zijn. Zo houdt de cliënt zelf de regie over zijn ondersteuning.

Artikel 5. Informatie en identificatie De verplichtingen in dit artikel komen ook uit de wet, namelijk uit artikelen 2.3.2 lid 7 en 2.3.4 lid 1. Net als bij artikel 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), moet de cliënt ook in de onderzoeksfase de juiste informatie geven. De gemeente moet zeker weten wie de cliënt is. Daarom vraagt zij om een geldig identiteitsbewijs, zoals bedoeld in de Wet op de identificatieplicht.

Artikel 6. Onderzoek Om een goed besluit te nemen, moet de gemeente eerst goed onderzoek doen naar de situatie van de cliënt. Bij het onderzoek kijkt de gemeente samen met de cliënt wat de behoeften, mogelijkheden en voorkeuren zijn. Daarvoor zijn alle belangrijke feiten en omstandigheden nodig. Het onderzoek gebeurt altijd in overleg met de cliënt. Als het kan, worden ook de mantelzorger(s) of een vertegenwoordiger betrokken. Soms blijkt uit dit gesprek dat een algemene voorziening al voldoende is, en een maatwerkvoorziening dus niet nodig is. Soms is een combinatie mogelijk. De gemeente volgt bij het onderzoek de stappen uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep ( ECLI:NL:CRVB:2018:819, Centrale Raad van Beroep, 16/6592 WMO15-T). Voor een goed beeld van de situatie is vaak persoonlijk contact nodig. Daarom worden meestal één of meerdere (telefonische) gesprekken gevoerd met de cliënt en eventueel ook met de mantelzorger(s) of vertegenwoordiger. Soms is een uitgebreid gesprek niet nodig. Bijvoorbeeld als het gaat om een extra vraag over een eerdere beslissing of een duidelijke, eenvoudige vraag. In zulke gevallen kan het onderzoek ook telefonisch of via dossieronderzoek gedaan worden - altijd in overleg met de cliënt.

Artikel 7. Onderzoeksrapport Deze bepaling volgt uit artikel 2.3.2, achtste lid, van de Wet. Het onderzoeksrapport is belangrijk voor een zorgvuldige administratie en een goed verloop van de procedure. De gemeente geeft de cliënt een schriftelijke samenvatting van het onderzoek. Zo weet de cliënt wat de uitkomst is, en kan hij daarna een aanvraag doen voor een maatwerkvoorziening. Het rapport bevat géén letterlijk verslag van de gesprekken. Alleen de gegevens die nodig zijn voor het besluit worden opgenomen. Een duidelijke samenvatting helpt de gemeente om de juiste beslissing te nemen én zorgt voor duidelijke communicatie met de cliënt. De inhoud van het rapport

2

hangt af van hoe ingewikkeld het onderzoek is. Bij een eenvoudig onderzoek is de samenvatting kort, bij een complex onderzoek is een uitgebreidere toelichting nodig. Het onderzoeksrapport kan ook gebruikt worden als plan of afspraken richting zorgaanbieder. In dit plan staat dan hoe de cliënt wordt geholpen om zelfredzaam te zijn en mee te doen in de samenleving. Als de cliënt al een persoonlijk plan heeft gemaakt, wordt dat ook in het verslag opgenomen.

Artikel 8. Advisering Het onderzoek moet zorgvuldig gebeuren. Dit is al eerder toegelicht in artikel 6, bijvoorbeeld aan de hand van het stappenplan van de Centrale Raad van Beroep (CRvB). Soms is er voor het onderzoek specialistische kennis nodig. In dat geval kan het college besluiten om een deskundige om advies te vragen. De gemeente zorgt ervoor dat deze deskundige voldoende kennis heeft. Ook moet voor de cliënt duidelijk zijn op welk gebied deze deskundige advies geeft, bijvoorbeeld medisch, bouwkundig of sociaal.

Artikel 9. Aanvraag De aanvraag voor een maatwerkvoorziening kan pas gedaan worden nadat het onderzoek is afgerond of nadat de zes weken termijn van het onderzoek is verstreken en er nog geen onderzoek heeft plaatsgevonden. In artikel 2.3.5, lid 1 van de Wmo staat dat een aanvraag alleen gaat over een maatwerkvoorziening. Soms zijn er andere oplossingen die tot tevredenheid kunnen bijdragen aan zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie. Dit kan zonder beschikking worden ingezet. Hierbij kan gedacht worden aan algemene voorzieningen of voorliggende voorzieningen. Bij een aanvraag voor een hulpmiddel of aanpassing van de woning die via een persoonsgebonden budget (Pgb) wordt betaald, moet de cliënt minimaal 2 offertes inleveren. De gemeente mag ook zelf offertes opvragen. Zo kan de gemeente goed vergelijken en kiezen voor de goedkoopst adequate oplossing.

Hoofdstuk 3. Maatwerkvoorziening In dit hoofdstuk staan de regels en aanvullende criteria op basis waarvan het college beslist op de aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Een cliënt kan de maatwerkvoorziening in natura ontvangen, maar ook in de vorm van een pgb als hij dat wenst. Ook staat in dit hoofdstuk beschreven wanneer er geen maatwerkvoorziening verstrekt wordt.

Artikel 11. Criteria voor maatwerkvoorzieningen In dit artikel zijn de algemene criteria beschreven die gelden om in aanmerking te komen voor een maatwerkvoorziening. Allereerst moet duidelijk zijn dat sprake is van beperkingen in de zelfredzaamheid en/of participatie. Daarnaast moet duidelijk zijn dat oplossingen die de cliënt zelf kan inzetten om zijn zelfredzaamheid en participatie te verbeteren, zoals eigen kracht, gebruikelijke hulp en algemeen gebruikelijke voorzieningen, niet toereikend zijn om de beperkingen te compenseren. Lid 2: Als de gemeente een maatwerkvoorziening geeft, dan moet deze: - compenserend zijn: dus voldoende helpen, objectief bekeken; - én de goedkoopst adequate oplossing zijn. Als een cliënt een duurdere voorziening wil dan nodig is, kan de gemeente een pgb geven ter waarde van de goedkoopste passende oplossing. De cliënt betaalt dan zelf het verschil. Lid 3: Het college verstrekt geen voorzieningen die niet veilig zijn of nadelige gevolgen kunnen hebben voor de gezondheid van de cliënt.

3

Artikel 12. Aanvullende criteria hulp bij het huishouden In de Wmo 2015 staat geen concrete definitie van wat een gestructureerd huishouden is. Het voeren van een gestructureerd huishouden betekent volgens uitspraken van de CRvB in elk geval: - het schoon en op orde houden van het huishouden; - het kunnen beschikken over schoon beddengoed en schone kleding; - structuur aanbrengen van in het huishouden; - hulp bij het leren om zelfstandig te wonen; - hulp bij het omgaan met onverwachte gebeurtenissen die de dagelijkse structuur doorbreken. De gemeente heeft ervoor gekozen om duidelijk te maken welke taken wel en niet vallen onder hulp bij het huishouden. Deze keuzes zijn gebaseerd op uitspraken van de rechter (CRvB). Voor het vaststellen van de benodigde inzet voor hulp bij het huishouden, wordt het recente Normenkader HHM gebruikt. Het doel van dit normenkader is het bieden van een duidelijk en objectief normenkader dat de rechtszekerheid vergroot en individuele dienstverlening verbetert. Op grond van recente uitspraak CRvB ECLI:NL:CRVB:2025:46 is het normenkader van 2019 bijgesteld.

Artikel 13. Aanvullende criteria voor begeleiding, OOGZ en (vervoer naar) dagbesteding Lid 1 a. OGGZ (Openbare Geestelijke Gezondheidszorg) Er is een groep van inwoners die psychische problemen hebben maar zelf geen hulp vragen. Hiervoor kunnen uiteenlopende redenen zijn: het gaat bijvoorbeeld om inwoners die hun vraag niet duidelijk kunnen formuleren, die zelf niet inzien dat ze hulp nodig hebben of om inwoners die officiële instanties wantrouwen. We spreken ook wel van zorgmijders. Voorbeelden van psychische problemen zijn: Zware verwaarlozing of vervuiling van mensen die in een woning of op straat leven; Drugs-, medicatie- en alcoholmisbruik in een woning of op straat; Ernstige vereenzaming; Mensen die een gevaar voor zichzelf of hun omgeving vormen. In deze voorbeeldsituaties kan de gemeente ongevraagd ondersteuning of hulpverlening inzetten zonder dat daar een procedure aan voorafgaat van melding – onderzoek - aanvraag. Deze vorm van ongevraagde ondersteuning / hulpverlening heet bemoeizorg. Het doel is om contact te krijgen én te houden, en de persoon toe te leiden naar de juiste ondersteuning. Lid 1 b.

Ambulante Begeleiding Het behouden of verbeteren van de zelfredzaamheid en/of participatie kan bereikt worden met het behalen van doelen gericht op onder andere: - het creëren en behouden van overzicht en controle op een gezonde financiële huishouding - het aanleren van woonvaardigheden; - het niet geven van overlast; - het aanleren van vaardigheden om zelfstandig te kunnen wonen; - het op orde brengen en houden van administratie en financiën; - het aanbrengen van structuur in het dagelijks leven; - toeleiden naar voorliggende of algemene voorzieningen zoals bewindvoering, maatschappelijk werk; - zinvolle invulling van het dagelijks leven organiseren bijvoorbeeld in de vorm van (arbeidsmatige) dagbesteding, (vrijwilligers) werk of sport/hobby’s. Lid 2. Dagbesteding Als iemand niet (meer) in staat is om te werken of vrijwilligerswerk te doen, kan hij gebruikmaken van dagbesteding. De gemeente kijkt wat past bij de hulpvraag van de cliënt. De maatwerkvoorziening geldt voor de dichtstbijzijnde passende locatie. Wanneer de cliënt aangeeft voorkeur te hebben voor een andere locatie buiten de gemeentegrenzen of de regio, komen de extra (vervoers) kosten voor eigen rekening van de cliënt. 4

Artikel 14. Aanvullende criteria kortdurend verblijf Soms heeft een mantelzorger tijdelijk rust nodig. Dan kan de cliënt in aanmerking komen voor kortdurend verblijf. De gemeente kan hiervoor een deskundig advies opvragen om te beoordelen of de mantelzorger overbelast is. Als er sprake is van een crisissituatie, bijvoorbeeld bij mensen met dementie, en de casemanager doet een melding, dan kan de gemeente deze versneld afhandelen en toekennen.

Artikel 15. Aanvullende criteria Beschermd Wonen (intramuraal en semi-muraal) Gemeenten zijn sinds 2015 verantwoordelijk voor Beschermd Wonen (BW). De financiering daarvan loopt via de centrumgemeenten. De gemeente Rotterdam is centrumgemeente voor wat betreft de verstrekking van de maatwerkvoorziening Beschermd Wonen voor de regiogemeenten Albrandswaard, Barendrecht, Ridderkerk, Capelle aan den IJssel, Krimpen aan den IJssel en Lansingerland. Beschermd wonen is bedoeld voor mensen met (ernstige) psychische problemen die niet zelfstandig kunnen wonen en die een 24-uur per dag begeleiding en toezicht nodig hebben. Doelgroep Beschermd Wonen Een inwoner komt in aanmerking voor BW, als hij in verband met psychische problemen niet in staat is op eigen kracht, met gebruikelijke en ambulante hulp, met mantelzorg of met hulp van andere personen uit zijn eigen sociale netwerk, zelfstandig te wonen en te participeren in de samenleving. Zij komen in aanmerking voor Beschermd Wonen als: De inwoner is 18 jaar of ouder. De inwoner heeft de Nederlandse nationaliteit of verblijft legaal in Nederland. De inwoner voldoet aan hetgeen gesteld is in de Handreiking Landelijke Toegankelijkheid Beschermd Wonen van de VNG. De inwoner heeft psychische problemen.

De problemen die de inwoner ondervindt in het zelfstandig wonen en participeren in de samenleving zijn niet op te lossen op eigen kracht, met gebruikelijke en ambulante hulp, mantelzorg, hulp vanuit andere personen uit het eigen sociaal netwerk, algemene of andere maatwerk voorzieningen en/of (para)medische zorg. Cliënten kunnen hun zorgvraag niet uitstellen en/ of kunnen niet zelf hulp inroepen. Van beschermd wonen naar beschermd thuis (BT) Steeds vaker wordt er gewerkt aan meer zelfstandigheid voor cliënten. Hierdoor is de beweging te zien van intramuraal wonen met intensief toezicht naar beschermd thuis. Het gevolg hiervan is dat het aanbod van Beschermd Wonen van intramurale voorzieningen op een verantwoorde manier afgebouwd kan worden en/of omgezet kan worden naar semimurale voorzieningen. Het is de bedoeling dat hiervoor in de plaats ambulante ondersteuning en lichtere woonvormen in wijken komen. Hierdoor ontstaat er een woon- en leefsituatie met meer zelfstandigheid voor de cliënt, waarin vaardigheden worden gestimuleerd en sprake is van meer verbinding met de (mensen in de) wijk. Hierdoor verandert de positie van cliënt naar wijkbewoner. De ontwikkeling van BW naar BT wordt gerealiseerd door de regionale inkoop van semimurale voorzieningen.

Artikel 16. Aanvullende criteria semimurale ondersteuning In een semimurale voorziening wonen de cliënten zelfstandig, veelal op basis van een huurzorgovereenkomst, geclusterd in de wijk of gespikkeld in een flat, waarbij de loopafstand tot de zorgaanbieder maximaal 10 minuten is. Hierdoor kan de zorgaanbieder anticiperen op niet-geplande ondersteuningsbehoefte van deze kwetsbare cliënten die 24-uurs zorg en ondersteuning in de nabijheid nodig hebben bij het zelfstandig wonen.

Artikel 17. Aanvullende criteria intramurale ondersteuning Intramurale ondersteuning is bedoeld voor kwetsbare mensen die tijdelijk niet zelfstandig kunnen wonen. Dit komt doordat zij een verstandelijke beperking of psychische of sociale problemen hebben. Zij hebben de hele dag en nacht hulp dichtbij nodig (24 uur per dag), zodat zorgverleners direct kunnen helpen als dat nodig is. Zo kan bijvoorbeeld voorkomen worden dat de situatie erger wordt. 5

Deze mensen hebben hulp nodig die niet gepland kan worden en niet kan wachten. Daarom wonen zij in een speciale, beschermde woonplek. Dit gebeurt op basis van de Wmo 2015, onder de vorm verblijf met intramurale ondersteuning. Daarbij hoort standaard ook het onderdeel verblijf. Dit valt niet onder de Wet langdurige zorg (Wlz) of de Wet forensische zorg. Intramurale ondersteuning betekent: hulp die wordt gegeven op de woonplek zelf, tussen 7.00 uur en 23.00 uur. Deze hulp is gericht op het dagelijks leven, persoonlijke verzorging en gezondheid. Voor de nacht (23.00 uur tot 07.00 uur) krijgt de cliënt een aparte indicatie: nachtelijke ondersteuning (zoals een slaapwacht of iemand die wakker blijft). Daarnaast kan de cliënt ook nog hulp nodig hebben bij dagbesteding en financiën. Ook dat wordt apart beoordeeld.

Artikel 18. Aanvullende criteria nachtelijke ondersteuning Nachtelijke ondersteuning is bedoeld voor cliënten met meerdere problemen, zoals psychische aandoeningen, een verstandelijke beperking of huiselijk geweld. Zij hebben ’s nachts toezicht nodig om veilig en gestructureerd te kunnen wonen, voor hun eigen veiligheid en die van anderen.

Artikel 19. Aanvullende criteria verblijf Verblijf wordt verstrekt in combinatie met intramurale ondersteuning en nachtelijke ondersteuning (slapend of wakend) aan de cliënt groepen (O)GGZ, verstandelijk beperkten en slachtoffers huiselijk geweld. In de Wmo 2015 is in artikel 1.2.1 geregeld dat beschermd wonen en opvang worden verstrekt door de gemeente tot welke de cliënt zich wendt. Gemeenten hebben landelijke afspraken gemaakt over hoe opvang en beschermd wonen worden geregeld (convenant VNG).Deze afspraken zijn verwerkt in het Rotterdamse beleid voor maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp 2025 (artikel 3.2.13).

Artikel 20. Aanvullende criteria maatschappelijke opvang Centraal Onthaal is een verzamelnaam voor het stedelijk loket dat het recht op maatschappelijke opvang voor volwassenen, jongeren en gezinnen vaststelt. Om in aanmerking te komen voor opvang via de Wmo moet de aanvrager op grond van artikel 2.3.5 lid 1 Wmo 2015 ingezetene van Nederland te zijn. Ook moet de aanvrager zich hebben ingeschreven in de Basisregistratie personen (BRP). Op grond van artikel 5.1.1. lid 1 onder a is met aanbieders van de maatschappelijke opvang voor volwassenen door het college afgesproken dat cliënten in deze opvang voor de koude en warme maaltijden in de opvang een vaste algemeen gebruikelijke bijdrage betalen. Op grond van artikel 5.1.3 lid 2 onder a is een cliënt geen wettelijke eigen bijdrage op grond van de Wmo 2015 verschuldigd voor de verstrekking van de opvang. Mocht er in de opvang, nadat de basis op orde is, een wmo-maatwerkvoorziening worden verstrekt aan de cliënt, dan is deze daarvoor wel de wettelijke eigen bijdrage verschuldigd. Het doel is altijd de cliënt in staat te stellen zich zo snel als mogelijk op eigen kracht te kunnen handhaven in de samenleving.

Artikel 21. Vormen van maatschappelijke opvang Op basis van de Subsidieregeling maatschappelijke opvang Rotterdam wordt voorzien in voldoende maatschappelijke opvanglocaties en worden kwaliteitseisen aan deze locaties gesteld.

6

Artikel 22. Landelijke toegankelijkheid In artikel 1.2.1 van de Wmo 2015 staat dat een cliënt beschermd wonen of opvang krijgt via de gemeente waar hij zich meldt. Om dit goed te regelen, zijn er landelijke afspraken gemaakt tussen gemeenten. Deze zijn vastgelegd in een convenant van de VNG en zijn verwerkt in het Rotterdamse beleid (artikel 4.4).

Artikel 23. Aanvullende criteria woonvoorzieningen en woningaanpassingen Lid 2: Uitraaskamer: de uitraaskamer is een voorziening die wordt toegekend aan cliënten met een verhoogd risico op letsel als ze zich niet kunnen afzonderen. Lid 3: het college beoordeelt individueel of ondersteuning langdurig noodzakelijk is. Een maatwerkvoorziening is in ieder geval langdurig noodzakelijk wanneer de ondersteuning langer dan zes maanden nodig is. Als het verstrekken van een tegemoetkoming voor verhuizen en inrichten de goedkoopst compenserende voorziening is, dan verstrekt het college deze tegemoetkoming (primaat van verhuizing). De cliënt kan dit geld ook gebruiken om de huidige woning aan te passen. Maar dan vervalt het recht op andere woningaanpassingen in de toekomst. Dit omdat verhuizen naar een adequate aangepaste woning de goedkoopst adequate oplossing was. Lid 7: In een gebouw gericht op specifieke doelgroepen zoals 55+-woningen, thuis+flats, aanleunwoningen, VPT-woningen of woningen voor mensen met een beperking, wordt verwacht dat de inrichting is aangepast op deze doelgroep. Er worden geen woonvoorzieningen of- aanpassingen verstrekt om de toegankelijkheid of doorgankelijkheid te bevorderen.

Artikel 24. Aanvullende criteria vervoersvoorzieningen De Wmo 2015 zegt dat iemand, ondanks zijn lichamelijke of geestelijke beperkingen, moet kunnen meedoen in de samenleving. Dat betekent bijvoorbeeld: mensen ontmoeten, boodschappen doen en activiteiten volgen. Hiervoor is het een vereiste dat hij zich kan verplaatsen. Bij het bepalen van het te bereiken resultaat gaat het er bij maatschappelijke participatie niet om hoe vaak een cliënt een bestemming wil bereiken, maar om hoe vaak hij dat zou moeten kunnen. Kortom het gaat niet om wenselijkheid maar om noodzakelijkheid. Vanuit de Wmo volgt slechts verder de verplichting om cliënt te compenseren die beperkingen ondervindt bij lokale verplaatsingen. Lokale verplaatsingen zijn verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving met een afstand tot maximaal 25 kilometer. Met de taxipas wordt cliënt in staat gesteld om maximaal 2000 km op jaarbasis te reizen in de directe woon-en leefomgeving. Is sprake van een combinatie van een maatwerkvoorziening voor verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving, dan mag cliënt 1000 km met het collectief vervoer reizen. Als iemand de voorziening zes maanden niet gebruikt, onderzoekt de gemeente of deze nog wel nodig is. Hiervoor kan de pas tijdelijk geblokkeerd worden. Na een jaar geen gebruik en opnieuw zes maanden geen reactie, kan de voorziening worden beëindigd.

Als één voorziening compenserend is, voldoet het college aan de compensatieplicht en is een extra hulpmiddel niet noodzakelijk. Bijvoorbeeld een combinatie van elektrische rolstoel met een handbike.

Artikel 25. Aanvullende criteria rolstoelen Vanuit de Zvw worden rolstoelen verstrekt voor beperkte (<26 weken) of onzekere duur. Als de cliënt incidenteel maar over een langere periode dan 26 weken gebruik wil maken van een transportrolstoel, kan de cliënt een rolstoel gebruiken vanuit de rolstoelpool. De rolstoelpool kan op strategische locaties beschikbaar gesteld worden, zoals bijvoorbeeld in doelgroepengebouwen. Is cliënt langdurig aangewezen op zittende verplaatsingen dan komt de cliënt vanuit de Wmo in aanmerking voor een rolstoel. Voor een elektrische rolstoel gelden aanvullende voorwaarden. Alleen cliënten die daar echt op zijn aangewezen, komen daarvoor in aanmerking. In andere gevallen wordt een handbewogen rolstoel verstrekt. 7

Artikel 26. Aanvullende criteria sportvoorzieningen Sporten kan voor een cliënt een belangrijke manier zijn om andere mensen te ontmoeten (participeren). Dit is in de verordening zo ingevuld dat cliënt aangewezen moet zijn op een sportvoorziening voor de beoefening van de verkozen sport en lid van een vereniging moet zijn.

Artikel 27. Weigeringsgronden In de rechtbankjurisprudentie is bepaald dat de redenen voor een afwijzing altijd in de verordening moeten staan. Lid 1 a In artikel 2.3.5, lid 5 van de Wmo 2015 staat dat een maatwerkvoorziening alleen wordt verstrekt als de hulp niet op een andere manier beschikbaar is. Als een cliënt recht heeft op hulp via een andere wettelijke regeling, bijvoorbeeld via de Zorgverzekeringswet of de Wet langdurige zorg (Wlz), moet de gemeente deze mogelijkheid als eerste laten benutten. Dit wordt in de Wmo beschouwd als een vorm van eigen kracht: de cliënt maakt gebruik van wat wettelijk al beschikbaar is. Daarom geldt dat de gemeente in zo’n geval geen maatwerkvoorziening hoeft toe te kennen. Lid 1 b en c Hier wordt gedoeld op de situatie dat de cliënt een voorziening realiseert of aankoopt en daarna pas een beroep op de gemeente doet. Als de voorziening is gerealiseerd voor de melding, dan bestaan er feitelijk geen beperkingen meer die het college moet compenseren. De cliënt heeft op deze wijze laten zien dat de hulpvraag in eigen kracht opgelost kan worden. Er wordt alleen een uitzondering gemaakt als er sprake was van een acute noodsituatie, waardoor cliënt niet in staat was om eerst contact te zoeken met de gemeente.

Is de voorziening na de melding, maar voor de aanvraag of het besluit daarop gerealiseerd, dan kan het college de voorziening weigeren als de noodzaak, adequaatheid en passendheid van die voorziening en de gemaakte kosten achteraf niet meer beoordeeld kan worden. Dat is alleen anders als tevoren contact is gezocht met het college en het college expliciet toestemming heeft gegeven voor de aankoop/realisering van de gevraagde voorziening. Lid 1 d In dit deel staat dat een aanvraag kan worden afgewezen als het gaat om een vergoeding of voorziening die al eerder is gegeven. Dit geldt vooral als het verlies van het middel door toedoen van de cliënt is ontstaan, bijvoorbeeld door onvoorzichtig gedrag of nalatigheid. Als de cliënt er niets aan kan doen, wordt de aanvraag niet geweigerd. Hier speelt ook de eigen verantwoordelijkheid van de cliënt een rol. Bijvoorbeeld: als in een woning een verstelbare keuken of een andere dure voorziening is geplaatst, moet dit worden meegerekend in de waarde van het huis voor de verzekering. Dit risico moet de cliënt laten meeverzekeren in de opstalverzekering. Als er daarna brand uitbreekt en blijkt dat de woning niet goed genoeg verzekerd is, kan de cliënt op dat moment geen gebruik maken van deze regeling.

Lid 1 e Als de cliënt bij het maken van keuzes redelijkerwijs had kunnen weten dat dit tot problemen zou leiden, mag de gemeente een aanvraag weigeren. Bijvoorbeeld: Bij het vernieuwen van de keuken wordt een opstap niet meegenomen in de verbouwing terwijl bekend is dat cliënt een spieraandoening heeft. Op termijn valt dan te verwachten dat deze opstap problemen gaat opleveren. Lid 1 f Wanneer er reden is om aan te nemen dat cliënt in aanmerking kan komen voor een Wlz-indicatie, zal de cliënt deze aanvraag eerst in moeten dienen bij het CIZ voordat de cliënt in aanmerking kan komen voor een Wmo maatwerkvoorziening. Wanneer de Wlz-indicatie is afgewezen of beëindigd en de cliënt dit aan kan tonen of toestemming geeft deze informatie bij het CIZ op te vragen, kan er alsnog een beoordeling voor een Wmo-maatwerkvoorziening plaatsvinden.

8

Lid 2 a De in het tweede lid opgenomen gronden zijn specifiek van toepassing op maatwerkvoorzieningen ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en participatie. Een voorziening moet langdurig noodzakelijk moet zijn. Het begrip langdurig noodzakelijk bestaat uit 2 onderdelen die los van elkaar bekeken kunnen worden. De voorziening moet: - noodzakelijk zijn om de beperkingen te compenseren; - langdurig noodzakelijk zijn. Met langdurig wordt bedoeld dat de cliënt voor minimaal 6 maanden aangewezen moet zijn op de desbetreffende voorziening. Voor langere tijd betekent dan ook in ieder geval dat wie tijdelijk beperkingen ondervindt, bijvoorbeeld door een ongeluk, niet voor een voorziening in aanmerking komt. Degene die voor 'beperkte of onzekere duur' beperkingen ondervindt kan een beroep doen op de Zorgverzekeringswet. Kenmerkend is dat de beperking die iemand heeft, volgens de medische wetenschap op het moment van de aanvraag niet meer kan verbeteren. Er is dus geen reden om te verwachten dat de situatie van de cliënt beter wordt. De voorspelling over de toekomst (prognose) is daarom heel belangrijk. Als de prognose zegt dat de cliënt na een tijdje zonder de hulpmiddelen of aanpassingen kan, dan mag het college ervan uitgaan dat het maar tijdelijk nodig is.

Maar als de situatie steeds wisselt, met periodes van verbetering en terugval, kan er juist sprake zijn van een langdurige behoefte aan de voorziening. De medisch adviseur helpt mee bepalen of er wel of geen langdurige noodzaak is voor de voorziening. Lid 3 In lid 3 zijn de specifieke weigeringsgronden opgenomen die gelden bij de toekenning van woonvoorzieningen. Het college kan in plaats van een woningaanpassing ook een verhuiskostenvergoeding verstrekken. Ad. a Het college hoeft geen voorziening te verstrekken als de beperkingen het gevolg zijn van de aard van de gebruikte materialen. Ook als de beperkingen voortkomen uit achterstallig onderhoud van de woning hoeft het college geen woonvoorziening te verstrekken. Dit beginsel geldt niet als is voldaan aan de volgende twee eisen (zie CRvB 03-07-2013, nr. 11/4346 WMO, zie ook Rechtbank 's-Hertogenbosch 07-06-2010, nr. AWB 09/2976 WMO): - de cliënt heeft goede pogingen ondernomen om de gebreken door de verhuurder te laten wegnemen; en - met het oog op de gezondheidstoestand van de belanghebbende is er binnen redelijkerwijs aanvaardbaar tijdsbestek geen uitzicht op opheffing van de gebreken. Ad. b Een maatwerkvoorziening wordt alleen verstrekt als het woonruimten betreft die als zelfstandige woonruimte in het kader van de Wet op de huurtoeslag ook als zodanig aangemerkt worden. Ad.

c Er worden geen voorzieningen verstrekt in gemeenschappelijke ruimten, anders dan de genoemde in deze bepaling. Naar het oordeel van de CRvB is een dergelijke bepaling in het algemeen niet in strijd met de de Wmo, zie CRvB 02-11-2011, nr. 10/6238 WMO-T). Ad. d, e en f Als er in de te verlaten woning geen problemen bij de zelfredzaamheid werden ervaren, is de verhuizing naar de nieuwe woning kennelijk de oorzaak van de problemen en is men verhuisd naar een ongeschikte woning. Niet de ondervonden beperking, maar de verhuizing naar een niet geschikte woning is dan de voornaamste oorzaak van de ondervonden problemen. Uitzondering op deze bepaling is de zogeheten “belangrijke reden”. De beoordeling of sprake is van een belangrijke reden is echter steeds afhankelijk van een weging van alle van belang zijnde feiten en omstandigheden. Als een cliënt gaat verhuizen, moet hij of zij op zoek gaan naar een woning die zo goed mogelijk past bij zijn of haar situatie. Het is niet de bedoeling dat iemand zomaar een woning kiest die niet geschikt is, en daarna bij de gemeente aanklopt voor aanpassingen. Met "verhuizen" bedoelt men hier niet alleen de daadwerkelijke verhuizing, maar ook alles wat er normaal gesproken aan voorafgaat. Denk aan het tekenen van een koopcontract, huurcontract of 9

erfpachtovereenkomst. Dat zijn onomkeerbare stappen die betekenen dat de verhuizing bijna zeker doorgaat. Voor de gemeente is het belangrijk om een goed beeld te hebben van het aantal woningen dat al aangepast is of makkelijk aangepast kan worden. Alleen dan kan de gemeente beoordelen of iemand naar een geschikte woning verhuist. Als een cliënt vanuit een andere gemeente verhuist en van tevoren geen contact heeft opgenomen met de gemeente om samen te kijken naar andere mogelijkheden of toestemming te vragen, dan verandert er iets. Dan moet de cliënt zelf bewijzen (met controleerbare informatie) dat er geen geschikte woning beschikbaar was. Dit volgt uit een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 april 2011 (zaaknummer 09/3047 WMO e.a.). Bijvoorbeeld: een cliënt in een rolstoel verhuist naar een woning zonder lift. De daaruit voortvloeiende beperkingen waren voorzienbaar, dus kan het college de aanvraag afwijzen. Ad. h Bij co-ouderschap ligt het ouderlijk gezag in de praktijk vaak bij beide ouders. Het juridische hoofdverblijf van een kind wordt meestal door de rechter bepaald en vastgelegd in het ouderschapsplan. Als het hoofdverblijf niet is vastgesteld, dan kan gekeken worden naar het feitelijk verblijf. In de praktijk kan het voorkomen dat het feitelijk verblijf evenredig is verdeeld.

Nu de CRvB heeft geoordeeld dat een cliënt niet in meerdere gemeenten tegelijkertijd woonplaats kan hebben, dient de inschrijving van het kind in het Brp de doorslag te geven. Voor wat betreft woningaanpassingen heeft dit tot gevolg dat slechts één woning hoeft te worden aangepast. In artikel 1:247 lid 4 BW is gewaarborgd dat het kind recht heeft op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders. En uit artikel 3 IVRK volgt dat het belang van het kind voorop moet staan bij alle maatregelen die kinderen aangaan. Om die reden is de uitzondering voor co-ouderschap opgenomen. Ad. i Voorzieningen die bij nieuwbouw of verbouwing zonder grote kosten meegenomen hadden kunnen worden, hoeven niet meer apart vergoed te worden.

Artikel 28. Inhoud beschikking De cliënt moet op basis van de beschikking die hij ontvangt de informatie krijgen die nodig is om zijn rechtspositie te bepalen en te begrijpen. Hiervoor is nodig dat de beschikking de cliënt goed en volledig informeert. In dit artikel staat beschreven welke onderdelen in ieder geval in de beschikking moeten worden opgenomen.

Hoofdstuk 4. Persoonsgebonden budget (Pgb) In dit hoofdstuk staan de regels voor het pgb. Er wordt uitgelegd wanneer iemand een pgb kan krijgen, wat de voorwaarden zijn en hoe de hoogte van het pgb wordt vastgesteld.

Artikel 29. Regels voor pgb Lid 1 Het college kan op grond van artikel 2.3.6 van de wet een pgb verstrekken. In dit lid staan de voorwaarden en het kwaliteitskader waaraan voldaan moet worden om in aanmerking te komen voor een pgb. Lid 2 Om budgetbeheerder te kunnen zijn, moet voldaan worden aan de Pgb-toets van PerSaldo in aanwezigheid van de klantmanager. De toets bevat 10 budgetvaardigheden waaronder het beoordelen van passende en kwalitatieve zorg en het coördineren van de hulpverlening. Alleen het financieel kunnen beheren van een budget, is onvoldoende om budgetbeheerder te kunnen zijn. Dit betekent dat bijvoorbeeld een bewindvoerder geen budgetbeheerder kan zijn. Lid 3

10

Als de cliënt in aanmerking wil komen voor een pgb, moet hij op grond van deze verordening een budgetplan en ondersteuningsplan opstellen. In deze bepaling is aangegeven welke onderdelen in ieder geval opgenomen moeten zijn in dat budgetplan. Een aantal zaken volgen rechtstreeks uit de wet. De Wmo 2015 noemt in artikel 2.3.6. namelijk een aantal criteria om in aanmerking te kunnen komen voor een pgb. De gemeente gebruikt dit plan om te controleren of aan de voorwaarden uit de Wmo is voldaan als bedoeld in artikel 2.3.6 van de Wet. Lid 4 en lid 5 In lid 3 zijn een aantal kostenposten genoemd die niet uit het pgb gefinancierd mogen worden. Het pgb is enkel en alleen bedoeld voor financiering van de noodzakelijke voorziening. Het pgb bevat om die reden ook geen vrij besteedbaar deel (lid 4). Lid 6 Het is mogelijk om de SVB te verzoeken om betalingen uit het pgb tijdelijk op te schorten, bijvoorbeeld in situaties waarbij de cliënt tijdelijk in het ziekenhuis is opgenomen of voor langere tijd in het buitenland verblijft. De voorziening hoeft dan niet direct te worden beëindigd, maar kan tijdelijk worden stop gezet. Lid 7 Omdat cliënten vaak kwetsbare personen betreffen, is als voorwaarde voor verstrekking van een pgb opgenomen dat de zorgverlener een VOG overhandigt. Voor wat betreft de zorgaanbieders in natura volgt deze verplichting uit de gestelde kwaliteitseisen.

Lid 8 Op grond van het kwaliteitskader, is het mogelijk om de geleverde kwaliteit van de aanbieders te controleren en beoordelen. Het maakt mogelijk om pgb aanbieders aan te spreken op de geleverde kwaliteit en hier mogelijk consequenties aan te verbinden. Cliënt is zelf verantwoordelijk voor inkoop van kwalitatief verantwoorde ondersteuning. Het college heeft echter wel een rol bij de beoordeling of sprake is van goede kwaliteit. Bij het beoordelen van de kwaliteit weegt het college mee of de diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen in redelijkheid geschikt zijn voor het doel waarvoor het persoonsgebonden budget wordt verstrekt (artikel 2.3.6 lid 3 Wmo 2015). Lid 9 Het pgb moet binnen een bepaalde tijd worden besteed. Zo weet iedereen waar hij aan toe is, en blijft het proces duidelijk en rechtmatig.

Artikel 30. Onderscheid formele en informele hulp Voor de bepaling van het pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Van formele hulp is sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een zorgaanbieder of door een zelfstandige hulpverlener (ZZP-er) die geregistreerd staat in het Handelsregister. Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad (o.a. ouders, broers, zussen en kinderen). Bij hulpverlening door een bloed- of aanverwant in de 1e of 2e graad, is altijd sprake van informele hulp. Ook al gaat het om een hulpverlener die voldoet aan de criteria genoemd in lid 2 van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende pgb-tarief. Informele hulp is alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps of bedrijfsmatig ondersteuning verlenen. In de praktijk gaat het dan meestal om personen uit het sociale netwerk.

Artikel 31. Hoogte pgb De Wmo schrijft voor dat het pgb toereikend moet zijn (artikel 2.1.3, lid 2b). De gemeente mag verschillende tarieven gebruiken voor verschillende soorten hulp en hulpverleners. De Regeling Dienstverlening Aan Huis (RDAH) is afgeschaft per 1-1-2026: dit heeft gevolgen voor budgethouders die nu 3 dagen per week of minder ondersteuning krijgen. Voor die zorgverleners moet de 11

budgethouder ook werkgeverslasten gaan afdragen. Dit bedraagt ongeveer 20% van het tarief. Dit heeft invloed op tarieven die cliënten vanuit een pgb aan de zorgverleners moeten betalen. De tarieven worden hoger waardoor zij mogelijk niet meer dezelfde ondersteuning kunnen betalen die ze nu hebben. Lid 1 In deze bepaling is het tarief vastgelegd voor een hulpmiddel, bijvoorbeeld een scootmobiel of woningaanpassing. Het maximale tarief wordt bepaald aan de hand van de zorg in natura-tarieven. Als de cliënt aangeeft dat de voorziening voor een lager tarief ingekocht kan worden, mag uitgegaan worden van dit lagere tarief. Als de gemeente voor het betreffende hulpmiddel geen overeenkomst heeft met een leverancier, wordt de hoogte van het pgb op offertebasis bepaald. Lid 2 Cliënten die gebruik kunnen maken van collectief vervoer, hebben aanspraak op de natura voorziening en niet op een pgb. Is een cliënt echter aangewezen op een andere vorm van vervoer, dan wordt de hoogte van een pgb afgestemd op de afstand die cliënt zou kunnen reizen met behulp van collectief vervoer. Deze afstand bedraagt maximaal 2000 kilometer binnen de eigen woon-en leefomgeving en mits er geen andere vervoersvoorziening verstrekt is. Lid 3 Hierin wordt de maximale hoogte van het persoonsgebonden budget voor diensten voor professionals en het informele netwerk bepaald.

Voor formele hulp geldt dat het pgb-tarief gebaseerd is op de kostprijs van vergelijkbare maatwerkvoorziening in natura. Voor informele hulp geldt een tarief op basis van het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de voor de betreffende periode geldende cao, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Dit is conform een tweetal uitspraken van de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelt dat het gebruik van het wettelijk minimumloon als norm voor het inkopen van huishoudelijk ondersteuning en individuele begeleiding bij een persoon die tot het sociale netwerk niet is toegestaan. Zij oordeelt dat de hoogte van deze pgb-uurtarieven minimaal de hoogte moet hebben van het uurloon van de hoogste periodiek behorende bij de voor de betreffende periode geldende cao, te vermeerderen met vakantietoeslag en de tegenwaarde van de verlofuren. Voor huishoudelijke ondersteuning betreft het de hoogste periodiek behorende bij hulp bij het huishouden van de cao VVT. Voor individuele begeleiding betreft het de hoogste periodiek behorende bij de Functie Waardering Gezondheidszorg (FWG 30) van de cao VVT (ECLI:NL:CRVB:2023:1394 en ECLI:NL:CRVB:2023:1580). Lid 8 Het pgb tarief wordt gedurende de looptijd van de toekenning van de maatwerkvoorziening voor dienstverlening, tussentijds niet geïndexeerd.

De budgethouder sluit een zorgovereenkomst af met de hulpverlener met een vooraf vastgesteld uurtarief gedurende de looptijd van de overeenkomst. Dit voorkomt extra werk en bureaucratie voor zowel de budgethouder als het college. Wanneer de budgethouder er toch voor kiest om wel jaarlijkse indexatie toe te passen, zal de toekenning voor de duur van een jaar zijn. De budgethouder dient dan jaarlijks een nieuwe melding voor verlenging in te dienen.

Artikel 32. Nadere verplichtingen budgethouder Dit artikel stelt een aantal specifieke voorwaarden aan de budgethouder. De budgethouder is verplicht om de aangeschafte voorziening te behandelen alsof het zijn eigendom is. Dit wil zeggen, goed te onderhouden, te verzekeren en op een zorgvuldige wijze mee om te gaan.

Hoofdstuk 5. Bijdrage in de kosten De gemeente mag van cliënten een bijdrage in de kosten vragen voor maatwerkvoorzieningen en algemene voorzieningen. In dit hoofdstuk staan de regels over deze bijdrage.

12

Artikel 33. Bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen, pgb en sommige algemene voorzieningen De gemeente mag van cliënten een bijdrage in de kosten vragen voor: - voor maatwerkvoorzieningen in natura, - voor een persoonsgebonden budget (pgb), - en voor bepaalde algemene voorzieningen. Lid 1 en 2 Formuleert deze verplichting voor wat betreft de bijdrage in de kosten van maatwerkvoorzieningen of persoonsgebonden budgets en bij verordening aangewezen algemene voorzieningen. Lid 3 De hoogte van de eigen bijdrage is landelijk bepaald en wordt vastgesteld door het Centraal Administratie Kantoor (CAK). Het uitgangspunt is wel dat de totale eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening, de kostprijs van de betreffende voorziening niet mag overstijgen: de gemeente mag geen winst maken op de bijdragen. Lid 5 Dit lid legt uit hoe de kostprijs wordt vastgesteld bij zorg in natura en bij een pgb. De kostprijs bepaalt de maximale hoogte van de eigen bijdrage die een cliënt moet betalen.

Artikel 34. Bijdrage in de kosten van de maatwerkvoorziening Collectief vervoer De hoogte van de eigen bijdrage voor collectief vervoer, wordt bepaald door het tijdstip waarop de rit uitgevoerd wordt. Omdat de bijdrage jaarlijks aangepast wordt door indexering, staat het bedrag in de Nadere regels.

Hoofdstuk 6. Kwaliteit en veiligheid De gemeente en zorgaanbieders zijn samen verantwoordelijk voor goede kwaliteit van de voorzieningen. In de verordening staat welke kwaliteitseisen er zijn waaronder eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten (artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel c van de wet). Ook worden er regels gesteld die een goede verhouding waarborgen tussen de prijs voor de levering van een voorziening (artikel 2.6.6 van de wet).

Artikel 35. Kwaliteitseisen maatschappelijke ondersteuning Deze bepaling betreft een uitwerking van de verordeningsplicht in artikel 2.1.3, tweede lid, onder c, van de wet, waarin is bepaald dat in de verordening in ieder geval wordt bepaald welke kwaliteitseisen worden gesteld aan de voorzieningen en de eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten.

Artikel 36. Verhouding prijs en kwaliteit levering voorziening door derden Algemeen Ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van een voorziening en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan, is de gemeente verplicht om in de verordening regels te stellen (artikel 2.6.6, lid 1 van de wet). In artikel 5.4 van het uitvoeringsbesluit is uitgewerkt wat hierin van de gemeente wordt verwacht. Doel is dat een vaste of reële prijs wordt vastgesteld voor diensten die derden verlenen in opdracht van het college. De verplichting in het uitvoeringsbesluit om een reële prijs te hanteren, geldt alleen voor diensten (de producten Hulp bij huishouden of Begeleiding). Het kan daarbij zowel gaan om diensten in het kader van een algemene voorziening als diensten in het kader van een maatwerkvoorziening. Het college moet bij de prijsstelling o.a. rekening houden met de continuïteit in de hulpverlening. Die specifieke eis geldt alleen voor diensten in het kader van een maatwerkvoorziening.

13

In het uitvoeringsbesluit is uitgewerkt welke kostprijselementen de gemeente in ieder geval moet meenemen om te kunnen spreken van een vaste of reële prijs. Die kostprijselementen zijn ook vermeld in deze verordening (lid 1a en b van artikel 36). Voor de uitvoeringspraktijk zijn handreikingen over de normering van kostprijselementen beschikbaar die colleges en aanbieders kunnen toepassen om te komen tot een reële prijs. Een vaste prijs of reële prijs wordt onder andere gebaseerd op de kosten van de beroepskracht. Hieronder vallen loonkosten en andere kosten van wettelijke verplichtingen ter zake van de arbeid. Als uitgangspunt geldt dat een aanbieder beroepskrachten inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Het college moet zich dus een beeld vormen van de vereiste activiteiten en de daaraan verbonden reële kosten. Het college baseert een reële prijs vervolgens op de collectieve arbeidsovereenkomsten die door de aanbieder in de betreffende sector moeten worden gehanteerd. In Nederland zijn immers bij veel aanbestedingen de algemeen verbindend verklaarde bepalingen van collectieve arbeidsovereenkomsten van toepassing. Daarmee gelden die bepalingen voor alle werknemers in de betreffende sector.

Als op een beroepskracht geen collectieve arbeidsovereenkomst van toepassing is, omdat het bijvoorbeeld gaat om een zelfstandige zonder personeel of een buitenlandse aanbieder (Europese aanbesteding), wordt van colleges evengoed verwacht een reële kostprijs te hanteren die qua arbeidsvoorwaarden gelijk is aan de positie van een werknemer en de wijze van kostprijsopbouw te motiveren. Naast de kosten van de beroepskracht is een reële prijs gebaseerd op directe en indirecte kostprijselementen als een redelijke mate van overheadkosten, een voor de sector reële mate van niet productieve uren van de beroepskrachten als gevolg van verlof, ziekte, scholing en werkoverleg, reisen opleidingskosten, indexatie van loon en prijs binnen een overeenkomst en kosten als gevolg van gemeentelijke eisen zoals rapportageverplichtingen en administratieve verplichtingen. Het vaststellen van een reële prijs door het college heeft pas effect als duidelijk is voor welk proces het college die prijs moet gebruiken. De vastgestelde reële prijs moet daarvoor zijn plaats te krijgen in de aanbestedingsprocedure en in de overeenkomst met de derde. Het college moet de overheidsopdracht gunnen op grond van het criterium van de economisch meest voordelige inschrijving (op grond van artikel 2.114, eerste lid, van de Aanbestedingswet 2012 en artikel 2.6.4, tweede lid, van de wet).

Overigens kan het college in afwijking hiervan een overheidsopdracht niet enkel op grond van het criterium de laagste prijs gunnen (artikel 2.6.4 lid 3van de wet). Het college moet bij het criterium “economisch meest voordelige inschrijving” in de aankondiging van de opdracht bekendmaken welke nadere criteria hij toepast met het oog op de toepassing van dat criterium (artikel 2:115 van de Aanbestedingswet 2012). Die nadere criteria kunnen onder meer prijs en kwaliteit betreffen. De toepassing van het criterium “prijs” betekent dat de inschrijving met de laagste prijs het beste scoort op dat criterium. De vastgestelde reële prijs wordt opgenomen in de aankondiging of de aanbestedingsstukken als eis, zodat een inschrijving geen prijs bevat die lager is dan de vastgestelde reële prijs. De vaststelling van de reële prijs betreft een besluit van het college ter voorbereiding op een privaatrechtelijke rechtshandeling (gunningsbeschikking) waartegen geen beroep kan worden ingesteld (artikel 8:3 van de Awb). De reguliere rechtsbescherming bij aanbestedingsprocedures staat uiteraard gewoon open. Aan dit besluit moet een zorgvuldige afweging ten grondslag liggen (artikel 3:4 van de Awb). De inschrijvingen die niet voldoen aan de eis van de reële prijs zijn ongeldig.

Het college moet ongeldige inschrijvingen ter zijde leggen, de betrokken ondernemers komen niet meer in aanmerking voor de gunning. Het artikel vormt dus een toetsingskader voor het gunnen van de overheidsopdracht voor maatschappelijke ondersteuning en vult deze bevoegdheden op grond van de Aanbestedingswet 2012 nader in op grond van artikelen 2.6.4 en 2.6.6 van de wet. Lid 1 In dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst door een derde, ofwel een vaste prijs vaststelt, ofwel een reële prijs vaststelt die geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde of die geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Als het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs.

Lid 2 14

Bij het vaststellen van de prijs moet het college rekening houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst, waaronder de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht. Het college moet ook rekening houden met de continuïteit in de hulpverlening, tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw voor de gemeente. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt als de gemeente een reële prijs betaalt voor de opdracht. Lid 3 Het college moet de vaste prijs of de reële prijs voor diensten minimaal baseren op de in dit artikel genoemde kostprijselementen. Lid 4 Hierin is een bepaling opgenomen over de prijs-kwaliteitverhouding van andere voorzieningen dan diensten, bijvoorbeeld hulpmiddelen. Artikel 5.4 van het Uitvoeringsbesluit is hierop niet van toepassing.

Artikel 37. Meldingsregeling calamiteiten en geweld De aanbieder moet bij de toezichthoudend ambtenaar melding doen van iedere calamiteit die bij de verstrekking van een voorziening heeft plaatsgevonden. Ook als er sprake is van geweld tijdens de verstrekking van een voorziening. Onder 'calamiteit' wordt verstaan een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorziening en die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een cliënt heeft geleid. Onder 'geweld bij de verstrekking van een voorziening' wordt verstaan seksueel binnendringen van het lichaam van of ontucht met een cliënt en lichamelijk en geestelijk geweld jegens een cliënt, door een beroepskracht dan wel door een andere cliënt met wie de cliënt gedurende het etmaal of een dagdeel in een accommodatie van een aanbieder verblijft. Het college heeft de toezichthouders van GGD Rotterdam-Rijnmond aangewezen (artikel 6.1 van de wet). Zij onderzoeken deze meldingen en adviseren het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

Hoofdstuk 7. Toezicht en handhaving Artikel 38. Misbruik en oneigenlijk gebruik van de wet De gemeente moet in de verordening regels opnemen tegen misbruik. Dit artikel zorgt ervoor dat de gemeente maatregelen kan nemen als iemand onterecht een maatwerkvoorziening of pgb ontvangt, of de Wmo oneigenlijk gebruikt.

Artikel 39. Verrekening De gemeente mag in sommige situaties geld verrekenen. Dit betekent dat een schuld van een cliënt wordt afgetrokken van een bedrag waar de cliënt recht op heeft. Volgens artikel 4:93, lid 1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mag dat alleen als er een wettelijke regel is die dit toestaat. Zo’n regel staat in artikel 3.3, lid 3 van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. In dat artikel staat dat het college een vordering (bedrag dat de cliënt moet terugbetalen) op grond van de Wmo 2015 mag verrekenen met vorderingen op grond van de Wmo of de Participatiewet. De gemeente wil ook in andere gevallen kunnen verrekenen, bijvoorbeeld als een cliënt een pgb (persoonsgebonden budget) moet terugbetalen. Hiervoor moet een apart handhavings- en toezichtskader opgesteld worden.

15

Hoofdstuk 8. Waardering mantelzorgers Artikel 40. Jaarlijkse waardering mantelzorgers In deze bepaling staat wat de jaarlijkse waardering is die de gemeente geeft aan mantelzorgers. Het moet gaan om mantelzorgers van cliënten in de gemeente (zie artikel 2.1.6 van de wet). Die mantelzorgers hoeven zelf dus niet in de gemeente te wonen. Verder is het begrip ‘cliënten’ breder dan alleen personen die gebruik maken van Wmo-ondersteuning. Het kan ook gaan om personen die zich ooit gemeld hebben, maar waar geen Wmo-voorziening is uitgekomen. Wellicht mede dankzij de inzet van de mantelzorger. Ook die mantelzorgers kunnen in aanmerking komen voor een jaarlijkse blijk van waardering.

Hoofdstuk 9. Klachten, medezeggenschap en inspraak Artikel 41. Klachtenregeling In lid 1 staat een regel over klachten over aanbieders van ondersteuning. Volgens de Wet maatschappelijke ondersteuning (artikel 2.1.3, lid 2, onder e) moet in de verordening staan voor welke voorzieningen een klachtenregeling verplicht is. Een cliënt kan bijvoorbeeld ontevreden zijn over het gedrag van een medewerker van de gemeente, zoals bij een gesprek of als iemand niet deskundig genoeg is. In dat geval kan de cliënt gebruikmaken van de klachtenregeling van de gemeente. Als de klacht gericht is op het gedrag van een zorgaanbieder dan moet de cliënt bij die aanbieder zelf een klacht indienen. Het college voert cliënttevredenheidsonderzoeken uit en deelt de uitkomsten met de gemeenteraad.

Artikel 42. Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning In de verordening moet staan voor welke voorzieningen een regeling vereist is voor medezeggenschap van cliënten over voorgenomen besluiten van de aanbieder die voor de gebruikers van belang zijn (zie artikel 2.1.3 lid 2 onder f van de wet). Daar wordt met dit artikel aan voldaan.

Artikel 43. Burger- en cliëntenparticipatie Deze bepaling geeft uitvoering aan artikel 2.1.3, derde lid, van de Wet. Het college benoemt hiervoor de leden van de Maatschappelijke Adviesraad. Zij zijn het luisterend oor binnen de gemeente en brengen gevraagd en ongevraagd advies uit aan het college. Met het vierde lid wordt de bevoegdheid aan het college en de gemeenteraad gegeven om een verordening op te stellen voor de maatschappelijke adviesraad. Ook is er een huishoudelijk reglement vastgesteld.

Hoofdstuk 10. Overgangsrecht en slotbepalingen

Artikel 44. Evaluatie De wet vereist evaluatie die eenmaal per 4 jaar plaats vindt.

16

Artikel 45. Indexering Dit artikel geeft het college de bevoegdheid om bedragen jaarlijks te indexeren.

Artikel 46. Hardheidsclausule In bijzondere situaties mag het college afwijken van de regels in deze verordening, als dat in het voordeel van de cliënt is. Afwijken mag nooit in het nadeel van de cliënt, en ook niet van regels die rechtstreeks in de wet staan. Het is belangrijk dat dit alleen gebeurt in uitzonderlijke gevallen, dus niet als standaardregel. Omdat het college dan afwijkt van de normale regels, moet het duidelijk uitleggen waarom. Dit is belangrijk om gelijke gevallen in de toekomst op dezelfde manier te behandelen (dat heet precedentwerking).

Artikel 47. Overgangsrecht In het eerste lid is duidelijk gemaakt dat bestaande rechten doorlopen, totdat een nieuwe beoordeling heeft plaatsgevonden. In het tweede lid staat dat lopende bezwaarschriften worden behandeld volgens de geldende verordening op het moment dat het besluit werd genomen.

17

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15844593/1