CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Stappenplan tegen schennis van de Koran

RAAD 10 juli 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Brief moskeekoepels inzake geplande Koranverbranding VN2025-010623940 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Niet gevonden in dit document.

STAPPENPLAN T.A.V. MANIFESTATIES GEPAARD GAANDE MET SCHENNIS VAN DE KORAN

PROCEDURE

Vanaf het moment waarop een kennisgeving binnenkomt voor een manifestatie die gepaard gaat met schennis van de Koran, houdt de burgemeester voortdurend contact met belanghebbenden.

ONDERSCHEID

WEGING VAN

RELIGIEUZE VREDE

STOP AANZETTEN

UITINGSVORMEN

GRONDRECHTEN

BESCHERMEN

TOT HAAT

De burgemeester dient het

Indien een meningsuiting of

Aangezien de schennis van

De burgemeester dient een

verbranden, vernielen of

betoging het karakter heeft

de Koran een ongepaste

schennis van de Koran, als

anderszins schennen van de

van godsdienstkritiek, heeft

aanval inhoudt op een

zijnde een uiting die aanzet

Koran als uitingsvorm te

de burgemeester de plicht

voorwerp van religieuze

tot haat en religieuze

onderscheiden van de

de uitoefening van dat

verering, heeft de

intolerantie, te verbieden.

eigenlijke betoging.

uitingsrecht af te wegen

burgemeester de plicht

tegen de godsdienstvrijheid

deze te verbieden ter

van degenen die die

voorkoming van

godsdienst zijn toegedaan.

wanordelijkheden.

TOELICHTING: PROCEDURE Op grond van het vereiste van een zorgvuldige voorbereiding van besluiten dient de burgemeester contact op te nemen met belanghebbenden en hun representatieve organisaties om hun opvattingen over de voorgenomen manifestatie te vernemen en met hen te zoeken naar een oplossing die voor hen zo min mogelijk belastend is. ONDERSCHEID UITINGSVORMEN Een betoging is een collectieve uiting van een mening op een openbare plaats (Kamerstukken II, 1985/86, 19427, nr. 3, p. 8). De schennis van de Koran is geen onlosmakelijk deel van de betoging, maar slechts een middel om de boodschap daarvan kracht bij te zetten. Het verbieden van de schennis van de Koran laat de vrijheid van betoging van de demonstranten dan ook onverlet. De collectieve mening kan immers ook met behulp van andere middelen worden ondersteund, zoals spandoeken of protestborden. Bovendien is de schennis van de Koran geen opvatting maar een gedraging. Zelfs als deze gedraging gestoeld is op een bepaalde overtuiging, dan kan deze niet worden beschouwd als een te beschermen meningsuiting, als niet kenbaar is dat de gedraging moet worden begrepen als een deelname aan enig debat over het onderwerp waarop die overtuiging ziet (HR 19 april 2005, NJ 566, r.o. 4).

WEGING VAN GRONDRECHTEN Het individueel of collectief openbaren van kritische gedachten en gevoelens over een godsdienst wordt weliswaar beschermd door de artt. 7 en 9 Grondwet, maar zal altijd moeten worden afgewogen tegen de godsdienstvrijheid van de gelovigen, die wordt gegarandeerd door art. 6 Grondwet. De rechten van derden worden in de Wet Openbare Manifestaties weliswaar niet genoemd, maar moeten daaronder niettemin wel begrepen worden geacht (Handelingen I, 19 april 1988, p. 929 en 932). Bovendien worden de rechten en vrijheden van anderen als beperkingsgrond genoemd in art. 11, lid 2 EVRM. De Nederlandse rechtsorde kent geen hiërarchie van grondrechten, zodat deze grondrechten gelijkwaardig zijn. De omstandigheden van het geval zullen bepalen aan welk grondrecht het meeste gewicht zal moeten worden toegekend. Het EHRM volgt in dit soort gevallen van botsing tussen de betogingsvrijheid en de godsdienstvrijheid dezelfde lijn (European Court of Human Rights, Guide on Article 9 of the European Convention on Human Rights, Freedom of Thought , Conscience and Religion, Strasbourg, 2022, pp. 107 – 108)

RELIGIEUZE VREDE BESCHERMEN Volgens de constante jurisprudentie van het EHRM houdt art. 9 EVRM een positieve verplichting van de staat in om de religieuze vrede te beschermen (Otto-Preminger-Institut tegen Oostenrijk, Appl. No. 13470/87, 20 september 1994, r.o. 52; E.S. tegen Oostenrijk, Appl. No. 38450/12, 25 oktober 2018, r.o. 50). Dat betekent dat de staat het vreedzame naast elkaar bestaan van religieuze en niet-religieuze groepen en individuen dient te verzekeren door een klimaat van wederzijdse tolerantie in stand te houden (E.S. tegen Oostenrijk, r.o. 53). Op grond hiervan is de burgemeester verplicht om ongepaste aanvallen op voorwerpen van religieuze verering te voorkomen of bestrijden (Otto-Preminger-Institut, r.o. 49). Deze verplichting om ongepaste aanvallen op voorwerpen van religieuze verering te voorkomen of bestrijden is niet expliciet al verbodsgrond opgenomen in art. 2 Wet Openbare Manifestaties. Ingevolge de art. 93 en 94 Grondwet vullen de bepalingen van het EVRM, en de uitleg daarvan door het EHRM, het nationale recht aan en zetten het zo nodig opzij. Daarom dient het bestrijden of voorkomen van ongepaste aanvallen op voorwerpen van religieuze verering te worden ingelezen in de verbodsgrond ‘ter bestrijding of voorkoming van wanordelijkheden’. STOP AANZETTEN TOT HAAT In E.S.

tegen Oostenrijk heeft het EHRM benadrukt dat gelovigen weliswaar religiekritiek hebben te dulden, maar dat het aanzetten tot haat of religieuze intolerantie niet is toegestaan (r.o. 52). Daarvan is sprake als de uiting niet is gedaan op een objectieve manier met als doel bij te dragen aan een debat in het algemeen belang, maar alleen maar kan worden opgevat als bedoeld om aan te tonen dat een persoon of object geen waardig voorwerp van verering is. Daarvan is in geval van schennis van de Koran sprake, zodat deze dient te worden verboden. Het oordeel in E.S. tegen Oostenrijk is door het EHRM als een ‘kernuitspraak’ aangemerkt, en behoort daardoor volgens het EHRM tot de belangrijkste uitspraken met precedentwerking (European Court of Human Rights, Key Cases 2018, Strasbourg, 2019). Ten aanzien van de Wet Openbare Manifestaties wordt wel de stelling verdedigd dat betogingen niet op inhoudelijke gronden kunnen worden verboden. Als deze bewering al zou kloppen, dan geldt dat de bepalingen van het EVRM, en de uitleg daarvan door het EHRM, ingevolge de art. 93 en 94 Grondwet het nationale recht aanvullen en het zo nodig opzij zetten. Op grond van de uitspraak van het EHRM in E.S. tegen Oostenrijk is de burgemeester daarom gehouden de schennis van de Koran te verbieden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15784825/1