Rapport lage opkomst Adam final
Tekst van het document
Participatie en vertegenwoordiging Participatie is vanuit een democratisch perspectief waardevol voor burgers om politici en het politieke systeem te laten reageren op hun problemen en wensen. Participatie wordt vanuit die invalshoek gezien als een mechanisme waarmee burgers de mogelijkheid hebben om de besluitvorming te beïnvloeden en om iets gedaan te krijgen, hun belangen direct te vertegenwoordigen en invloed op het politieke besluitvormingsproces uit te oefenen. De Nederlands-Amerikaanse politicoloog Lijphart stelt dat wie stemt en wie niet stemt belangrijke Staat van de stad 2021, p. 150-152 (https://onderzoek.amsterdam.nl/publicatie/de-staat-van-de-stadamsterdam-xi-2020-2021) 33
22
consequenties heeft voor wie er verkozen wordt (vertegenwoordiging) en daarmee voor de inhoud van het overheidsbeleid. 34 Lijphart stelt dat het probleem niet zozeer een dalende opkomst is, maar de ongelijke verdeling van participatie. Sommige groepen kiesgerechtigden zijn, zoals we zagen, meer geneigd te participeren dan anderen. Hierdoor worden politici verkozen die de belangen van deze specifieke groepen burgers beter zullen behartigen. Daarmee wordt vaak de besluitvorming in hun voordeel beslecht. Het politieke systeem is daarmee niet responsief voor alle kiesgerechtigden, maar voor een selectieve groep kiesgerechtigden, die in de praktijk (door hun opleidingsniveau en sociaaleconomische status) juist minder afhankelijk zijn van de overheid en de beslissingen die genomen worden. Een hogere opkomst zal dat probleem niet automatisch oplossen, er zijn zelfs situaties denkbaar waarbij de participatieve ongelijkheid alleen maar groter wordt bij hogere opkomst. In het eerste deel van het rapport hebben we voor 2022 vastgesteld dat er sprake is van participatieve ongelijkheid en dat de belangen van specifieke ondervertegenwoordigde groepen (denk hierbij aan jongeren, praktisch opgeleiden, kiesgerechtigden met een migratieachtergrond, kiesgerechtigden met een lage sociaal economische status) daardoor minder goed worden vertegenwoordigd in de Amsterdamse gemeenteraad.
Er is sprake van ‘ongelijkheid in beleidsvertegenwoordiging’: overheidsbeleid sluit veel beter aan op de voorkeuren van hoogopgeleiden dan op die van praktisch opgeleide Amsterdammers (zie bijvoorbeeld het verschil in de zorgen die verschillende types actieve en inactieve Amsterdammers met en zonder vertrouwen hebben over de stad). En die ongelijkheid krijgt ook een steeds meer ruimtelijke dimensie zo laat hoofdstuk 3 zien. Ruimtelijke segregatie vertaalt zich in de opkomst bij verkiezingen en vervolgens bij de politieke keuzes die na verkiezingen gemaakt worden. Bovendien hebben beleidsmakers meer inzicht in de leefwereld van kiezersgroepen die meer geneigd zijn te stemmen dan kiezersgroepen die minder geneigd zijn te stemmen. Daarnaast zijn kiezersgroepen die meer geneigd zijn te stemmen over het algemeen beter in staat hun wensen naar de gemeente te communiceren en die wensen worden op die manier ook eerder gehoord/opgepikt door het gemeentebestuur. De Amsterdamse gemeenteraad biedt door al deze bovenstaande factoren een onvoldoende inhoudelijke vertegenwoordiging van het hele Amsterdamse electoraat. Politieke meerderheden over cruciale inhoudelijke thema’s kunnen afwijken van meerderheidsopvattingen in de stad (omdat niet-stemmers andere standpunten en meningen hebben dan stemmers).
Lage opkomst met ongelijke vertegenwoordiging kan bovendien tot een vicieuze cirkel leiden: raadsleden richten zich vooral op mensen die wél stemmen, waardoor de niet-stemmers zich steeds minder gehoord voelen en zich verder afkeren van de politiek.
Lijphart, A. (1997). Unequal participation: Democracy's unresolved dilemma presidential address, American Political Science Association, 1996. American political science review, 91(1), 1-14. 34
23
Hoofdstuk 5. Amsterdammers aan het woord over de lokale politiek en niet-stemmen
Voor dit onderzoek hebben we verschillende focusgroepen en individuen geïnterviewd om de motieven te achterhalen waarom Amsterdammers niet (meer) stemmen. Hoe kijken zij naar de lokale politiek en wat zijn hun denkbeelden? De focusgesprekken en interviews helpen ons een beter inzicht te krijgen in de betekenis die Amsterdammers zelf geven aan deze thema’s aan de hand van hun persoonlijke ervaringen en positie in de stad, en in de manier waarop deze verschillende redenen een rol spelen voor verschillende typen niet-stemmers. We hebben ons in de gesprekken en interviews specifiek gericht op onderstaande doelgroepen, waarvan we weten dat de stemintentie over het algemeen laag is: •
Jongeren tussen de 16 en 29 jaar, in het bijzonder ‘first time voters’ (met name uit stadsdelen Nieuw-West, Noord en Zuidoost)
•
Amsterdammers met een Turkse, Marokkaanse, Caraïbische migratieachtergrond (met name uit stadsdelen Nieuw-West, Noord en Zuidoost)
•
Praktisch opgeleiden (een focusgroep met (V)MBO leerlingen en een focusgroep met oudere praktisch opgeleide Amsterdammers)
•
Amsterdammers zonder de Nederlandse nationaliteit maar met stemrecht op lokaal niveau (jonge studenten van de UvA/VU en een groep oudere professionals).
Het bleek moeilijk Amsterdamse niet-stemmers uit bovenstaande doelgroepen bereid te vinden met ons in gesprek te gaan. Er was weinig interesse voor het onderwerp, weinig vertrouwen in het onderzoek en met name weinig vertrouwen in de opdrachtgever (gemeente Amsterdam). Uiteindelijk zijn de 48 participanten (7 focusgroepen en 6 interviews) op verschillende manieren geworven. Zo is er gebruik gemaakt van al bestaande netwerken van betrokken onderzoekers en zijn er online oproepen gedaan via online platforms, daarnaast hebben we de sneeuwbalmethode (viavia) gebruikt voor het vinden van de laatste respondenten. Afhankelijk van de beschikbaarheid en bereidwilligheid van respondenten zijn zij geïnterviewd of hebben zij deelgenomen aan een focusgroep. Respondenten kregen een vergoeding (VVV-bon) van 40 euro voor hun deelname aan het onderzoek. Alle interviews en focusgroepgesprekken zijn met toestemming van de respondenten met een voicerecorder opgenomen. Hierna zijn deze woordelijk getranscribeerd en geanonimiseerd. Transcripties zijn vervolgens gecodeerd en geanalyseerd met behulp van een vooraf ontworpen, thematisch gestructureerde codeboom, die is afgeleid van de topiclijst. De respondenten worden anoniem gepresenteerd. Bij het citeren van uitspraken van respondenten wordt er in dit rapport schrijftaal aangehouden.
In sommige gevallen betekent dit dat zinnen volledig zijn uitgeschreven en waar nodig verduidelijkt met behulp van toegevoegde interpuncties en/of het corrigeren van grammaticale fouten.
Reden en motieven om niet te stemmen volgens Amsterdammers (interesse/kennis en belangstelling, niet gehoord voelen, wantrouwen) Uit recent landelijk onderzoek 35 naar de lage opkomst bij de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen bleek dat voor 2022 75 procent van het verschil in kans om wel of niet te gaan stemmen, bepaald werd door (1) hulpbronnen die iemand heeft om te gaan stemmen (beïnvloed door bv. opleiding, 35
De lokale niet-stemmer. Een analyse van de lage opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022.
24
leeftijd of inkomen); (2) de wens om de lokale politiek te beïnvloeden en de investering die men daarvoor bereid is te doen (bijvoorbeeld de tijd en moeite die het kost om relevante informatie te vinden en op te nemen) en (3) psychologische factoren (vertrouwen in eigen politieke competenties; politieke interesse, politiek vertrouwen en politieke kennis). Het landelijke onderzoek constateert dat uiteindelijk vooral eerste-generatie-migratieachtergrond, het zich niet informeren over gemeenteraadsverkiezingen, gebrek aan interesse in lokale politiek en gebrek aan vertrouwen in lokale politiek de kans vergroot dat iemand niet gaat stemmen. De kiesgerechtigden die niet gaan stemmen zijn teleurgesteld in de politiek en politici (landelijk en lokaal): ze vinden dat lokale politici geen oog hebben voor mensen zoals zijn, ze zijn kritisch over het probleemoplossend vermogen van de lokale politiek en over de motieven van lokale (en landelijke) politici – die zouden zich te weinig richten op het algemeen belang. Veel niet-stemmers ervaren een gebrek aan lokale politieke betrokkenheid.
36 Uit de gesprekken die wij met Amsterdamse kiesgerechtigden hebben gehouden, komen dezelfde verklaringen naar voren als uit het eerder genoemde landelijk onderzoek: (1) weinig/geen interesse in en kennis van de (lokale) politiek; (2) het gevoel te hebben niet gezien te worden door lokale politici; (3) wantrouwen richting de politiek. We zullen deze thema’s hieronder in deze volgorde bespreken en daarbij in gaan op de motieven die daar volgens onze gesprekspartners een belangrijke rol in spelen.
Reden 1 om niet te stemmen: Weinig interesse, informatie en kennis van politiek In de focusgroepgesprekken relateren verschillende respondenten het niet-stemmen aan een gebrek aan belangstelling en interesse voor de lokale politiek. Ook spreken ze over kennisgebrek: als ze willen stemmen weten ze niet hoe ze een goede keuze kunnen maken. De belangstelling wisselt in de levensloop van respondenten. Sommige oudere respondenten stemden vroeger wel, maar hebben hun interesse in de politiek verloren. Sommige jongere respondenten hebben afgelopen verkiezingen niet gestemd, maar zien zichzelf dat in de toekomst wel doen. Een kleine groep respondenten heeft nog nooit gestemd en ziet dat ook niet veranderen. Als respondenten belangstelling voor politiek hebben, speelt informatievoorziening een belangrijke rol in de keuze om wel of niet te gaan stemmen. Respondenten geven aan onvoldoende informatie te hebben om een goed geïnformeerde keuze te maken. Uit onze gesprekken blijkt dat verschillende groepen behoefte hebben aan andersoortige informatie. Zo geven jongeren aan dat zij informatie het liefst online tegenkomen. Mensen met een migratieachtergrond buiten Europa en NoordAmerika geven aan dat ze veel informatie krijgen uit hun gemeenschap. Amsterdammers uit EUlanden en Noord-Amerika hebben behoefte aan Engelstalige informatie over actualiteiten en politiek debat in Amsterdam.
Verschillende groepen geven aan dat niet alleen de informatie over de politiek, maar ook het politieke landschap zelf versnipperd is. Er zijn veel nieuwe partijen bijgekomen in de afgelopen jaren. Dat maakt de keuze voor een partij en/of kandidaat moeilijker. Sommige respondenten hebben het gevoel steeds meer informatie nodig te hebben om te kunnen kiezen. Men heeft het daarbij vooral over inhoudelijk politieke informatie (informatie over politieke discussies en beslissingen) en niet informatie over de stemprocedure of de verkiezingen zelf.
https://stukroodvlees.nl/lage-opkomst-bij-gemeenteraadsverkiezingen-2022-opnieuw-door-gebrek-aaninteresse-en-vertrouwen/ 36
25
1.1 Politieke interesse en dagelijkse realiteit Onder verschillende oudere respondenten leeft het idee dat jongere generaties weinig politieke interesse hebben en ze relateren dat aan andere prioriteiten die jongeren zouden hebben. Een respondent uit Zuidoost (man, praktisch opgeleid) vertelt over jongeren in zijn eigen omgeving: Het is niet zo dat politiek hen [jongeren] niet raakt. Ze hebben alleen het gevoel dat het te tijdrovend is. Als je meedoet, kost dat veel tijd. Ze vinden dat ze die tijd beter kunnen besteden aan hun werk en gezinsleven. En ze vragen zich af, wat helpt het mij als ik politiek actief ben? 37 Een zestienjarige jongen (praktisch opgeleid) vertelt dat hij op de verkiezingsdag voor het eerst mocht stemmen (voor de deelraad). Het stembureau is om de hoek en zijn moeder en zijn zus hebben daar gestemd, toch vond hij het zelf niet de moeite om te stemmen. Ja, ik heb zo’n stembureau om de hoek. Mijn moeder en mijn zus hebben daar gestemd. Dus daar ga ik [bij de volgende verkiezingen] ook stemmen. Interviewer: Maar je had niet gestemd toch, dit jaar? Nee, ik ga denk ik wel de volgende keer stemmen. Hij laat hiermee zien dat het niet stemmen voor hem geen grote betekenis heeft. Het gebeurt soms gewoon niet. In de meeste gesprekken kwam naar voren dat respondenten vaak niet de moeite namen om zich te verdiepen in de lokale politiek.
Het zou te veel moeite kosten om de juiste informatie te verzamelen en te veel tijd kosten om zich goed te informeren over de verschillende partijen en hun standpunten om op die manier tot een goed geïnformeerd besluit te komen. Veel respondenten geven bovendien aan dat er tegenwoordig te veel partijen zijn, dat maakt het proces om tot een goed geïnformeerde politieke beslissing te komen alleen maar tijdrovender. Bij nietNederlandstalige respondenten kwam daar vaak ook nog bij dat men niet zeker wist hoe lang men nog in Amsterdam zou wonen en of het daarom wel de investering waard was om zich te verdiepen in de Amsterdamse politiek.
1.2 Kennisbehoefte Verschillende respondenten geven aan dat zij weinig gesprekken voeren over de Amsterdamse politiek. Men mist de kennis om hierover een betekenisvol gesprek te hebben. Tegelijkertijd voelen ze vanwege een gebrek aan belangstelling ook geen urgentie om op zoek te gaan naar die kennis. Een praktisch opgeleide Amsterdammer (vrouw, praktisch opleidingsniveau, Caraïbische migratieachtergrond) verwoordt dat als volgt: Ik ben 41. Ik heb nooit gestemd en ik stem nu ook niet, omdat het me eigenlijk niet interesseert en ik weet ook niet heel veel van de politiek. Ik heb me er nog nooit in verdiept. Dus, dat is het. Een andere respondent (man, praktisch opleidingsniveau, zonder migratieachtergrond) merkt op dat gebrek aan kennis en een gebrek aan interesse elkaar versterken: In mijn vriendenkring of op het werk praten we eigenlijk nooit over politiek. Ik praat nooit over politiek ofzo en al helemaal niet over de Amsterdamse politiek. Ik heb het heel sporadisch over, heel af en toe, maar ik ga er dan zeker niet heel diep op in. Dus ik weet ook eigenlijk bijna niks van de politiek.
37
Vertaald uit het Engels.
26
In de gesprekken met Amsterdamse MBO-studenten blijken de meeste studenten vrijwel niks te weten van de Amsterdamse politiek. Ze kennen geen namen van Amsterdamse politici en als ze al een politicus kennen is dat een landelijke fractievoorzitter of partijleider. Ik weet niks van politieke partijen. Ik ken Jesse Klaver en ik weet wel dat hij dingen doet met jongeren en voor jongeren. Ik heb verder geen idee. Ik geloof dat ze in gemeenteraad minder stoelen hebben dan in de Tweede Kamer. De gemeenteraad lijkt op de Tweede Kamer, maar is alleen wat kleiner. Sommige studenten geven in de gesprekken aan dat ze niet het gevoel hebben dat ze een goede analyse kunnen maken. Ze uiten idealen, zoals dat een politieke partij goed voor de burger moet zorgen of dat politici moeten doen wat ze zeggen, maar deze studenten hebben geen antwoord wanneer hen gevraagd wordt verder toe te lichten wat dat voor hen betekent. Ze vinden dan dat ze onvoldoende weten om uit te leggen wat ze vinden. Interviewer: Wat vind jij belangrijk in een partij? Vind jij het belangrijk dat politici op jou lijken of wat vind jij belangrijk in het partijprogramma? Student: Politici hoeven niet persé op mij te gaan lijken, maar ze moeten gewoon goed zijn. Interviewer: En wat vind jij goed? Student: Ik weet niet wat goed voor hen is.
Interviewer : Nee, maar wat vind jij goed? Student: Ik kan niets vertellen, want ik weet ook niks over de politiek.
1.3 Informele gesprekken over politiek Verschillende oudere respondenten maken zich zorgen over het gebrek aan politieke interesse bij de jongere generatie. Tegelijkertijd erkennen deze respondenten dat er weinig ruimte is voor gesprekken over politiek met hun kinderen. Ze vinden het zelf ook lastig om jongeren te begeleiden in het ontdekken en uiten van politieke interesse: We moeten jongeren nieuwsgierig maken naar wat de politiek inhoudt. Want dat merk ik dat het ze helemaal niet interesseert. Wij van deze generatie zijn er al een stuk minder mee bezig, maar onze kinderen houden zich helemáál niet met politiek bezig en die boeit het ook echt niet. […] Ik zou best wat meer met mijn zoon willen discussiëren over politiek in Amsterdam. Ik kan het ook zelf niet hoor [praten over Amsterdamse politieke onderwerpen], maar hij nog minder (vrouw, Caraïbische Amsterdammer). Sommige jongeren beamen dit in de focusgroepen. Ze geven aan dat politiek in hun omgeving niet leeft. Er wordt thuis of in hun vriendenkring bijna nooit over gesproken. Ze weten vaak niet wat naasten stemmen of hoe naasten over bepaalde maatschappelijke thema’s denken. In sommige gevallen weten jongeren wel wat mensen in hun omgeving denken over een bepaald onderwerp, maar dat kan dan juist een reden zijn om niet over politiek te praten.
Zo vertelt een jongen (praktisch opgeleid) dat in zijn familie verschillende familieleden anders denken over bijvoorbeeld coronamaatregelen dan hijzelf, daarom worden gesprekken over zulke politiek gevoelige thema’s vermeden.
27
Jongere 2: Bijna niemand [in mijn familie] heeft het over de politiek ofzo. Het gaat meestal gelijk over series en films. Jongere 3: Ja.. games, andere dingen. Maar over politiek wordt bijna niet over gesproken. Interviewer: En waarom denken jullie dat er niet over gesproken wordt? Jongere 3: Ja, ik denk gewoon dat… Ja, we zijn ook een soort van familie [de jongeren leggen uit dat ze achterneven van elkaar zijn], want zijn neef is mijn neef en ik denk dat in onze familie de interesse daar niet ligt. Jongere 2: Ik denk dat iedereen zijn mening een beetje voor zich houdt en niet heel anders over politiek denkt. Het zou misschien daaraan kunnen liggen. Interviewer: Dus dat mensen ook niet durven te vertellen wat ze vinden, of..? Jongere 2: Ja, misschien dat… dat dan de hele rest het er niet mee eens is. Dat zou heel goed kunnen. Jongeren gaan verschillend om met politiek. Sommige jongeren zijn veel meer politiek geëngageerd dan anderen. Een respondent vertelt over haar kinderen. Waar de ene zoon niet geïnteresseerd is en zich richt op andere zaken, is de andere zoon juist veel meer politiek geëngageerd op jonge leeftijd. Ik denk dat het ook iets is van de laatste jaren. Ik heb een zoon van vijfentwintig, die is helemaal niet bezig met politiek, het boeit hem ook echt niet, maar ik heb er ook eentje van vijftien die is juist echt bezig met vragen stellen en een mening geven.
Die durft echt voor zichzelf op te komen. Hij durft ook echt de confrontatie aan te gaan op school over gevoelige onderwerpen zoals slavernij. […] Dat zou zijn broer van vijfentwintig nooit gedaan hebben op die leeftijd. Misschien omdat ze ook anders opgevoed werden vroeger. Je had het niet over bepaalde dingen en ik denk de kinderen van deze leeftijd, de tieners nu, die zijn wat mondiger en die gaan er echt tegenin (vrouw, praktisch opleidingsniveau, Caraïbische migratieachtergrond).
1.4 Behoefte aan digitale informatievoorziening Verschillende respondenten geven aan dat zij informatie in de periode voor verkiezingen voornamelijk via social media mee krijgen. Een MBO-student (man) legt uit dat hij de benodigde informatie over de verkiezingen geheel online ontvangt: Eigenlijk ontvang ik al het nieuws dat ik lees gewoon online, via advertenties op mijn telefoon. Dat blijft ook het meest in mijn hoofd hangen. Een medestudent (eveneens man) valt hem bij: Ik denk dat de meeste jongeren echt gehecht zijn aan hun telefoon en veel online dingen doen. Dus als je ze wilt bereiken dan moet je dat via de telefoon doen. Of misschien een persoonlijk email. Dat zou ook wel kunnen helpen om sommige jongeren te bereiken. Maar eigenlijk vooral online. Een scholier (vrouw, praktisch opgeleid) die weinig interesse heeft in politiek moet lang nadenken over de vraag op welke manier zij dan nog het liefst geïnformeerd zou willen worden over wat er speelt in de Amsterdamse politiek.
28
Ik denk dat ik filmpjes op het internet nog de beste manier vind om informatie over politiek te krijgen. Dat iemand uitlegt hoe de politiek werkt. Of misschien op school. Maar ik weet het eigenlijk niet zo goed, maar het liefst online.
1.5 Taalbeheersing Tijdens de focusgroepgesprekken met niet-Nederlandstalige kiesgerechtigden ging het vaak over taalbeheersing. Dit blijkt voor hen het belangrijkste obstakel om onderdeel te zijn van de Amsterdamse politiek. Het grootste deel van deze respondenten is als internationale student of expat in Amsterdam, maar sommige Nederlanders met een migratieachtergrond geven ook aan een taalbarrière te ervaren. Een Roemeense Amsterdammer (vrouw en theoretisch opgeleid) viel het op dat het niet spreken van Nederlands in haar leven in Amsterdam eigenlijk nooit een echt probleem is, behalve waar het de politiek betreft. Wat ontbreekt, ook al zeggen ze dat je [in Amsterdam] geen Nederlands hoeft te spreken, je kunt een eigen bedrijf hebben, je kunt succesvol zijn, je kunt stemmen... is de juiste informatie in het Engels om een weloverwogen besluit te nemen. Dus het politieke systeem is eigenlijk halverwege. […] Maar ik vind of je geeft me het recht om echt mee te doen en je geeft mij alle informatie die daarvoor nodig is of je laat me gewoon niet stemmen. Weet je, het kan niet grijs zijn in de politiek. Het moet zwart of wit zijn. 38 Een Amerikaanse Amsterdammer (man, theoretisch opgeleid) herkent dat gevoel. Voor hem begint politieke participatie bij informatie en kennis nemen van het systeem om er vervolgens onderdeel van uit te kunnen maken.
Hij noemt het ‘jouw opleiding’ in het politieke systeem, maar daarvoor moet je wel de taal spreken of het systeem moet jouw taal spreken: Als je de [Nederlandse] taal niet spreekt dan word je als het ware niet opgeleid in de lokale politiek. De taal ervaar ik als een hoge drempel. Ik spreek niet echt Nederlands en vooral lang niet in die mate dat ik het nieuws in Nederland kan volgen. Ik heb ook het gevoel dat ik in mijn bubbel leef. Nieuws over politieke beslissingen op het lokale niveau komen mijn bubbel niet binnen. Als ik dat vergelijk met mijn leven in de Verengde Staten. Daar kon ik nergens naar toe zonder gebombardeerd te worden met politiek. En dat mag dan zo zijn voor Nederlanders in Nederland, maar dat is niet zo voor buitenlanders in Nederland. 39 De niet-Nederlandstalige kiesgerechtigden geven echter aan dat het niet alleen een kwestie is van informatievoorziening vanuit de politiek. Zij begeven zich ook in andere netwerken, ‘Sociale bubbels’ zoals de Amerikaanse Amsterdammer hierboven dat noemt, waar informatie over de Amsterdamse politiek op geen enkele manier binnendringt. Een Spaanse student (man theoretisch opgeleid) legt als volgt uit wat daar volgens hem de gevolgen van zijn: Toen ik nog in Madrid woonde, was ik super betrokken bij de lokale politiek.
Ik heb het gevoel, dat lokale politiek heel erg draait om netwerken, mensen hebben met wie je erover kunt praten. Niet zozeer dat je erover leest, want soms is het niet zo interessant. Zoals lezen of we ergens in de stad een nieuwe weg gaan aanleggen of niet is niet super interessant, maar er met iemand over praten kan wel heel interessant zijn. Dus als je geen Nederlands spreekt, heb je daar geen toegang toe. En
38 39
Vertaald uit het Engels. Vertaald uit het Engels.
29
dat was voor mij de essentie van lokale politiek, erover kunnen praten met mijn familie en mijn vrienden, willekeurige mensen op straat in mijn buurt. En nu kan ik dat niet. 40 Een Oostenrijkse student (vrouw, theoretisch opgeleid) wijst op het feit dat veel nietNederlandstalige Amsterdammers slechts een paar jaar in de stad blijven wonen en vervolgens vertrekken. Dat deze groep politiek niet participeert omdat ze de taal niet spreken, is volgens haar geen probleem. Het wordt pas een probleem als men langdurig in Amsterdam woont zonder de Nederlandse taal te leren spreken. Als mensen die hier willen blijven en hier permanent willen wonen, bijvoorbeeld niet stemmen en zich niet verbonden voelen met de taal en zo, denk ik dat dat het een probleem is. Als het mensen zijn die hier maar tijdelijk zijn, is dat niet fijn, maar het is ook niet erg, maar als mensen die eigenlijk hun hele leven in Nederland gevestigd zijn niet het gevoel hebben dat ze mee kunnen doen, dan is dat een probleem. 41 Het is duidelijk dat Amsterdam als multiculturele internationale stad genoeg mogelijkheden geeft voor niet-Nederlandstaligen om Engels te spreken en geen Nederlands te leren en dat dit vooral voor het politieke domein een negatief effect lijkt te hebben.
Een Spaanse student (man, theoretisch opgeleid) vergelijkt de Amsterdamse situatie met een klein stadje in Zuid-Duitsland waar hij vroeger woonde. Daar waren bijna geen mensen die Engels spraken, dus ik moest Duits spreken, ook al was ik het net aan het leren, ik moest het proberen. En ik moest in het Duits communiceren met mensen in de bus, in winkels, overal. En er was geen manier om geen deel uit te maken van de Duitse gemeenschap. Hier is het veel gemakkelijker om dat te vermijden. Ik voel me hier in Amsterdam onderdeel van de internationale gemeenschap. Het zorgt ervoor dat ik me verbonden voel met de stad, maar het is niet zozeer met de Nederlandse of Amsterdamse politiek. 42 Een Italiaanse student (man, theoretisch opgeleid) vat het dilemma van veel niet-Nederlandstaligen die in principe wel politiek geïnteresseerd zijn als volgt samen: Engels spreken is een voorrecht. Je kunt niet verwachten dat mensen in een plaatselijk debat het gesprek in het Engels voeren, alleen maar omdat er een paar niet-Nederlandstaligen aanwezig zijn. De kennis van de Amsterdamse politiek blijkt bij veel niet-Nederlandstalige kiesgerechtigden ook minimaal. En Ierse student (man, theoretisch opgeleid) die heeft gestemd en daarvoor ook intensief op zoek is geweest naar informatie over partijen en standpunten, geeft aan eigenlijk niet eens precies te weten wat de verkiezingsuitslag was.
Ik heb geprobeerd de resultaten van de gemeenteverkiezingen te bekijken, maar dat lukte niet. En ik heb een vriend gevraagd of de partij waar ik op gestemd had heeft gewonnen. Maar verder ging mijn interesse niet. Ik heb verder geen idee wat er gaande is [in de huidige Amsterdamse politieke discussies]. Een Amerikaanse Amsterdammer (man, theoretisch opleidingsniveau) geeft aan dat hij veel met vrienden over politiek praat, maar niet over de Amsterdamse politiek. Hij heeft geen idee wie de gemeenteraadsverkiezingen heeft gewonnen. Vertaald uit het Engels. Vertaald uit het Engels. 42 Vertaald uit het Engels. 40 41
30
Ik praat met vrienden veel over politiek, maar ik heb geen idee wat er in Nederland gebeurt - af en toe hoor ik over een gewelddadige misdaad die in Amsterdam is gepleegd en realiseer ik me dat ik niet weet wat er gebeurt in Amsterdam. Amsterdam zou een heel gewelddadige stad kunnen zijn en ik heb geen idee, want ik ben gewoon niet op de hoogte. Een Spaanse student geeft aan dat er veel praktische informatie is. Dit is echter voor hem niet het belangrijkst om politiek te participeren: Want de belangrijkste vraag is: op wie stem ik, waarop stem ik, wat is hun politieke agenda? Het is niet het proces zelf, want dat is eenvoudig. Je gaat er gewoon heen, laat je ID en stempas zien en je kiest. Het is heel laagdrempelig voor niet-Nederlandstaligen om in Amsterdam te stemmen, maar het gaat erom wie ik kies, daar heb ik informatie over nodig.
Reden 2: Niet gezien worden door de lokale politiek en geen relatie voelen met de stad Veel respondenten die we hebben gesproken voelen zich op verschillende manieren en door verschillende redenen geen volwaardig onderdeel van de lokale democratie. Het onderstaande citaat van een praktisch opgeleide en arbeidsongeschikte vrouw is illustratief voor het sentiment dat de lokale politiek hen niet ziet en hun belangen niet vertegenwoordigt. Politici luisteren niet naar mensen zoals zij. Ik stem al heel lang niet meer. Naar de echte Amsterdammer, die hier vandaan komt, wordt helemaal niet geluisterd. Voor deze groep wordt niks gedaan. Ik vind persoonlijk dat het gevoerde er voor gezorgd heeft dat de meeste Amsterdammers de stad uit zijn gedreven. Er wordt van alles voor gebouwd, maar die woningen zijn voor de normale, gewone Amsterdammer – Jantje Modaal – niet meer betaalbaar. Er wordt van alles gedaan, maar Amsterdam wordt eigenlijk één grote yuppen-stad. En dan heb je nog wel de verpauperde wijken. Die knappen ze op en dan is het ook onbetaalbaar voor de oorspronkelijke bewoners. Ik heb niet het gevoel dat de politiek zich zorgen [maakt over mensen zoals ik]. Daarom stem ik al jaren niet meer. Er wordt niet naar me geluisterd of tenminste er wordt niet naar de Amsterdammer geluisterd wordt (vrouw, praktisch opleidingsniveau, zonder migratieachtergrond).
In verschillende focusgroepgesprekken wordt duidelijk dat sommige (Nederlandstalige) respondenten een sterke binding met hun buurt voelen. Hun sociale netwerk is vaak buurtgebonden en men maakt zich zorgen over de veranderingen die plaats vinden op buurtniveau. Veel respondenten, zoals in het citaat hierboven, benoemen dat ze het gevoel hebben dat er steeds minder ruimte is voor bewoners met minder geld. De lokale politiek pakt ongelijkheid en armoede onvoldoende aan en heeft te weinig oog voor de alledaagse uitdagingen van ‘gewone’ Amsterdammers. Dit sentiment leeft bij verschillende doelgroepen, en gaat vaak samen met zorgen over gentrificatie: het opwaarderen van oude volkswijken waardoor die voor meer kapitaalkrachtige bewoners interessanter worden, terwijl de oorspronkelijke inwoners vaak het gevoel hebben dat met hun behoeften minder rekening wordt gehouden en dat er nog weinig voorzieningen zijn in hun wijk waar ze zich welkom voelen en die aansluiten bij hun wensen. Er worden voorbeelden genoemd zoals een behoefte aan een betaalbare ponyclub voor kinderen uit gezinnen met een laag inkomen, of een eigen betaalbare ruimte om samen te komen voor zelforganisaties van mensen met een migratieachtergrond. Zowel oudere als jongere respondenten geven aan dat ze hun eigen buurt niet meer herkennen. Een oudere vrouwelijk respondent (praktisch opgeleid en zonder
31
migratieachtergrond) vertelt dat er de afgelopen jaren veel nieuwe jonge kapitaalkrachtige mensen in haar buurt zijn komen wonen: Prima, maar voor de buurtbewoners is het niet meer wat we hadden, niet meer ons-kent-ons, niet meer buuf-is-buuf. Huisfeesten tot midden in de nacht. De dealers voor je deur. En het blijft maar doorgaan en elk pand wat er vrijkomt wordt opgekocht door een instantie en daar worden ze met zijn tienen ingegooid. Ik heb dus een beneden woninkje 13 jaar geleden kunnen kopen en naast mij wonen er 10 in één pand en daar om de hoek wonen er ook weer in één pand en daar tegenover. Ik ken mijn buurt niet meer. Ik ken mijn buren niet meer (vrouw, praktisch opleidingsniveau zonder migratieachtergrond). Ze heeft het gevoel dat de lokale politiek niet voor haar belangen opkomt en dat er weinig is dat ze kan doen om deze veranderingen tegen te gaan. Het lijkt voor haar en andere respondenten alsof bewoners met een hogere sociaaleconomische status betere routes weten te vinden om voor hun belangen op te komen, en dat de politiek meer geneigd is naar deze bewoners te luisteren. Je stem gaat verloren. Ze doen niks voor ons, maar als jij nieuw bent en je komt met een zak geld dan zijn er mogelijkheden en dan gebeuren er dingen.
Zij en andere oudere respondenten geven aan dat ze wel terug moeten vallen op hun eigen informele sociale netwerk in de buurt omdat de overheid niet langer garant staat voor basisvoorzieningen zoals betaalbare huisvesting, of hulp bij het betalen van torenhoge energierekeningen. Je helpt elkaar, zoals dat vroeger ook ging in Amsterdam, zegt een van de respondenten. Dat wordt extra belangrijk wanneer je je door de overheid in de steek gelaten voelt. Een oudere mannelijke respondent uit Zuidoost vertelt dat de mensen in zijn buurt ook weinig verwachtingen hebben van de lokale politiek. Men voelt zich wel sterk verbonden met elkaar in de buurt en probeert zelf de meest urgente problemen op te pakken zonder daar de overheid bij te betrekken: Als je [bij ons in de buurt] een persoonlijk probleem hebt [hij doelt hier vooral op armoede], verwacht je niet dat de overheid of de politiek het voor je oplost. En wanneer mensen de... veel druk hebben, vooral financiële problemen en alles, hebben ze zelfs geen interesse om naar het stembureau te gaan om te stemmen. Omdat hun geest ergens ver weg is. […] Men sluit zich als het ware af van de politiek en de rest van de samenleving als men problemen heeft. Maar het zijn eigenlijk politieke problemen (man, praktisch opgeleid).
Maar ook jonge Amsterdammers noemen veranderingen in hun buurt als voorbeeld van het gevoel dat ze niet gezien worden en er niet voor hen gezorgd wordt. Zij worstelen bijvoorbeeld met een veranderende leefomgeving vol chique nieuwbouw waarin zij het gevoel hebben dat er niet voor hen gebouwd wordt, en het voor hen financieel niet mogelijk zal zijn om in hun geboortestad een betaalbare zelfstandige woning te betrekken. Deze respondenten hebben daarbij vaak het gevoel dat het weinig zin heeft om te stemmen, dat verandert toch niks aan de situatie. Dat wil overigens niet zeggen dat men zich niet wil inzetten voor de buurt. Een MBO-student (man) merkt hierover het volgende op: Of ik heb gestemd? Nee. Waarom niet? Daar heb ik niet echt een reden voor, maar ik zie de kracht niet van mijn stem. Dus ik doe het liever anders: in mijn omgeving, waar ik kan bijdragen, draag ik bij, waar ik in de maatschappij kan bijdragen, draag ik bij.
32
Als men zich dan toch richt op de lokale overheid dan blijkt vaak volgens een andere respondent dat men daar niet veel van moet verwachten. Politici zouden aangeven dat zij niet veel kunnen doen aan structurele problemen zoals armoede, slechte onderwijskwaliteit of discriminatie: Dan zeggen politici: 'Nee, dat soort problemen moeten opgelost worden op een hoger niveau, het is een probleem op nationaal niveau'. Het resultaat is dat ons probleem onaangeroerd blijft. […] Dat frustreert ons, want wij hebben hier in Amsterdam Zuidoost gestemd, en we verwachten dat ons problemen hier worden aangepakt. We hebben het gevoel dat we het allemaal zelf moeten oplossen (man, Ghanese migratieachtergrond). Een vrouwelijk respondent uit Nieuw-West (praktisch opgeleid, Marokkaanse migratieachtergrond) komt met andere voorbeelden die zij in haar omgeving ziet gebeuren en waar de mensen ook weinig van de lokale overheid hoeven te verwachten: De gemeente zegt tegen alleenstaande moeders in deze buurt: ‘Nee, je krijgt geen [volledige] uitkering, je hebt kinderen thuis, dus de kinderen moeten meebetalen.’ Maar de kinderen, ze kunnen niet meebetalen. Ze hebben weinig. Dus wat gaat de moeder doen? Ze gaat van alles bedenken om ergens extra inkomen te vinden, want ze krijgt geen subsidie ze, geen huurtoeslag, ze krijgt niks! En de kinderen blijven thuis.
Ik zei tegen haar: waarom? De kinderen moet gewoon weg. Ze zei: "maar waar moeten ze naar toe? Ik moet hen eten geven en [een] dak [boven hun hoofd]. Anders krijg ik problemen van de overheid.” (vrouw, praktisch opleidingsniveau, Marokkaanse migratieachtergrond). Andere respondenten (in onderstaande gevallen praktisch opgeleiden) noemen specifieke politieke thema’s waarin zij zichzelf of hun kinderen achtergesteld voelen, vooral op het nationale niveau, waardoor zij zich op lokaal niveau minder verbonden voelen met de politiek. Ze noemen bijvoorbeeld een gebrek aan gelijke kansen voor de jeugd, schuldenproblematiek, hoge studiekosten, of ontoegankelijke procedures rond toeslagen. Wat mij ook heel erg stoort is dat er in Nederland vreselijk veel armoede is en vluchtelingen die komen het land in en die worden met alles geholpen. Maar wanneer krijgen onze kinderen de kans om gewoon een leuk huis te krijgen of wat dan ook. Andere mensen komen ons land in en die hebben het voor elkaar, maar onze kinderen die moeten gewoon dertig jaar wachten voordat ze eindelijk aan de beurt komen (vrouw, praktisch opleidingsniveau, Marokkaanse migratieachtergrond).
Het gevoel dat lokale politici toch niks voor bewoners in een achtergestelde positie zullen doen wordt nog versterkt door het idee dat politici en beleidsmakers die belangrijke beslissingen nemen zelf geen ervaring hebben met de uitdagingen die de respondenten benoemen. Zij hebben een heel andere belevingswereld en kunnen niet vanuit ervaring met uitsluiting en ongelijkheid praten, waardoor respondenten zich minder vertegenwoordigd voelen door politici. Politieke beslissingen worden niet gemaakt op basis van gedeelde ervaringen. Dus, ik heb het nou gelukkig allemaal goed kunnen regelen [schuldenproblematiek], maar [als het gaat om] politici die op mij lijken; meer van, iedereen roept maar van: “Ja, we kunnen ons inleven. Hoe zullen die mensen zich wel niet voelen”. Dat weten ze niet. Ik zit te huilen op de grond dat mijn gas en licht volgende week wordt afgesloten en zij weten niet hoe dat is en voelt (vrouw praktisch opleidingsniveau zonder migratieachtergrond). Daarnaast missen sommige respondenten daadkracht bij politici om besluiten te nemen op onderwerpen die hen aan het hart gaan, zoals in relatie tot discriminatie en racisme. Een aantal 33
respondenten noemt ook het gebrek aan inlevingsvermogen van politici, ze hebben het gevoel dat politici onvoldoende empathisch zijn om hun ervaringen te kunnen begrijpen. Respondenten roepen lokale politici en ambtenaren op zich meer te mengen in de achtergestelde wijken waar de problemen het grootst zijn. Je moet meer kunnen dan alleen maar een beetje smerig spelletjes spelen in de politiek. Je moet je kunnen inleven, je moet weten wat er in de bevolking speelt. Ga bij scholen langs, praat met mensen, praat daarmee. Ik snap dat als je niet uit zo’n wereld komt dat je het niet altijd weet hoe het werkt. Maar je moet deze mensen leren kennen als je ze wil helpen, je moet hun ‘struggles’ leren kennen. Je hoeft niet altijd in dezelfde wijk te wonen waar ik woon, maar je moet het wel leren kennen (man, Caraïbische migratieachtergrond). Respondenten die in achtergestelde wijken wonen, zijn vaak teleurgesteld in wat de politiek voor hun wijk heeft gedaan in de afgelopen jaren. Ze ervaren dat er veel beloftes zijn gedaan die niet zijn waargemaakt en dat politici in campagnetijd langs komen om stemmen te winnen maar daarna niet meer omkijken naar de wijk en ook niet terugkoppelen wat er van al alle plannen terecht is gekomen. Dat versterkt het gevoel bij bewoners van deze wijken dat ze niet gezien worden.
Het gevoel leeft bij verschillende respondenten dat er in het gemeentehuis over hun hoofd heen beslissingen worden genomen door mensen die geen inzicht hebben in de leefomstandigheden in hun wijk leeft bij verschillende respondenten. Ze zouden willen dat politici en beleidsmakers zich directer betrokken zouden tonen bij hun leefomgeving. Een vrouw met een Marokkaanse migratieachtergrond uit Nieuw-West begon een zelforganisatie en zegt hierover: Ie-de-reen weet het beter voor mij. Niemand kent mij, iedereen weet hoe ik moet leven, hoe ik me moet aanpassen, hoe ik moet integreren, iedereen weet het voor mij; zwarte, witte, blanke, nietblank iedereen weet het beter, maar ken jij mij, niemand kent mij, niemand weet hoe ik leef. En door die woede is mijn organisatie tot stand gekomen. Dus ik zeg tegen alle politici en ambtenaren: kom uit die stoel, ga even langs, ga kijken, wat is er nodig, ga kijken met wie je te maken hebt, ga daar niet zitten en beleid maken (vrouw, praktisch opleidingsniveau, Marokkaanse migratieachtergrond).
2.1 Ik ben geen onderdeel van de lokale politiek Amsterdammers met een niet-Nederlandse achtergrond voelen zich ook vaak niet gezien door de lokale politiek maar hebben hier verschillende redenen voor. Onder deze internationals speelt dat zij soms maar voor een korte periode in Amsterdam wonen. Ze leven in een bubbel met andere internationals en hebben de tijd of ruimte nog niet gehad om zich echt Amsterdammer te gaan voelen. Een vrouw met een Roemeense migratieachtergrond verwoordt dit als volgt: Ik denk dat het in mijn geval een combinatie is van factoren [waarom ik niet gestemd heb]. Ik vond het teveel gedoe om op zoek te gaan naar de informatie en mijn tijd is beperkt. Daarnaast leef ik in een Engelstalige bubbel. Ik ben me daar van bewust en weet dat de politiek mij rechtstreeks raakt, omdat ik hier werk, ik hier belasting betaal. Maar ik denk dat een deel van mij zich nog steeds niet volledig geïntegreerd voelt [in Amsterdam]. En, ik zoek naar het juiste woord om het te beschrijven, ik heb soms wel het gevoel dat ik deel uitmaak [van de stad], maar ik heb ook het gevoel dat ik in mijn eigen bubbel leef. 43 Een Spaanse student (man, theoretisch opgeleid) geeft een soortgelijk antwoord. Hij benoemt eerst de praktische bezwaren waarom hij niet gestemd heeft, maar komt vervolgens tot de conclusie dat
43
Vertaald uit het Engels.
34
hij misschien niet voor altijd in Amsterdam zal blijven wonen en voelde daardoor de connectie met de stad minder en dat verminderde de urgentie om politiek te participeren. Ik denk dat het voor dat heel specifieke geval zoiets was als: ik was bezig met mijn dag en toen deed ik het gewoon niet. Ik was aan het werk, en toen dacht ik dat ik het 's middags zou doen en toen raakte ik verstrikt in andere dingen. En ik denk dat ik me toen ook... een beetje losgekoppeld van de stad begin te voelen, want ik had ook het gevoel dat mijn tijd hier ten einde liep [laatste jaar studie] en ik denk dat deel van mij dacht: 'Ik weet niet of ik op dit moment zo veel deel uitmaak van de stad.’ 44 Dus waar sommige respondenten met een sterke binding met Amsterdam de connectie missen met de lokale politiek omdat die zich in hun ogen te weinig direct verhoudt tot hun wijk of gemeenschap, missen Amsterdammers met een niet-Nederlandse nationaliteit vaak juist de connectie met de politiek omdat zij minder binding met de stad ervaren.
Reden 3 om niet te stemmen: Wantrouwen en teleurstelling richting politiek De meeste focusgroepgesprekken geven blijk van weinig vertrouwen in de politiek in zijn algemeenheid. Er wordt zelden specifiek gesproken over de lokale politiek. Soms kennen respondenten de namen van een specifieke (stadsdeel)bestuurder of heeft men het over de burgemeester, maar meestal spreken de respondenten in algemene zin over de politiek. Dit gebeurt ook als gevraagd wordt hun mening te vertalen naar de Amsterdamse context. De politiek bestaat voor respondenten vooral uit politici en bestuurders op landelijk niveau, waar men bovendien ook nog eens weinig vertrouwen in heeft. Dat gebrek aan vertrouwen in de gemeente of lokale politiek komt voort uit het gevoel dat politici hun belangen niet adequaat vertegenwoordigen. Respondenten voelen zich niet serieus genomen door politici. Een MBO-student spreekt zelfs van een schijnwereld waarin hij niet gelooft. Dat wil overigens in zijn geval niet zeggen dat hij niet politiek geëngageerd is. Het betekent wel dat hij bewust niet stemt om op die manier uiting te geven aan zijn ongenoegen over de politiek. Ik denk, ja. Kijk, ik zie het ook een beetje als schijn eigenlijk. Dat ze wel gevoel willen afgeven, zo van “we horen jullie.
We zijn er voor jullie”, maar uiteindelijk weet ik wel diep van binnen: alleen jij kan eigenlijk verandering brengen aan je leven [buiten de politiek]. Zo zie ik het. Een andere student (man) uit hetzelfde gesprek beaamt dit. Deze geeft aan het gevoel te hebben dat een mening uiteindelijk niet opbokst tegen de wil van politici. Ik denk gewoon zo van: “Ja, je kan het wel doen. Je kan wel vertrouwen hebben in de politiek, maar uiteindelijk hoe je het draait of keert, gaat het toch hoe zij het willen”. Zij willen het zo en jouw mening boeit eigenlijk niet, of jouw mening boeit wel, maar dan weten ze “oké, zo pakken we het later toch aan”. Meerdere respondenten benoemen in de focusgroepen dat ze zich zorgen maken over hun eigen maatschappelijk positie. Ze hebben moeite met huisvesting, hebben financiële problemen of hebben de coronamaatregelen als disproportioneel ervaren. Ze maken zich zorgen over de toekomst van hun kinderen en over hoe zij huisvesting en onderwijs moeten betalen. Ze laten merken dat ze op
44
Vertaald uit het Engels.
35
zoek zijn naar verklaringen voor wat zij in hun omgeving zien gebeuren. Een vrouw (praktisch opgeleid met Marokkaanse migratieachtergrond): Veel van onze jongens gaan stemmen, ze betalen belasting, maar ze [de politiek] geven huizen aan Oekraïners. Altijd geven ze voorrang aan mensen van buiten. Nederland heeft heel veel mensen naar binnen gehaald om alleen haar naam mooi te maken. Maar niemand denkt aan de bevolking. […] Het gevoel is er dat dat niet meer uitmaak. Het is misschien een verkeerde beredenering, maar dat is zo. Dat gevoel hebben we allemaal. Interviewer: Maar voorheen hadden jullie dus wel het gevoel dat jullie stem uitmaakte? Als ik het goed begrijp? Of voorheen eigenlijk ook niet zo? De vrouw: Het was altijd al zo. Maar nu wordt het erger. Maar nu alles is duurder, alles is minder. Alles is dit, dan heb je helemaal geen zin meer [om politiek te participeren].
3.1 Gevolgen van de coronapandemie De coronapandemie wordt vaak genoemd als gebeurtenis met grote impact op de levens van verschillende groepen respondenten. Ondanks dat de meest stringente beslissingen in de pandemie niet op lokaal niveau werden genomen, wordt de gehele politiek hier door respondenten op afgerekend. Een vrouwelijk respondent (praktisch opgeleid met Marokkaanse migratieachtergrond) laat het volgende weten: Ik heb ook niet gestemd voor de Tweede Kamer. Vroeger stemde ik wel, maar mijn vertrouwen in de politiek ben ik verloren. Dat is het eigenlijk. Heeft ook te maken met corona en hoe de politiek in Nederland dat heeft opgepakt. In een andere focusgroep laten verschillende respondenten weten dat de corona pandemie hen allemaal erg geraakt heeft. Stemmen tijdens de gemeenteraadsverkiezingen had daardoor minder prioriteit: Ik heb er vooral niet echt zoveel zin in [om te stemmen toen we uit de pandemie kwamen]. En ik denk dan dat één persoon echt niet zoveel invloed heeft [dus ze kunnen zijn stem wel missen]. Het is niet zo urgent. (man, praktisch opleidingsniveau). Twee jongeren noemen de invloed van de coronapandemie als negatieve politieke ervaring. Van de een op andere dag zaten zij thuis en verloren zij hun veilige haven of uitlaatklep in de vorm van bijvoorbeeld sport. Ook voor deze jongeren telt mee dat ze de maatregelen als disproportioneel ervoeren.
Zij werden er toch niet ziek van? Waarom mochten zij dan niet meer sporten? Een jonge man vertelt: Ja, dat was dus tijdens corona en de lockdown enz., met voetballen. Ineens werd het hele seizoen, voetbalseizoen, gestopt en we mochten niet meer voetballen… En dat was dus heel erg negatief. De competitie werd gestopt, de trainingen ook. Je zat gewoon thuis. Er werd op een gegeven moment ook een avondklok ingesteld, dat je op een bepaalde tijd thuis moest zijn. Ik weet nog wel dat op een gegeven moment wel weer de trainingen door gingen, toen was ik wel weer wat blijer, maar die werden wel in de middag gehouden vanwege de avondklok in de avond. Dat was echt twee jaar geleden, ik was toen vijftien. Het haalde al de lol in het voetbal eruit, want het duurde ook erg lang. En niet alleen ik had er last van ook echt al mijn teamgenoten, vrienden, klasgenoten en sommigen gingen dan ook gewoon van voetbal af, die zijn er gewoon mee gestopt na dat jaartje. Ja dat eigenlijk en dat vanwege corona (man, theoretisch opleidingsniveau). 36
3.2 Teleurstelling in de politiek Het valt op dat meerdere Amsterdammers met een migratieachtergrond (eerste en tweede generatie) aangeven dat er een periode was, dat ze wel stemden of dat overwogen. Ze hebben een lange geschiedenis met de Nederlandse politiek en hebben in die periode verschillende niveaus van politieke betrokkenheid gevoeld. Een Nederlandse man van Ghanese afkomst vertelt over zijn afgenomen interesse in de politiek. Sinds de representatie van mensen uit de Ghanese gemeenschap afnam, nam in zijn ogen ook de politieke interesse in de Ghanese gemeenschap af. Ik stemde vroeger, maar dit jaar had ik niet zoveel interesse om te gaan stemmen. Vroeger, rond 2000, interesseerde het me meer. Er gingen toen veel Ghanezen de politiek in [stadsdeel Zuidoost] en sommigen van hen kregen een vaste baan in de gemeente. Dus het bracht bewustzijn bij Ghanezen, bijvoorbeeld bij mij en andere mensen, die dachten dat we een verschil konden maken. We raakten op die manier betrokken bij de politiek. Dat wekte interesse. Je hoorde Ghanezen onderling tegen elkaar zeggen: ‘onze broeders of zusters werken bij de gemeente.’ Deze bestuurders en ambtenaren konden het verschil maken. Tijdens verkiezingstijd konden zij aan de gemeenschap vertellen dat het belangrijk was om te gaan stemmen.
En ze konden laten zien dat die stemmen het verschil maakten en dat het invloed had op de politieke beslissingen [in stadsdeel Zuidoost]. Maar dat is nu niet meer zo. Dan zie je dat de politieke interesse onder Ghanese Amsterdammers vermindert. 45 Politieke vertegenwoordiging is echter niet doorslaggevend voor de respondenten. In een focusgroep vertellen vrouwen met een Marokkaanse migratieachtergrond dat politieke vertegenwoordiging ook tot teleurstelling kan leiden. Ze geven aan dat hun gemeenschap politici met een Marokkaanse migratieachtergrond ondersteund heeft toen die politiek actief werden. Nu die politici het ‘gemaakt’ hebben, kijken ze niet meer naar hun gemeenschap om. Gedane beloftes zijn niet nagekomen en de vrouwen zitten nog steeds in dezelfde situatie. De teleurstelling onder de vrouwen is groot. Even hadden ze de hoop dat er dingen zouden veranderen. Dit gebeurde echter niet. Maar je weet toch, [naam politicus] was bestuurder en wij hebben echt ons best gedaan. We hebben ons voor hem ingezet en de hele gemeenschap opgeroepen te gaan stemmen. […]. Je ziet ze [politici] altijd voor de verkiezingen en daarna verdwijnen ze.
[…] Wij krijgen dus de vraag [vanuit de gemeenschap]: ‘Ja, waar zijn ze dan?’ En als je die vrouwen [Marokkaanse vrouwen] stimuleert te gaan stemmen en dan krijg ik ook de vraag: ‘wat doen ze dan?’ Ze [politici] doen toch maar wat ze willen en je krijgt geen gehoor eigenlijk… Als ik mag praten voor veel vrouwen die ik gesproken heb, iedereen is een beetje afgeknapt [op de lokale politiek]. We hebben onze best gedaan. We hebben op meer gehoopt en achteraf krijg je een schop na (vrouw, praktisch opleidingsniveau, Marokkaanse migratieachtergrond). Samenvattend kunnen we stellen dat bij alle kiezersgroepen de redenen voor het niet-stemmen met elkaar verbonden zijn. Men praat weinig over politiek, omdat men er geen interesse in heeft. Men heeft er geen interesse in, omdat men zich niet bij de politiek betrokken voelt. En men voelt zich niet betrokken bij de politiek, omdat men het gevoel heeft dat de politiek niet naar hen luistert en hen in
45
Vertaald uit het Engels.
37
de steek laat. Dat gevoel zorgt er weer voor dat men zich distantieert van de politiek en er zo min mogelijk mee bezig is of over praat. De specifieke redenen waarom specifieke kiezersgroepen zich niet met de politiek verbonden voelen en waarom ze het gevoel hebben relevante informatie te missen verschillen per groep. NietNederlandstalige kiesgerechtigden geven aan in hun eigen Engelstalige bubbel te leven waar Nederlandstalige informatie niet doordringt. Deze groep voelt zich prettig in Amsterdam, maar heeft geen sterke band met de lokale politiek, voor een belangrijk deel omdat ze niet zeker weten of ze hier lang zullen blijven. Andere kiezersgroepen voelen juist een sterke band met hun buurt en de stad, maar zijn teleurgesteld in de lokale politiek die in de afgelopen jaren keuzes heeft gemaakt die er volgens hen voor gezorgd hebben dat hun buurt en leefwereld sterk is veranderd in hun nadeel. Daarnaast zien we in de gesprekken verschillende voorbeelden van Amsterdammers (vooral, maar niet uitsluitend, woonachtig in ondervertegenwoordigde stadsdelen) die zich door de politiek achtergesteld voelen. Men heeft het gevoel dat politici niet uit hun buurt komen, hun situatie niet begrijpen, beslissingen nemen die in hun nadeel zijn en uiteindelijk niet naar hen luisteren.
Ervaren uitsluiting, achterstelling en ongelijke vertegenwoordiging zorgen voor meer wantrouwen en een gebrekkige lokale politieke verbondenheid onder deze kiezersgroepen.
38
Hoofdstuk 6. Handelingsperspectieven
In dit laatste hoofdstuk bespreken we de handelingsperspectieven voor de gemeente om de opkomst van specifieke groepen kiezers in specifieke delen van de stad in de toekomst te bevorderen. We doen dat aan de hand van (1) de resultaten van dit onderzoek (met waar relevant nog extra specifieke relevante citaten uit de focusgroepgesprekken/interviews); (2) een extra focusgroepgesprek dat we gehouden hebben met ambtenaren van de gemeente Amsterdam verantwoordelijk voor opkomstbevordering; (3) recente relevante rapporten/adviezen over opkomstbevordering, de Raad voor het Openbaar Bestuur en het recente onderzoeksrapport Landelijk Kiezersonderzoek over de lage opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen 2022 in Nederland. In de bovenstaande hoofdstukken is gebleken dat ons onderzoek, net als het andere onderzoek over lage opkomst bij lokale verkiezingen 2022, laat zien dat de historisch lage opkomst tijdens de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen past in een breder patroon. De opkomst in Amsterdam schommelt sinds 1990 rond de 50% en was de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen iets lager dan eerdere verkiezingen met een lage opkomst (1998 en 2002).
Een groter structureel en groeiend probleem, ook benoemd in andere recente onderzoeken, is het feit dat sommige kiezersgroepen (jongeren, praktisch opgeleiden en Amsterdammers met een migratieachtergrond), die voor een deel ook in specifieke delen van de stad wonen, veel minder geneigd zijn te stemmen dan andere groepen (ouderen, theoretisch opgeleiden en Amsterdammers zonder migratieachtergrond). Deze ontwikkeling leidt tot een steeds grotere participatieve ongelijkheid in de stad, waarbij deze minder actieve groepen (en de buurten/stadsdelen waar ze veelal wonen) politiek minder goed worden vertegenwoordigd in de Amsterdamse gemeenteraad. Hierdoor worden (1) de opvattingen van deze groepen bij belangrijke politieke beslissingen minder meegewogen in de beraadslagingen en beslissingen. Dit zorgt er (2) vervolgens voor dat deze ondervertegenwoordigde groepen vaker het gevoel hebben dat de politiek minder goed naar hen luistert (hiervan zijn vele voorbeelden voorbij gekomen in de focusgroepen), dat (3) de politici die voor hen belangrijke beslissingen nemen niet uit dezelfde buurten als zij komen en dat deze politici veelal andere levenservaring en andere leefwerelden hebben. Deze groepen kiezers geven aan (4) minder vertrouwen te hebben in de lokale politiek, minder verbondenheid te voelen. Dat uit zich onder andere in minder politieke interesse en minder politieke kennis.
Bovenstaande ontwikkeling kan zo leiden tot een vicieuze cirkel met alarmerende consequenties: de opkomst in buurten buiten de ring en boven het IJ zal in de toekomst verder dalen waardoor de participatieve ongelijkheid in de stad alleen maar zal toenemen. De verkiezingsuitslagen zullen dan bij lokale verkiezingen, nog meer dan nu al het geval is, een afspiegeling zijn van Amsterdammers, met meer hulpbronnen en minder daardoor minder afhankelijkheid van de overheid, die in specifieke buurten wonen. Als de gemeente deze vicieuze cirkel wil doorbreken, is specifieke aandacht en behandeling voor de specifieke positie van deze ondervertegenwoordigde kiezersgroepen noodzakelijk. Het motto ‘ongelijk behandelen om gelijkheid te bevorderen’ is ook hier van toepassing en de enige manier om de participatieve ongelijkheid te bestrijden. Algemene maatregelen om de opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen te bevorderen zal de participatieve ongelijkheid niet verkleinen, integendeel, deze algemene maatregelen zorgen eerder voor een verdere verhoging van de opkomst onder kiezersgroepen die al een hogere geneigdheid om te stemmen laten zien. Of zoals een ambtenaar opkomstbevordering uitlegt aan de hand van een voorbeeld waarom relevante
39
informatie over verkiezingen (of de oproep om vooral te gaan stemmen) juist bij kiezersgroepen die minder geneigd te stemmen geen effect heeft: Als jij een brief krijgt van de gemeente Amsterdam [met de oproep om toch vooral te gaan stemmen], maar 90% van de brieven die je van de gemeente krijgt zijn aanmaningen of belastingenaanslagen, dan ben je al lang gestopt met het openen van dergelijke brieven. En dan ga je ook zeker geen contact opnemen met, of je inzetten voor, de gemeente waar jij alleen maar negatieve associatie mee hebt. In een recent advies van de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) over het bestrijden van politiek wantrouwen komt men tot dezelfde conclusie onder de titel ‘maak werk van de vertegenwoordiging van ondervertegenwoordigde groepen’. Het rapport stelt: Sommige groepen staan sterker met het openbaar bestuur in verbinding dan anderen, met ongelijke vertegenwoordiging en representatie tot gevolg. Al met al leidt dit tot een feitelijk en ervaren gebrek aan betrokkenheid van het openbaar bestuur. […] De Raad ziet dat de ondervertegenwoordiging van bepaalde groepen burgers grote morele en maatschappelijke kosten met zich meebrengt doordat zij ‘afhaken’. Verschillende groepen burgers in Nederland voelen zich achtergesteld en vinden dat de politiek hen niet hoort.
Zij hebben het gevoel dat de overheid ‘macht over’ hen heeft, zonder dat zij daar zelf iets tegenin te brengen hebben. De Raad ziet dat sommige van die groepen de media en politici goed weten te vinden. […] Het is belangrijk voor de kwaliteit van de Nederlandse democratie dat het perspectief van ondervertegenwoordigde groepen wordt meegenomen in het politieke proces, omdat deze perspectieven noodzakelijk zijn voor het formuleren van het algemeen belang. 46 Speciale aandacht voor ondervertegenwoordigde groepen is dus nodig om ervoor te zorgen dat hun belangen beter vertegenwoordigd worden in de formele politiek, met als doel het verbeteren van de kwaliteit van de Amsterdamse democratie. Sommige groepen en sommige klachten vragen daarbij voorrang van het lokale bestuur. Tegelijkertijd moeten we constateren dat doelgroepenbeleid ten aanzien van opkomstbevordering in het verleden tot veel politieke discussies heeft geleid in de Amsterdamse gemeenteraad. Dat heeft te maken met het feit dat bevorderen van de opkomst van specifieke kiezersgroepen direct invloed kan hebben op de verkiezingsuitslag (in dit rapport hebben we ook gezien dat niet-stemmers soms andere standpunten hebben en vergeleken met het gemiddelde op andere partijen zullen stemmen).
In de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen van 2014 speelde bijvoorbeeld een hoogoplopende politieke discussie in aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen over een campagne gericht op het bevorderen van de opkomst onder Amsterdammers met een migratieachtergrond. Die campagne werd onder druk van D66 en CDA afgelast omdat bepaalde politieke partijen (ten aanzien van die verkiezingen werd vooral gedacht aan de PvdA) specifiek zouden profiteren van een hogere opkomst onder ondervertegenwoordigde groepen. 47 Bij de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen merkten ambtenaren opkomstbevordering wederom dat hun campagnes al snel een politieke lading kregen. Een ambtenaar vertelt: We hebben twee jaar geleden een campagne opgezet waarbij we inhoudelijke thema’s aan politieke thema’s hadden gekoppeld, omdat we weten dat Amsterdammers met inhoudelijke https://www.raadopenbaarbestuur.nl/documenten/publicaties/2022/11/10/gezag-herwinnen.-over-degezagswaardigheid-van-het-openbaar-bestuur, p. 46. 47 https://www.groene.nl/artikel/stem-voor-je-mensen. 46
40
campagnes eerder geneigd zijn te gaan stemmen [in vergelijking met algemene minder politieke campagnes]. Dat was de ‘Dus ik stem’ campagne: ‘Ik wil veilig over straat kunnen lopen: dus ik stem’; ‘Ik wil schone lucht: dus ik stem’; ‘Ik wil goede leraren: dus ik stem’. Het waren allemaal onderwerpen die je eigenlijk in elk partijprogramma terug zag komen, helemaal abstract gemaakt. Er is geen partij die ertegen is dat je veilig over straat kan lopen. Maar toch was er heel veel gedoe, want ‘veilig over straat lopen’ was eigenlijk een VVD onderwerp, schone lucht, dat is toch meer GroenLinks. Dus werden we teruggefloten. Toen hebben we vorig jaar een campagne gemaakt, en die was erg algemeen en inhoudsloos: ‘een stem voor de toekomst’. [Mijn conclusie is] opkomst bevorderende campagnes worden al heel snel politiek. Politieke partijen zijn in de aanloop naar verkiezingen vooral bezig met korte termijn strategieën: het behalen van zoveel mogelijk stemmen voor de eigen partij en zo min mogelijk stemmen voor de andere partij. Een andere ambtenaar vertelt hoe die houding het werk van algemene opkomstbevordering kan frustreren: Ik kan me goed begrijpen als je daar zit als politicus, en verkiesbaar bent, dat je tijdens die verkiezingen zo veel mogelijk mensen wilt hebben die op jou stemmen. En vier jaar later, als je dan nog meedoet, wil ik er nog meer stemmen bij.