Raadsadres inzake beslissing Gemeenteraad d.d. 2 juli 2026 inzake opheffing artikel 2.20 APV
Tekst van het document
Van: XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX <XXXXXXXXXXXXXXXXXXXXX > Verzonden: maandag 22 juni 2026 23:51 Aan: Info gemeenteraad <info@gemeenteraad.amsterdam.nl> Onderwerp: Beslissing Gemeenteraad d.d. 2 juli 2026 inzake opheffing artikel 2.20 APV
Aan de Gemeenteraad van AMSTERDAM Zeer geachte dames en heren, Naar aanleiding van een inspraak ronde en reacties van betrokken en verontruste burgers en bedrijven en nota van beantwoording door de Gemeente wil ik u een kritische reactie doen toekomen op het voornemen tot wijziging van artikel 2.20 APV (opheffen verbod op buitenslapen). De betreffende reacties en nota van de gemeente treft u bij deze email aan. Kritische reactie op het voornemen tot wijziging van artikel 2.20 APV (opheffen verbod op buitenslapen) Met grote zorg heb ik kennisgenomen van de Nota van beantwoording inzake het voornemen om artikel 2.20 APV te wijzigen en daarmee het verbod op slapen op of aan de openbare weg op te heffen. Wat in de nota vooral opvalt, is dat de gemeente nauwelijks inhoudelijk ingaat op de vele en breed gedragen bezwaren die door bewoners, ondernemers en andere belanghebbenden naar voren zijn gebracht. Uit de inspraakreacties blijkt juist dat een overgrote meerderheid ernstige zorgen heeft over de gevolgen voor leefbaarheid, veiligheid, hygiëne en de kwaliteit van de openbare ruimte. Deze zorgen worden in de beantwoording wel benoemd, maar vervolgens nauwelijks weerlegd of geadresseerd. Overlast is nu al een groot probleem Bewoners en ondernemers signaleren reeds jarenlang ernstige overlast als gevolg van buitenslapen.
Daarbij gaat het niet alleen om het slapen zelf, maar vooral om de daarmee gepaard gaande vervuiling, openbaar urineren en ontlasten, achtergelaten afval en matrassen, blokkades van doorgangen, intimidatie en gevoelens van onveiligheid. Bovendien wordt melding gemaakt van agressief gedrag en een toenemende druk op de openbare ruimte. De gemeente erkent zelf dat het aantal dak- en thuislozen groeit en dat de opvangcapaciteit beperkt is. Juist daarom is het onbegrijpelijk dat wordt gekozen voor een beleidswijziging die feitelijk neerkomt op verdere normalisering van buitenslapen in de openbare ruimte. Daarmee wordt niet de oorzaak van het probleem aangepakt, maar wordt de zichtbare aanwezigheid ervan in woon- en werkgebieden geaccepteerd. Verwachte toename van overlast en onveiligheid Het is weinig realistisch om te veronderstellen dat het schrappen van het verbod geen gevolgen zal hebben voor het gebruik van de openbare ruimte. Wanneer buitenslapen niet langer verboden is, ontstaat onvermijdelijk het signaal dat overnachten in de openbare ruimte wordt gedoogd. Bewoners vrezen terecht dat hierdoor meer slaapplekken zullen ontstaan in parken, onder bruggen, in portieken, onder overkappingen en op andere plekken waar mensen wonen, werken of recreëren.
Daarnaast bestaat het risico dat Amsterdam een extra aantrekkingskracht krijgt op mensen die elders geen onderdak vinden, alsmede op toeristen die kosten willen besparen door in de openbare ruimte te overnachten. De gemeente gaat aan deze reële zorgen vrijwel volledig voorbij. Ook vanuit het perspectief van sociale veiligheid roept het voorstel vragen op. Veel bewoners, en met name vrouwen, geven aan zich onveilig te voelen wanneer zij in de avond of nacht langs
slapende personen moeten lopen. Dat gevoel van onveiligheid kan niet eenvoudig worden weggezet als subjectieve beleving; het vormt een essentieel onderdeel van de leefbaarheid van een stad. Onmacht van de gemeente is geen argument voor afschaffing van een verbod Het meest opmerkelijke onderdeel van de beantwoording is wellicht de redenering dat het verbod moet verdwijnen omdat het bestaande beleid niet goed uitvoerbaar bleek. De gemeente stelt dat onder het beleid uit 2021 regelmatig mensen werden beboet die geen overlast veroorzaakten en dat daarom de strafbaarstelling moet worden geschrapt. Daarmee wordt echter een fundamenteel verkeerde conclusie getrokken. Dat een beleidsregel of handhavingspraktijk niet goed functioneert, betekent niet automatisch dat de onderliggende norm moet verdwijnen. Het betekent in de eerste plaats dat de gemeente beter beleid moet ontwikkelen en beter moet handhaven. De kern van de argumentatie lijkt te zijn dat de gemeente niet in staat is gebleken om onderscheid te maken tussen overlastgevend en niet-overlastgevend buitenslapen. Vervolgens wordt niet gekozen voor verbetering van het handhavingskader, maar voor het volledig schrappen van het verbod. Dat is geen oplossing van het probleem, maar een erkenning van bestuurlijke onmacht.
Het nieuwe handhavingsmodel is praktisch nauwelijks uitvoerbaar De voorgestelde werkwijze roept bovendien grote praktische vragen op. Volgens de gemeente mag een buitenslaper blijven liggen zolang geen sprake is van overlast. Pas wanneer sprake is van bijvoorbeeld vervuiling, urineren, openbare dronkenschap, agressie of ander verstorend gedrag kan worden opgetreden. In de praktijk betekent dit dat handhaving pas mogelijk wordt nadat de overlast zich reeds heeft voorgedaan. Daarmee verschuift het beleid van preventie naar reactief optreden. Bewoners en ondernemers moeten eerst overlast ervaren voordat de overheid in beweging komt. Bovendien is het vaak moeilijk objectief vast te stellen wanneer sprake is van voldoende overlast om op te treden. Wanneer is een slaapplek onder een overkapping nog acceptabel? Hoeveel vervuiling moet aanwezig zijn voordat handhaving mogelijk wordt? Hoe vaak moet een persoon worden aangetroffen voordat sprake is van structurele overlast? De nota geeft op deze vragen geen antwoord. Het gevolg dreigt te zijn dat politie en handhaving voortdurend individuele afwegingen moeten maken, wat leidt tot rechtsongelijkheid, discussies ter plaatse en verdere onzekerheid voor bewoners. Daarmee wordt het handhavingsprobleem niet opgelost, maar slechts verplaatst.
Menselijk beleid en handhaving sluiten elkaar niet uit Niemand betwist dat dak- en thuislozen een kwetsbare groep vormen die recht heeft op menswaardige behandeling, zorg en opvang. Het voorkomen van onnodige boetes is een legitiem doel. Maar menselijkheid en handhaving hoeven elkaar niet uit te sluiten. Juist daarom hebben veel insprekers gepleit voor een genuanceerde oplossing: behoud van het verbod als normstelling en als ultimum remedium, gecombineerd met waarschuwen, zorgtoeleiding, maatwerk en terughoudend gebruik van sancties. Die mogelijkheid lijkt door de gemeente onvoldoende serieus te zijn onderzocht. Conclusie Het voornemen om artikel 2.20 APV te wijzigen is onvoldoende onderbouwd en doet geen recht aan de breed gedragen zorgen van bewoners en ondernemers. De gemeente lijkt vooral te kiezen voor afschaffing van het verbod omdat de bestaande handhaving lastig uitvoerbaar is. Dat is echter geen overtuigend argument om een belangrijk instrument voor het beschermen van leefbaarheid en openbare orde volledig los te laten. Het voorstel dreigt te leiden tot meer buitenslapen, meer overlast, meer gevoelens van onveiligheid en verdere verloedering van de openbare ruimte, terwijl de praktische uitvoerbaarheid van het nieuwe handhavingsregime uiterst onzeker is.
Ik verzoek het college en de gemeenteraad daarom het voorgenomen besluit te heroverwegen en te kiezen voor een evenwichtiger aanpak: versterking van zorg en opvang waar mogelijk, maar met behoud van een duidelijke norm en een effectief handhavingsinstrument voor situaties waarin de leefbaarheid, veiligheid en openbare orde in het geding zijn. Met vriendelijke groet, XXXXXXXXXXXXXXXXXXXX XXXXXXXXXXXXXXX XXXXXXXXXXXXXX T: XXXXXXXXXXXXXXXX