CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Co2 -Reductietargets.pdf

RAAD 11 december 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de rapportage over het CO2 scope 3 reductiepotentieel van de gemeentelijke organisatie (VN2025-016699)12.928 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Niet gevonden in dit document.

CO2-Reductietargets scope 3-gemeentelijke organisatie en reductiepotentieel Mei 2025

Gemeente Amsterdam

Inhoudsopgave SECTIE

PAGINA#

Klimaatdoelen gemeente Amsterdam

4-10

CO2-voetafdruk

11-14

Reductiepotentieel: Elektriciteit

15-17

Reductiepotentieel: Mobiliteit

18-22

Reductiepotentieel: Gebouwde omgeving

23-26

Reductiepotentieel: Industrie

27-35

Reductiepotentieel en kosten

36-38

Conclusie

39-40

Bijlage 1: Status AEB

41-42

Bijlage 2: Benchmark met andere steden

43-58

Bijlage 3: Actieplan op korte termijn

59-60

Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

2

Wie is Anthesis is de duurzaamheidsactivator. Wij zijn de grootste groep toegewijde duurzaamheidsexperts ter wereld: een team van meer dan 1.800 mensen, actief in 43 landen om meer dan 3.000 klanten te bedienen. Anthesis combineert brede en diepgaande technische expertise met de commerciële en operationele capaciteiten die nodig zijn om echte verandering te realiseren. Diepgaande ervaring met reductie - We hebben met honderden klanten gewerkt aan de ontwikkeling van carbon footprints en routekaarten voor decarbonisatie in verschillende sectoren. Sterke expertise met complexe organisaties – Wij hebben veel ervaring in het helpen van complexe organisaties bij grote verandertrajecten. Met de focus op het maken van een positieve impact, zorgen wij er voor dat bedrijven, overheden, en maatschappelijke instellingen hun doelen behalen. Ervaring met (semi)-publieke organisaties en steden – Anthesis werkt al sinds jaar en dag voor (semi-) publieke organisaties en heeft diverse organisaties geholpen met het opstellen van voetafdrukken, reductietargets en implementaitie.

Locations Consultants Sub consultants

Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

3

01

Klimaatdoelen Gemeente Amsterdam Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

De aanleiding

Klimaatverandering en rol van gemeenten De wereldwijde opwarming van de aarde vormt een van de grootste uitdagingen van deze eeuw. Door menselijke activiteiten zoals het verbranden van fossiele brandstoffen, grootschalige ontbossing en industriële productie, stijgt de concentratie broeikasgassen zoals CO₂ en methaan in de atmosfeer. Dit leidt tot steeds extremere weersomstandigheden, stijging van de zeespiegel, verlies van biodiversiteit en toenemende klimaatrisico’s voor zowel mens als natuur. Wereldwijd bestaat er brede wetenschappelijke consensus dat ingrijpende reductie van broeikasgasemissies noodzakelijk is om catastrofale gevolgen te voorkomen. Om deze opwarming te beperken, hebben landen zich gecommitteerd aan het Klimaatakkoord van Parijs (2015), waarin is afgesproken de temperatuurstijging ruim onder de 2°C te houden en te streven naar 1,5°C. Europa heeft deze doelen vertaald in de European Green Deal, met als doel om in 2050 het eerste klimaatneutrale continent te zijn. Nederland sluit hierbij aan met het nationale Klimaatakkoord, waarin afspraken zijn gemaakt om de uitstoot van broeikasgassen in 2030 met ten minste 55% te verminderen ten opzichte van 1990, en in 2050 te streven naar volledige klimaatneutraliteit. Ook decentrale overheden spelen hierin een cruciale rol.

Gemeenten zijn verantwoordelijk voor een aanzienlijk deel van de publieke investeringen in infrastructuur, mobiliteit en vastgoed, en kunnen via beleid en inkoopgedrag invloed uitoefenen op de uitstoot binnen én buiten hun directe grenzen. De gemeente Amsterdam erkent deze verantwoordelijkheid en stelt zichzelf ten doel om niet alleen haar eigen bedrijfsvoering te verduurzamen, maar ook de emissies in de keten – de zogenaamde scope 3-emissies – drastisch te verlagen. In 2025 heeft Amsterdam daarom reductiedoelstellingen vastgesteld voor scope 3. Met dit rapport wordt onderzocht in hoeverre deze doelen haalbaar zijn, welke reductiepaden denkbaar zijn in de keten, en welke rol gerichte beleidsmaatregelen en inkoopkracht kunnen spelen in het realiseren van een klimaatneutrale gemeentelijke organisatie.

5

5

Projectdoel Naar aanleiding van de motie van de raadsleden Van Munster en IJmker, tijdens de raadsvergadering van 9 en 10 oktober 2024, inzake tijdspad voor het afbouwen van CO2-uitstoot, heeft de gemeente Amsterdam besloten reductiedoelstellingen op te stellen voor de CO2-uitstoot in scope 3 van de gemeentelijke organisatie. De gemeente heeft in 2025 de onderstaande doelen vastgesteld om hun scope 3-uitstoot actief te verminderen, deze zijn vastgesteld in de memo ‘CO2-Reductiedoelstellingen Gemeente Amsterdam’ van 3 maart 2025. Hoe de scope 3 van de gemeentelijke organisatie zich verhoudt tot de uitstoot van de stad Amsterdam wordt grafisch weergegeven op pagina 45 van dit rapport. •

60% reductie in 2030 t.o.v. 1990

•

90% reductie in 2040 t.o.v. 1990

•

100% reductie in 2050 t.o.v. 1990

Het doel van dit project is om de haalbaarheid van deze klimaatdoelstellingen te analyseren. Het grootste onderdeel van de totale scope 3-uitstoot van de gemeentelijke organisatie Amsterdam betreft ingekochte (kapitaal)goederen en diensten. In 2022 bedroeg deze uitstoot ruim 76% van de totale CO₂-voetafdruk van de organisatie. De uitstoot is grofweg onder te verdelen in vier categorieën. Dit betreft warmte in de gebouwde omgeving, elektriciteit, mobiliteit en industrie. Door de ontwikkelingen op het gebied van broeikasgasreductie in deze sectoren te analyseren, wordt de haalbaarheid ervan beoordeeld. Daarnaast is er een benchmark uitgevoerd van drie Europese steden om hun doelstellingen voor de scope 3 van hun gemeentelijke organisatie te vergelijken met de gemeente Amsterdam. Achtergrond en relevantie Een toenemend aantal organisaties wordt op basis van wet- en regelgeving verplicht om te rapporteren over hun maatschappelijke en ecologische impact. Binnen de Europese Unie introduceert de Corporate Sustainability Reporting Directive (CSRD) een verplichting voor bepaalde bedrijven om inzicht te geven in hun CO₂-uitstoot over de gehele waardeketen. Daarnaast zetten steeds meer bedrijven en organisaties klimaatdoelstellingen voor zowel hun eigen emissies als voor de emissies in hun waarde keten. Hierbij is het Science Based Targets initiative (SBTi) een veel gebruikte standaard.

Daarnaast kijken steeds meer publieke organisaties verder dan alleen hun eigen emissies, oftewel de scope 1 en 2 emissies. Zij erkennen dat hun verantwoordelijkheid verder reikt dan de directe uitstoot die zij zelf veroorzaken en dat ze ook indirect hun impact kunnen verminderen binnen hun ketens. Dit kan bijvoorbeeld door doelen te stellen, bewuste keuzes te maken en samen te werken met partners in de keten.

Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

6

De klimaatimpact van de gemeentelijke organisatie GHG protocol

De voetafdruk van de gemeentelijke organisatie is over het verslagjaar 2022 opgesteld conform het Greenhouse-Gas protocol, de internationale standaard voor CO2-rapportage op organisatieniveau. Het Greenhouse Gas Protocol is de wereldwijd gehanteerde standaard voor het meten en rapporteren van broeikasgasemissies. Het protocol maakt een onderscheid tussen drie scopes om emissiebronnen op gestructureerde wijze te categoriseren:

Scope 1: Directe emissies van bronnen in eigendom/beheer Scope 2: Indirecte emissies door de opwekking van ingekochte energie

Scope 3: Andere emissies in de waardeketen

Scope 1: Directe emissies uit eigen bronnen die in eigendom of onder beheer van de organisatie vallen, zoals emissies door verbranding van brandstoffen in bedrijfsvoertuigen of installaties. Scope 2: Indirecte emissies als gevolg van het verbruik van ingekochte energie, zoals elektriciteit, warmte, stoom of koeling. Scope 3: Alle overige indirecte emissies die plaatsvinden in de waardeketen van een organisatie, onderverdeeld in 15 categorieën, zowel upstream (bijvoorbeeld inkoop van goederen en diensten) als downstream (zoals het gebruik en de verwerking van verkochte producten). Dit protocol biedt organisaties een raamwerk om hun klimaatimpact volledig en transparant in kaart te brengen, vormt de basis voor reductiestrategieën, doelstellingen en duurzaamheidsrapportages en zorgt ervoor dat organisaties onderling kunnen worden vergeleken. Op de volgende pagina’s wordt in iets meer detail omschreven welke 15 categorieën van scope 3 er zijn en welke relevant zijn voor de gemeentelijke organisatie van Amsterdam.

7

Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

7

De klimaatimpact van de gemeentelijke organisatie Upstream scope 3

Hieronder zijn de upstream scope 3 categorieën uitgelegd, inclusief relevante voorbeelden.

1. Gekochte goederen & diensten

2. Kapitaalgoederen

3. Brandstofen energiegerelateerde activiteiten

Cradle-to-gate emissies van gekochte goederen en diensten in de rapportageperiode Bijv. Materialen voor infraprojecten, koffiebekers, printpapier

Cradle-to-gate emissies van gekochte kapitaalgoederen in de rapportageperiode Bijv. infrastructuurprojecten, groot materieel, nieuwe gebouwen

5. Afval gegenereerd in operaties

6. Zakelijk reizen

Well-to-tank emissies van geconsumeerde energie in de rapportageperiode. Let op: betreft niet de emissies tijdens gebruik.

Bijv. voorbewerking van aardgas voor verwarming of transport van elektriciteit

7. Woonwerkverkeer

Scope 1 & 2 emissies van afvalverwerkingsbedrijven door behandeling van afval gegenereerd in eigen operaties in de rapportageperiode Bijv. productie afval zoals verpakkingsmateriaal

Scope 1 & 2 emissies van transport vervoerders door vervoeren van werknemers voor zakelijke doeleinden in de rapportageperiode Bijv. zakenreis met vliegtuig, met privéwagen naar klanten

Scope 1 & 2 emissies van werknemers en vervoerders door vervoeren van werknemers tussen hun huizen en werkplekken in de rapportageperiode Bijv. met privéwagen of openbaar vervoer naar een uitvoeringslocatie of het kantoor

Scope 1 & 2 emissies van transportleveranciers waarvan diensten zijn gekocht.

4. Upstream transport & distributie

Let op: betreft (A) transport van gekochte producten tussen tier 1 leveranciers en eigen operaties, en (B) gekochte transportdiensten voor zowel inkomende als uitgaande logistiek

Bijv. transport van goederen naar de gemeente.

8. Upstream geleasde activa

Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

Scope 1 & 2 emissies van verhuurders door operaties in activa geleased door de rapporterende organisatie als huurder tijdens de rapportageperiode (afhankelijk van consolidatiebenadering)

Revelant voor Amsterdam

Niet revelant voor Amsterdam

De klimaatimpact van de gemeentelijke organisatie Downstream scope 3

Hieronder zijn de downstream scope 3 categorieën uitgelegd, inclusief relevante voorbeelden. 9. Downstream Scope 1 & 2 emissies van transportleveranciers en retailers door vervoeren en opslaan van producten verkocht in de rapportageperiode tussen operaties van transport & de rapporterende organisatie en de eindklant. distributie

13. Downstream geleasde activa

10. Verwerking Scope 1 & 2 emissies van stroomafwaartse organisaties door verwerken van van verkochte tussenproducten verkocht in de rapportageperiode naar eindproducten (betreft tussenproducten) producten

14. Franchises

Let op: betreft transport niet betaald door de rapporterende organisatie

Scope 1 & 2 emissies van huurders door operaties in activa geleased van de rapporterende organisatie als verhuurder tijdens de rapportageperiode (afhankelijk van consolidatiebenadering) Bijv. elektriciteitsverbruik in verhuurde gebouwen aan derden

Scope 1 & 2 emissies van franchisenemers door franchise operaties met de rapporterende organisatie als franchisegever tijdens de rapportageperiode

Proportionele scope 1 & 2 emissies van investeringen/ deelnemingen door operaties met de rapporterende organisatie als investeerder tijdens de rapportageperiode.

11. Gebruik van verkochte producten

Scope 1 & 2 emissies van eindklanten door gebruik van producten gedurende de gehele verwachte levensduur verkocht in de rapportageperiode

12. Endof-life behandeling van verkochte producten

Scope 1 & 2 emissies van afvalverwerkingsbedrijven door behandeling van producten verkocht in de rapportage periode aan het einde van hun levensduur

15. Investeringen

Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

Let op: betreft scope 1 & 2 emissies gedurende de gehele verwachte levensduur van projecten i.g.v. projectfinanciering (afhankelijk van consolidatiebenadering, betreft investeerders)

Bijv. de scope 1 & 2 uitstoot van deelnemingen van Amsterdam, waarvan qua uitstoot de grootste: AEB, Alliander, GVB, Schiphol, Pantar en Waternet zijn.

Revelant voor Amsterdam

Niet revelant voor Amsterdam

Klimaatdoelstellingen Gemeente Amsterdam

De gemeente Amsterdam heeft ambitieuze CO₂reductiedoelstellingen1 vastgesteld voor haar gemeentelijke organisatie. Voor de scope 3 uitstoot betekent dit een beoogde afname van: •

60% in 2030 t.o.v. 1990 (max. 353 kton CO₂)

•

90% in 2040 t.o.v. 1990 (max. 88 kton CO₂)

•

100% in 2050 (volledige klimaatneutraliteit).

De doelstelling van 60% in 2030 is in lijn met het streven uit de Nederlandse Klimaatwet. De doelstellingen van 90% in 2040 en 100% in 2050 sluiten aan bij de klimaatambities van de Europese Unie voor diezelfde jaren. Omdat exacte uitstootcijfers uit 1990 ontbreken voor de gemeentelijke organisatie, is de uitstoot voor dat jaar gereconstrueerd op basis van nationale trends. In 2022 bedroeg de uitstoot 612 kton CO₂ (exclusief AEB), wat betekent dat de oorspronkelijke uitstoot in 1990 werd geschat op 882 kton. Ten opzichte van de uitstoot in 2022 zijn deze doelstellingen als volgt: •

42% in 2030 t.o.v. 2022

•

86% in 2040 t.o.v. 2022

•

100% in 2050.

Om deze doelen te halen, is een gefaseerd reductiepad opgesteld dat aansluit bij de wetenschappelijk onderbouwde benadering van de Science Based Targets initiative (SBTi). Tussen 2022 en 2030 is een jaarlijkse reductie van 5,3% nodig — de meest intensieve periode met grote en snelle ingrepen.

2030

max. 353 kton CO₂ 60% reductie t.o.v. 1990 42% reductie t.o.v. 2022

In de jaren 2030 tot 2040 kan het tempo iets worden verlaagd tot 4,3% per jaar, mede doordat in de eerdere fase al grote stappen zijn gezet. De laatste fase, van 2040 tot 2050, kent een relatief milde jaarlijkse reductie van 1,4%, waarmee de organisatie in 2050 volledig CO₂neutraal moet zijn. Deze gefaseerde aanpak, gebaseerd op wetenschappelijke normen, maakt de doelstellingen realistisch mits tijdig en doortastend wordt gehandeld. De grootste uitdaging ligt in het eerste decennium, waarin de versnelling essentieel is om het reductiepad haalbaar te houden. In dit rapport is gekeken naar de mogelijkheden en haalbaarheid van dit reductiepad voor de gemeente Amsterdam.

max. 88 kton CO₂ 90% reductie t.o.v. 1990 86% reductie t.o.v. 2022

2050

2040

Het Afval Energie Bedrijf (AEB) is volledig in eigendom van de gemeente Amsterdam, daarmee valt alle uitstoot van het bedrijf volledig in de scope 3 van de gemeente. De uitstoot van de AEB op jaarbasis is zo aanzienlijk dat wanneer deze actief wordt meegenomen in de scope 3reductiedoelstellingen van de gemeente, deze doelstellingen grotendeels afhankelijk zouden worden van maatregelen die specifiek gericht zijn op de AEB. Om deze reden is er voor gekozen om aparte reductiedoelstellingen op te stellen voor de ‘overige’ emissies van de gemeente Amsterdam. Dit zijn de 612 kton CO2. Inclusief de emissies van de AEB bedraagt de uitstoot 1857 kton CO2. De CO2reductieontwikkelingen van de AEB worden in detail beschreven in de bijlage.

Netto nul uitstoot2 100% reductie t.o.v. 1990 & 2022

1In dit rapport wordt overal waar ‘CO ’ staat ‘CO -equivalenten’ bedoelt. Dit betekent dat ook andere broeikasgassen zoals methaan en N O worden vertaald naar klimaatimpact in CO2-eq en onderdeel zijn van de doelstellingen en reducties. 2 2 2 2Netto nul houdt in dat de gemeente Amsterdam haar broeikasgasuitstoot tot een minimum beperkt en de resterende uitstoot volledig in balans brengt met gelijkwaardige verwijdering van broeikasgassen uit de atmosfeer.

03

Onderdelen CO2-voetafdruk Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

Scope 3 voetafdruk Gemeente Amsterdam

Het grootste onderdeel van de totale scope 3-uitstoot van de gemeentelijke organisatie Amsterdam betreft ingekochte (kapitaal)goederen en diensten. In 2022 bedroeg deze uitstoot ruim 76% van de totale CO₂voetafdruk van de organisatie. Om meer inzicht te krijgen in de samenstelling van deze uitstootcategorie is een uitsplitsing gemaakt naar thematische domeinen, gebaseerd op spendcodes (PIA-codes) die door de gemeente worden gehanteerd. Deze codes koppelen uitgaven aan specifieke inkoopcategorieën. De onderverdeling laat zien dat de uitstoot geconcentreerd is binnen een beperkt aantal thema’s: Grond-, weg- en waterbouw (GWW): Dit is de grootste uitstootcategorie binnen de inkoop en vertegenwoordigt projecten zoals infrastructuur, verharding en civiele techniek. Ingekochte diensten: Dit betreft bijvoorbeeld externe adviesdiensten, schoonmaak, beveiliging en IT-services. Het is een brede categorie met relatief weinig fysieke materialen maar wel een substantieel emissie-effect.

Maatwerkdiensten: Hier vallen projecten en leveranciers onder waarvoor specifieke data is opgevraagd, bijvoorbeeld bij langdurige of impactvolle contracten. Diverse kleinere categorieën zoals: • Afval • Gezondheidszorg • Onderhoud en bouw gebouwen

Overige uitstoot: Dit betreft uitstoot waarvan het niet direct duidelijk is onder welke hoofdcategorie de uitstoot te classificeren is.

Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

12

Scope 3 voetafdruk Gemeente Amsterdam

De gemeente heeft haar inkoop-voetafdruk dus mede gebaseerd op spend-codes. Hoewel deze indeling waardevol is voor financiële rapportage, is zij minder geschikt als basis voor het ontwikkelen van een goede inschatting van het reductiepotentieel. De reden hiervoor is dat één uitgavencategorie vaak meerdere emissiebronnen omvat. Zo bestaat GWW uit een mix van materialengebruik (cement, staal, asfalt), energievraag (bijvoorbeeld warmte en elektriciteit op de bouwplaats) en mobiliteit (zoals zwaar bouwmaterieel). Voor een gerichte reductie-aanpak is het dus noodzakelijk om emissies te groeperen op basis van het type emissiebron, niet op basis van uitgave. Om die reden is in deze vervolganalyse gekozen voor een herindeling van de CO₂-uitstoot volgens de sectoren van het Nederlandse Klimaatakkoord. Deze herindeling levert een basis op voor het identificeren van effectieve reductiemaatregelen, die aansluiten bij bestaande beleidslijnen en ontwikkelingen op nationaal en gemeentelijk niveau. De CO₂-uitstoot is op deze manier onderverdeeld over de volgende onderdelen:

Thema

Omschrijving

Warmte in de Gebouwde Omgeving

Denk aan gasverbruik en warmtevoorziening in panden die door de gemeente worden beheerd of gecontracteerd.

Elektriciteit

Elektriciteitsgebruik voor verlichting, apparaten en installaties binnen projecten en faciliteiten.

Mobiliteit – zwaar materieel

Emissies van machines, graafmaterieel en bouwvoertuigen, veelal gerelateerd aan infrastructuur- en onderhoudswerkzaamheden.

Mobiliteit – personen

Vervoer van medewerkers, aannemers en dienstverleners, zoals woon-werkverkeer en zakelijke ritten.

Industrie

Een samenvoeging van emissies door het produceren van industriële materialen zoals staal, cement, asfalt en baksteen.

Door deze herindeling ontstaat een raamwerk waarin per sector doelstellingen, maatregelen en monitoring kan worden uitgewerkt. Er is voor deze onderdelen simpelweg meer informatie beschikbaar omtrent trends, ontwikkelingen en doelstellingen. 13

Inschatting van reductiepotentieel Ontwikkelingen en maatregelen

Op de voorgaande pagina is de scope 3 CO₂-voetafdruk van de gemeentelijke organisatie Amsterdam geanalyseerd. Hierbij is vastgesteld welke onderdelen het grootste aandeel in de uitstoot vertegenwoordigen, en hoe deze zijn opgebouwd uit verschillende inkoopcategorieën en sectoren. In de volgende secties wordt deze voetafdruk vertaald naar reductiepotentieel per sector, op basis van externe data, sectorrapporten, markttrends en technische ontwikkelingen. De analyse is gericht op de vraag: in hoeverre zijn de klimaatdoelen van de gemeente Amsterdam haalbaar, gegeven het verwachte reductietempo in de keten? Als inhoudelijk kader is gebruik gemaakt van de inschattingen van het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC). De hiernaast weergegeven figuur uit het AR6-rapport toont het wereldwijde mitigatiepotentieel per maatregel in 2030, inclusief een inschatting van de kosten per ton CO₂. Belangrijke inzichten uit dit overzicht: •

De grootste reductiepotentie ligt in sectoren als energieopwekking (wind, zon), landgebruik en industrie (materiaal- en energie-efficiëntie, elektrificatie).

•

Veel maatregelen zijn kosteneffectief: meer dan de helft van het mondiale potentieel ligt onder de $100 per ton CO₂.

•

De bandbreedte per maatregel is groot: succes hangt af van snelheid van implementatie, beleid en marktacceptatie.

De analyse op de komende pagina’s is een poging om deze analyse te vertalen naar de context van Amsterdam. Daarbij is gekeken naar welke reductiepaden realistisch zijn voor de gemeente Amsterdam, uitgaande van technologische ontwikkelingen en nationaal en gemeentelijk beleid.

14

03

Reductiepotentieel Elektriciteit 114 kton Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

Elektriciteit

Situatie en prognoses Op basis van het reductiemodel is ingeschat dat ca. 19% van de scope 3 uitstoot van Amsterdam gekoppeld is aan elektriciteitsverbruik. Dit is goed nieuws aangezien de elektriciteitssector in Nederland momenteel grote stappen qua verduurzaming zet. Ontwikkeling en prognose De CO₂-uitstoot van elektriciteit in Nederland daalt in hoog tempo. In 2020 bedroeg de gemiddelde emissiefactor nog 0,29 kg CO₂/kWh1, maar door het snel afbouwen van de benutting van steenkool- en gascentrales en toename van wind- en zonne-energie is dit in 2023 reeds gedaald naar 0,22 kg CO₂/kWh. Deze waarden zijn gebaseerd op data van het CBS. Vooruitkijkend ligt de emissiefactor in 2030 naar verwachting rond de 0,17 kg CO₂/kWh, met verdere daling naar 0,08 kg CO₂/kWh in 2040, en uiteindelijk naar 0 kg CO₂/kWh in 2050. Deze prognoses zijn afkomstig uit extrapolaties op basis van de Dutch Green Building Council (DGBC) in het whitepaper over het sturingsinstrument WEii, waarin de toekomstige energiemix wordt gekoppeld aan de klimaatdoelen voor de gebouwde omgeving. De onderstaande grafiek toont de gerealiseerde en verwachte daling van de emissiefactor elektriciteit tot 2050. De blauwe lijn representeert historische CBS-data, de blauwe kruisjes geven de projecties weer volgens DGBC. De grijze lijn toont een lineaire extrapolatie naar nul in 2050.

De verwachting van een netto-nul emissiefactor sluit aan bij Europese en Nederlandse klimaatambities, waarin elektriciteit als hefboom dient voor sectorale verduurzaming (zoals elektrificatie in mobiliteit en industrie). Elektriciteitsmix Nederland

0,35

0,30

Ontwikkeling en prognose

0,29

kgCO2/kWh

0,25

Verleden - CBS Toekomst - DGBC

0,22

Extrapolatie 0,17

0,20 0,15

0,08

0,10 0,05

0,00

0,00 2020

2025

Bronnen: CBS 2023 | Dutch Green Building Council

2030

2035

2040

Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

2045

2050 1 Omdat voor scope 3 altijd location-based warden moeten worden gerapporteerd

zijn alle emissiefactoren op deze pagina location based

16

Elektriciteit Resultaten

Reductiepotentieel

Kosten

Ca. 19% van de scope 3 uitstoot van Amsterdam is gekoppeld aan elektriciteitsverbruik. Dit betreft 114 kiloton CO2.

De daling van de emissiefactor van elektriciteit is grotendeels het resultaat van een autonome ontwikkeling in de Nederlandse energiemarkt.

De dalende emissiefactor heeft directe implicaties voor de CO₂-voetafdruk van gemeenten en organisaties. Elektriciteit is in veel projecten en diensten een belangrijke uitstootbron (zoals zichtbaar in onze analyse van scope 3-uitstoot). Door over te schakelen op netstroom uit een steeds schonere mix, of door het direct inkopen van duurzame stroom, wordt automatisch een significante reductie bereikt – zónder dat fysieke maatregelen of gedragsverandering nodig zijn.

Door nationale en Europese regelgeving, de uitfasering van fossiele bronnen en grootschalige investeringen in hernieuwbare energie daalt de CO₂-uitstoot per kWh automatisch, zonder dat gemeenten hiervoor aanvullende maatregelen hoeven te nemen.

Het reductiepotentieel van de gemeente kan zelf nog groter worden als grotere delen van de scope 3 uitstoot worden geëlektrificeerd, denk hierbij aan elektrische mobiliteit, warmtepompen en industriële processen. Overigens worden deze reducties door elektrificatie bij de andere reductie-onderdelen opgeteld.

Timing

Voor de gemeente Amsterdam betekent dit dat de klimaatimpact van elektriciteitsgebruik geleidelijk autonoom zal afnemen. Echter zullen tussen 2030 en 2040 wel additionele inspanningen nodig zijn om de doelstellingen te halen.

2030 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

72 kton

42 kton

31%

2040 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

36 kton

78 kton 69%

2050 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

0 kton

114 kton 100%

Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

17

Elektriciteit

De impact van elektrificatie op materiaalgebruik In veel sectoren is elektrificatie een belangrijke stap richting CO₂-reductie. Tegelijkertijd leidt elektrificatie tot een toenemende vraag naar bijvoorbeeld batterijen en elektromotoren. De productie van batterijen is energie-intensief, en beide technologieën vereisen grondstoffen die niet altijd ruim beschikbaar zijn, of die in verband worden gebracht met negatieve sociale omstandigheden bij de winning of verwerking ervan. Hieronder zetten wij kort uiteen waarom verbeteringen in deze keten erg belangrijk zijn, maar ook waarom inzetten op elektrificatie voor Amsterdam wel de juiste stap is naar CO2-reductie. Ten eerste is het belangrijk om elektrificatie goed te vergelijken met fossiele alternatieven. In een economie die draait op fossiele brandstoffen, moeten voortdurend grote hoeveelheden grondstoffen worden gewonnen. Denk aan olie, aardgas en kolen die voor elke nieuwe kilowattuur (kWh) aan elektriciteit of warmte telkens opnieuw uit de aarde moeten worden gehaald, getransporteerd, geraffineerd en verbrand. Bij het alternatief op basis van batterijen en hernieuwbare energie ligt het grondstofverbruik anders. Hier zijn alleen in de productiefase materialen nodig, bijvoorbeeld voor de voertuigen, batterijen en infrastructuur.

Maar zodra deze eenmaal zijn gebouwd, is er nog maar zeer beperkt grondstoffenverbruik nodig tijdens het gebruik. Er is geen sprake van voortdurende verbranding van nieuwe brandstoffen. De afbeeldingen hier rechts uit het rapport ‘Material and Resource Requirements for the Energy Transition’ van de Energy Transition Commission geven dit goed weer. Ondanks de hogere uitstoot tijdens productie zorgen bijvoorbeeld elektrische voertuigen gedurende hun volledige levensduur voor aanzienlijk minder uitstoot dan hun fossiele tegenhangers (Verma et al., 2022). Daarnaast zijn er op Europees niveau belangrijke stappen gezet om de duurzaamheid van elektrische aandrijving verder te verbeteren. Zo speelt de European Battery Alliance een centrale rol in het stimuleren van recycling van grondstoffen in batterijen, waaronder de materialen in kathodes en anodes van batterijen. Daarnaast speelt de European Raw Materials Alliance een belangrijke rol bij andere technologieën, zoals het recyclen van zeldzame aardmetalen uit magneten in elektromotoren. Door dit soort beleid krijgen deze grondstoffen een veel langere levensduur, wat de druk op nieuwe mijnbouwactiviteiten verlaagt.

Het eerdergenoemde rapport van de Energy Transition Commission laat ook zien dat er op aarde genoeg grondstoffen zijn voor de energietransitie, maar dat het vooral van belang wordt dat de extractie op tijd wordt opgeschaald. Daarnaast worden bijvoorbeeld batterijen en zonnepanelen steeds materiaalefficiënter geproduceerd, dus er zijn steeds minder materialen nodig in een batterij of zonnepaneel om dezelfde energiedichtheid te bereiken of om dezelfde hoeveelheid energie op te wekken. Met het oog op de sociale omstandigheden wordt er in de sector steeds vaker gekozen voor ijzer-fosfaatbatterijen (LFP) in plaats van nikkel-mangaan-kobalt batterijen. LFP-batterijen gebruiken ijzer en fosfaat, grondstoffen waarvan de winning doorgaans onder betere omstandigheden plaatsvindt en die breder verspreid beschikbaar zijn. Dit in tegenstelling tot kobalt, waar de mijnbouw regelmatig gepaard gaat met slechte arbeidsomstandigheden. Daarnaast is het ook hier belangrijk om te vergelijken met de sociale omstandigheden in de fossiele keten, waar vergelijkbare problemen plaatsvinden. Er moet zeker nog veel verbeteren in de ketens voor elektrificatie, maar het is wel belangrijk om te zien dat het alternatief zeker niet beter is.

Bronnen: Energy Transition Commission | Verma et al., 2022 | European Battery Alliance | European Raw Material Alliance

Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

18

03

Reductiepotentieel Mobiliteit

173 kton

Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

Mobiliteit – Personenmobiliteit Situatie en prognoses

Op basis van het reductiemodel is ingeschat dat ~11% van de scope 3-uitstoot van de gemeente Amsterdam samenhangt met personenmobiliteit. Deze categorie omvat zowel zakelijke mobiliteit als gedeelten van woon-werkverkeer. Ontwikkeling en prognose De CO₂-uitstoot van personenauto’s in Nederland daalt geleidelijk. In 2023 bedroeg de gemiddelde emissiefactor voor voertuigen met onbekende brandstofsoort nog 0,191 kg CO₂/km (bron: CO₂emissiefactoren.nl). Door de groei van volledig elektrische voertuigen (battery electric vehicles, BEV’s), gecombineerd met de verduurzaming van de elektriciteitsmix, neemt de gemiddelde uitstoot per kilometer structureel af. Reizen per trein, metro of elektrische bus hebben een dusdanig lage emissiefactor dat deze voor het reductiepotentieel geen grote rol spelen. Bovendien zijn dit ook elektrische modaliteiten waarbij de uitstoot nog verder gaat dalen (zie elektriciteit) Volgens CE Delft daalt de emissiefactor naar 0,1066 kg CO₂/km in 2035, met een nagenoeg nul-uitstoot in 2050. Tegelijkertijd groeit het aandeel elektrische personenauto’s in het totale wagenpark naar verwachting van 6,1% in 2024 naar 47% in 2035, en zelfs 100% in 2050 (bron: ElaadNL).

De onderstaande grafiek toont deze ontwikkelingen gecombineerd: de oranje lijn geeft de dalende gemiddelde uitstoot per kilometer weer, de blauwe lijn het stijgende aandeel volledig elektrische voertuigen (BEV). Deze trends zijn cruciaal voor het realiseren van reductiedoelen in de categorie mobiliteit. 0,198

100,0%

Uitstoot personenauto's Nederland Ontwikkeling en prognose

0,191

0,20

100%

0,18

90%

0,16

80% Emissiefactor voertuig onbekend - CE Delft

kgCO2/kWh

0,12

70%

0,149

Prognose CE Delft

60%

Extrapolatie EF - CE Delft

47,0%

Percentage personenautos (BEV) - CBS

0,10

50% 0,1066

Prognose %BEV - Elaad

0,08

% EV

0,14

40%

Extrapolatie %BEV - Elaad 0,06

30%

0,04 0,02

20%

1,6%

2,8%

3,7%

4,9%

6,1%

10%

0,00

0% 2020

2025

2030

Bronnen: CO₂emissiefactoren.nl | ElaadNL Outlook

2035

2040

2045

Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

2050

20

Mobiliteit – Personenmobiliteit Resultaten

Reductiepotentieel

Kosten

Ca. 11% van de scope 3 uitstoot van Amsterdam is gekoppeld aan personenmobiliteit. Dit betreft 69 kiloton CO2.

De daling van de CO₂-uitstoot bij personenmobiliteit komt deels voort uit een autonome ontwikkeling: de groei van EV’s wordt gestuurd door nationaal beleid, fiscale stimulering en technologische innovatie.

Personenmobiliteit vormt een relevante uitstootbron binnen scope 3 van de gemeentelijke organisatie, met name via zakelijke ritten en woon-werkverkeer, maar ook transport van (diensten)leveranciers. De uitstoot is sterk afhankelijk van het type voertuig en de gebruikte energiebron. Door de snelle toename van volledig elektrische voertuigen (BEV’s) in het Nederlandse wagenpark en de gelijktijdige daling van de emissiefactor van elektriciteit, neemt de gemiddelde CO₂-uitstoot per kilometer sterk af. Op basis van de huidige prognoses ligt het reductiepotentieel voor de uitstoot van personenauto’s op circa 50% in 2035 en 100% in 2050. De gemeente Amsterdam draagt hier direct aan bij via elektrificatie van het eigen wagenpark, maar indirect ook door duurzaam mobiliteitsbeleid richting medewerkers, aannemers en partners.

Timing

Voor de gemeente betekent dit dat het grootste deel van de reductie zonder directe gemeentelijke kosten of beleidsinspanningen gerealiseerd wordt, vooral wanneer het gaat om emissiereductie buiten de eigen vloot. Echter zal de gemeente voor 2030 en 2040 wel additionele inspanningen moeten leveren. De gemeente kan versnelling stimuleren via beleid rondom reiskostenvergoeding, mobiliteitsbudgetten en aanbestedingscriteria. Om zo duurzame alternatieven zoals het gebruik van het openbaar vervoer en elektrische rijden te stimuleren. Ook het faciliteren van laadinfrastructuur op gemeentelijke locaties kan een rol spelen, waar wel extra kosten aan verbonden zitten.

2030 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

53 kton

16 kton

23%

2040 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

25 kton

44 kton 63%

2050 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

0 kton

69 kton 100%

Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

21

Mobiliteit – Zwaar materieel Situatie en prognoses

Op basis van het reductiemodel is ingeschat dat ca. 17% van de scope 3-uitstoot samenhangt met het gebruik van zwaar materieel, zoals vrachtwagens, vuilniswagens en mobiele werktuigen. De elektrificatie in deze categorie verloopt trager dan bij personenmobiliteit, maar neemt de komende jaren toe dankzij technologische doorontwikkeling. De truckbouwer Volvo heeft bijvoorbeeld al meer dan 5.000 elektrische vrachtwagens verkocht, waarvan 1.500 in het afgelopen jaar. Ontwikkeling en prognose In 2023 zijn OV-bussen in stedelijke gebieden al grotendeels elektrisch (>80%), maar bij vrachtwagens (<3%), vuilniswagens (5–10%) en bouwmaterieel (<5%) is de transitie nog beperkt. Verwacht wordt dat deze modaliteiten tussen 2030 en 2050 sterk elektrificeren, mede door zero-emissie zones, aanbestedingseisen en subsidieregelingen. Vooruitzichten: •

2035: OV-bussen vrijwel volledig elektrisch, trucks ~36%, mobiele werktuigen ~51%.

•

2050: Alle zware modaliteiten zijn grotendeels elektrisch of emissievrij (EV/H₂/bio).

•

De onderstaande prognoses zijn gebaseerd op analyses van ElaadNL, en tonen de verwachte groei in elektrisch marktaandeel én bijbehorende stroomvraag (TWh per jaar). Dit onderbouwt de grote impact die deze categorie kan hebben op de stedelijke energievoorziening en CO₂-reductie.

Bronnen: Rijksoverheid: ZES zones | Green Deal Duurzaam GWW | ElaadNL 2023 | Volvo

22

Mobiliteit – Zwaar materieel Resultaten

Reductiepotentieel

Kosten

Ca. 17% van de scope 3 uitstoot van Amsterdam is gekoppeld aan zwaar materieel. Dit betreft ca.104 kiloton CO2.

De kosten voor elektrificatie variëren sterk per subcategorie. Elektrische OV-bussen zijn inmiddels economisch concurrerend, mede door eerdere subsidies.

Zwaar materieel – zoals de uitstoot van vrachtwagens en bouwmachines tijdens het vervoeren van goederen en uitvoeren van werkzaamheden op gemeentelijke projecten – is een significante scope 3-uitstootbron. Hoewel het huidige elektrificatiepercentage laag is, ligt hier een groot reductiepotentieel. Dankzij beleidsdruk (zero-emissiezones, aanbestedingseisen) en technologische ontwikkeling groeit het aandeel elektrisch materieel de komende jaren snel. Op basis van de projecties van ElaadNL en aanvullende beleidsdoelen is ingeschat dat de uitstoot van deze categorie tussen 2022 en 2050 met ruim 97% kan dalen.

Timing

Voor vuilniswagens en lichte bouwmachines worden de kosten snel lager, dankzij bredere beschikbaarheid van modellen. Zware vrachtwagens en specialistisch bouwmaterieel kennen nog hogere meerkosten vanwege batterijcapaciteit, actieradius en laadbehoefte.

Echter, door schaalvergroting en innovatie nemen de kosten structureel af. Toch zijn de gemiddelde extra kosten over de periode 2025-2050 ingeschat op ca. 200 €/tonCO2. Dit zou kunnen betekenen dat deze meerinvesteringen worden doorbelast naar een eindklant, zoals bijvoorbeeld de gemeente Amsterdam. Dit is echter een hoog-over inschatting, gebaseerd op de hoge bandbreedte van het IPCC Sixth assessment report.

2030 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

72 kton

32 kton

31%

2040 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

31 kton

73 kton 70%

2050 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

3 kton

101 kton 97%

Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

23

04

Reductiepotentieel Gebouwde omgeving 127 kton

Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

Gebouwde omgeving Situatie en prognoses

De gebouwde omgeving is ~21% van de scope 3-uitstoot van de gemeentelijke organisatie. Deze emissies bestaan uit twee hoofdgroepen: •

Downstream leased assets (categorie 13) – Eigen panden gemeente Amsterdam, gebruikt door derden - Dit betreft gebouwen die in eigendom of beheer zijn van de gemeente (zoals kantoren, zwembaden, sporthallen).

•

Energiegebruik via vastgoed van leveranciers of investeringen (categorie 1 en 15). Dit omvat de uitstoot in de keten of van organisaties waar Amsterdam een financieel belang heeft.

Ontwikkeling en prognose: eigen panden (categorie 13) De gemeente Amsterdam heeft als doelstelling om al haar panden uiterlijk in 2040 aardgasvrij te maken. In de prognose is door Anthesis aangenomen dat: •

50% van deze panden overstapt op stadswarmte

•

50% overstapt op elektrische verwarming (warmtepompen e.d.)

•

De emissiefactor van stadswarmte jaarlijks met 2% daalt (op basis van verduurzaming warmtenet)

De onderstaande grafiek toont de verwachte emissiereductie van deze gebouwen, van ruim 31.000 ton CO₂ in 2022 naar ca. 3.100 ton CO₂ in 2050. Deze afname wordt vooral gedreven door het volledig uitfaseren van aardgas en het verduurzamen van de warmtelevering. Vastgoed van derden / investeringen De uitstoot van panden gebouwd of beheerd door leveranciers is lastiger te beïnvloeden, maar groter in absolute zin. Deze emissies vallen in scope 3, categorie 1 en 15. Hier zijn dezelfde aannames gedaan als voor het eigen vastgoed, met als verschil dat hier is uitgegaan van 2050 als richtjaar voor 100% aardgasvrije panden. Uitstoot eigen panden Amsterdam (categorie 13) 35.000 31.646 27.138

30.000

tCO2

25.000

Uitstoot Stadswarmte

19.940

20.000

Uitstoot Aardgas 12.378

15.000 10.000 5.000

4.453

3.798

3.144

2040

2045

2050

0

2020

2025

2030

2035

Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

25

Gebouwde omgeving – eigen gebouwen Resultaten

Reductiepotentieel

Kosten

De gemeentelijke panden vertegenwoordigen momenteel ca. 32 kiloton CO₂-uitstoot (2022), voornamelijk door aardgasgebruik.

De kosten voor deze reductie zijn reeds ingecalculeerd in het gemeentelijk vastgoedbeleid. Investeringen in isolatie, warmtepompen en aansluiting op stadswarmte zijn deels gesubsidieerd (bijv. via BZK-programma’s) en worden uitgesmeerd over meerjarenonderhoudsplannen (MJOP’s). De meerkosten per ton CO₂-reductie worden hierdoor gemiddeld ingeschat.

Op basis van het gemeentelijk beleid om alle panden in 2040 aardgasvrij te maken, en de verwachte verduurzaming van stadswarmte (−2% emissiefactor per jaar), daalt de uitstoot naar ~3.100 ton in 2050. Dat komt neer op een reductie van ruim 90% t.o.v. 2022. Het potentieel is daarmee grotendeels vastgelegd in bestaand beleid en vormt een betrouwbare reductiecomponent.

Timing

Echter is het de vraag of dit echt meerkosten zijn, aangezien deze kosten al onderdeel van het staande beleid zijn, en niet het gevolg van de scope 3 doelstellingen van de gemeente Amsterdam. De gemeentelijke doelstellingen voor scope 3 vereisen wel snellere reducties dan voor de stad Amsterdam als geheel, daarom zullen hier waarschijnlijk aanvullend inspanningen moeten worden geleverd.

2030 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

20 kton

12 kton

38%

2040 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

4 kton

28 kton 86%

2050 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

3 kton

29 kton 90%

Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

26

Gebouwde omgeving – leveranciers & investeringen Resultaten

Reductiepotentieel

Kosten

De panden in de keten en investeringen vertegenwoordigen momenteel ca. 91 kiloton CO₂-uitstoot (2022), voornamelijk door aardgasgebruik.

De kosten liggen niet bij de gemeente zelf, maar worden gedragen door de opdrachtnemer. Wel kunnen eisen leiden tot hogere kosten qua opdrachtverlening, die indirect invloed hebben op aanbestedingen.

De emissies uit vastgoed van leveranciers (bijv. utiliteitsbouw via aanbestedingen) vallen binnen scope 3, categorie 1 en 15. Deze groep is omvangrijk, maar moeilijker direct te beïnvloeden. Op basis van inkoopanalyse wordt de uitstoot in deze categorie geschat op 91 kton CO₂. Het potentieel hangt af van de sturingsmogelijkheden via inkoopvoorwaarden, maar ook door mee te liften op de landelijke doelstelling van een aardgasvrije gebouwde omgeving. Nieuwe gebouwen worden aardgasvrij gebouwd en de impact van elektriciteitsverbruik neemt ook scherp af. Een reductie van 90% richting 2050 is haalbaar, waarbij de restuitstoot afhangt van de duurzaamheid van het warmtenet tegen die tijd.

Timing

Door inzet op innovatieve aanbestedingsvormen kunnen kosten en reductie hand in hand gaan. Er is ingeschat dat het gemiddeld 85 €/ton extra zal kosten. Met name voor de investeringen, waar de gemeente Amsterdam een duidelijkere rol te spelen heeft dan voor de leveranciers.

2030 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

69 kton

22 kton

23%

2040 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

40 kton

52 kton 55%

2050 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

9 kton

85 kton 90%

Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

27

05

Reductiepotentieel Industrie 199 kton

Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

Staal

Situatie en prognoses Staalproductie is een van de meest emissie-intensieve industriële processen, met een uitstoot van circa 1,8–2,0 ton CO₂ per ton staal. De transitie naar low-carbon staal is echter in volle gang. Er worden momenteel diverse low-carbon staalfabrieken gebouwd in Scandinavië. Waarbij bijvoorbeeld door Stegra in 2030 5 miljoen ton groen staal kan worden geproduceerd. Ontwikkeling en reductieroutes De belangrijkste verduurzamingsroute is waterstofreductie: hierbij wordt ijzererts gereduceerd met groene waterstof in plaats van cokes, waarna het ijzer in een elektrische oven wordt omgezet in staal. Deze zogenaamde groene staalroute (DRI + EAF) kan de CO₂-uitstoot tot 95% reduceren t.o.v. conventionele hoogovens. Daarnaast nemen ook schrootrecycling en CCS (Carbon Capture & Storage) een prominente plaats in. Wereldwijd wordt verwacht dat in 2050: •

31% van het staal wordt geproduceerd via waterstof

•

45% via gerecycled schroot (EAF)

•

24% via CCS of andere innovatieve processen

In Nederland zet Tata Steel in op een waterstofroute, met een eerste fabriek rond 2030 en klimaatneutraliteit in 2045 als doelstelling. Kosten en economische haalbaarheid Low-carbon staal is momenteel 20–50% duurder dan conventioneel staal, voornamelijk door hoge elektriciteitskosten. Zonder ondersteuning is productie op groene waterstof in Nederland economisch moeilijk haalbaar. Toch wordt verwacht dat met schaalvergroting, goedkopere duurzame energie, beleidsmaatregelen zoals CO₂-beprijzing (ETS en CBAM) en subsidies tegen 2050 een gelijkwaardig kostenniveau tussen duurzame en conventionele opties worden bereikt.

Bronnen: Stegra | waterstofmagazine | metaalnieuws.nl | esb | seo.nl

29

Staal

Resultaten Reductiepotentieel

Kosten

Staal is een van de meest CO₂-intensieve materialen in gemeentelijke scope 3-ketens, met name binnen infrastructuur- en bouwprojecten. Ca. 38 kiloton CO2e van de gemeente komt uit staal productie.

Bij de aanschaf van een auto zou deze ca. 100 € duurder worden met low carbon staal ten opzichte van conventioneel. Dat is minder dan 1% van de totale kostprijs.

Op basis van mondiale scenario’s (o.a. IEA, staalroadmaps) is ingeschat dat het technische reductiepotentieel oploopt tot 85–95% in 2050, mits bredere toepassing van: -

-

Schrootrecycling (EAF)

Waterstof-DRA + elektrisch smelten (groen staal) CCS bij conventionele hoogovens

Voor Amsterdam is dit relevant bij aanbestedingen waarin staal wordt toegepast (bruggen, funderingen, draagconstructies). Het potentieel is hoog, maar deze zal niet als business as usual ontstaan. Omdat de verwachting is dat er in 2050 nog altijd geen 100% duurzame staalmarkt is. Het potentieel van 36% kan worden opgehoogd als Amsterdam actief gaat sturen op het inkopen van low carbon staal.

Timing

Low-carbon staal is momenteel 20–50% duurder dan regulier staal, vooral bij productie via waterstof. Deze meerkosten worden op termijn verwacht te dalen door: -

Goedkopere groene elektriciteit

-

Europese CO₂-beprijzing (ETS)

-

Schaalvergroting en innovaties

Tot 2035 blijft CO₂-arm staal waarschijnlijk duurder dan conventioneel staal. Gerichte sturing via gunningscriteria kan uitkomst bieden. Zoals het stimuleren van de inkoop van het groene staal dat op dat moment al wel beschikbaar is op de markt.

2030 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

34 kton

4 kton

10%

2040 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

29 kton

9 kton 23%

2050 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

24 kton

14 kton 36%

Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

30

Cement en beton Situatie en prognoses

Cement en beton vormen een van de grootste bronnen van indirecte CO₂-uitstoot in gemeentelijke bouw- en infraprojecten. De hoge emissie-intensiteit komt vooral voort uit de productie van klinker, het bindmiddel dat ontstaat bij het verhitten van kalksteen in een cementoven. Deze stap veroorzaakt het overgrote deel van de totale uitstoot in de keten. Om die reden zet de sector breed in op verduurzaming, met als einddoel een vrijwel klimaatneutrale betonketen in 2050. In de C&BC 2050 Roadmap, opgesteld door de Europese cement- en betonindustrie, is uitgewerkt hoe deze transitie vorm kan krijgen. Volgens dit traject wordt een emissiereductie van meer dan 100% gerealiseerd – door niet alleen de uitstoot terug te dringen, maar ook CO₂ actief uit de atmosfeer te verwijderen via CCS/CCU. De belangrijkste hefbomen zijn klinkervervanging door secundaire stoffen zoals hoogovenslak en vliegas, het toepassen van alternatieve bindmiddelen zoals geopolymeren, en het optimaliseren van het betonontwerp om met minder materiaal dezelfde prestaties te leveren. In het C&BC-scenario wordt tot 2030 vooral ingezet op deze technieken, waarmee al 30–40% reductie haalbaar is. Na 2030 komt de nadruk steeds meer te liggen op grootschalige implementatie van CO₂-afvang en -opslag (CCS/CCU) bij cementproductie.

Tegelijkertijd groeit het aandeel gerecycled cement en neemt het gebruik van CO₂-neutraal transport in de bouwlogistiek toe. In de roadmap wordt CCS verantwoordelijk geacht voor een derde van de totale reductie, en recycling, optimalisatie en transport voor de rest. De Nederlandse overheid ondersteunt deze koers via het Betonakkoord, waarin publieke en private partijen hebben afgesproken om in 2030 ten minste 30% CO₂reductie in de betonketen te realiseren. Gemeenten kunnen hieraan bijdragen via eisen in bestekken, gunningscriteria en materiaalbewust ontwerp.

Bronnen: cedelft.eu | projecten.topsectorenergie.nl | cembureau.eu | CBC

31

Cement en beton Resultaten

Reductiepotentieel

Kosten

Cement en beton zijn samen goed voor een aanzienlijk deel van de CO₂-uitstoot in gemeentelijke bouwprojecten, met name in funderingen, verhardingen en utiliteitsbouw. Ca. 54 kiloton CO2 van de gemeente komt voort uit cement en beton productie.

CO₂-arm cement is nu gemiddeld iets tot veel duurder dan traditioneel cement, afhankelijk van de gekozen techniek:

De emissies komen grotendeels voort uit de productie van klinker, een energie-intensief proces waarbij kalksteen wordt verhit. Het reductiepotentieel loopt op tot 100% in 2050, mits de gemeente actief low-carbon cement inkoopt. In het Betonakkoord is afgesproken om het aandeel laag-CO₂ cement en bindmiddelen structureel te verhogen. Dit maakt cement en beton tot een van de belangrijkste reductiecategorieën in de infrasector.

•

Timing

Klinkervervanging is relatief goedkoop (~30–50% CO₂-reductie bij beperkte meerkosten)

•

Geopolymeerbeton is duurder, maar kent ~80% lagere footprint

•

CCS is kostbaar: €100+ per ton CO₂, wat kan leiden tot verdubbeling van de cementprijs

Op korte termijn zijn beleidsdruk en financiële prikkels (bijv. MKI-sturing, CO₂heffing) nodig. Richting 2050 kunnen schaalvoordelen en goedkope hernieuwbare energie de meerkosten sterk verlagen. De meerkosten per ton CO2 voor Amsterdam zijn geschat op ca. 125 €/tonCO2. Als voor al het cement deze meerkosten betaald worden, en er voldoende beschikbaar is, dan kan de gemeente Amsterdam hogere reductiepercentages halen dan hier geprognotiseerd.

2030 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

42 kton

12 kton

22%

2040 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

9 kton

45 kton 83%

2050 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

0 kton

54 kton

Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

100%

32

Asfalt

Situatie en prognoses De asfaltsector mikt op 100% circulair en energieneutraal asfalt in 2050. Belangrijkste strategieën zijn: temperatuurverlaging, hergebruik en alternatieve bindmiddelen. Traditioneel wordt asfalt bij ~160°C gemengd met bitumen (olieproduct) als bindmiddel – dit vergt veel aardgas en resulteert in ~25 kg CO₂ per ton (directe emissies) plus nog ~20–30 kg uit bitumenproductie. Door op lagere temperatuur te mengen (bijv. 110°C) daalt het energiegebruik sterk. Zogenoemde lage-temperatuur asfalt (LEAB) reduceert de CO₂-uitstoot met ~30% vergeleken met conventioneel heet asfalt, zonder kwaliteitsverlies. Branchebreed is afgesproken dat vanaf 2025 alle gangbare asfaltmengsels op lage temperatuur worden geproduceerd. Daarnaast wordt hergebruik opgeschaald: oud asfaltgranulaat wordt nu al standaard in onderlagen hergebruikt; de ambitie is full depth recycling – dus ook in de toplaag opnieuw inzetten. Innovatieve asfalt-voertuigen schrapen oude lagen af, verwarmen en mengen ter plekke opnieuw in voor direct hergebruik. Elk procent meer recycling-asfalt bespaart nieuw bitumen en aggregaat. Tot slot wordt gewerkt aan bio-based bindmiddelen (bijv. lignine-asfalt of bitumen uit houtharsen) om fossiele bitumen deels te vervangen.

Waterstof of elektrische warmte voor drogers/ovens zijn ook in onderzoek, zodat asfaltcentrales volledig uitstootvrij kunnen draaien (waterstof kan tot ~30% bijgemengd worden in branders zonder aanpassing). De sectorale roadmap (EAPA, zie afbeelding hieronder) hanteert een reductieverwachting van ~90% tussen 2024 en 2050.

Bronnen: asphaltpavement.org | resolver.tno.nl | bam.com | EAPA

33

Asfalt

Resultaten Reductiepotentieel

Kosten

Asfalt is een veelgebruikt materiaal in gemeentelijke GWW-projecten, met een gemiddelde CO₂-uitstoot van ca. 30–50 kg CO₂ per ton. De totale scope 3-uitstoot uit asfalttoepassingen is substantieel, vooral bij herinrichtingen, onderhoud en nieuwbouw van wegen. Dit betreft ca. 3 kiloton CO2.

De kosten van emissiereductie bij asfalt zijn relatief laag tot gemiddeld, afhankelijk van de gekozen techniek:

•

Hergebruik van oud asfalt: goedkoop en bewezen technologie

Er is een duidelijk reductiepad beschikbaar: via laagdrempelige maatregelen zoals temperatuurverlaging (LA, WLA, ZOAB) en hergebruik van asfaltgranulaat (freesasfalt) kan al tot 40–50% CO₂-reductie worden bereikt. Op langere termijn komen daar innovaties bij zoals:

•

Biobased bindmiddelen: duurder maar in opkomst

-

Biobased bindmiddelen

-

Elektrificatie van asfaltcentrales

-

Vervoer op H₂ of elektriciteit

Het technisch haalbare reductiepotentieel richting 2050 wordt ingeschat op ~80–90%, mits breed toegepast via aanbestedingen.

•

Timing

Warm asfaltmengsel : gelijke prijs, 20– 30% CO₂-besparing

Via MKI-sturing kan in aanbestedingen gestuurd worden op lage CO₂-impact tegen acceptabele meerkosten. Veel asfaltcentrales zijn al in staat om emissiearm te produceren.

2030 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

26 kton

7 kton

20%

2040 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

15 kton

18 kton 56%

2050 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

3 kton

30 kton 91%

Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

34

Baksteen & keramiek Situatie en prognoses

De keramische industrie staat voor de uitdaging om gasgestookte ovens te verduurzamen. Traditionele bakstenen worden op ~1000°C gebakken in gasovens, wat aanzienlijke CO₂-uitstoot geeft. CO₂-arme innovaties richten zich op groene energie voor ovens en nieuwe productieprocessen. De branche heeft een Technology Roadmap Bouwkeramiek uitgezet met als doel ~55% CO₂-reductie in 2030 en 0% in 2050. •

Hergebruik & dematerialisatie: Een manier is minder nieuwe baksteen te produceren. Strategieën zijn slopen met behoud: oude bakstenen hergebruiken in nieuwbouw. Ook worden gevels uitgevoerd in dunne steenstrips in plaats van volle. Een baksteenstrip van 15 mm gebruikt >80% minder materiaal. Diverse nieuwbouwprojecten in NL passen reeds 40–60 mm dunne bakstenen toe, wat ~35% minder CO₂ per m² gevel kan opleveren.

•

Elektrificatie en waterstof: Op langere termijn moeten gasovens vervangen worden. Proeven in de UK hebben aangetoond dat bakstenen bakken met waterstof technisch mogelijk is (het “HyBrick”-project bakte een steen in een elektrische oven gevoed door waterstof). De verwachting is dat tegen 2040–2050 waterstof of biogas de aardgasovens grotendeels kunnen vervangen. Tegelijk wordt gekeken naar elektrische alternatieven: elektrische oven of microgolf-droging om zonder verbranding te verharden. De vier grote steenfabrieken in de ‘Brick Valley’ (langs Waal/Rijn) werken samen om collectief duurzame infrastructuur te realiseren, met als ambitie klimaatneutrale productie van bakstenen. Deze samenwerking mikt op >50% CO₂-reductie op korte termijn.

•

Nieuwe processen: Innovatief is het ontwikkelen van stenen zonder oven. Bijvoorbeeld de CO₂-negatieve baksteen van Vandersanden: deze gevelsteen wordt gemaakt uit residuen (staalslakken) en CO₂ in plaats van uit klei en gas. Deze steen absorbeert CO₂ (±60 kg CO₂ per ton materiaal wordt vastgelegd) in plaats van het uit te stoten en er is geen gasoven nodig. De eerste fabriek hiervoor is in 2024 in Belgisch Limburg geopend, goed voor 20 miljoen CO₂-negatieve stenen per jaar. Hoewel dit specifieke product nog nieuw is, laat het zien dat emissieloze of CO₂-bindende bouwstenen tegen 2050 haalbaar kunnen zijn.

Efficiëntieverbeteringen zijn veelal al doorgevoerd, dus daar is nog maar graduele winst. Kostentechnisch betekent dit dat zonder hulp de sector moeite heeft om 55% CO₂-reductie in 2030 te halen. Investeringen in nieuwe oveninstallaties of waterstofvoorzieningen vergen overheidsondersteuning of samenwerkingsverbanden. Aan de andere kant bieden sommige innovaties ook economische kansen: dunne bakstenen besparen grondstofkosten.

Bronnen: mooivakonderwijs.nl | klimaatweb.nl | projecten.topsectorenergie.nl | verduurzamingindustrie.nl | knb-keramiek.nl | brusselstimes.com

35

Baksteen & keramiek Resultaten

Reductiepotentieel

Kosten

Amsterdam kan de CO₂-uitstoot van 15 kton volledig reduceren tegen 2050, zoals is weergegeven in de Technology Roadmap Bouwwerkkermiek.

De verduurzaming van de keramische industrie gaat gepaard met aanzienlijke kosten, met geschatte kosten van circa €180 per ton CO₂.

Belangrijke reductieroutes zijn: hergebruik en dematerialisatie, elektrificatie en waterstof en nieuwe processen zoals CO₂negatieve stenen die netto CO₂ vastleggen.

Deze relatief hoge kosten worden veroorzaakt door verschillende factoren. Ten eerste is aardgas momenteel goedkoop, terwijl alternatieven zoals waterstof, biogas of elektrificatie duurder zijn. Waterstof is bovendien nog beperkt beschikbaar en opslag is lastig, zeker voor kleinere steenfabrieken.

Innovaties zoals microgolfdrogen, gebruik van residuen i.p.v. klei, en emissieloze stenen versterken dit potentieel.

Hoewel kosten nu hoog zijn, kunnen schaalvergroting en CO₂-beprijzing verduurzaming rendabel maken. Efficiëntieverbeteringen zijn grotendeels gerealiseerd; extra reductie vergt systeeminnovatie en samenwerking. Om in deze productcategorie voldoende CO2-reductie in de keten te halen, is met name 'minder' gebruik noodzakelijk, en draagt 'andere (duurzamere) producten' maar beperkt. Hiervoor 'Hergebruik & dematerialisatie' genoemd.

Timing

Daarnaast vergt de omslag naar CO₂neutrale productie investeringen in nieuwe ovens, infrastructuur voor waterstof of biogas, en onderzoek naar innovatieve productieprocessen. Zonder ondersteuning vanuit de overheid of gezamenlijke samenwerkingsverbanden is het voor de sector moeilijk om de doelstelling van 55% CO₂-reductie in 2030 te behalen. Door CO₂-beprijzing en schaalvoordelen kan de kosteneffectiviteit op termijn verbeteren, mits tijdig geïnvesteerd wordt in innovatie en samenwerking.

2030 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

13 kton

2 kton

15%

2040 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

6 kton

9 kton 57%

2050 Uitstoot Amsterdam

Reductie tov 2022

0 kton

15 kton

Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

100%

36

06

Reductiepotenteel, haalbaarheid en kosten Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

Het cumulatieve reductiepad is onvoldoende om te doelstellingen te halen, maar de doelen zijn wel binnen bereik In de voorgaande secties is per sector het verwachte reductiepotentieel uitgewerkt op basis van technologische ontwikkelingen, beleidskaders en autonome marktbewegingen. Dit heeft geleid tot een geprognosticeerd reductiespoor richting 2030, 2040 en 2050. De figuur hiernaast brengt deze reductiepaden in beeld en legt deze naast het beoogde reductiedoel van de gemeente Amsterdam. Zoals zichtbaar is, wordt op veel onderdelen significante CO₂-reductie verwacht binnen de scope 3-keten. Tegelijkertijd blijkt dat het tempo van autonome reductie naar verwachting niet volledig in lijn ligt met de gestelde ambities. Dit betekent echter niet dat de reductiedoelstellingen onhaalbaar zijn, het onderstreept juist de noodzaak voor gerichte sturing op het verduurzamen van gemeentelijke inkoop. Zo wordt in de prognoses bijvoorbeeld aangenomen dat in 2040 slechts circa 23% van het staal op de markt ‘groen’ geproduceerd is. Dit impliceert niet dat Amsterdam ook slechts 23% van haar staalvraag duurzaam hoeft in te kopen. Door actief te sturen op aanbestedingscriteria kan de gemeente een groter deel van haar vraag invullen met beschikbaar low-carbon staal.

Daarnaast is in het model geen rekening gehouden met reductieopties als materiaalreductie of substitutie (bijvoorbeeld houtbouw in plaats van staal en beton), het beschikbaar komen van removals, of bredere veranderingen zoals lagere bestedingen. Dit betekent dat het geprojecteerde reductiespoor een conservatieve inschatting is, versnelling is mogelijk mits er beleidsmatig op wordt ingezet.

Rapport reductiepotentieel gemeente Amsterdam

38

Kosten en opbrengsten MACC-curve

Hoewel het buitengewoon lastig is om over een langere periode betrouwbare kostenramingen te maken, is voor deze analyse toch een poging gedaan om de marginale kosten per ton CO₂-reductie in kaart te brengen voor de tien belangrijkste maatregelcategorieën. Historische voorbeelden - zoals de onverwachte kostendalingen van zonnepanelen in de afgelopen decennia - laten zien dat technologische doorbraken, beleidswijzigingen (zoals salderingsregelingen of SDE++subsidies) en de ontwikkeling van de CO₂-prijs een aanzienlijke impact kunnen hebben op de businesscase van klimaatmaatregelen. Met deze onzekerheden in het achterhoofd is gewerkt met bandbreedtes en aannames, deels geïnspireerd op de kostenschattingen uit het IPCC AR6-rapport (zie pagina 14). Het resultaat is samengebracht in de hiernaast weergegeven Marginal Abatement Cost Curve (MACC). Hierin is per maatregelcategorie het reductiepotentieel afgezet tegen de geschatte marginale kostprijs per vermeden ton CO₂. De gemiddelde abatement kosten1 over alle maatregelen komt uit op circa €90 per ton CO₂ aan extra kosten voor de markt.

Belangrijke inzichten uit de analyse: •

Lage of negatieve kosten: Elektrificatie van personenmobiliteit en verduurzaming van het elektriciteitsgebruik, hebben een lage of zelfs negatieve kostprijs. Dit komt omdat dit autonome ontwikkelingen zijn die zich momenteel snel uitrollen.

•

Gemiddeld betaalbaar: Een groot deel van de maatregelen in sectoren als industrie (staal, cement, asfalt) en gebouwde omgeving bevindt zich in de bandbreedte van €50–100 per ton CO₂. Dit zijn maatregelen die doorgaans goed inpasbaar zijn binnen bestaande aanbestedingsbudgetten, mits CO₂-prestaties als gunningscriterium worden meegenomen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16373100/1