Bijlage 5 Toelichting op Beleidskader HGS.pdf
Tekst van het document
Bijlage 5: Toelichting bij Beleidskader Hoofdgroenstructuur Inleiding In de Omgevingsvisie 2050 is één van de strategische keuzes om de stad ‘rigoureus te vergroenen’. Een geactualiseerde Hoofdgroenstructuur levert een belangrijke bijdrage aan deze ambitie. Het huidige beleidskader Hoofdgroenstructuur zoals opgenomen in de Structuurvisie 2040 sluit niet meer aan bij de nieuwe ambitie en wordt met voorliggend Beleidskader geactualiseerd. In deze toelichting komen de volgende vragen aan bod: 1. Waarom heeft Amsterdam een Hoofdgroenstructuur? 2. Wat blijft hetzelfde en wat zijn de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de vorige versie van de Hoofdgroenstructuur? 3. Hoe werken deze veranderingen door in de nieuwe toetskaart van de Hoofdgroenstructuur?
1. Waarom heeft Amsterdam een Hoofdgroenstructuur? Doel Hoofdgroenstructuur Amsterdam groeit: er komt steeds meer bebouwing bij. Door de beperkte ruimte staat het groen onder druk. Bij een complete stad hoort voldoende en gevarieerd groen om goed te kunnen functioneren. Daarom zijn de voor de stad onmisbare groengebieden aangewezen als Hoofdgroenstructuur en blijven behouden voor nu en voor de toekomst. Op die manier blijft Amsterdam een mooie, gezonde en leefbare stad voor mens, plant en dier. Een gezonde en aantrekkelijke stad is ook een economisch vitale stad. Werking en positionering Sinds de introductie in 2002 wordt de Hoofdgroenstructuur als planologisch-juridisch instrument ingezet om het waardevolle stedelijke groen binnen de stadsgrenzen van Amsterdam te behouden en te versterken. Het huidige beleidskader Hoofdgroenstructuur zoals opgenomen in de Structuurvisie 2040 sluit niet meer aan bij de nieuwe ambitie en wordt met voorliggend Beleidskader geactualiseerd. In dit Beleidskader worden op de toetskaart de bestaande groene en blauwe gebieden aangewezen die tot de Hoofdgroenstructuur behoren en worden er verschillende ‘soorten’ groen onderscheiden (groentypen). Welke initiatieven er wel of niet een plek kunnen krijgen binnen de Hoofdgroenstructuur wordt per groentype beschreven in voorliggend beleidskader.
Het beleidskader is geldig voor 10 jaar, maar zal periodiek worden geactualiseerd op eventueel tussentijds genomen raadsbesluiten. Om te beoordelen of een initiatief of plan een verbetering van de groenfunctie betekent blijven we de komende jaren gebruikmaken van de adviezen van een onafhankelijke toetscommissie (Technisch Adviescommissie Hoofdgroenstructuur, TAC). Naar verwachting zal de rol van de TAC in de toekomst (op z’n vroegst over 2 jaar) opnieuw worden bezien in relatie tot een mogelijk in te stellen Commissie Omgevingskwaliteit als uitvloeisel van de Omgevingswet. Toetsing door de TAC gebeurt op basis van dit beleidskader. Alleen B&W kan, met instemming van de gemeenteraad, een negatief advies van de TAC naast zich neerliggen en besluiten dat er zwaarder wegende argumenten zijn om toch ruimte te bieden aan een functie die volgens het Beleidskader en TAC advies niet inpasbaar zijn.
2. Wat blijft hetzelfde en wat zijn de belangrijkste wijzigingen ten opzichte van de vorige versie van de Hoofdgroenstructuur? Stevige borging van de beschermingsstatus Met voorliggend beleidskader blijft de zware beschermingsstatus van de Hoofdgroenstructuur behouden en wordt deze nog steviger geborgd door toetsing in een vroeg stadium van de planvorming. Een robuuste Hoofdgroenstructuur heeft juridisch-planologische bescherming nodig. Door groen op te nemen in de Hoofdgroenstructuur wordt het beschermd tegen verharding. We voorkomen op die manier dat er bij de vele bouwprojecten in de stad steeds stukjes worden afgesnoept, waardoor de structuur uit elkaar valt en de juist zo belangrijke samenhang verloren gaat. Daarom worden ruimtelijke plannen getoetst aan de richtlijnen uit dit beleidskader en wordt de Hoofdgroenstructuur verankerd in het Omgevingsplan (naar verwachting in 2023). Dit kan gevolgen hebben voor het financiële resultaat van ruimtelijke plannen. Woningbouw, werkgerelateerde functies of andere vormen van verharding, die niet ondersteunend zijn aan de groenfunctie, zijn niet toegestaan. Dit geldt ook voor ruimtevragers die samenhangen met de groei van de stad, zoals nieuwe infrastructuur voor georganiseerde sport, vrije ruimte, mobiliteit of energietransitie.
In de Omgevingsvisie 2050 is ervoor gekozen om bestaande sportparken te handhaven in de Hoofdgroenstructuur, omdat deze vaak op essentiële plekken in de Amsterdamse groenstructuur zijn gelegen. De ecologische waardevolle groene omzomingen van veel sportparken maakt dat ze integraal onderdeel uitmaken van het groenblauwe raamwerk. Voor de uitbreiding van het sportareaal binnen de Hoofdgroenstructuur is de Omgevingsvisie 2050 leidend. Bij de verdichtingsopgave ontzien we het groen en het landschap zoveel mogelijk. Waarborging van voldoende sportaanbod in de open lucht doen we door sport in te passen in stedelijk gebied (buiten de Hoofdgroenstructuur) en door bestaande sportparken te optimaliseren. Daar waar dit uiteindelijk niet mogelijk blijkt is een gemeenteraadsbesluit vereist om uitbreiding in de Hoofdgroenstructuur toe te staan. Behoud van een onafhankelijke toetscommissie Om te beoordelen of een initiatief of plan een verbetering van de groenfunctie betekent blijven we de komende jaren gebruikmaken van de adviezen van een onafhankelijke toetscommissie (Technisch Adviescommissie Hoofdgroenstructuur, TAC). Toetsing door de TAC gebeurt op basis van dit beleidskader.
Alleen B&W kan, met instemming van de gemeenteraad, een negatief advies van de TAC naast zich neerliggen en besluiten dat er zwaarder wegende argumenten zijn om toch ruimte te bieden aan een functie die volgens het Beleidskader en TAC advies niet inpasbaar zijn. Projecten, initiatieven of plannen die betrekking hebben op de Hoofdgroenstructuur, en in tegenspraak zijn met het vigerende bestemmingsplan, moeten vroegtijdig voor toetsing aan de TAC worden voorgelegd. In vergelijking met de vorige Hoofgroenstructuur is in dit beleidskader een aanscherping aangebracht ten aanzien van de momenten van toetsing. Projecten hebben de verantwoordelijkheid om bij aanvang van hun project richting bestuur inzichtelijk te maken of er Hoofdgroenstructuur betrokken is bij de gebiedsontwikkeling. Vervolgens dient in twee fasen van planvorming volgens het Plaberum (Plan- en Besluitvormingsproces Ruimtelijke Maatregelen) of het PBI (Plan- en Besluitvormingsproces Infrastructuur) een toets door de TAC te worden aangevraagd, waar dit voorheen alleen voor fase 4 gold. Ook kan in fase 1 en 2 van de planvorming facultatief al een preadvies gevraagd worden. Door tijdige advisering worden kansen voor versterking van de Hoofdgroenstructuur eerder betrokken bij de planvorming.
Het resultaat van de toetsing (in de vorm van een TAC-advies aan het gemeentebestuur) moet tijdig beschikbaar zijn, zodat het college nog de mogelijkheid heeft een plan te (laten) aanpassen.
De TAC blijft hetzelfde type plannen en initiatieven toetsen als eerder het geval was. Voor een aantal gebieden of locaties in de stad, waar volgens de Omgevingsvisie sprake is van een bijzondere situatie, geldt dat de TAC niet toetst 'of' een initiatief kan worden ingepast maar wel 'hoe' (in welke mate, met welke ruimtelijke structuur en met welke inrichting/ vormgeving). Dit geldt bijvoorbeeld voor gebiedsontwikkelingen en voor sportlandschappen. Voor deze bijzondere situaties geldt enige mate van flexibiliteit ten aanzien van de toetsing, in ruil voor een overtuigend plan of ontwerp waarmee de HGS wordt versterkt. De TAC toetst in deze gevallen of na transformatie de HGS aantoonbaar beter is geworden en bestaande groengebieden of verbindingen binnen het projectgebied, die onvervangbaar zijn vanwege monumentale, cultuurhistorische, landschaps-architectonische of ecologische waarden, minimaal behouden zijn gebleven. Naar verwachting zal de rol van de TAC in de toekomst (op z’n vroegst over 2 jaar) opnieuw worden bezien in relatie tot integratie in de bredere toetscommissie (Commissie Omgevingskwaliteit Amsterdam) die toeziet op een integrale toetsing op ontwikkelingen in de stad als uitvloeisel van de Omgevingswet.
De TAC heeft in het kader van de ter visie legging van het beleidskader Hoofdgroenstructuur een TAC-advies afgegeven, waarvan de hoofdpunten zijn opgenomen in de Nota van Beantwoording. Meer groen en blauw aangewezen als Hoofdgroenstructuur In vergelijking met de vorige versie (zoals opgenomen in de Structuurvisie 2040) is de voorgestelde Hoofdgroenstructuur per saldo gegroeid. Dat is bijzonder in een sterk verdichtende stad, maar ook randvoorwaardelijk voor een gezonde en leefbare stad richting toekomst. Meer groen in Amsterdam krijgt een beschermde status.
Er zijn meer waterelementen aan de Hoofdgroenstructuur toegevoegd. Niet al het water gaat deel uitmaken van de Hoofdgroenstructuur, het gaat om de blauwe elementen in de stad die onlosmakelijk met het groen van de Hoofdgroenstructuur verbonden zijn, soms ook vanuit cultuurhistorisch perspectief. Denk aan de stedelijke recreatieplassen in de stadsparken (zoals de Sloterplas en Gaasperplas) of waterlopen die deel uitmaken van groene verbindingen. De inzet is dat deze waterpartijen en oevers, in lijn met de Watervisie (2016), nog meer natuur- en recreatieve waarde krijgen. Van een mozaïek naar een robuust groen netwerk voor mens én dier In lijn met de ambitie zoals beschreven in de Groenvisie 2020-2050 en de Omgevingsvisie 2050 ontwikkelt de Hoofdgroenstructuur zich van een voornamelijk mensgerichte groenstructuur bestaande uit losse onderdelen naar een aaneengesloten groenblauw netwerk voor mens én dier. Het Amsterdamse stedelijke groenbeleid is nu nog opgebouwd rondom drie verschillende stedelijke groenstructuren die deels overlappen en naast elkaar functioneren: de Hoofdgroenstructuur, de Ecologische Structuur en de Hoofdbomenstructuur. Vanwege de grote onderlinge samenhang is het de ambitie in de Omgevingsvisie 2050 om deze structuren in stappen met elkaar te verknopen tot één robuuste groenstructuur. Daarom is de Amsterdamse Ecologische
Visie (2012) voor dit Beleidskader gepreciseerd en opgenomen in het Beleidskader Hoofdgroenstructuur. De Amsterdamse Ecologische Visie (2012) komt daarmee als op zichzelf staand beleidskader te vervallen. Het is op dit moment nog niet mogelijk om de Hoofdbomenstructuur op te nemen in de Hoofdgroenstructuur. Daarvoor moeten eerst een aantal stappen worden doorlopen: actualisatie naar een meer gedetailleerde Hoofdbomenstructuur; selectie welke structuren uit de Hoofdbomenstructuur onderdeel gaan uitmaken van de Hoofdgroenstructuur; onderzoeken op welke wijze integrale toetsing kan worden georganiseerd. Het actualiseren van de Hoofdbomenstructuur zal worden betrokken bij de actualisatie van het Beleidskader Puccinimethode, waar de Hoofdbomenstructuur deel van uitmaakt. De actualisatie van het Beleidskader Puccinimethode is naar verwachting eind 2023 gereed voor vaststelling door de gemeenteraad. Versterking van de variatie van het groen Amsterdam wil de variatie aan groengebieden behouden en versterken (Groenvisie 2020-2050). In voorliggend Beleidskader Hoofdgroenstructuur is door het introduceren van een aantal nieuwe groentypen (natuurpark, stadsplantsoen, landschap en groene verbinding) en de laag ‘stadsnatuur’ meer nuance en variatie aangebracht.
De specifieke kwaliteiten en gewenste waardeontwikkeling van deze groentypen worden in hoofdstuk 2 en 3 van het Beleidskader beschreven. Verkleuring naar een ander groentype kan alleen op basis van een raadsbesluit. Daarnaast is in lijn met de Groenvisie 2020-2050 een waardensysteem toegevoegd aan het beleidskader parallel aan de gebruikelijke functiebenadering. Stadsgroen is niet alleen belangrijk voor allerlei ‘functies’ in de stad, zoals sport en recreatie, maar heeft ook waarden van zichzelf, zoals klimaatadaptatie. Groen reguleert de waterhuishouding, draagt bij aan biodiversiteit, slaat CO2 op en zorgt voor demping van stijgende temperaturen in de zomer. Tegelijkertijd heeft groen veelal een belangrijke cultuurhistorische waarde en draagt ze bij aan de gezondheid van haar bewoners: het helpt stress reduceren en nodigt uit tot bewegen. Met de 10 waarden die in dit concept Beleidskader worden onderscheiden wordt benadrukt dat al het groen in de stad tegelijk meerdere waarden vertegenwoordigt. Door per groentype drie prioritaire waarden te benoemen geven we sturing aan de gewenste variatie aan groengebieden en de ontwikkelintentie van elk groentype. Groentypen die door de groei van de stad meer onder druk komen te staan blijven binnen dit beleidskader behouden voor de stad.
Dat geldt voor sportparken, maar ook voor de ruigere groengebieden in en rondom de stad waar doorgaans hoge ecologische waarden worden aangetroffen. Binnen het groentype ‘natuurpark’ (vergelijkbaar met het groentype ‘ruigtegebied/ struinnatuur’ in de vorige versie van de Hoofdgroenstructuur) staat het behoud en de beleving van natuur voorop. Ook is door het integreren van de Amsterdamse ecologische structuur in de Hoofdgroenstructuur onder de naam ‘stadsnatuur’ een zwaardere status gegeven aan ecologisch waardevolle gebieden en verbindingen. Anders dan bij de ecologische structuur het geval was gaat de onafhankelijke toetscommissie TAC hier nu ook aan toetsen. Een initiatief binnen ‘stadsnatuur’ zal alleen als ‘inpasbaar’ worden beoordeeld als de natuurwaarde minimaal behouden blijft. In tegenstelling tot de ecologische structuur zijn ook kleinere gebieden binnen stadsparken aangewezen als ‘stadsnatuur’. Denk bijvoorbeeld aan de Koeweide in het Vondelpark. De Ecologische Visie Amsterdam, met daarin de ecologische structuur, komt na vaststelling van het beleidskader Hoofdgroenstructuur te vervallen als afzonderlijk beleidskader. Deze is in geactualiseerde vorm opgenomen in het concept Beleidskader Hoofdgroenstructuur.
Actief werken aan verbetering van de Hoofdgroenstructuur De eisen die de stadsbevolking stelt aan het gebruik van het groen veranderen voortdurend. Daarom werken we aan een Hoofdgroenstructuur die enerzijds robuust is en niet ter discussie staat en anderzijds kan groeien en meebewegen als de stad met al haar bewoners, flora en fauna, daarom vraagt. Per groentype is daarom een beschrijving opgenomen van de gewenste waardenontwikkeling. Een plan of initiatief wordt uitgedaagd om minimaal bij te dragen aan de ontwikkeling van de drie genoemde ‘prioritaire waarden’. Dat kan bijvoorbeeld natuur zijn of gezondheid of recreatie. De vaak gehoorde opvatting ‘dat er niks kan in de Hoofdgroenstructuur’ of ‘dat de stad ermee op slot wordt gezet’, is een misvatting. Een goed functionerende Hoofdgroenstructuur kenmerkt zich door een grote diversiteit aan groen, dat zoveel mogelijk openbaar toegankelijk is en waar mens en dier op uiteenlopende wijzen van kunnen genieten. Daar horen ook gebouwde voorzieningen en routes bij, en ruimte voor verbetering en vernieuwing. Initiatieven en plannen die bijdragen aan een versterking van de Hoofdgroenstructuur en geen afbreuk doen aan bestaande groenwaarden zijn welkom. Vooral binnen de gebieden die komende jaren aanzienlijk transformeren liggen er kansen om de Hoofdgroenstructuur te optimaliseren, zowel kwantitatief als kwalitatief.
In de grote gebiedsontwikkelingen worden nieuwe stadsparken en groene verbindingen aangelegd die straks deel gaan uitmaken van de Hoofdgroenstructuur. Om het beleidskader Hoofdgroenstructuur ‘werkbaar’ te houden, zijn specifieke spelregels meegegeven aan gebiedsontwikkelingen (zie 4.1). Het zijn proces spelregels die het project enige flexibiliteit bieden bij de nadere invulling van de Hoofdgroenstructuur, maar die tegelijk zorgen dat de Hoofdgroenstructuur na de transformatie van het gebied aantoonbaar beter is geworden. Voor het actief werken aan de doorontwikkeling van de Hoofdgroenstructuur zijn daarnaast een aantal vervolgstappen gewenst. In de eerste plaats zal de ontwikkeling van de Hoofdgroenstructuur worden gemonitord onder de vlag van de Groenvisie. Ten tweede wordt, mede op basis van deze monitoring, een ‘Opgavenkaart Hoofdgroenstructuur 2030’ (gepland 2022/2023) voorgesteld, waarmee de raad: actief kan sturen op het kwalitatief en kwantitatief versterken van de Hoofdgroenstructuur, parallel aan de groei van de stad; vanuit een stedelijk perspectief onderbouwing krijgt voor investeringen vanuit beschikbare budgetten voor openbare ruimte en groen, zoals het Strategisch Huisvestingsplan Bovenplans Groen en het Stedelijk Mobiliteitsfonds.
Deze budgetten zijn momenteel – mede onder invloed van investeringsplafonds – beperkt; richting gebiedsontwikkelingen en andere stedelijke projecten helderheid kan bieden over wenselijke kwaliteitsimpulsen in de Hoofdgroenstructuur. In de derde plaats is naar aanleiding van de vele inspraakreacties over dit onderwerp een actie toegevoegd om 'nader te definiëren welke doelen Amsterdam nastreeft ten aanzien van diersoorten en kwaliteit van (ecologisch) groen en wat dit betekent voor het beheer en de inrichting van stadsnatuurgebieden en –verbindingen'. Voor een compleet overzicht van de belangrijkste vervolgacties Hoofdgroenstructuur wordt verwezen naar Hoofdstuk 1.2 in het Beleidskader.
3. Hoe werken deze veranderingen door in het concept Beleidskader Hoofdgroenstructuur (HGS)? Welke groengebieden zijn opgenomen in de nieuwe Hoofdgroenstructuur? Om het instrument succesvol te laten zijn, is het zaak selectief te zijn in de gebieden die onderdeel uitmaken van de Hoofdgroenstructuur: niet te veel groen (want dat zet de stad op slot), maar ook niet te weinig (want we willen een gezonde en leefbare stad zijn en blijven).
In de toetskaart Hoofdgroenstructuur (HGS) is bestaand groen opgenomen of groen waarvan zeker is dat deze op korte termijn gerealiseerd wordt en waar een onomkeerbaar raadsbesluit aan ten grondslag ligt. Het is groen met een wijkoverstijgende functie. Het gaat om groen binnen de gemeentegrens, omdat het stadsbestuur alleen daar zeggenschap over heeft. Het HGS-beleid is een ruimtelijk toetsingsinstrument om initiatieven en planvorming op inpasbaarheid te beoordelen. Het grondgebied van Weesp is (nog) geen onderdeel van de toetskaart. Deze staat als vervolgactie opgenomen voor 2023. In het groen aanwezige en eraan gerelateerde bebouwing en verharding maken ook onderdeel uit van de Hoofdgroenstructuur. Het gaat hierbij om zowel openbaar als particulier groen. Het beleidskader HGS gaat niet over de totale hoeveelheid groen in de stad of de in het coalitieakkoord aangekondigde aanpassing van de sport/groennormen. Het gaat ook niet over groenbeheer, het kleinere (buurt)groen of toekomstig (wenselijk) groen.
Waardoor is de HGS gegroeid ten opzichte van de oude versie? De Hoofdgroenstructuur die voorligt is groter dan de versie die in de Structuurvisie was opgenomen. De groei is te verklaren door: toevoeging van nieuw gerealiseerde groengebieden (zoals Brazapark en Dakpark Spaarndammertunnel); toevoeging van bestaande groengebieden (zoals Ruigoord, erven in Tuinen van West, park bij Kometensingel, Botteskerkpark, groene verbindingen in het havengebied); de integratie van de Amsterdamse Ecologische Structuur in de HGS; toevoeging van water dat onlosmakelijk samenhangt met het groenensemble (zoals Gaasperplas als onderdeel van het Gaasperpark, andere stadsplassen en diverse sloten en vaarten als onderdeel van groene (natuur-)verbindingen. Ook zijn er een beperkt aantal gebieden uit de toetskaart HGS gehaald, waaronder: een aantal onderdelen uit het groentype curiosa (Hortus en Artis), zie toelichting verderop; grenscorrecties op basis van eerdere raadsbesluiten (correctie Het Schouw in Noord; tracébesluit Zuidasdok/A10-Zuid, kanteling sportpark AFC Zuidas); technische grenscorrecties (bedrijventerrein Lutkemeer, jachthavens bij Diemerzeedijk). Welke groentypen staan er op de toetskaart en wat is het verschil met de vorige versie van de HGS? De groentypen uit de oude HGS zijn vrijwel 1-op-1 overgenomen, maar soms met andere namen.
De veranderingen qua groentypen zijn: o ‘Curiosa’ vervalt o ‘Corridor’ -> ‘Groene verbinding’ o ‘Ruigtegebied/struinnatuur’ -> ‘Natuurpark’ o ‘Stadsrandpolder’ -> ‘Landschap’ o ‘Stadspark’ -> ‘Stadspark’ o ‘Begraafplaats’ -> ‘Gedenkpark’ o ‘Volkstuinpark/schoolwerktuin’ -> ‘Tuinpark’ o ‘Sportpark’ -> ‘Sportpark’ o ‘Stadsplantsoen’ (nieuw) Het groentype ‘curiosa’ was vanaf de introductie van het Hoofdgroenstructuurbeleid een rare eend in de bijt. Hierin zaten gebieden die niet rechtstreeks onder één van de andere groentypen te scharen waren. Bij deze actualisatie is besloten dit groentype te laten vervallen. Met de drie hieronder vallende locaties is als volgt omgegaan: o Het Stenen hoofd heeft het nieuwe groentype ‘stadsplantsoen’ meegekregen.
o
Artis en de Hortus zijn uit de Hoofdgroenstructuur gehaald. Het zijn immers plekken die beleidsmatig vanuit andere regimes afdoende bescherming genieten, welke geen (primaire) groenbestemming hebben en waarbij sprake was van betaalde toegang. Het groentype ‘corridor’ is vervangen door het groentype ‘groene verbindingen’. Er staan meer ‘groene verbindingen’ op de nieuwe HGS toetskaart. Deze groene verbindingen hebben (in vergelijking met de corridors) een meer recreatief profiel met mogelijkheden voor fietsen, wandelen, sport, spel. Als een groene verbindingen tevens als ‘stadsnatuur’ op de toetskaart is aangeduid, dan ligt het primaat bij behoud en versterking van de natuurwaarde. De meeste gebieden die het groentype ‘ruigtegebied/struinnatuur’ hadden hebben nu het groentype ‘natuurpark’ meegekregen. De status hiervan is hetzelfde. De nieuwe naamgeving is doorgevoerd om duidelijkheid te scheppen over de positionering van deze gebieden in stedelijke setting, maar vooral ook om de prioritaire waarde van ‘natuur’ binnen deze groengebieden ten opzichte van de meer mensgerichte groenwaarden en groentypen te benadrukken. Organisaties als de TAC en het Groenplatform attendeerden hier bij de totstandkoming van de Groenvisie al op.
Een groengebied krijgt het label natuurpark als het groengebied voor het merendeel ook het label stadsnatuur draagt en er sprake is van een herkenbare eenheid als parkgebied met een flinke omvang en een natuurlijk karakter. Binnen natuurparken zijn er zones (entrees, randen) waar recreatief iets meer mag. Deze intensievere zones hebben daarom bewust in de toetskaart geen ‘stadsnatuur’ label meegekregen. In het verlengde hiervan heeft het groen aan de stadsrand het groentype ‘landschap’ meegekregen ter vervanging van het groentype ‘stadsrandpolder’ welke een wat negatievere connotatie had voor juist heel waardevol groen in en om onze stad. Stadsplantsoen is als nieuw groentype toegevoegd aan de Hoofdgroenstructuur. Het betreft kleine park/tuinachtige gebieden in de stad met een wijkoverstijgende functie die vanwege schaarste of zeldzaamheid zijn toegevoegd aan de Hoofdgroenstructuur. Een aantal gebieden die voorheen het groentype ‘stadspark’ hadden zijn in dit nieuwe groentype omgezet.
Welke gebieden zijn in de toetskaart opgenomen onder een ander groentype? Alleen als het huidige gebruik dusdanig is gewijzigd gedurende de afgelopen 10 jaar of als er nieuw beleid, een visie of plan bestuurlijk is vastgesteld met betrekking tot een groengebied uit de Hoofdgroenstructuur, of als de nieuw geïntroduceerde groentypen passender bleken, dan is het groentype gewijzigd. Dit geldt bijvoorbeeld voor: Wachterliedplantsoen : van Stadspark naar Stadsplantsoen Schellingwouderpark : van Ruigtegebied/Struinnatuur naar Landschap (met stadsnatuur) Schellingwouderbreek : van Stadspark naar Groene Verbinding (met stadsnatuur) Natuurzone Osdorperbinnenpolder ten westen van A5: van Stadsrandpolder naar Natuurpark Het Stenen Hoofd: van Curiosa naar Stadsplantsoen Wilmkebreekpolder: van Ruigtegebied/struinnatuur naar Landschap (met stadsnatuur) Op welke wijze is de sportopgave verwerkt in het Beleidskader HGS? Sportparken vormen belangrijke schakels in de stedelijke groenstructuur en de grotere recreatieve en natuurlijke verbindingen. De randen van sportparken hebben vaak hoge groenwaarden. Om die reden zijn sportparken onderdeel van de HGS. In de vastgestelde Omgevingsvisie Amsterdam 2050 wordt beperkt ruimte geboden voor nieuwe sportparken in de Hoofdgroenstructuur.
Daarvoor wordt het principe van drie stappen aangehouden: Stap 1: Bij de ontwikkeling van nieuwe buurten groter dan 1.000 woningen wordt ten minste de helft van de georganiseerde buitensportopgave (conform de sportnorm) gerealiseerd binnen de buurten.
Stap 2: Het bestaande areaal aan sportterrein blijft behouden en het gebruik wordt geoptimaliseerd zodat meer Amsterdammers op verschillende manieren en verschillende tijdstippen gebruik kunnen maken van deze voorzieningen. Stap 3: Voor lokale sportopgaven waarvoor de eerste twee stappen niet voldoende oplossing bieden kunnen nieuwe sportparken worden gerealiseerd, zowel in een stedelijke setting als in een landschappelijke setting (in het laatste geval dus binnen de Hoofdgroenstructuur).
Voor stap 3 zijn in de Omgevingsvisie een zestal zoekgebieden aangewezen als ‘opgave sportlandschap’ (zie kaart 4 in beleidskader HGS). Deze locaties zijn nauwkeurig geselecteerd op basis van prognoses van de behoefte aan georganiseerde buitensport- en beweegmogelijkheden binnen de komende 10 jaar. Voor sportlandschappen in de HGS gelden een aantal specifieke regels die in hoofdstuk 4.2 van het Beleidskader HGS worden beschreven. De zoekgebieden zijn in eerste instantie bedoeld om het huidige aanbod van sport in bestaande en nieuwe wijken te verrijken met extensieve vormen van georganiseerde buitensport en ongeorganiseerde, individuele sporten, zorgvuldig ingepast in een landschappelijke omgeving. Eventuele sportterreinen, faciliteiten en sportvelden hebben een groene en zo openbaar en toegankelijk mogelijke inrichting. Inpassing dient zorgvuldig te gebeuren en vraagt om maatwerk. Hoewel er consensus is over de 3 stappenmethodiek uit de Omgevingsvisie, biedt deze nog onvoldoende duidelijkheid hoe en waar in de stad voldoende ruimte gevonden gaat worden voor sport en wat daarvan de consequenties zijn voor de Hoofdgroenstructuur. Een besluit over een uitbreiding of eventuele nieuwe locatie voor sport in de Hoofdgroenstructuur, evenals de omzetting van een groentype naar een sportpark, wordt niet genomen in dit beleidskader Hoofdgroenstructuur.
De uitwerking van de methodiek naar de benodigde sportruimte in de stad en de consequenties daarvan voor de Hoofdgroenstructuur gebeurt in het kader van (een uitwerking of actualisatie van) de Omgevingsvisie en de in het coalitieakkoord 2022-2026 aangekondigde herijking van de referentienormen voor sport en groen, omdat deze functies vaak samen komen. In het kader van de Omgevingsvisie wordt er aan de volgende acties gewerkt: Handelingsperspectief Sport in een Groeiende stad. De komende periode wordt inzicht gegeven in hoe de (herijkte) sportnorm gehaald wordt binnen de 1-2-3-methodiek en hoe dit ruimtelijk uitpakt. Actualisatie Referentienorm Maatschappelijke Voorzieningen en in het verlengde daarvan de in het coalitieakkoord aangekondigde actualisatie van de groen- en sportnorm. Er wordt toegewerkt naar een gecombineerde norm voor groen, sport en spelen in de openbare ruimte, waarbij wordt ingezet op het intensiveren van het gebruik van bestaande sportaccommodaties en er rekening wordt gehouden met het groen dat reeds aanwezig is in omliggende gebieden. Sport- en Beweegstructuur. De ontwikkeling van een stedelijke structuur van sportaccommodaties, grote en kleinere sport- en beweegplekken, en routes in de stad, die Amsterdammers uitnodigt buiten te bewegen en te sporten.
Onderdeel hiervan is het versterken van de recreatieve en gezonde waarde van groene ruimte en routes in de stad. Het voeren van sociaal-ruimtelijke regie op de toepassing van de 1-2-3 methodiek over inpassing van de sportopgave in de stad. In diverse inspraakreacties op dit beleidskader is geopperd om sportparken helemaal uit de Hoofdgroenstructuur te halen. Er valt van alles te zeggen voor het ‘uitnemen’ van de sportparken uit de HGS (ze zijn vaak niet echt groen, de primaire functie is sport in plaats van groen, de groenfunctie staat soms op gespannen voet met intensief gebruik voor sport) evenals voor het behouden van de sportparken in de HGS (ze maken onlosmakelijk deel uit van de groene
recreatiestructuur van de stad, ze eruit halen resulteert in ‘gaten’ in de structuur, de randen zijn vaak groen, het behouden in de HGS betekent ook bescherming tegen andere stedelijke functies). Om de inspraakreacties omtrent dit onderwerp serieus te nemen en tegelijkertijd rekening te houden met het stadium waarin het beleidskader zich bevindt (er is tijd nodig om dit te onderzoeken, terwijl vaststelling van het beleidskader niet langer op zich kan laten wachten) wordt in het beleidskader een vervolgactie aangekondigd. “Er wordt onderzocht voor welke sportparken geldt dat de ligging van de parken in de Hoofdgroenstructuur beperkend werkt voor de groenfunctie en/of voor de recreatieve en sportieve functies in het gebied. Voor die sportparken wordt onderzocht of en onder welke voorwaarden deze sportparken nog onderdeel blijven uitmaken van de Hoofdgroenstructuur. Dit kan gekoppeld worden aan de uitwerking van de Sport- en Beweegstructuur.” Deze stap is nodig om goed onderbouwd een keuze te kunnen maken en tot een weloverwogen selectie te komen. Hoe is de Amsterdamse Ecologische Structuur (AES) geïntegreerd in het beleidskader HGS? Conform de ambitie in de Omgevingsvisie 2050 is de Amsterdamse Ecologische Structuur (AES) geïntegreerd in de HGS. Deze komt daarmee als apart instrumentarium te vervallen.
Logischerwijs is met de integratie van de AES de hoeveelheid groen met het primaat ‘natuur’ in de HGS toegenomen. In de oude HGS waren er twee groentypen met het primaat natuur/ecologie: ‘struinnatuur/ruigtegebied’ (lichtgroen) en ‘corridor’(bruin). In de nieuwe HGS is de AES opgenomen onder de naam ‘stadsnatuur’. Er zijn een aantal verschillen met de AES die hieronder worden toegelicht. De AES-kaart is een visiekaart. Naast het bestaande ecologische groen staan er ook ambities (ontbrekende schakels) op deze kaart. Dat is een belangrijk verschil met de toetskaart in de HGS, waar alleen bestaand groen op het grondgebied van Amsterdam een plek in heeft gekregen. Nieuwe wenselijke ecologische verbindingen of het opheffen van knelpunten zijn niet op de toetskaart HGS belandt, maar zullen in de Opgavenkaart HGS een plek moeten krijgen met als doel het stadsnatuur netwerk verder te versterken. De integratie van de AES in de HGS heeft de vaak al bestaande spanningsvelden tussen natuurbelangen en recreatieve belangen op diverse locaties in de stad extra scherp voor het voetlicht gebracht. Daarin zijn in afstemming met stadsecologen keuzes gemaakt. Zo was bijvoorbeeld Park Somerlust onderdeel van de AES. Het overweldigende recreatieve gebruik van deze plek, met name in warme zomermaanden, heeft altijd op gespannen voet gestaan met de aanduiding als ecologische structuur.
In de HGS toetskaart is er voor gekozen om dit soort plekken niet meer als een vlak in te tekenen maar als een stadsnatuur verbinding (in de vorm van een stippellijn). Dat betekent dat vooral de ecologische verbinding belangrijk is en niet zozeer de ligging of de breedte ervan. Dat geeft meer flexibiliteit om deze ecologische verbindingen te combineren met gebruik/ recreatieve voorzieningen. Ook op andere plekken zijn er door een aangescherpte zonering stukjes AES niet teruggekomen als ‘stadsnatuur’ (zoals delen van het Baanakkerspark, Gijsbrecht van Amstelpark en Diemerpark). Daarbij heeft het huidige gebruik van deze plekken de doorslag gegeven. Op andere plekken zijn in vergelijking met de AES juist stukken ‘stadsnatuur’ toegevoegd (zoals grote delen van Waterland, delen van de Tuinen van West en ecologisch waardevolle stukken in stadsparken zoals Vondelpark, Sloterpark en Rembrandtpark. Ook waren in de AES volledige spoorweg- en rangeerterreinen opgenomen. Deze zijn niet opgenomen in de HGS, met uitzondering van het begeleidend groen (taluds) langs deze hoofdinfrastructuurlijnen. Voor zover de provinciale NNN binnen de gemeentegrens ligt, is deze naar stadsnatuur vertaald (dat zie je in stukken van Waterland, Gaasperpark en Gaasperzoom, het water van de Nieuwe Meer en in de kop van de Amstelscheg).
Op verzoek van diverse insprekers en in overeenstemming met motie 200_22 van raadslid Renssen zijn nog extra stadsnatuurgebieden en -verbindingen toegevoegd aan de toetskaart HGS, zowel in stadsparken als op andere locaties in de stad. Het betreft onder andere toevoegingen van stadsnatuur in het Gijsbrecht van Amstelpark, het Amstelpark, Flevopark, rond de Riekermolen, het Piet Wiedijkpark, tussen de tuinparken INTIGO en de Eendracht, over het dakpark A9, op de oostpunt van de Volgermeerpolder en in de groene zoom tussen Buikslotermeer en de A10.
Hoe wordt er straks door de TAC getoetst aan ‘stadsnatuur’? Met het opnemen van de AES in de nieuwe HGS heeft ecologie meer status gekregen en is daarmee steviger verankerd in de toetsings- en planvormingscyclus van gebiedsontwikkelingen. Dit zal naar verwachting leiden tot een steviger behoud en ontwikkeling van de zo gewenste robuuste ecologische structuur. Met de integratie in de HGS zal een initiatief of plan dat ten koste gaat van de natuurwaarde een negatief advies van de TAC krijgen, daar waar tot nu toe veelal meteen gemitigeerd en gecompenseerd werd. Bij de toetsing van initiatieven in stadsnatuur zal er een ambtelijk ecologisch advies betrokken worden. Voorstellen om compenserende/ mitigerende maatregelen te nemen kunnen wel onderdeel zijn van het advies, maar worden daarmee meer expliciet gemaakt. Bij een negatief TAC advies is een afwijkingsprocedure noodzakelijk t/m de raad. Stadsnatuur is geen groentype. Stadsnatuur is een laag die altijd boven op een groentype ligt. Als er sprake is van ‘stadsnatuur’ dan zal de TAC bij haar toetsing het behoud en de versterking van de natuurwaarde op één zetten. En pas daarna gevolgd door de prioritaire waarden van het betreffende groentype. Voorbeeld: in een stadspark zijn de prioritaire waarden: recreatie, sociaal, gezondheid.
In een stadspark met stadsnatuur eroverheen zijn de prioritaire waarden: natuur, recreatie, sociaal, gezondheid. Wat houdt een actualisatieronde van de toetskaart in? Welke wijzigingen kunnen dan worden doorgevoerd? Het huidige Hoofdgroenstructuurbeleid maakte onderdeel uit van de Structuurvisie 2040 en stond daarmee voor circa 10 jaar vast. Conform de werkwijze van de omgevingswet zal het HGS-beleid ook met enige regelmaat (waarschijnlijk 2 jaarlijks naar analogie met de Omgevingsvisie
Amsterdam, waarvan dit een uitwerking is) geactualiseerd worden. Dit betekent niet dat dan de gehele beleidslijn omgegooid wordt, maar het gaat feitelijk om technische en inhoudelijke wijzigingen die voortvloeien uit: tussentijdse bestuurlijke besluitvorming vanuit projectgebieden, thematisch beleid of voortkomend uit een actualisatie van de Omgevingsvisie Amsterdam 2050, met doorwerking op het Hoofdgroenstructuurbeleid (beleidsinhoud en toetskaart). Het kan hierbij gaan om aanpassing van de begrenzing van de Hoofdgroenstructuur en/of toewijzing van een ander groentype; oplevering van gerealiseerd HGS-waardig groen (parken of verbindingen). Of het van groentype verkleuren of schrappen van inmiddels niet meer HGS-waardig groen. Tot slot Amsterdam groeit: er komt steeds meer bebouwing bij. Om goed te kunnen blijven functioneren, is voldoende en gevarieerd groen noodzakelijk. Daarom wijzen we de voor de stad onmisbare groengebieden aan als Hoofdgroenstructuur en behouden we deze voor nu en voor de toekomst. Op die manier blijft Amsterdam een mooie, gezonde en leefbare stad voor mens, plant en dier.