CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 bij brief van de minister.pdf

Raadscommissie Ruimtelijke ordening 15 november 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief betreffende de stand van zaken invoering Omgevingswet. (VN2023-023758)35.585 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

2 alinea's met “integrale”: 84 1147

5.3 Expertsessies Over de transitiekosten is een specifieke expertsessie voor gemeenten gehouden. In deze sessie zijn de transitiekosten nader verkend. In een aantal andere expertsessies, waaraan ook provincies en waterschappen deelnamen, is ook gesproken over de eenmalige effecten. Het betreft onder andere kosten als gevolg van het niet tijdig gereed zijn van het DSO en de meer culturele aspecten van de invoering van de Ow.

41 Gevolgen risicobeheersingstaken stelselherziening Omgevingsrecht voor veiligheidsregio’s, 12 maart 2021, CEBEON 42 Een andere uitvoeringsdienst is de GGD waarvan er geen onderzoek bekend is naar de Ow 43 Onderzoek transitiekosten Omgevingswet, 3 februari 2021, KPMG, pag. 12

Pagina 25 van 105

Uitgangspunt van KPMG is de invoering van de Ow op 1 januari 2022. De experts herkennen dat de periode van 2016 tot 2020 qua omvang van de transitiekosten een opgaande lijn laat zien aangezien veel gemeenten relatief laat gestart zijn. Eveneens wordt herkend dat ongeveer 50% van de financiële middelen aan kosten voor het programmateam worden gemaakt. Vooral de kleinere gemeenten moeten daarvoor externe capaciteit inhuren. Het uitstel van de inwerkingtreding van de Ow van 1 januari 2022 naar 1 januari 2023 heeft volgens de experts niet zozeer geleid tot een tussenjaar. De programmateams zijn volgens de experts op volle sterkte doorgegaan. Een groot deel van de gemeenten heeft nog volop voorbereidingen getroffen om tijdig klaar te zijn voor de nieuwe inwerkingtredingsdatum van de Ow. Het uitstel leidt tot verloop in de programmateams waardoor nieuwe medewerkers worden aangetrokken. Ook zijn verschillende lopende inhoudelijke discussies opnieuw gevoerd omdat daarvoor nog tijd was. Voor het uitstel van de periode 1 januari 2023 naar 1 januari 2024 ligt dat anders. Het overgrote deel van de gemeenten is inhoudelijk en beleidsmatig wel klaar met de voorbereidingen voor de invoering. Een groot deel van de gemeenten lijkt nog wel de programmateams (vanwege onzekerheden rondom DSO, werkprocessen DSO, TAM’s etc.) aan te houden.

Deels treffen deze teams de laatste voorbereidingen voor de invoering dan wel bereiden deze teams voorbereidende werkzaamheden voor die gepland zijn na de inwerkingtreding van de Ow. Verder kiest een deel van de gemeenten ervoor om de programma’s te beëindigen en de werkzaamheden deels over te dragen naar de lijn, maar dit betekent niet dat er geen transitiekosten meer worden gemaakt. De experts geven verder aan dat de Ow een zeer grote wetswijziging is. De omvang is groter dan welke wetswijziging dan ook. Naar verwachting betekent dat volgens de experts ook na de inwerkingtreding extra eenmalige kosten gemaakt moeten worden. De Ow brengt een culturele verandering met zich mee of paradigmashift die volgens de experts nog niet gerealiseerd is. Ondanks het uitstel van de Ow is de periode na invoering niet korter geworden waardoor er meer gerealiseerd moet worden in een kortere periode. Verder zullen de ondersteunende instrumenten van het DSO de komende jaren nog verder moeten worden ontwikkeld en geïmplementeerd. Werkprocessen zullen daarop opnieuw aangepast moeten worden. Het is verder onduidelijk hoelang de TAM’s operationeel blijven.

5.4 Overzicht actualisatie transitiekosten per bevoegd gezag In deze paragraaf staan de geactualiseerde cijfers van de transitiekosten opgenomen van achtereenvolgens: gemeenten, provincies, waterschappen en rijkspartijen. Als laatste zijn twee samenvattingen opgenomen: één samenvatting van de transitiekosten en één samenvatting van dat deel van de transitiekosten dat als uitstelkosten wordt gezien.

Pagina 26 van 105

5.4.1 Gemeenten In tabel 8 staan de geactualiseerde transitiekosten voor gemeenten opgenomen. Tabel 8: Samenvatting actualisatie transitiekosten gemeenten (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022)

Omschrijving A Transitiekosten (KPMG d.d. 3 februari 2021) (prijspijl 2019) B Actualisatie - prijspeil en nieuw onderzoek C Actualisatie - voorafgaand inwerkingtreding Ow D Actualisatie - na inwerkingtreding Ow TOTAAL 20% minder 20% meer

2016 € 10 € 3 € € € 13

2017 € 40 € 10 € € € 50

2018 € 100 € 23 € € € 123

2019 € 200 € 45 € € € 245

2020 € 330 € 73 € € € 403

2021 € 290 € 64 € € € 354

2022 € 150 € 32 € 113 € € 295

2023 € 110 € 24 € 127 € € 260

2024 € 70 € 15 € € 159 € 244

20252029 TOTAAL € 80 € 1.380 € 18 € 306 € € 239 € 156 € 315 € 254 € 2.240 € 1.792 € 2.688

In bijlage 1 staat een verdere toelichting op de onderdelen A t/m D. Hieronder staat een korte samenvatting van de ontwikkeling van de transitiekosten bij de gemeenten van € 1,4 mld. naar € 2,2 mld. waarbij een onzekerheidsmarge is aangehouden van 20% meer en minder. ‘ A. De eenmalige effecten voor gemeenten zijn door KPMG geraamd op € 1,4 mld. (prijspeil 2019). B. Actualisatie van het prijspeil en resultaten van nieuw onderzoek. Het effect van het aanpassen van het prijspeil naar 2022 bedraagt € 198 mln. Het toevoegen van de transitiekosten van de uitvoeringsorganisaties veroorzaakt een stijging van € 108 mln. Het totale effect bedraagt € 306 mln. C. Actualisatie transitiekosten voorafgaand aan de inwerkingtreding. Als gevolg van de latere inwerkingtreding van de Ow stijgen de eenmalige gemeentelijke kosten met € 113 mln. in 2022 en €127 mln. in 2023. Het betreft kosten voor het aanhouden van programmateams, IT-capaciteit, beheerbijdrage DSO-LV, dubbele licentiekosten en uitvoeringsdiensten. Een totale stijging van € 239 mln. D. Actualisatie transitiekosten na inwerkingtreding Ow. Als gevolg van de latere inwerkingtreding zijn er minder middelen voor de eenmalige implementatiewerkzaamheden die na invoering nog door de overheden moeten worden gedaan.

Omdat de opgave gelijk is gebleven, is in de actualisatie de oorspronkelijke omvang van de middelen voor de transitiekosten na de inwerkingtredingsdatum gehandhaafd. Na de inwerkingtreding leidt dat tot een stijging van de transitiekosten van € 315 mln.

Pagina 27 van 105

5.4.2 Provincies In tabel 9 staan de geactualiseerde transitiekosten voor provincies opgenomen. Tabel 9: Samenvatting actualisatie transitiekosten provincies (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022) Omschrijving A Transitiekosten (KPMG d.d. 3 februari 2021) (prijspijl 2019) B Actualisatie - prijspeil en nieuw onderzoek C Actualisatie - voorafgaand inwerkingtreding Ow D Actualisatie - na inwerkingtreding Ow TOTAAL 10% minder 10% meer

2016 € € € € €

2017 9 € 13 2 € 4 € € 11 € 17

2018 € 15 € 6 € € € 21

2019 € 18 € 10 € € € 28

2020 € 23 € 15 € € € 38

2021 € 21 € 14 € € € 35

2022 € € € € €

2023

3 € 5 € 19 € € 27 €

2024

1 € 4 € 21 € € 26 €

1 3 5 9

20252029 TOTAAL € € 104 € 3 € 66 € € 40 € 4 € 9 € 7 € 219 € 197 € 241

In bijlage 2 staat een verdere toelichting op de onderdelen A t/m D. Hieronder staat een korte samenvatting van de ontwikkeling van de transitiekosten bij de provincies van € 104 mln. naar € 219 mln. waarbij een onzekerheidsmarge is aangehouden van 10% minder en meer. A. De eenmalige effecten voor provincies zijn door KPMG geraamd op € 104 mln. (prijspeil 2019). B. Actualisatie van het prijspeil en resultaten van nieuw onderzoek. Het effect van het aanpassen van het prijspeil naar 2022 bedraagt € 15 mln. Het toevoegen van de transitiekosten van de uitvoeringsorganisaties veroorzaakt een stijging van € 51 mln. Het totale effect bedraagt € 66 mln. C. Actualisatie transitiekosten voorafgaand aan de inwerkingtreding. Als gevolg van de latere inwerkingtreding van de Ow stijgen de eenmalige provinciale kosten met € 19 mln. in 2022 en €21 mln. in 2023. Het betreft kosten voor het aanhouden van programmateams, IT-capaciteit, beheerbijdrage DSO-LV, dubbele licentiekosten, planvorming en regelgeving en uitvoeringsdiensten. Een totale stijging van €40 mln. D. Actualisatie transitiekosten na inwerkingtreding Ow. Als gevolg van de latere inwerkingtreding zijn er minder middelen voor de eenmalige implementatiewerkzaamheden die na invoering nog door de overheden moeten worden gedaan.

Omdat de opgave gelijk is gebleven, is in de actualisatie de oorspronkelijke omvang van de middelen voor de transitiekosten na de inwerkingtredingsdatum gehandhaafd. Na de inwerkingtreding leidt dat tot een stijging van de transitiekosten van € 9 mln.

5.4.3 Waterschappen In tabel 10 staan de geactualiseerde transitiekosten voor waterschappen opgenomen. Tabel 10: Samenvatting actualisatie transitiekosten waterschappen (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022) Omschrijving A Transitiekosten B Actualisatie - prijspeil en nieuw onderzoek C Actualisatie - voorafgaand inwerkingtreding Ow D Actualisatie - na inwerkingtreding Ow TOTAAL 10% minder 10% meer

2016 € € € € €

2017 1 € 0 € € € 1 €

2018 5 € 1 € € € 6 €

8 € 1 € € € 9 €

2019

2020 12 € 21 2 € 3 € € 14 € 24

2021 € 12 € 2 € € € 14

2022 € € € € €

6 € 1 € 11 € € 18 €

2023

2024

3 € 0 € 12 € € 15 €

2 0 6 8

20252029 TOTAAL € € 70 € € 10 € € 23 € 4 € 10 € 4 € 113 € 102 € 124

In bijlage 3 staat een verdere toelichting op de onderdelen A t/m D. Hieronder staat een korte samenvatting van de ontwikkeling van de transitiekosten bij de waterschappen van € 70 mln. naar € 113 mln. waarbij een onzekerheidsmarge is aangehouden van 10% minder en meer. A. De eenmalige effecten voor waterschappen zijn door KPMG geraamd op € 70 mln. (prijspeil 2019). Pagina 28 van 105

B. Actualisatie van het prijspeil en resultaten van nieuw onderzoek. Het effect van het aanpassen van het prijspeil naar 2022 bedraagt € 10 mln. C. Actualisatie transitiekosten voorafgaand aan de inwerkingtreding. Als gevolg van de latere inwerkingtreding van de Ow stijgen de eenmalige kosten bij waterschappen € 11 mln. in 2022 en €12 mln. in 2023. Het betreft kosten voor het aanhouden van programmateams, IT-capaciteit, beheerbijdrage DSO-LV, dubbele licentiekosten en planvorming en regelgeving. Een totale stijging van € 23 mln. D. Actualisatie transitiekosten na inwerkingtreding Ow. Als gevolg van de latere inwerkingtreding zijn er minder middelen voor de eenmalige implementatiewerkzaamheden die na invoering nog door de overheden moeten worden gedaan. Omdat de opgave gelijk is gebleven, is in de actualisatie de oorspronkelijke omvang van de middelen voor de transitiekosten na de inwerkingtredingsdatum gehandhaafd. Na de inwerkingtreding leidt dat tot een stijging van de transitiekosten van € 10 mln.

5.4.4 Rijkspartijen In tabel 11 staan de geactualiseerde transitiekosten voor de rijkspartijen opgenomen. Tabel 11: Samenvatting actualisatie transitiekosten rijkspartijen (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022) Omschrijving A Transitiekosten (KPMG d.d. 3 februari 2021) (prijspijl 2019) B Actualisatie - prijspeil en nieuw onderzoek C Actualisatie - voorafgaand inwerkingtreding Ow D Actualisatie - na inwerkingtreding Ow TOTAAL 5% minder 5% meer

2016 € € € € €

1 € 0 € € € 1 €

2017 5 € 1 € € € 6 €

2018

2019 6 € 10 1 € 1 € € 7 € 11

2020 € 22 € 3 € € € 25

2021 € 25 € 4 € € € 29

2022 € € € € €

6 € 1 € 14 € € 21 €

2023

2024

2 € 0 € 16 € € 18 €

1 0 9 10

20252029 € € € € € -

TOTAAL € 78 € 11 € 30 € 9 € 128 € 122 € 134

In bijlage 4 staat een verdere toelichting op de onderdelen A t/m D. Hieronder staat een korte samenvatting van de ontwikkeling van de transitiekosten bij de rijkspartijen van € 78 mln. naar € 128 mln. waarbij een onzekerheidsmarge is aangehouden van 5% minder en meer. A. De eenmalige effecten voor de rijkspartijen zijn door KPMG geraamd op € 78 mln. (prijspeil 2019). B. Actualisatie van het prijspeil en resultaten van nieuw onderzoek. Het effect van het aanpassen van het prijspeil naar 2022 bedraagt € 11 mln. C. Actualisatie transitiekosten voorafgaand aan de inwerkingtreding. Als gevolg van de latere inwerkingtreding van de Ow stijgen de eenmalige kosten bij rijkspartijen € 14 mln. in 2022 en € 16 mln. in 2023. Het betreft kosten voor het aanhouden van programmateams en beheerbijdrage DSOLV. Een totale stijging van € 30 mln. D. Actualisatie transitiekosten na inwerkingtreding Ow. Als gevolg van de latere inwerkingtreding zijn er minder middelen voor de eenmalige implementatiewerkzaamheden die na invoering nog door de overheden moeten worden gedaan. Omdat de opgave gelijk is gebleven, is in de actualisatie de oorspronkelijke omvang van de middelen voor de transitiekosten na de inwerkingtredingsdatum gehandhaafd. Na de inwerkingtreding leidt dat tot een stijging van de transitiekosten van € 9 mln.

Pagina 29 van 105

5.5 Samenvatting actualisatie transitiekosten In tabel 12 staan de geactualiseerde transitiekosten voor alle overheden opgenomen. Tabel 12: Samenvatting actualisatie transitiekosten alle overheden (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022) Omschrijving A Transitiekosten (KPMG d.d. 3 februari 2021) (prijspijl 2019) B Actualisatie - prijspeil en nieuw onderzoek C Actualisatie - voorafgaand inwerkingtreding Ow D Actualisatie - na inwerkingtreding Ow TOTAAL Onzekerheidsmarge minimaal Onzekerheidsmarge maximaal

2016 € € € € €

2017 21 € 5 € € € 26 €

63 € 15 € € € 78 €

2018 129 31 160

2019 € 240 € 58 € € € 298

2020 € 396 € 94 € € € 490

2021 € 348 € 83 € € € 431

2022 € 165 € 40 € 157 € € 361

2023 € 116 € 29 € 175 € € 319

2024 € 74 € 19 € € 179 € 272

20252029 TOTAAL € 80 € 1.632 € 21 € 394 € € 332 € 164 € 343 € 265 € 2.701 € 2.213 € 3.188

In bijlagen 1 t/m 4 staat een verdere toelichting op de onderdelen A t/m D. Hieronder staat een korte samenvatting van de ontwikkeling van de transitiekosten van alle overheden van € 1,6 mld. naar € 2,7 mld. waarbij rekening is gehouden met een onzekerheidsmarge. A. De eenmalige effecten voor alle overheden tezamen zijn door KPMG geraamd op € 1,632 mld. (prijspeil 2019). B. Actualisatie van het prijspeil en resultaten van nieuw onderzoek. Het effect van het aanpassen van het prijspeil naar 2022 bedraagt € 235 mln. Het toevoegen van de transitiekosten van de uitvoeringsorganisaties veroorzaakt een stijging van € 159 mln. Het totale effect bedraagt € 394 mln. C. Actualisatie transitiekosten voorafgaand aan de inwerkingtreding. Als gevolg van de latere inwerkingtreding van de Ow stijgen de eenmalige kosten bij de overheden tezamen met € 157 mln. in 2022 en € 175 mln. in 2023. Het betreft kosten voor het aanhouden van programmateams, ITcapaciteit, beheerbijdrage DSO-LV, dubbele licentiekosten, planvorming en regelgeving en uitvoeringsdiensten. Een totale stijging van € 332 mln. D. Actualisatie transitiekosten na inwerkingtreding Ow. Als gevolg van de latere inwerkingtreding zijn er minder middelen voor de eenmalige implementatiewerkzaamheden die na invoering nog door de overheden moeten worden gedaan.

Omdat de opgave gelijk is gebleven, is in de actualisatie de oorspronkelijke omvang van de middelen voor de transitiekosten na de inwerkingtredingsdatum gehandhaafd. Na de inwerkingtreding leidt dat tot een stijging van de transitiekosten van € 343 mln.

Pagina 30 van 105

5.6 Samenvatting uitstelkosten 2022 en 2023 In tabel 13 staat een overzicht van de geactualiseerde transitiekosten die aan het uitstel voor de jaren 2022 en 2023 worden toegerekend. Tabel 13: Samenvatting uitstelkosten alle overheden (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022)

Omschrijving 1.

Gemeenten

2.

Provincies

3.

Waterschappen

4.

Rijkspartijen

Programma en Beheerbijdrage projectteam DSO-LV en Planvorming en Uitvoeringsinvoering Ow IT-capaciteit informatiepunt Licentiekosten regelgeving diensten 50% 100% 100% 100% 100% 70% 2022 € 19 € 22 € 21 € 20 € € 8 € 2023 € 24 € 22 € 21 € 20 € € 10 € 2022 € 4 € 1 € 2 € 1 € 2 € 4 € 2023 € 4 € 1 € 2 € 1 € 2 € 5 € 2022 € 1 € 2 € 1 € 1 € 5 € € 2023 € 1 € 2 € 1 € 1 € 5 € € 2022 € 4 € 0 € 6 € 0 € € € 2023 € 5 € 0 € 6 € 0 € € € totaal 2022 € totaal 2023 €

Totaal

Voorafgaand aan de inwerkingtreding van de OW wordt, zoals in tabel 9 staat, in totaal € 332 mln. aan extra transitiekosten geraamd. Van dat bedrag aan transitiekosten wordt voor het jaar 2022 een bedrag van € 124 mln. en voor het jaar 2023 een bedrag van € 134 mln. specifiek aan uitstelkosten toegerekend. In totaal betreft dit een bedrag van € 258 mln. Het resterende deel van € 73 mln. betreft voor deze twee jaren extra transitiekosten die niet direct te relateren zijn aan het uitstel. In het Integraal Financieel Beeld is het afschaffen van de actualisatieplicht van bestemmingsplannen als een positief eenmalig effect benoemd.44 Het betreft een eenmalig effect van € 45 mln. voor gemeenten en voor zowel provincies als waterschappen € 1,1 mln. per jaar (prijspeil 2022). Als gevolg van het uitstel van de inwerkingtreding met twee jaren is er daardoor ook een eenmalig positief effect van € 90 mln. voor gemeenten. Voor zowel provincies en waterschappen bedraagt het eenmalige positieve effect van het uitstel daarmee € 2,2 mln. (prijspeil 2022). De uitstelkosten worden met dit eenmalig effect deels gecompenseerd. Voor het toerekenen van de transitiekosten aan het uitstel van de wet is geen afzonderlijk kwantitatief onderzoek of uitvraag gedaan.

Er is door KokxDeVoogd, op basis van een kwalitatieve analyse van onderwerpen die door het IPO en de Unie van Waterschappen is aangeleverd, een logische inschatting van de verschillende percentages gemaakt. De resultaten hebben we toegepast op alle overheden: gemeenten, provincies, waterschappen en rijkspartijen. De transitiekosten zijn opgebouwd uit de volgende componenten: programma- en projectteam, ITcapaciteit, beheerbijdrage DSO-LV en informatiepunt, licentiekosten, planvorming en regelgeving en uitvoeringsdiensten.

44 Integraal Financieel Beeld, 11 maart 2021, KokxDeVoogd, pagina 7

Pagina 31 van 105

90 98 14 15 10 10 10 11 124 134

Hieronder staat per component een korte onderbouwing van de toerekening van transitiekosten aan uitstelkosten. •

Programma- en projectteams: Door de latere inwerkingtreding van de Ow hebben overheden ervoor gekozen om de programma-organisaties en projectteams voor de jaren 2022 en 2023 door te zetten. Deels worden door deze teams werkzaamheden opnieuw gedaan, bijvoorbeeld het opnieuw opzetten van een opleidingsplan, aanpassing van de websites en het herinrichten van serviceketen, opnieuw maken van afspraken in de keten. Deels worden door deze teams werkzaamheden verricht die nog niet waren verricht dan wel vooruitlopen op de periode na de inwerkingtreding. Zo zien we bijvoorbeeld dat in 2023 de werkzaamheden naar de lijn worden overgedragen. Wij hebben de inschatting gemaakt om deze kosten voor 50% toe te rekenen aan de uitstelkosten en 50% aan de grotere transitiekosten.

•

IT-capaciteit: Als gevolg van de problemen met het DSO moeten veel werkzaamheden bij overheden opnieuw, anders of met alternatieve werkprocessen worden georganiseerd. Vervolgens is het nodig dat systemen weer worden getest en doorontwikkeld. Met name voor de IT-onderdelen kost dat relatief veel tijd en capaciteit. Deze capaciteit hebben overheden veelal beschikbaar omdat deze voor de inwerkingtreding al was aangetrokken. Omdat het veelal werkzaamheden zijn die een consequenties zijn van de problemen met het DSO worden deze voor 100% toegerekend aan de uitstelkosten.

•

Beheerbijdrage DSO-LV en informatiepunt evenals de licentiekosten: Door de latere inwerkingtreding van de Ow worden de verschillende overheden geconfronteerd met dubbele kosten. Naast de kosten voor de nieuwe systemen zijn er ook nog kosten voor de bestaande systemen. Dat maakt dat deze kosten door ons voor 100% toegerekend worden aan het uitstel.

•

Planvorming en regelgeving: Als gevolg van het uitstel moeten beslisdocumenten en besluitvorming opnieuw worden georganiseerd. Een voorbeeld is dat waterschappen door het uitstel twee verordeningen in de lucht moeten houden, zowel de huidige keur die op grond van de huidige regelgeving van kracht is en zijn opvolger de waterschapsverordening die na inwerkingtreding rechtsgeldig wordt. Uitstel betekent steeds twee keer wijzigen, twee keer bestuurlijk voorbereiden, besluiten etc. De kosten daarvan worden door ons voor 100% toegerekend aan de uitstelkosten.

•

Uitvoeringsdiensten: Ook voor deze diensten geldt dat een deel van de werkzaamheden opnieuw moet worden gedaan dan wel licentiekosten dubbel worden betaald. Van het deel van de transitiekosten dat aan de uitvoeringsdiensten wordt toegerekend, wordt door ons 70% toegerekend aan de uitstelkosten. De overige 30% zijn hogere transitiekosten.

In de bijlagen 1 t/m 4 staat per overheid een nadere toelichting op de toerekening van de uitstelkosten opgenomen.

Pagina 32 van 105

6. Actualisatie structurele effecten 6.1 Inleiding In hoofdstuk 6 zijn de geactualiseerde structurele effecten uit het Integraal Financieel Beeld opgenomen. Bij deze actualisatie zijn verschillende deelonderzoek gehanteerd waarvan de volgende onderzoeken belangrijk zijn: kosten en baten van de DSO (Ecorys), structurele effecten van het omgevingsplan en de ruimtelijke besluiten en de milieuleges (Rho/ Deloitte) en de milieuleges (Berenschot). In paragraaf 5.2 staan de veranderende inzichten en de externe ontwikkelingen die op basis van de laatste kennis en inzichten ten aanzien van de structurele effecten te verwachten zijn. In paragraaf 5.3 staan de resultaten van de verschillende expertsessies. In paragraaf 5.4. staan de consequenties voor de structurele financiële effecten voor gemeenten, de provincies, de waterschappen en de rijkspartijen opgenomen. Voor elk van de overheden is tevens in de desbetreffende paragraaf aangegeven wanneer in de tijd de structurele effecten te verwachten zijn. Slechts voor een deel hebben de positieve structurele financiële effecten al plaatsgevonden (als gevolg van de afschaffing van de actualisatieplicht) maar voor het grootste gedeelte moeten die nog gaan plaatsvinden.

6.2 Veranderende inzichten en externe ontwikkelingen Sinds het opstellen van het Integraal Financieel Beeld is sprake van veranderende inzichten en externe ontwikkelingen. Beide zijn mogelijk van invloed op de financiële effecten voor de verschillende overheden. De belangrijkste ontwikkeling die invloed heeft op de structurele effecten is het uitstel van de inwerkingtredingsdatum. Beoogde effecten worden daardoor later gerealiseerd. Verder zijn er nieuwe inzichten ten aanzien van het gebruik van de Ow ontstaan zowel bij ketenpartners als overheden. Een andere ontwikkeling die een relatief groot effect heeft op de structurele kosten betreft de sterke stijging van het prijspeil als gevolg van de inflatie. Het Integraal Financieel Beeld uit 2021 ging nog uit van het prijspeil 2019. Deze paragraaf gaat nader in op; • Aanpassing prijspeil; • Uitstel van de inwerkingtredingsdatum; • Nieuw onderzoek bij de ketenpartners; • Milieuleges provincies; • Koepelkosten.

Pagina 33 van 105

Aanpassing prijspeil In de verschillende deelonderzoeken die aan de basis hebben gelegen aan het Integraal Financieel Beeld is prijspeil 2019 gebruikt45. Om de cijfers meer realiteitswaarde te geven is het nodig om het prijspeil aan te passen naar 2022. Dat is bij het opstellen van deze rapportage het laatste prijspeil dat het CBS voor een heel jaar heeft gepubliceerd. In bijlage 5 staat de ontwikkeling van de gehanteerde index, het Consumenten Prijs Indexcijfer (CPI) voor de periode 2015-202246. In de onderstaande tabel staan voor de structurele effecten de consequenties van de aanpassing van het prijspeil voor de vier overheden. Tabel 14: Aanpassing prijspeil structurele effecten voor vier overheden (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022)

Omschrijving A B B B B

Integraal Financieel Beeld Gemeenten Provincies Waterschappen Rijkspartijen Subtotaal aanpassing prijspeil TOTAAL

Variant 1 Onderkant Bovenkant € 1,5 € 43,4 € -0,8 € 4,0 € 0,5 € 0,8 € € 0,3 € 0,7 € 0,9 € 0,4 € 6,1 € 1,9 € 49,5

Variant 2b Onderkant Bovenkant € -34,5 € 37,7 € -4,9 € 3,8 € 0,3 € 0,9 € -0,1 € 0,5 € -0,1 € 0,4 € -4,8 € 5,6 € -39,3 € 43,3

Variant 2a Onderkant Bovenkant € 17,2 € 247,8 € -1,4 € 24,2 € 2,7 € 8,2 € 1,1 € 2,3 € € 0,9 € 2,5 € 35,6 € 19,7 € 283,4

Als gevolg van de aanpassing van het prijspeil veranderen de verwachte structurele effecten van de Ow. In variant 1 is dat een toename aan de onderkant van € 0,4 mln. en aan de bovenkant van € 6,1 mln. In variant 2 is aan de onderkant een afname van € 4,8 mln. en aan de bovenkant een toename van € 35,6 mln. In deze rapportage is voor de jaren na 2022 geen indexatie gehanteerd. Ook dat zijn dus cijfers met het prijspeil 2022. Uitstel van de inwerkingtredingsdatum KPMG is er in het onderzoek naar de transitiekosten vanuit gegaan dat de Ow per 1 januari 2022 zou worden ingevoerd47. Bij de andere onderliggende deelonderzoeken die ten grondslag liggen aan het Integraal Financieel Beeld was het moment waarop een effect gerealiseerd wordt niet opgenomen. Het uitstel van de inwerkingtreding van de inwerkingtreding heeft desondanks wel effecten. Zo weten we inmiddels dat op het moment van de inwerkingtreding het beoogde inwerkingtredingsniveau van het DSO nog niet wordt gehaald. Als gevolg daarvan maken overheden extra kosten maar liggen de

45 Rapporten van Ecorys/Senze zijn uitgegaan van prijspeil 2020: te weten: ‘Rapportage financiële effecten DSO-LV en IPLO, 26 februari 2021‘ en

‘Financiële effecten ‘de knip’ 11 januari 2021” 46 https://opendata.cbs.nl/#/CBS/nl/dataset/83131NED/table 47 Onderzoek transitiekosten Omgevingswet, 3 februari 2021, KPMG, pagina 8

Pagina 34 van 105

structurele effecten in de eerste jaren van de inwerkingtreding ook lager dan zoals in beeld gebracht in het daarvoor opgestelde deelonderzoek. 48 De inschatting van het moment waarop effecten optreden is door ons gemaakt op basis van de gesprekken in de expertsessies die aangaven dat er in de eerste twee jaren na invoering er nog geen sprake is van beoogde opbrengsten van het DSO. Het eerste jaar na invoering (2024) zijn de extra kosten geraamd op € 27 mln. en het tweede jaar (2025) op € 13 mln. Nieuw onderzoek bij ketenpartners In nader onderzoek van CEBEON staat dat de veranderingen op de beleidsvelden Milieu en Ruimte financiële gevolgen kunnen hebben voor omgevingsdiensten. Helaas, zo stelt CEBEON, kunnen op basis van de nu beschikbare gegevens daarover nog geen betrouwbare landelijke ramingen worden opgesteld. Omgevingsdiensten zitten in verschillende voorbereidingsstadia waardoor onduidelijkheid bestaat over de uit te voeren taken onder de Omgevingswet. 49 CEBEON heeft ook onderzoek gedaan naar veiligheidsregio’s. De stelselherziening gaat volgens CEBEON naar verwachting leiden tot hogere structurele kosten voor veiligheidsregio’s. Deze meerkosten worden geraamd op circa € 15 tot € 20 mln. euro.

De stelselherziening brengt hiermee een structurele kostenstijging van ongeveer 20% ten opzichte van de huidige kosten met zich mee op de producten van risicobeheersing die worden geraakt door de stelselherziening.50 In deze actualisatie zijn de geraamde kosten niet opgenomen omdat de onderliggende uitgangspunten te veel verschillen ten opzichte van het Integraal Financieel Beeld. Milieuleges provincies In het deelonderzoek naar de milieuleges staan de structurele financiële effecten voor provincies opgenomen.51 Berenschot raamt in dit deelonderzoek de milieuleges voor provincies tussen de € 2,5 mln. en 3,0 mln. (prijspeil 2022). Bij het opstellen van het Integraal Financieel Beeld zijn de berekening met de milieuleges voor complexe bedrijven aangevuld. KokxDeVoogd raamt in het Integraal Financieel Beeld de extra milieuleges voor deze provinciale bedrijven tussen de € 13,2 mln. en 47,9 mln.52 De totale milieuleges voor provincies worden daarmee in variant 2a geraamd tussen de € 15,7 mln. en € 50,9 mln. (prijspeil 2022). Op basis van de expertsessies zijn de bovenstaande ramingen bijgesteld. Er heeft daarnaast een vergelijking met kengetallen van enkele omgevingsdiensten plaatsgevonden. Naar aanleiding daarvan is

48 Rapportage financiële effecten DSO-LV en IPLO, 26 februari 2021, Ecorys/Senze 49 Financiële effecten Omgevingswet, 25 april 2022, CEBEON – pagina 5 50 Gevolgen risicobeheersingsproducten stelselherziening Omgevingsrecht voor veiligheidsregio’s, 12 maart 2021, CEBEON, pagina 7 51 Financiële effecten van wijzigingen rondom de milieuvergunning, Berenschot, 22 januari 2021, 52 Integraal Financieel Beeld, KokxDeVoogd, 11 maart 2021, pag. 26

Pagina 35 van 105

het kengetal voor vergunningverlening bij de BRZO53 bedrijven bijgesteld. Voor alle bedrijven is het kengetal van 300- 400 uur per jaar54 opgenomen. Dit leidt tot mutaties in de verschillende varianten. Koepelkosten Als gevolg van de Ow geven VNG, IPO en Unie van Waterschappen aan dat de ondersteuningskosten aan hun leden structureel stijgen. Onderdeel daarvan is bij het IPO ook het beheer van de informatieproducten. Het betreft kosten waardoor de ledenbijdrage gaan stijgen. In totaal betreft het structureel € 2,3 mln.

6.3 Expertsessies Over de structurele effecten zijn specifieke expertsessie voor gemeenten, provincies en waterschappen gehouden. In deze sessie zijn de volgende onderdelen nader onderzocht: leges, Meldingen, Overheden als initiatiefnemer, Ruimtelijke plannen, kosten en opbrengsten van technologie en toezicht en handhaving. Deels zijn transitieonderdelen besproken welke ook bij de uitwerking daarvan meegenomen zijn. Hieronder staan in het kot de belangrijkste opbrengsten. In de expertsessie over Ruimtelijke plannen is de oorspronkelijke gedachte dat het gebruik van de Ow leidt tot het minder starten van ruimtelijke processen getoetst. Uit de expertbijeenkomst is gekomen dat de ontwikkeling steeds meer in de praktijk gezien wordt, maar dat de financiële effecten naar verwachting minder extreem (variant 2a) zijn dan in het onderzoeksrapport en het Integraal Financieel Beeld is opgenomen55. Er heeft een expertbijeenkomst over de introductie van de Milieuleges plaatsgevonden56. Uit de bijeenkomst is naar voren gekomen dat alle bevoegde gezagen naar verwachting milieuleges gaan invoeren. Provincies gaan dat naar verwachting het snelst doen en ook 100% kostendekkend doen. Gemeenten nemen daar iets langer de tijd voor. Bij waterschappen worden milieuleges deels wel en deels niet ingevoerd maar duurt dat naar verwachting het langste.

Verder is de verwachting dat de milieuleges bij waterschappen maximaal 50% kostendekkend zullen zijn. In het geactualiseerd beeld zijn deze effecten verwerkt. Er zijn twee bijeenkomsten geweest voor het onderwerp meldingen en voor toezicht en handhaving. De opbrengst van de bijeenkomsten is dat verwachte effecten van het gebruik van de Ow voor zowel meldingen als toezicht en handhaving afwijken van de oorspronkelijke verwachtingen bij de Ow. De gedachte is dat door minder vergunningen ook toezicht en handhaving minder wordt. In de bijeenkomst is door mensen uit de praktijk aangegeven dat het afschaffen van vergunningen of het introduceren van

53 BRZO = Besluit Risico’s Zware Ongevallen 54 In Integraal Financieel Beeld van 2021 was voor de oorspronkelijke gemeentelijke bedrijven 200 uur voor vergunningverlening opgenomen.

Voor de provinciale BRZO bedrijven was 800 uur opgenomen. 55 Structurele financiële effecten van het omgevingsplan en ruimtelijke besluiten, RHO/Deloitte, 18 februari 2021 56 Financiële effecten van wijzigingen rondom de milieuvergunning, Berenschot, 22 januari 2021,

Pagina 36 van 105

meldingen in hun ogen juist tot meer toezicht en handhaving zal gaan leiden. Ondersteunend onderzoek ontbreekt hier echter. Als advies is opgenomen om daar aanvullend onderzoek naar te laten doen. In de verschillende onderzoeken zijn de financiële effecten van de Ow voor overheden als initiatiefnemer onderzocht. In een expertbijeenkomst zijn deze resultaten met experts besproken. De beschreven effecten worden deels herkend maar deels ook niet. Effecten zoals onderzoekshulp in het DSO is iets waar vooral burgers en bedrijven naar verwachting profijt van zullen hebben. Bij overheden is deze informatie al beschikbaar en leidt dat niet tot een financieel effect. In het geactualiseerd beeld zijn deze effecten verwerkt. Over de technologie zijn twee bijeenkomsten georganiseerd. Een over de kosten voor de technologie en met name het DSO, de beheerkosten en de aansluitkosten. De algemene indruk is dat deze kosten ook herkend worden door de verschillende experts. Ten aanzien van de procesverbeteringen is geconstateerd dat de verwachte opbrengsten nog niet worden gerealiseerd omdat het inwerkingtredingsniveau lager ligt dan het afgesproken basisniveau. Er zijn daarbij TAM’s ontwikkeld die ervoor zorgen dat het in zijn geheel voldoende werkt.

Dat leidt aan de ene kant tot hogere kosten voor de bevoegde gezagen en aan de andere kant dat verwachte structurele effecten pas later worden gerealiseerd. In het geactualiseerde financieel beeld is daar nu rekening mee gehouden.

6.4 Overzicht structurele effecten 6.4.1 Gemeenten In tabel 15 staan de geactualiseerde structurele effecten voor de gemeenten opgenomen. Tabel 15: Samenvatting structurele effecten gemeenten (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022)

Omschrijving F Integraal Financieel Beeld (KokxDeVoogd d.d. 11 maart 2021) G Actualisatie - prijspeil en nieuw onderzoek H Actualisatie - voor inwerkingtreding Ow I Actualisatie - na inwerkingtreding Ow J TOTAAL

Variant 1 Onderkant Bovenkant € -5,7 € 27,7 € -0,8 € 4,0 € € € -5,0 € -12,8 € -11,5 € 18,9

Variant 2b Onderkant Bovenkant € -34,3 € 26,1 € -4,9 € 3,8 € € € 37,1 € 29,2 € -2,1 € 59,1

Variant 2a Onderkant Bovenkant € -9,7 € 168,4 € -1,4 € 24,2 € € € 55,2 € -27,9 € 44,1 € 164,8

In bijlage 1 staat een uitgebreide uitwerking van de bovenstaande onderdelen. Hieronder is een korte toelichting opgenomen van de actualisatie van de structurele effecten voor gemeenten. F. De structurele effecten voor gemeenten zijn uitgewerkt naar variant 1 en variant 2. In het Integraal Financieel Beeld van 2021 lag de bandbreedte van variant 1 tussen € 5,7 mln. (negatief) en € 27,7 mln. (positief). Voor variant 2 gold een bandbreedte van € 34 mln. (negatief) tot € 168 mln. (positief). G. In het Integraal Financieel Beeld 2021 is prijspeil 2019 gehanteerd. Het aanpassen van het prijspeil leidt tot een grotere bandbreedte: Voor variant 1 leidt dit respectievelijk tot een aanpassing aan de Pagina 37 van 105

onderkant van € 0,8 miljoen (negatief) en bovenkant €4,0 mln. (positief). Voor variant 2 leidt dit respectievelijk tot een aanpassing aan de onderkant van €4,9 miljoen (negatief) en bovenkant € 24,2 mln. (positief). H. Vóór de inwerkingtreding zijn er geen aanpassingen. Pas na inwerkingtreding treden de structurele effecten op. I. De geactualiseerde structurele effecten na inwerkingtreding leiden voor variant 1 tot een aanpassing aan de onderkant van € 5,0 mln. (negatief) en aan de bovenkant van € 12,8 mln. (negatief). Voor variant 2 leidt dit respectievelijk tot een aanpassing aan de onderkant van € 37,1 mln. (positief) en bovenkant € 27,9 mln. (negatief). Het betreft een actualisatie ruimtelijke plannen, invoering milieuleges, technologiekosten en enkele kleinere aanpassingen. J. De bandbreedte van de geactualiseerde structurele effecten van variant 1 loopt van € 11,5 mln. (negatief) tot € 18,9 mln. (positief). De bandbreedte van variant 2 loopt van € 2,1 mln. (negatief) tot € 164,8 mln. (positief). In totaal wordt de bandbreedte na actualisatie € 35,9 mln. kleiner.

Pagina 38 van 105

6.4.2 Provincies In tabel 16 staan de geactualiseerde structurele effecten voor de provincies opgenomen. Tabel 16: Samenvatting structurele effecten provincies (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022)

Omschrijving F Integraal Financieel Beeld (KokxDeVoogd d.d. 11 maart 2021) G Actualisatie - prijspeil en nieuw onderzoek H Actualisatie - voor inwerkingtreding Ow I Actualisatie - na inwerkingtreding Ow J TOTAAL

Variant 1 Onderkant Bovenkant € 3,3 € 5,9 € 0,5 € 0,8 € € € -2,4 € -3,1 € 1,3 € 3,6

Variant 2b Onderkant Bovenkant € 2,0 € 6,3 € 0,3 € 0,9 € € € 14,4 € 13,0 € 16,8 € 20,1

Variant 2a Onderkant Bovenkant € 18,9 € 56,8 € 2,7 € 8,2 € € € 4,9 € -23,7 € 26,5 € 41,3

In bijlage 2 staat een uitgebreide uitwerking van de bovenstaande onderdelen. Hieronder is een korte toelichting opgenomen van de actualisatie van de structurele effecten voor provincies. F. De structurele effecten voor provincies zijn uitgewerkt naar variant 1 en variant 2. In het Integraal Financieel Beeld van 2021 lag de bandbreedte van variant 1 tussen € 3,3 mln. (positief) en € 5,9 mln. (positief). Voor variant 2 gold een bandbreedte van € 2 mln. (positief) tot € 56,8 mln. (positief). G. In het Integraal Financieel Beeld is prijspeil 2019 gehanteerd. Het aanpassen van het prijspeil leidt tot een grotere bandbreedte: Voor variant 1 leidt dit respectievelijk tot een aanpassing aan de onderkant van € 0,5 miljoen (positief) en bovenkant € 0,8 mln. (positief). Voor variant 2 leidt dit respectievelijk tot een aanpassing aan de onderkant van € 0,3 miljoen (positief) en bovenkant € 8,2 mln. (positief). H. Voor de inwerkingtreding zijn er geen aanpassingen. Pas na inwerkingtreding treden de structurele effecten op. I. De geactualiseerde structurele effecten na inwerkingtreding leiden voor variant 1 tot een aanpassing aan de onderkant van € 2,4 mln. (negatief) en aan de bovenkant van € 3,1 mln. (negatief). Voor variant 2 leidt dit respectievelijk tot een aanpassing aan de onderkant van € 14,4 mln. (positief) en bovenkant € 23,7 mln.(negatief).

Het betreft een actualisatie van de onderwerpen invoering milieuleges, technologiekosten en enkele kleinere aanpassingen. J. De bandbreedte van de geactualiseerde structurele effecten van variant 1 loopt van € 1,3 mln. (positief) tot € 3,6 mln. (positief). De bandbreedte van variant 2 loopt van € 16,8 mln. (positief) tot € 41,3 mln. positief. In totaal wordt de bandbreedte na actualisatie bijna € 30,3 mln. kleiner.

Pagina 39 van 105

6.4.3 Waterschappen In tabel 17 staan de geactualiseerde structurele effecten voor de waterschappen opgenomen. Tabel 17: Samenvatting structurele effecten waterschappen (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022)

Omschrijving F Integraal Financieel Beeld (KokxDeVoogd d.d. 11 maart 2021) G Actualisatie - prijspeil en nieuw onderzoek H Actualisatie - voor inwerkingtreding Ow I Actualisatie - na inwerkingtreding Ow J TOTAAL

Variant 1 Onderkant Bovenkant € € 2,4 € € 0,3 € € € -0,6 € -1,2 € -0,6 € 1,6

Variant 2b Onderkant Bovenkant € -0,6 € 3,4 € -0,1 € 0,5 € € € 1,9 € 0,7 € 1,2 € 4,5

Variant 2a Onderkant Bovenkant € 8,0 € 16,1 € 1,1 € 2,3 € € € -0,6 € -1,4 € 8,5 € 17,1

In bijlage 3 staat een uitgebreide uitwerking van de bovenstaande onderdelen. Hieronder is een korte toelichting opgenomen van de actualisatie van de structurele effecten voor waterschappen. F. De structurele effecten voor waterschappen zijn uitgewerkt naar variant 1 en variant 2. In het Integraal Financieel Beeld van 2021 lag de bandbreedte van variant 1 tussen nihil en € 2,4 mln. (positief). Voor variant 2 gold een bandbreedte van € 0,6 mln. (negatief) tot € 16,1 mln. (positief). G. In het Integraal Financieel Beeld is prijspeil 2019 gehanteerd. Het aanpassen van het prijspeil leidt tot een grotere bandbreedte. Voor variant 1 leidt dit respectievelijk tot een aanpassing aan de bovenkant € 0,3 mln. (positief). Voor variant 2 leidt dit respectievelijk tot een aanpassing aan de onderkant van € 0,1 miljoen (negatief) en bovenkant € 2,3 mln. (positief). H. Voor de inwerkingtreding zijn er geen aanpassingen. Pas na inwerkingtreding treden de structurele effecten op. I. De geactualiseerde structurele effecten na inwerkingtreding leiden voor variant 1 tot een aanpassing aan de onderkant van € 0,6 mln. (negatief) en aan de bovenkant van € 1,2 mln. (negatief). Voor variant 2 leidt dit respectievelijk tot een aanpassing aan de onderkant van € 1,9 mln. (positief) en bovenkant € 1,4 mln. (negatief).

Het betreft een actualisatie van de onderwerpen technologiekosten en enkele kleinere aanpassingen. J. De bandbreedte van de geactualiseerde structurele effecten van variant 1 loopt van € 0,6 mln. (negatief) tot € 1,6 mln. (positief). De bandbreedte van variant 2 loopt van € 1,2 mln. (positief) tot € 17,1 mln. (positief). In totaal wordt de bandbreedte na actualisatie € 0,8 mln. kleiner.

Pagina 40 van 105

6.4.4 Rijkspartijen In tabel 18 staat de samenvatting van de geactualiseerde structurele effecten voor de rijkspartijen. Tabel 18: Samenvatting structurele effecten rijkspartijen (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022)

Omschrijving F Integraal Financieel Beeld (KokxDeVoogd d.d. 11 maart 2021) G Actualisatie - prijspeil en nieuw onderzoek H Actualisatie - voor inwerkingtreding Ow I Actualisatie - na inwerkingtreding Ow J TOTAAL

Variant 1 Onderkant Bovenkant € 5,0 € 6,4 € 0,7 € 0,9 € € € -0,4 € -2,5 € 5,3 € 4,8

Variant 2b Onderkant Bovenkant € -0,6 € 2,9 € -0,1 € 0,4 € € € 5,7 € 1,0 € 5,0 € 4,3

Variant 2a Onderkant Bovenkant € € 6,4 € € 0,9 € € € 7,1 € 1,5 € 7,1 € 8,8

In bijlage 4 staat een uitgebreide uitwerking op de bovenstaande onderdelen. Hieronder is een korte toelichting opgenomen van de actualisatie van de structurele effecten voor de rijkspartijen. F. De structurele effecten voor de overheden zijn uitgewerkt naar variant 1 en variant 2. In het Integraal Financieel Beeld van 2021 lag de bandbreedte van variant 1 tussen € 5 mln. (positief) en €6,4 mln. (positief). Voor variant 2 gold een bandbreedte van € 0,6 mln. (negatief) tot € 6,4 mln. (positief). G. In het Integraal Financieel Beeld is prijspeil 2019 gehanteerd. Het aanpassen van het prijspeil leidt tot een grotere bandbreedte: Voor variant 1 leidt dit respectievelijk tot een aanpassing aan de onderkant van € 0,7 mln. (positief) en aan de bovenkant € 0,9 mln. (positief). Voor variant 2 leidt dit respectievelijk tot een aanpassing aan de onderkant van € 0,1 miljoen (negatief) en bovenkant € 0,9 mln. (positief). H. Voor de inwerkingtreding zijn er geen aanpassingen. Pas na inwerkingtreding treden de structurele effecten op. I. De geactualiseerde structurele effecten na inwerkingtreding leiden voor variant 1 tot een aanpassing aan de onderkant van € 0,4 mln. (negatief) en aan de bovenkant van € 2,5 mln. (negatief). Voor variant 2 leidt dit respectievelijk tot een aanpassing aan de onderkant van € 5,7 mln. (positief) en bovenkant € 1,5 mln. (positief).

Het betreft een actualisatie van het onderwerp technologiekosten. J. De bandbreedte van de geactualiseerde structurele effecten van variant 1 loopt van € 5,3 mln. (positief) tot € 4,8 mln. (positief). De bandbreedte van variant 2 loopt van € 5,0 mln. (positief) tot € 8,8 mln. (positief). In totaal wordt de bandbreedte na actualisatie € 2,5 mln. kleiner.

Pagina 41 van 105

6.5 Samenvatting beeld alle overheden In tabel 19 staat de samenvatting van de geactualiseerde structurele effecten voor alle overheden samen. Tabel 19: Samenvatting structurele effecten voor alle overheden samen (alle bedragen x € 1 mln. prijspeil 2022)

Omschrijving F Integraal Financieel Beeld (KokxDeVoogd d.d. 11 maart 2021) G Actualisatie - prijspeil en nieuw onderzoek H Actualisatie - voor inwerkingtreding Ow I Actualisatie - na inwerkingtreding Ow J TOTAAL

Variant 1 Onderkant Bovenkant € 2,5 € 42,4 € 0,4 € 6,1 € € € -8,4 € -19,5 € -5,5 € 29,0

Variant 2b Onderkant Bovenkant € -33,5 € 38,7 € -4,8 € 5,6 € € € 59,1 € 43,8 € 20,8 € 88,1

Variant 2a Onderkant Bovenkant € 17,2 € 247,8 € 2,5 € 35,6 € € € 66,5 € -51,5 € 86,2 € 231,9

In bijlagen 1 t/m 4 staat een toelichting op de bovenstaande onderdelen. Hieronder is een korte toelichting opgenomen van de actualisatie van de structurele effecten voor alle overheden. F. De structurele effecten voor de overheden zijn uitgewerkt naar variant 1 en variant 2. In het Integraal Financieel Beeld van 2021 lag de bandbreedte van variant 1 tussen € 2,5 mln. (positief) en € 42,4 mln. (positief). Voor variant 2 gold een bandbreedte van € 33,5 mln. (negatief) tot € 247,8 mln. (positief). G. In het Integraal Financieel Beeld is prijspeil 2019 gehanteerd. Het aanpassen van het prijspeil leidt tot een grotere bandbreedte: Voor variant 1 leidt dit respectievelijk tot een aanpassing aan de onderkant van € 0,4 mln. (positief) en aan de bovenkant € 6,1 mln. (positief). Voor variant 2 leidt dit respectievelijk tot een aanpassing aan de onderkant van € 4,8 miljoen (negatief) en bovenkant €35,6 mln. (positief). H. Voor de inwerkingtreding zijn er geen aanpassingen. Pas na inwerkingtreding treden de structurele effecten op. I. De geactualiseerde structurele effecten na inwerkingtreding leiden voor variant 1 tot een aanpassing aan de onderkant van € 8,4 mln. (negatief) en aan de bovenkant van € 19,5 mln. (negatief). Voor variant 2 leidt dit respectievelijk tot een aanpassing aan de onderkant van € 59,1 mln. (positief) en bovenkant € 51,5 mln.

(negatief) Het betreft een actualisatie ruimtelijke plannen, invoering milieuleges, technologiekosten en enkele kleinere aanpassingen. J. De bandbreedte van de geactualiseerde structurele effecten van variant 1 loopt van € 5,5 mln. (negatief) tot € 29,0 mln. (positief). De bandbreedte van variant 2 loopt van € 20,8 mln. (positief) tot € 231,9 mln. (positief). In totaal wordt de bandbreedte na actualisatie € 70,1 mln. kleiner.

Pagina 42 van 105

7. Terugverdientijd 7.1 Inleiding In hoofdstuk 7 staat een geactualiseerde berekening van de terugverdientijd. Hierbij dient, net als in het Integraal Financieel Beeld van 2021, vooraf de opmerking gemaakt te worden dat er nog geen eenduidig beeld van de terugverdientijd te geven is. Ondanks dat de bandbreedte kleiner is geworden, is er nog steeds sprake van een relatief grote bandbreedte. Aan de ene kant een bandbreedte voor nog bestaande onzekerheden over de transitiekosten. Aan de andere kant de structurele effecten die zich vooral op termijn voordoen indien decentrale keuzes worden gemaakt met meer of minder gunstige financiële effecten. Dat is de reden dat er meerdere berekeningen zijn gemaakt. In paragraaf 7.2 wordt de berekeningswijze van de terugverdientijd toegelicht. In paragraaf 7.3 is per bevoegd gezag de terugverdientijd van zowel de optimistische als de pessimistische variant berekend alsmede van een gemiddelde variant.

7.2 Berekeningswijze Voor de berekening zijn de geactualiseerde cijfers uit hoofdstuk 5 en 6 gebruikt. In hoofdstuk 5 staan de transitiekosten oftewel de eenmalige kosten voor de invoering van de Ow. Ook staat aangegeven in welk jaar de eenmalige kosten worden gemaakt. Op basis van de onzekerheidsmarge is een bovenkant en een onderkant van de transitiekosten aangegeven. In hoofdstuk 6 staan de structurele effecten van de Ow op basis van de drie varianten: 1, 2a en 2b. Voor de structurele effecten is er in de onderliggende onderzoeksrapporten voor de varianten 2a en 2b geen verdeling gemaakt in tijd. Ook in het Integraal Financieel Beeld van 2021 is er geen verdeling gemaakt. Voor het berekenen van de terugverdientijd is dat, nu er meer duidelijkheid ontstaat, wel van belang omdat niet de verwachting is dat vanaf de inwerkingtreding direct ook alle structurele effecten zullen optreden. Naar mate het langer duurt voordat een bepaald effect wordt bereikt, neemt de terugverdientijd toe. Voor het berekenen van de terugverdientijd is door ons een inschatting gemaakt wanneer de structurele effecten (deels) gerealiseerd worden. Uitgangspunt is genomen dat in 2030 alle structurele effecten tot hun volle omvang zijn gerealiseerd (conform de betreffende variant).

Er is vervolgens door ons gekozen, conform het Integraal Financieel Beeld van 2021, om op drie manieren de terugverdientijd te berekenen. 1) Onderkant van de geraamde transitiekosten en de bovenkant van de structurele effecten variant 2a (bovenkant) oftewel een optimistische berekening; 2) Gemiddelde van de transitiekosten en het gemiddelde van het midden van de structurele effecten van de respectievelijk 2a en 2b, oftewel een middenpositie; Pagina 43 van 105

3) Bovenkant van de transitiekosten en de onderkant van variant 2b oftewel een pessimistisch berekening.

7.3 Overzicht terugverdientijd 7.3.1 Gemeenten Hieronder staan de drie verschillende berekeningen van de terugverdientijd voor gemeenten. Telkens is daarbij als uitgangspunt genomen dat op 1 januari 2024 de inwerkingtredingsdatum van de Ow is en dat op grond van interbestuurlijk gemaakte afspraken 10 jaar een redelijke terugverdientijd is van de transitiekosten. Beide zijn met een stippellijn aangegeven in de grafiek. 1) In grafiek 1 staat een overzicht van een optimistische berekening van de terugverdientijd voor gemeenten. Gehanteerd uitgangspunt is dat de transitiekosten aan de onderkant van de bandbreedte uitkomen (€ 1,8 mld.) en de structurele opbrengsten aan de bovenkant van variant 2a (de meest vergaande variant) te weten: €165 mln. Verder is ervan uitgegaan dat de structurele effecten gefaseerd worden gerealiseerd waarbij het maximale effect op 1 januari 2030 wordt bereikt. In 2037 zijn de transitiekosten dan terugverdiend; in totaal 14 jaren en dat is langer dan 10 jaren. 2) In grafiek 2 staat een overzicht van de terugverdientijd waarbij het gemiddelde is genomen van het midden van varaint 2a en het midden van variant 2b. Het gebruikte structurele effect voor de berekening van de terugverdientijd bedraagt dan € 66 mln. Van de transitiekosten is het midden genomen, te weten € 2,2 mld.

Verder is ervan uitgegaan dat de structurele effecten gefaseerd worden gerealiseerd waarbij het maximale effect op 1 januari 2030 wordt bereikt. De terugverdientijd voor gemeenten bedraagt dan 35 jaren en is daarmee veel langer dan 10 jaren.

Pagina 44 van 105

3) In grafiek 3 staat een overzicht van een pessimistische berekening van de terugverdientijd voor gemeenten. Gehanteerd uitgangspunt is dat de transitiekosten aan de bovenkant van de bandbreedte uitkomen (€ 2,7 mld.) en de structurele opbrengsten aan de onderkant van variant 2b (de meest negatieve variant) te weten: € 2 mln. (negatief). Verder is ervan uitgegaan dat de structurele effecten gefaseerd worden gerealiseerd waarbij het maximale effect op 1 januari 2030 wordt bereikt. In deze varaint is de terugverdientijd oneindig.

7.3.2 Provincies Hieronder staan de drie verschillende berekeningen van de terugverdientijd voor provincies. Telkens is daarbij als uitgangspunt genomen dat op 1 januari 2024 de inwerkingtredingsdatum van de Ow is en dat op grond van interbestuurlijk gemaakte afspraken 10 jaar een redelijke terugverdientijd is van de transitiekosten. Beiden zijn met een stippellijn aangegeven in de figuren. 1) In grafiek 4 staat een overzicht van een optimistische berekening van de terugverdientijd voor provincies. Gehanteerd uitgangspunt is dat de transitiekosten aan de onderkant van de bandbreedte uitkomen (€ 197 mln.) en de structurele opbrengsten aan de bovenkant van variant 2a (de meest vergaande variant) te weten: € 41 mln. Verder is ervan uitgegaan dat de structurele effecten gefaseerd worden gerealiseerd waarbij het maximale effect op 1 januari 2030 wordt bereikt. Eind 2027 zijn de transitiekosten dan terugverdiend. Dat betekent een terugverdientijd van 6 jaren en is korter dan 10 jaren

Pagina 45 van 105

2) In grafiek 5 staat een overzicht van de terugverdientijd waarbij het gemiddelde is genomen van het midden van varaint 2a en het midden van variant 2b. Het gebruikte structurele effect voor de berekening van de terugverdientijd bedraagt dan € 26 mln. Van de transitiekosten is het midden genomen, te weten € 219 mln. Verder is ervan uitgegaan dat de structurele effecten gefaseerd worden gerealiseerd waarbij het maximale effect op 1 januari 2030 wordt bereikt. De terugverdientijd voor provincies bedraagt dan 9 jaren en is korter dan 10 jaren. 3) In grafiek 6 staat een overzicht van een pessimistische berekening van de terugverdientijd voor provincies. Gehanteerd uitgangspunt is dat de transitiekosten aan de bovenkant van de bandbreedte uitkomen (€241 mln.) en de structurele opbrengsten aan de onderkant van variant 2b (de meest negatieve variant) te weten: € 17 mln. Verder is ervan uitgegaan dat de structurele effecten gefaseerd worden gerealiseerd waarbij het maximale effect op 1 januari 2030 wordt bereikt. De terugverdientijd voor provincies bedraagt dan 15 jaren en is langer dan 10 jaren.

7.3.3 Waterschappen Hieronder staan de drie verschillende berekeningen van de terugverdientijd voor waterschappen. Telkens is daarbij als uitgangspunt genomen dat op 1 januari 2024 de inwerkingtredingsdatum van de Ow is en dat op grond van interbestuurlijk gemaakte afspraken 10 jaar een redelijke terugverdientijd is van de transitiekosten. Beide zijn met een stippellijn aangegeven in de figuren.

Pagina 46 van 105

1)

In grafiek 7 staat een overzicht van een optimistische berekening van de terugverdientijd voor waterschappen. Gehanteerd uitgangspunt is dat de transitiekosten aan de onderkant van de bandbreedte uitkomen (€ 102 mln.) en de structurele opbrengsten aan de bovenkant van variant 2a (de meest vergaande variant) te weten: €17 mln. Verder is ervan uitgegaan dat de structurele effecten gefaseerd worden gerealiseerd waarbij het maximale effect op 1 januari 2030 wordt bereikt. Eind 2033 zijn de transitiekosten dan terugverdiend. Dat betekent een terugverdientijd van 10 jaren.

2)

In grafiek 8 staat een overzicht van de terugverdientijd waarbij het gemiddelde is genomen van het midden van varaint 2a en het midden van variant 2b. Het gebruikte structurele effect voor de berekening van de terugverdientijd bedraagt dan € 8 mln. Van de transitiekosten is het midden genomen, te weten € 113 mln. Verder is ervan uitgegaan dat de structurele effecten gefaseerd worden gerealiseerd waarbij het maximale effect op 1 januari 2030 wordt bereikt. De terugverdientijd voor waterschappen bedraagt dan 19 jaren en is langer dan 10 jaren.

Pagina 47 van 105

3)

In grafiek 9 staat een overzicht van een pessimistische berekening van de terugverdientijd voor waterschappen. Gehanteerd uitgangspunt is dat de transitiekosten aan de bovenkant van de bandbreedte uitkomen (€124 mln.) en de structurele opbrengsten aan de onderkant van variant 2b (de meest negatieve variant) te weten: € 1 mln. Verder is ervan uitgegaan dat de structurele effecten gefaseerd worden gerealiseerd waarbij het maximale effect op 1 januari 2030 wordt bereikt. De terugverdientijd voor waterschappen bedraagt dan oneindig en daarmee veel langer dan 10 jaren.

7.3.4 Rijkspartijen Hieronder staan de drie verschillende berekeningen van de terugverdientijd voor de rijkspartijen. Telkens is daarbij als uitgangspunt genomen dat op 1 januari 2024 de inwerkingtredingsdatum van de Ow is en dat 10 jaar een redelijke terugverdientijd is van de transitiekosten. Beiden zijn met een stippellijn aangegeven in de figuren. 1)

In grafiek 10 staat een overzicht van een optimistische berekening van de terugverdientijd voor rijkspartijen. Gehanteerd uitgangspunt is dat de transitiekosten aan de onderkant van de bandbreedte uitkomen (€ 122 mln.) en de structurele opbrengsten aan de bovenkant van variant 2a (de meest vergaande variant) te weten: € 9 mln. Verder is ervan uitgegaan dat de structurele effecten gefaseerd worden gerealiseerd waarbij het maximale effect op 1 januari 2030 wordt bereikt. De transitiekosten zijn dan na 19 jaren terugverdiend. Dat duurt langer dan 10 jaren.

Pagina 48 van 105

2)

In grafiek 11 staat een overzicht van de terugverdientijd waarbij het gemiddelde is genomen van het midden van varaint 2a en het midden van variant 2b. Het gebruikte structurele effect voor de berekening van de terugverdientijd bedraagt dan € 7 mln. Van de transitiekosten is het midden genomen, te weten € 128 mln. Verder is ervan uitgegaan dat de structurele effecten gefaseerd worden gerealiseerd waarbij het maximale effect op 1 januari 2030 wordt bereikt. De terugverdientijd voor Rijkspartijen bedraagt dan 25 jaren en is veel langer dan 10 jaren.

3)

In grafiek 12 staat een overzicht van een pessimistische berekening van de terugverdientijd voor rijkspartijen. Gehanteerd uitgangspunt is dat de transitiekosten aan de bovenkant van de bandbreedte uitkomen (€134 mln.) en de structurele opbrengsten aan de onderkant van variant 2b (de meest negatieve variant) te weten: € 5 mln. Verder is ervan uitgegaan dat de structurele effecten gefaseerd worden gerealiseerd waarbij het maximale effect op 1 januari 2030 wordt bereikt. De terugverdientijd voor Rijkspartijen bedraagt dan 36 jaren en veel langer dan 10 jaren.

7.4 Samenvatting De terugverdientijd is, in vergelijking met het Integraal Financieel Beeld van 2021, langer geworden. Alleen in het meest pessimistische scenario is dat voor provincies korter geworden. Dit komt als eerste doordat de transitiekosten significant zijn gestegen o.a. door uitstel van de Ow, toevoegen van de effecten van Omgevingsdiensten. Als tweede komt dat doordat de structurele effecten nu in de tijd zijn uitgezet terwijl dat in het Integraal Financieel Beeld niet het geval was. Als laatste komt dat doordat de bandbreedte bij de verschillende overheden kleiner (minder extreem) is geworden. Pagina 49 van 105

8. Anders werken 8.1 Inleiding Dit hoofdstuk gaat over Fase 2 van dit onderzoek. Het gaat hier niet om de transitiekosten vanwege de invoering van het nieuwe stelsel en de korte termijn structurele effecten, maar om de structurele financiële effecten op de lange termijn. Dat betreft de periode dat het stelsel langere tijd stabiel in werking is en door partijen gebruikt wordt zoals het bedoeld is en mogelijk is. Er is gekeken naar een toekomst waarin de implementatiefase van het nieuwe stelsel is afgerond en de praktijk gewend is met de Omgevingswet en het DSO te werken. Hiervoor is gekeken naar de werking in 2032.

8.2 Simulatie van een toekomst mét het stelsel Omgevingswet Het stelsel Omgevingswet bestaat uit de wet met de kerninstrumenten en de regels, uit het DSO en uit het Anders werken. Deze drie elementen van het stelsel leiden in hun onderlinge samenhang tot financiële effecten voor de overheidsinstanties, bedrijven en inwoners die ermee werken. Dat effect doet zich voor op de korte en middellange termijn, met eenmalige en structurele financiële effecten. Maar het effect treedt ook op de langere termijn op. Daarmee bedoelen we een termijn in de verder gelegen toekomst, waarin het stelsel stabiel in werking is en door de praktijk gebruikt wordt op een manier zoals het bedoeld is. Tegen de tijd dat de implementatie (overgangsfase) van de Omgevingswet overal in het land is afgerond, zal het gangbaar zijn om te sturen, reguleren en handelen op basis van de bedoeling van de wet, met een goed functionerend DSO en door anders te werken dan heden ten dage of ten dage van de transitie van oud naar nieuw stelsel. Het is aannemelijk dat de transitieperiode in het jaar 2032 echt wel is afgelopen. Het is een uitdaging om de situatie in te beelden voor dat jaar 2032, met oog op de structurele financiële effecten van het stelsel. Dat inbeelden is mogelijk door middel van een simulatie van casuïstiek, die volledig uitgaat van een samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving (SOLL).

Dat kunnen we afzetten tegen een situatie waarin de Omgevingswet zonder integrerende impact zou worden uitgevoerd, oftewel als sprake zou zijn van een neutrale implementatie (IST). De hypothese van dit onderdeel van het onderzoek naar het financieel beeld is dat na de afronding van de implementatie van het stelsel sprake is van een financieel relevant effect als dat effect niet in het neutrale spectrum valt. Pagina 50 van 105

8.3 Bevindingen De simulatie van een toekomst mét een geïmplementeerd stelsel Omgevingswet – in een toekomstig jaar zoals 2032 – laat zien dat op die langere termijn sprake is van financieel relevante effecten. De simulatie van dat beeld levert in kwalitatieve termen het inzicht op dat het stelsel voornamelijk tot minder lasten kan gaan leiden ten opzichte van de nulsituatie bij aanvang van het stelsel op 1 januari 2024: • Minder wrijvingsverliezen door samenwerking en afstemming; • Besparingen door rolneming, participatie en stoppen met ‘oude’ processen; • Minder bureaucratie door betere monitoring. In de SOLL is naast minder lasten ook sprake van hogere lasten als gevolg van structurele investeringen: • In sturing op de voorkant van processen; • In de informatievoorziening. Uit de simulatie blijkt dat deze financiële effecten met name ontstaan vanwege het “anders werken”, zoals dat wordt aangewakkerd door het nieuwe stelsel Ow. Blijft die transitie uit, dan valt het effect anders uit.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13431710/1