Afd. motie 372.23
Tekst van het document
Raadsinformatiebrief / Informatiebrief Stadsdeelcommissie
Aan: Datum Portefeuille(s) Portefeuillehouder(s): Behandeld door Onderwerp
De leden van de gemeenteraad van Amsterdam / De leden van de stadsdeelcommissie Zuid en West 1 oktober 2024 Ruimtelijke Ordening; Coördinatie VTH-beleid voor bouw & gebruik; Vergunningen en handhaving bouw; Openbare Ruimte Reinier van Dantzig / Bart L. Vink; Rocco Piers; Thomas Hermans Stadsdeel Zuid Vervolgaanpak bouwdynamiek en afdoening motie 372 van de raadsleden Van Renssen (GroenLinks), Alberts (SP), Boomsma (CDA) Minderhoud (PdvA) en Wehkamp (D66) inzake maatregelen schade andere percelen
Geachte leden van de gemeenteraad, Geachte leden van de stadsdeelcommissies Zuid en West, In de afgelopen periode heeft u meermaals aandacht gevraagd voor de overlast die Amsterdammers ervaren door bouwactiviteiten en de zorgen die zij hebben over de effecten op de gebouwde omgeving. Het college en de stadsdeelbesturen delen deze zorgen. Zoals u weet heeft het stadsbestuur de afgelopen jaren veel aandacht besteed aan het zoeken naar en herstellen van de balans tussen de positieve en negatieve aspecten van bouwactiviteiten. Daarbij zijn in de breedte maatregelen onderzocht en hebben er in specifieke straten en buurten in Zuid en West pilots plaatsgevonden. Vanuit al deze activiteiten zijn een aantal belangrijke resultaten geboekt die bouwoverlast verminderen. Desondanks ervaren veel bewoners en ondernemers regelmatig nog steeds (te) veel overlast door bouwactiviteiten. Bovendien bestaan er zorgen over de mogelijke effecten op bestaande woningen en andere gebouwen in de nabijheid van de diverse bouwactiviteiten. Daarom werkt het college samen met de stadsdeelbesturen van Zuid en West aan aanvullende maatregelen. In de informatiebrief van 10 juni jongstleden1 is alvast kort geschetst hoe de aanpak eruitziet; in de voorliggende brief wordt u hier uitgebreider over geïnformeerd.
In de eerdere informatiebrief werd aangegeven dat we de bevindingen uit de afgelopen bestuursperiode nog eens goed tegen het licht hebben gehouden, in het bijzonder de lijst van 19 maatregelen. Daarbij hebben we gekeken of we bepaalde maatregelen alsnog of op een andere manier kunnen uitvoeren, en of er eventuele nieuwe maatregelen te bedenken zijn. Vooruitlopend op de vervolgaanpak bouwdynamiek, hebben de gemeenteraadsleden Alberts (SP) en Van Renssen (GroenLinks) op 16 april 2024 het initiatiefvoorstel ‘De buurt telt mee’ ingediend.2 Het 1 Informatiebrief inzake Proces rondom de vervolgaanpak bouwdynamiek, moties 358 en 373, en het
initiatiefvoorstel ‘De buurt telt mee’, 10 juni 2024. Zie: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/14302308/1/ 2 Initiatiefvoorstel ‘De buurt telt mee’. Zie: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/modules/5/Overige%20dagelijkse%20berichten/935916
1
college heeft de daarin genoemde voorstellen over (de wijze van) vergunningverlening, toezicht en handhaving onderzocht. De reactie van het college heeft u ontvangen in een separate brief. In het onderstaande informeren wij u in hoofdlijnen over de uitkomsten van deze review én de daaruit volgende vervolgaanpak bouwdynamiek. In het kort blijkt uit de review dat we de belangrijkste en meest effectieve maatregelen hebben uitgevoerd. Dat gaat met name om de juridisch-planologische kaders om ongewenste bouwactiviteiten tegen te gaan. We concluderen dat we de bestaande juridisch-planologische instrumenten benut hebben en zien op dit vlak geen ruimte voor andere of aanvullende maatregelen. Wel is het zo dat met de Omgevingswet de invloed die bewoners kunnen uitoefenen op bouwactiviteiten in hun omgeving toeneemt. Zij kunnen bijvoorbeeld vroegtijdig hun onzekerheden en zorgen kenbaar maken in het kader van de participatie die de Omgevingswet vereist. We verwachten dat dit ook een positief effect heeft op de mate van bouwoverlast die bewoners ervaren en de zorgen die zij hebben met betrekking tot mogelijk negatieve effecten van bouwactiviteiten op bestaande gebouwen. Tegelijkertijd constateren we dat we nog meer kunnen en willen doen om de bouwoverlast in de openbare ruimte te verminderen.
Daarnaast zien we ook de noodzaak tot het beter informeren van bewoners en anderen over het proces van vergunningverlening en de rechten en plichten van verschillende partijen bij bouwactiviteiten. In de vervolgaanpak bouwdynamiek richten we ons dan ook vooral op maatregelen in openbare ruimte en op het gebied van communicatie. Om de verschillende maatregelen te onderzoeken en in de praktijk te brengen, zoomen we in eerste instantie in op specifieke gebieden in de stadsdelen Zuid en West. De ervaringen die we daar opdoen willen we gebruiken voor verbeteringen in stedelijk beleid en werkwijzen. In de rest van deze brief wordt dit uitgebreider toegelicht. Bouwdynamiek: zoeken naar de juiste balans Bouwdynamiek hoort bij de stad. Verbouwingen en vernieuwingen van bestaande panden is in veel gevallen nodig om deze aantrekkelijk te houden, te laten voldoen aan de eisen van deze tijd en de funderingen te herstellen waar dit aan de orde is. Het gaat dus vooral om het vinden van de juiste balans tussen de positieve en de negatieve aspecten van bouwactiviteiten. Als we het hebben over bouwdynamiek gaat het grotendeels over het opknappen en/of vergroten van bestaande panden in al dichtbebouwde buurten. Dit heeft allerlei positieve effecten voor de stad en voor haar inwoners. Zo draagt de renovatie van oude panden bij aan het verduurzamen en beter isoleren van woningen.
Door het toevoegen van volumes en nieuwe gebruiksfuncties ontstaat extra woonruimte en kunnen funderingen hersteld worden. Ook worden door verbouwingen bijvoorbeeld bedrijfsruimtes (beter) geschikt en verhuurbaar voor ondernemers en (maatschappelijke) organisaties en zorgfuncties. Tegelijkertijd leiden bouwplannen soms tot overlast en tot angst voor schade aan omliggende panden. Ook kunnen ze effect hebben op de klimaatbestendigheid van binnentuinen en de privacy van omwonenden. Om negatieve effecten te beperken, toetsen de stadsdelen scherp bij het verlenen van de Omgevingsvergunning op de hiervoor geldende eisen, onder andere op basis van het geldende Omgevingsplan (c.q. de eerder vastgestelde bestemmingsplannen). Daarnaast zien
2
we ook dat op sommige plekken de openbare ruimte onder druk komt te staan door de vele bouwactiviteiten. Door meerdere puinbakken, tijdelijke toiletten (‘dixies’), bouwketen en hekwerken zijn de stoepen soms maandenlang niet goed begaanbaar. Dit zorgt ervoor dat de toegankelijkheid in het geding komt en dit bepaalt het straatbeeld. Deze negatieve aspecten willen we zoveel mogelijk inperken. Binnen Amsterdam zijn er sterke verschillen met betrekking tot de (ervaren) overlast. Recente cijfers van O&S laten zien dat veel van deze overlast zich centreert in de binnenstad en in de vooroorlogse buurten van stadsdelen Zuid en West (zie ook bijlage 2). Dit hangt samen met de vele (ver)bouwactiviteiten die hier plaatsvinden en ook met de bebouwingsgeschiedenis en stedenbouwkundige opzet (dichtbebouwd en krappere straatprofielen). Review van de maatregelen uit de Bestuursopdracht Bouwdynamiek (2019 – 2022) Op 13 februari 2019 is de gemeenteraad geïnformeerd over 19 mogelijke maatregelen, inclusief een eerste beoordeling.3 De lijst is destijds tot stand gekomen met input van bewoners, deskundigen, bestuurders, raads- en stadsdeelcommissieleden. Deze maatregelen zijn ingedeeld in vier categorieën: bestemmingsplannen, vergunningen, overlast en overig. We hebben al deze maatregelen met de bijbehorende resultaten en conclusies opnieuw goed bekeken.
In het kort zien we dat de belangrijkste en meest effectieve maatregelen zijn uitgevoerd, met name waar het gaat om de juridisch-planologische kaders (het huidige omgevingsplan en de omgevingsvergunningen). Op andere vlakken zien we wel kansen om verdere maatregelen te nemen, met name op het gebied van openbare ruimte en op het gebied van informatie en communicatie. In bijlage 1 vindt u de lijst met daarbij een update en herbeoordeling per maatregel. In het onderstaande gaan wij in op de belangrijkste bevindingen en de stappen die we in de vervolgaanpak zetten. Deze hebben we (her)ingedeeld in drie categorieën: 1. Regie op (vergunde en vergunningsvrije) bouwactiviteiten (oftewel de juridischplanologische kaders op het gebied van bouwactiviteiten) 2. Regie op het gebruik van de openbare ruimte voor bouwwerkzaamheden (over de hele keten: van beleid naar vergunningverlening en tot toezicht en handhaving). 3. Inzet op communicatie over (de planning van) bouwprojecten en over de rollen en verantwoordelijkheden van verschillende betrokkenen. Juridisch-planologische kaders In de Bestuursopdracht Bouwdynamiek van de afgelopen bestuursperiode is uitgebreid gekeken naar de ruimtelijke en juridisch-planologische manieren om (ongewenste) bouwactiviteiten te beperken. Hierbij is zowel gekeken naar bestemmingsplannen (1 t/m 3 en 12) als naar de vergunningverlening (4 t/m 8, 13, 15 en 18).
Aanvullend daarop zijn ook maatregelen rondom erfgoed en welstand (16 en 19) meegenomen.
3
Zie: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/7350575/1/09012f978282ef07
3
Uitgevoerde en afgeronde maatregelen Voor de gebieden in Zuid en West waar bouwdynamiek de afgelopen jaren het meest aan de orde was zijn conserverende bestemmingsplannen opgesteld en vastgesteld door de gemeenteraad. Het meest recente voorbeeld daarvan is het bestemmingsplan ‘Museumkwartier – Valeriusbuurt 2022’. In deze actuele bestemmingsplannen (die met de inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel zijn geworden van het Amsterdamse Omgevingsplan) zijn diverse beperkingen opgenomen, waaronder het beperken van vergunningsvrij bouwen in binnentuinen en bouwbeperkingen ten dienste van cultuurhistorische bescherming van waardevolle panden. Daarbij zijn ook eisen gesteld aan het maximale verhardingspercentage voor de binnentuinen en de maximale omvang van tuishuisjes en bergingen. Ook is het kruimelgevallenbeleid in Zuid en West aangepast door het opnemen van diverse bouwbeperkingen. Voor het doorvoeren van nieuwe verdergaande bouwbeperkingen in deze vastgestelde juridisch-planologische documenten, is nu geen directe ruimtelijke aanleiding. Oude bestemmingsplannen in de bestaande stad die de komende jaren zullen worden omgezet in een wijziging van het Omgevingsplan, zullen veelal ook een conserverend karakter krijgen.
Naast deze juridisch-planologische instrumenten is ook een verzwaarde cultuurhistorische bescherming ingezet door de aanwijzing in november 2022 als gemeentelijk beschermd stadsgezicht van Oud-Zuid en de Pijp in Zuid en de Admiralenbuurt in West (en ook van Betondorp in Oost). Bij de vaststelling van de in deze periode opgestelde bestemmingsplannen in Zuid en West is hier al op geanticipeerd. Ook wordt momenteel gewerkt aan een parapluregeling voor de gehele stad waarin voor de huidige (nu nog niet beschermde) orde-1 en 2 panden een sloopvergunningstelsel zal worden opgenomen. Verder is naar aanleiding van motie 1736 inmiddels begonnen met een actualisering van de waarderingskaart van de 19de-eeuwse Ring.4 De actualisering zal eind 2025 worden opgeleverd, waarna bestuurlijke vaststelling van de geactualiseerde kaarten zal plaatsvinden door verankering in de Welstandsnota. Al met al zien we dat de juridisch-planologische maatregelen voor het grootste deel uitgevoerd en afgerond zijn. Wel zijn er verschillende nieuwe ontwikkelingen die raken aan en die invloed (kunnen) hebben op bouwdynamiek. Dat gaat onder meer om het volgende: − De Omgevingswet maakt dat diverse rijksregels naar gemeenten zijn gedecentraliseerd, wat maakt dat deze in het Omgevingsplan Amsterdam meer naar eigen inzichten kunnen worden vormgegeven en afgestemd op de opgaven waarvoor we staan in de stad.
− Ook kent de Omgevingswet een bredere reikwijdte, namelijk een ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’ in plaats van ‘een goede ruimtelijke ordening’, die maakt dat bijvoorbeeld verschillende gezondheidsaspecten en duurzaamheids-/milieuaspecten nadrukkelijker zullen kunnen worden meegenomen. − Participatie heeft een sterkere positie gekregen in de Omgevingswet, wat onder meer tot uiting komt in verplichte participatie bij aanvragen voor buitenplanse afwijkingen van het Omgevingsplan (waartoe de gemeenteraad heeft besloten in november 2022). In het door het college vastgestelde VTH Beleid Fysieke Leefomgeving 2024 zijn uitgangspunten opgenomen hoe participatie zal worden meegewogen bij de beoordeling van deze 4
Motie van het lid Boomsma inzake de Begroting 2020 (Actualiseer waarderingskaart 19e -eeuwse ring). Zie: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/modules/6/Moties%20en%20amendementen/548112
4
−
aanvragen. Dit zal in ieder geval als effect hebben dat omwonenden in een eerder stadium kunnen meepraten over bouwprojecten in hun omgeving. Dit verhoogt dan ook de mogelijkheid om plannen te beïnvloeden en effecten in de omgeving eerder onderdeel te laten worden in de planontwikkeling. Uiteindelijk geeft dit de gemeente betere inzichten bij de afweging of van het bestemmingsplan kan worden afgeweken. In de basisregelset van de ontwerp-wijziging Omgevingsplan (die naar verwachting in oktober 2024 wordt vastgesteld) is een gelijkschakeling opgenomen voor rijksbeschermde en gemeentelijk beschermde stadsgezichten. Dit betekent onder meer dat dat vergunningplichten die gelden in rijksbeschermde stadsgezichten, straks ook gelden voor gemeentelijk beschermde stadsgezichten. Met vergunningplichten kan straks dus meer worden gestuurd op (de al dan niet inpasbaarheid van) kleinere bouwplannen zoals aanbouwen.
We verwachten dat deze ontwikkelingen een positief effect hebben op de mate van invloed die bewoners kunnen uitoefenen op bouwactiviteiten in hun omgeving en daarmee ook op de mate van bouwoverlast die bewoners ervaren. Aanvullende maatregelen en verdere onderzoeksrichtingen Aanvullend op deze maatregelen, hebben we ook twee andere maatregelen bekeken. Allereerst hebben we gekeken naar de mogelijkheid van een soort ‘noodzakelijkheidsprincipe’ als weigeringsgrond voor Omgevingsvergunningen. De gedachte hierachter is dat een pand soms binnen enkele jaren meermaals verbouwd wordt, zonder dat hier bouwkundig gezien ‘noodzaak’ voor is. Dit kan zorgen voor langdurige overlast voor de omgeving. Echter, dit kunnen we niet invoeren om het simpele feit dat er geen wettelijke basis voor is. De wetgever heeft in de Omgevingswet weigeringsgronden opgenomen op basis waarvan een vergunning geweigerd kan worden. Daar kan een lager bestuursorgaan geen nieuwe weigeringsgrond aan toevoegen. We hebben ook bekeken of het nodig is om voor bijvoorbeeld omgevingsvergunningen voor kelders aanvullende voorwaarden op te nemen. De landelijke wetgever was ons voor met het opstellen van de Landelijke Richtlijn Bouw- en Sloopveiligheid (artikel 7.15 Bbl). Deze richtlijn behelst een checklist die een aanvrager van een omgevingsvergunning, ook bij het aanvragen van een kelder, moet invullen.
Het invullen zorgt voor een puntenscore. Boven de 12 punten moet de opdrachtgever voor de bouwactiviteit of de uitvoerder van de bouwwerkzaamheden een veiligheidscoördinator aanstellen die aan de hand van een monitoringsplan toeziet op het voorkomen van schade aan naburige bouwwerken. Openbare ruimte Een aantal maatregelen betreffen met name de overlast die ontstaat in de openbare ruimte (9 t/m 11). Puinbakken, tijdelijke toiletten (“dixies”), bouwketen, hekwerken en busjes: al deze objecten kunnen nodig zijn om bouwwerkzaamheden effectief en veilig uit te voeren. Als er veel bouwactiviteiten tegelijk en in een klein gebied plaatsvinden, kunnen deze de openbare ruimte erg gaan domineren en de toegankelijkheid en aantrekkelijkheid van een straat sterk negatief beïnvloeden. Op verschillende plekken in de stad zien we dat de leefbaarheid in de buurt en de
5
toegankelijkheid van de openbare ruimte hierdoor onder druk komt te staan.5 Daarom werken we aan extra maatregelen. Uitgevoerde en afgeronde maatregelen Een belangrijke maatregel is het zorgen voor meer prioriteit voor toezicht en handhaving in de openbare ruimte. In de afgelopen bestuursperiode is vanuit stadsdeel West een werkwijze ontwikkeld voor meer specialistisch toezicht op het gebied van bouwactiviteiten. Als vervolg hierop heeft Toezicht, Handhaving en Openbare Ruimte (THOR) samen met de stadsdelen een pilot van een jaar uitgevoerd met gebiedsgericht toezicht voor bouwactiviteiten. Deze pilot is dit voorjaar afgerond. Op basis van de goede resultaten is recentelijk besloten om deze werkwijze te bestendigen, ook buiten stadsdeel West. Dit betekent dat ieder stadsdeel structureel één extra toezichthouder heeft die zich specifiek richt op bouwgerelateerde hinder. Deze maatregel is dus uitgevoerd en deze vorm van toezicht wordt de komende tijd verder doorontwikkeld. Dat gezegd hebbende, ook deze extra capaciteit garandeert niet dat deze altijd voldoende is om adequaat te reageren op alle meldingen dan wel situaties op straat. Het aantal bouwactiviteiten in sommige delen van de stad is soms simpelweg te groot om met één toezichthouder per stadsdeel te bedienen. Ook kost het tijd om de nieuwe werkwijze goed te implementeren.
Aanvullende maatregelen en verdere onderzoeksrichtingen In de aanpak voor de openbare ruimte maken we onderscheid tussen twee oplossingsrichtingen. Enerzijds verkennen we extra maatregelen die we kunnen inzetten in die gebieden waar (zeer) veel bouwoverlast is. Anderzijds, en net zo belangrijk, richten we ons op verbeteringen in de bestaande systematiek rondom de regulering van het gebruik van de openbare ruimte voor bouwwerkzaamheden. Binnen dit ketenproces werken verschillende organisatieonderdelen samen aan het verwerken van een grote hoeveelheid meldingen en aanvragen voor (onder meer) de plaatsing van objecten en het reserveren van parkeervakken. In Amsterdam worden er in 2024 naar verwachting ongeveer 35.000 objectvergunningen en tijdelijke verkeersmaatregelen verleend.6 Een van de bevindingen uit de voorgaande bestuursperiode was dat de verschillende ketenonderdelen op papier kloppen, maar dat de uiteindelijke situatie op straat soms tóch flink te wensen overlaat. Dat zien we op veel plekken in de stad nog steeds. Het verscherpen van de regels en voorschriften bij objectmeldingen, objectvergunningen en tijdelijke verkeersmaatregelen zien we als een belangrijke manier om overlast tegen te gaan. We kijken daarbij naar de belangen van zowel de aanvrager als van omwonenden en gebruikers van de openbare ruimte.
Vragen die daarbij horen zijn bijvoorbeeld: Hoeveel objecten zijn echt nodig en voor hoe lang? Moeten deze direct voor de deur geplaatst worden, of kan dat ook op eigen terrein of ergens anders in de straat? Het verscherpen van de voorschriften vraagt om intensieve samenwerking tussen de verschillende ketenpartners in het proces van vergunningverlening in de
5
Uiteraard moet dit ook gezien worden in een bredere context: de druk op de openbare ruimte ontstaat door een opeenstapeling van (tijdelijk en permanent) gebruik. Zo is er bijvoorbeeld ook sprake van bevoorrading van winkels en van postbezorgers die parkeren op de stoep.
6
openbare ruimte. De voorschriften moeten in redelijkheid uitvoerbaar en effectief zijn voor de verschillende betrokken partijen. Waar mogelijk hebben we direct al een aantal verbeteringen doorgevoerd die helpen om overlast in de openbare ruimte te verminderen. Deze zijn als volgt: •
• •
De objectmelding moet nu minimaal 24 uur voor plaatsing worden gedaan. Tot voor kort kon dat tot enkele minuten voor plaatsing. In de praktijk zorgde deze korte termijn ervoor dat toezichthouders geen goed overzicht hadden van welke objecten wel of niet gemeld waren. Het afdekken van puincontainers is verplicht gesteld. Hiermee wordt zwerfvuil en rattenoverlast tegengegaan. Voor de vergunningverlening in de P.C. Hooftstraat (een van de casusgebieden, zie ook de toelichting verderop in deze brief) zijn verscherpte richtlijnen opgesteld. Daarmee wordt kritisch(er) gekeken naar het benodigde aantal parkeerplaatsen en objecten.
Het hanteren van een maximum aan het aantal te reserveren parkeerplaatsen en/of te plaatsen objecten per bouwproject werken we de komende periode verder uit. Daarbij bouwen we voort op de pilot parkeerdrukregeling die in 2021-2022 in stadsdeel West is uitgevoerd. In deze pilot werden per aanvraag ten hoogste twee parkeervakken uitgegeven voor het plaatsen van tijdelijke bouwobjecten, tenzij de noodzaak tot meer plekken goed gemotiveerd werd. De resultaten lieten zien dat we via een dergelijke regeling meer regie krijgen op het gebruik van de openbare ruimte. De komende periode werken we uit hoe we deze maatregel gebieds- of straatgericht in te kunnen zetten. De mate en vormen van bouwoverlast kunnen immers sterk variëren, afhankelijk van zowel de hoeveelheid bouwactiviteiten als van de kenmerken en opzet van een buurt. Ook verkennen we of, en welke, uiterlijke/esthetische kwaliteitseisen we kunnen stellen rondom bouwplaatsen in de openbare ruimte. Bij praktijkvoorbeelden op straat zien we dat de gebruikte hekwerken en bouwschuttingen een groot effect hebben op het aanzien van openbare ruimte. Door deze een hoogwaardige(re) uitstraling te geven – bijvoorbeeld door het gebruik van houten in plaats van ijzeren hekken – ziet de straat er mooier en verzorgder uit.
Bij het uitwerken van deze uiterlijke eisen houden we in ieder geval rekening met het karakter van de locatie (bijvoorbeeld of het een woonbuurt is of een stadsstraat) en de duur van het bouwproject. Een andere maatregel die we uitwerken is het (tijdelijk) aanwijzen van specifieke locaties voor het clusteren van objecten. Dat kan bijvoorbeeld een plek in het midden en/of aan het einde van de straat zijn, zodat de rest van de straat zoveel mogelijk vrij blijft. Wel zou clustering ook voor verplaatsing of nieuwe vormen van overlast kunnen zorgen. De exacte locatie en de inrichting daarvan is daarom belangrijk. We willen deze maatregel in de praktijk gaan uitproberen in de P.C. Hooftstraat in stadsdeel Zuid (zie ook verder in deze brief voor een toelichting over de casusgebieden). We denken daarbij vooral aan schaftketen en tijdelijke toiletten. Voor objecten zoals puincontainers lijkt clusteren minder geschikt, omdat het vervoeren van puin over straat juist ook voor extra overlast kan zorgen. Het aanwijzen van een clusterlocatie in de P.C. Hooftstraat zal dit najaar nader worden onderzocht en worden afgewogen door het dagelijks bestuur van stadsdeel Zuid.
7
Een maatregel die onderdeel is van de lijst (nr. 9) is om een maximum aan de overlast per straat of per buurt te stellen. Dit raakt aan de kern van de opgave: het is vaak juist de concentratie van objecten die op bepaalde locaties voor bovenmatige overlast zorgt. Daarom hebben we nader onderzocht of en hoe het juridisch en praktisch mogelijk is om een maximum te stellen aan het aantal tijdelijke objecten en/of tijdelijke verkeersmaatregelen, op grond van respectievelijk de Algemene Plaatselijke Verordening en de Wegenverkeerswet. Daar is uit naar voren gekomen het technisch-juridisch gezien mogelijk lijkt om een maximum aan het aantal te verlenen objectvergunningen in te stellen, maar dat er ook een aantal belangrijke bezwaren aan kleven. Zo moet goed onderbouwd worden waarom vanaf een x-aantal objecten sprake is van bijvoorbeeld te veel hinder of te veel afbreuk aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte.7 Omdat dit altijd afhankelijk is van de specifieke situatie en de aanvraag is dit a priori moeilijk/niet te bepalen. Daarnaast is het instellen van een maximum ook lastig uitvoerbaar.
Wat als een aannemer bij de start van een project (waar al een omgevingsvergunning voor is verleend) geen vergunning kan krijgen om de benodigde objecten op straat te plaatsen? Wat als de uitvoerder van de werkzaamheden in de geplande periode niet beschikbaar is? Of als de vooraf vergunde termijn te kort blijkt om de werkzaamheden uit te voeren? En wat vraagt het van de gemeentelijke uitvoering om al dit soort zaken in goede banen te leiden? Al met twijfelen we of het instellen van een maximum een effectieve maatregel is om de overlast door bouwactiviteiten te verminderen. De komende maanden werken we dit nader uit en komen dan met conclusies. Tot slot zien we dat de openbare ruimte na een afgerond bouwproject niet altijd goed wordt opgeleverd door de aannemers. Als gevolg van werkzaamheden ontstaat soms kapotte bestrating of groen, waaronder geveltuintjes van bewoners. Dit wordt niet altijd hersteld door de aannemer. Het achteraf verhalen van de schade op de betreffende aannemer lukt om praktische en juridische redenen lang niet altijd. De komende periode bekijken we of en hoe dit beter geregeld kan worden, zowel bij het verlenen van vergunningen als bij de oplevering. Zoals uit het bovenstaande naar voren komt, werken we aan verschillende concrete acties om bouwoverlast in de openbare ruimte te verminderen.
Het laat echter ook zien dat het niet eenvoudig is om maatregelen te nemen die direct grote impact (kunnen) hebben op de ervaren overlast in de openbare ruimte. Het is daarom des te belangrijker dat we ook heel goed kijken naar de huidige systematiek rondom de regie op het gebruik van de openbare ruimte voor bouwwerkzaamheden. Aanvullend op het bovenstaande zijn we daarom gestart met een evaluatie van de huidige systematiek met alle betrokken ketenpartners. We zoomen daarbij in op de praktijk in een buurt waar een voor Amsterdam ‘gemiddelde’ mate van overlast wordt ervaren (zie ook bijlage 2). We hopen op basis van deze gezamenlijke evaluatie te komen tot verdere verbeteringen die zowel voldoende uitvoerbaar als effectief zijn. Dat kan bijvoorbeeld gaan om aanpassingen van de voorschriften (waar bovenstaand ook al een aantal voorbeelden van zijn genoemd). Ook kan
7
In de APV (art. 4.4) zijn de gronden opgenomen op basis waarvan een objectvergunning geweigerd kan worden. Het college kan de vergunning weigeren als het beoogde gebruik: a) dat een belemmering kan opleveren voor het gebruik van de weg of een belemmering kan opleveren voor het doelmatig beheer en onderhoud van de weg; b. gevaar, hinder of verontreiniging voor de omgeving kan veroorzaken of c) afbreuk doet aan het uiterlijk aanzien van de openbare ruimte.
8
het gaan om de wijze waarop de verschillende organisatieonderdelen informatie uitwisselen en samenwerken. Binnen de hierboven geschetste aanpak en maatregelen focussen we in eerste instantie op enkele casusgebieden in Zuid en West. In deze gebieden willen we ervaringen opdoen die ook relevant en bruikbaar zijn voor andere delen in de stad waar van bouwoverlast sprake is. In het vormgeven en uitproberen van deze maatregelen betrekken we ook de stakeholders in het betreffende gebied. Daarbij hebben de bouwers/aannemers een belangrijke rol: zij kunnen direct bijdragen aan het verminderen van de overlast en aangeven welke knelpunten zij ervaren. Daarnaast worden ook ondernemers en bewoners betrokken. Verderop in deze brief wordt u geïnformeerd over de locaties in Zuid en West waar we in eerste instantie aan de slag gaan. Informatie en communicatie Heldere informatie en communicatie is voor veel bewoners van groot belang en kan daarmee ook helpen om de overlast door bouwactiviteiten te verminderen. In de lijst met maatregelen gaat dit om nummer 17 en 18. Afgeronde en uitgevoerde maatregelen In de afgelopen bestuursperiode zijn hier verschillende acties op ondernomen. Het belangrijkste resultaat is daarbij de invoering van het Bouwbord; daarop staan de contactgegevens van de uitvoerder, wat er gebouwd wordt en wat de verwachte einddatum van de werkzaamheden is.
In de voorwaarden bij de Omgevingsvergunning is sinds 2022 opgenomen dat een Bouwbord verplicht is. Bij vermeende overlast kan door omwonenden met de aannemer contact worden opgenomen. Dat is een snelle wijze om overlast te beperken. De ervaringen met dit bord zijn dan ook positief. Ook is er een pagina op de gemeentelijke website, waarop communicatie-opties (“tools”) staan die bouwers kunnen gebruiken voor het onderhouden van contact met de buurt.8 Aanvullende maatregelen en verdere onderzoeksrichtingen We zien dat er nog veel winst te behalen is. Voor veel bewoners is het proces van vergunningverlening onduidelijk. Behoefte aan meer en betere informatie is onder meer naar voren gekomen in gesprekken met een groep bewoners die een vaste gesprekspartner was bij de pilots in stadsdeel West. Ook was dit een van de opbrengsten van het congres bouwdynamiek van 10 februari 2022 in stadsdeel West. Meer in het bijzonder zien we dat de gemeente veel wordt bevraagd over kwesties tussen bewoners en bouwers onderling. Dit speelt zich grotendeels af in het domein van het burenrecht (civielrecht): de gemeente heeft daar geen rol.
Relevant in dat licht is de door de gemeenteraad aangenomen motie 372 van de leden Alberts (SP), Minderhoud (PvdA), Wehkamp (D66) en toenmalig leden Van Renssen (GroenLinks) en Boomsma (CDA) inzake Maatregelen schade andere percelen.9 In de motie wordt gevraagd om te onderzoeken of we regelgeving c.q. instrumenten kunnen inzetten om bij bouwactiviteiten de mogelijke schade bij naastgelegen en omliggende panden te voorkomen, en om te onderzoeken 8
https://www.amsterdam.nl/bouwdynamiek Motie 372 inzake maatregelen schade andere percelen. Zie: https://amsterdam.raadsinformatie.nl/modules/6/Moties%20en%20amendementen/861896 9
9
of en op welke wijze maatwerkvoorschriften ingezet kunnen worden, waarmee de initiatiefnemer onderzoek doet en vooraf laat zien welke maatregelen er genomen worden om schade aan belendende panden te voorkomen. Het college heeft hier onderzoek naar gedaan en concludeert dat we geen aanvullende effectieve instrumenten hebben bovenop de reeds bestaande. Mogelijke schade aan belendende percelen is vooral een civielrechtelijke kwestie tussen buren. Dit werd recentelijk ook duidelijk bij verschillende casussen in Oud-Zuid en de procedures die daarbij door buurtbewoners in gang zijn gezet. Het inzetten van maatwerkvoorschriften ter voorkoming van schade is eerder beschouwd tijdens de pilot bouwdynamiek in stadsdeel West. Daar hebben we geconstateerd dat dit weinig effectief is, omdat per geval beoordeeld moet worden welk voorschrift nodig is en we daarbij ook moeten kunnen instaan voor de controle daarop en vooral ook moeten kunnen constateren wat de oorzaak is van een geconstateerde schade en de ernst daarvan. Dat is een tamelijk complexe operatie, waarvan de invoering ook nog eens veel tijd kost. Bovendien betreft het hier een expertise die niet binnen de (wettelijke) verantwoordelijkheid van de gemeente valt, waardoor de noodzakelijke expertise ontbreekt.
Mogelijk dat de eerdergenoemde Landelijke Richtlijn Bouw- en Sloopveiligheid (artikel 7.15 Bbl) waarbij de uitvoerder zelf een veiligheidscoördinator moet aanstellen, nog mogelijkheden biedt. Het college ziet vanuit de gemeente in ieder geval geen mogelijkheden en beschouwt de motie hiermee als afgedaan. Wat we wél kunnen en moeten doen is actiever communiceren. We gaan daarom begrijpelijke informatie beschikbaar stellen over het proces van vergunningverlening en over de rechten en plichten van verschillende partijen bij bouwactiviteiten. Op deze manier stellen we bewoners in staat bij de uitvoering van werkzaamheden goede onderlinge afspraken te maken en de zaken goed vooraf te regelen met elkaar. We denken hier bijvoorbeeld aan informatie over effectieve 0metingen en de noodzaak van gedegen technisch (voor)onderzoek bij verbouwingswerkzaamheden. Casusgebieden in stadsdeel Zuid en West Om (een deel van) de maatregelen te onderzoeken en in de praktijk uit te proberen, zoomen we in op specifieke gebieden in stadsdeel Zuid en West. Daar willen we ervaringen opdoen die bruikbaar zijn voor de hele stad, en die bijdragen aan verbeteringen in stedelijk beleid en werkwijzen. Zoals ook bovenstaand aangegeven, zien we dat de overlast door bouwactiviteiten zich grotendeels concentreert in (vooroorlogse) buurten in Zuid en West. Voor de pijler openbare ruimte richten we ons op de P.C.
Hooftstraat in het Museumkwartier en op de Bellamybuurt in Oud-West. In de P.C. Hooftstraat worden regelmatig winkelpanden ingrijpend verbouwd. Het gaat hier veelal om luxueuze en internationale modezaken die een pand zo aanpassen om aan te sluiten bij de gewenste uitstraling van hun merk. Door de vele verbouwingen ziet deze winkelstraat er doorgaans meer uit als een bouwplaats (zo kopte Het Parool afgelopen jaar al over de P.C. Sloopstraat). Deze straat is dan ook een ‘extreme’ casus waar het gaat om overlast in de openbare ruimte door bouwactiviteiten.10 Deze straat in Zuid is daarmee natuurlijk wat uitzonderlijk en a-typisch. Toch kunnen we hier maatregelen uitproberen en daarvan leren 10
Parallel aan de hier geschetste maatregelen op het gebied van bouwdynamiek, onderzoeken we ook of we verkeersmaatregelen kunnen nemen die de leefbaarheid in de P.C. Hooftstraat ten goede komen.
10
voor andere straten en buurten. Naast deze straat, richten we ons ook op de Bellamybuurt in West. Deze woonbuurt is waar het gaat om bouwoverlast vergelijkbaar met diverse andere (vooroorlogse) buurten. Daarmee kan deze casus helpen om maatregelen te verkennen die breed toepasbaar zijn op de plekken in de stad met veel bouwoverlast. Zoals eerder in deze brief aangegeven, kijken we in de P.C. Hooftstraat naar het aanwijzen van een clusterlocatie. Daarnaast werken we ook de aanvullende voorwaarden en eisen (een maximum aantal parkeervakken/objecten aanvraag en de uiterlijke kwaliteitseisen voor bouwprojecten) allereerst uit op basis van deze casusgebieden. Bij deze locaties betrekken we ook aannemers, bewoners, ondernemers en andere betrokkenen. Voor de P.C. Hooftstraat zijn dat in ieder geval de winkeliers in de straat en de BIZ Museum Quarter. De maatregelen die we op deze twee locaties uitproberen, willen we vervolgens ook breder toepassen op plekken in de stad met veel bouwoverlast (zoals Oud-Zuid, de Pijp en Oud-West). De komende periode werken we verder aan de aanpak op het gebied van openbare ruimte en communicatie. We verwachten u in het eerste kwartaal van 2025 te informeren over de resultaten en de vervolgstappen.
Wij vertrouwen erop u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd.
Met vriendelijke groet, Namens het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, Namens het dagelijks bestuur van stadsdeel Zuid en stadsdeel West,
Reinier van Dantzig Wethouder Woningbouw en Stedelijke Ontwikkeling
Bart L. Vink Portefeuillehouder RO; Vergunningen en handhaving bouw, stadsdeel Zuid
Rocco Piers Portefeuillehouder Openbare Ruimte, stadsdeel Zuid
Thomas Hermans Portefeuillehouder RO; Vergunningen en handhaving bouw, stadsdeel West
11