CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

A - 19 Algemene Zaken (1) Rapport lage opkomst Adam final

RAAD 15 februari 2023, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief opkomstbevordering verkiezingenVN2023-00323621.565 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Niet gevonden in dit document.

Lage lokale betrokkenheid en grote ongelijkheid ONDERZOEK NAAR OPKOMST BIJ AMSTERDAMSE GEMEENTERAADSVERKIEZINGEN

Floris Vermeulen, Femke Kaulingfreks en Sharifah Redan UNIVERSITEIT VAN AMSTERDAM, POLITICOLOGIE | HOGESCHOOL INHOLLAND, JEUGD EN SAMENLEVING

MET MEDEWERKING VAN: NAOMI RIJKE, CHARISSA LEIWAKABESSY, SIETSKE ZWEEGMAN, ROBIN PASCOE, FROUKJE SANTING EN YOUNES DOUARI

Inhoudsopgave Samenvatting .......................................................................................................................................... 3 Hoofdstuk 1. Inleiding ............................................................................................................................. 7 Leeswijzer............................................................................................................................................ 8 Hoofdstuk 2. Ontwikkeling opkomst en electoraat tijdens Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen ................................................................................................................................................................ 9 Opkomst in Amsterdam: fluctuerend rond de 50% ............................................................................ 9 Het Amsterdamse electoraat bij lokale verkiezingen: steeds meer kiesgerechtigden en steeds minder Nederlanders .......................................................................................................................... 9 Lage stemintentie onder jongeren, praktisch opgeleiden en Amsterdammers met migratieachtergrond .........................................................................................................................

11 Type (niet-) stemmers en mate van betrokkenheid met de Amsterdamse politiek ........................ 14 Antwoord op eerste onderzoeksvraag: ............................................................................................ 15 TK en GR: Verschillend electoraat en tweede-orde verkiezingen ................................................ 15 Hoofstuk 3. Ongelijkheid in opkomst in de stad: groeiend en structureel ........................................... 18 Welke type buurten hebben lage opkomstpercentages? ................................................................ 20 Hoofdstuk 4. Een lage opkomst en participatieve ongelijkheid, welk en wiens probleem is dat? ...... 21 Wanneer is een laag opkomstpercentage een probleem, waarom en voor wie?............................ 21 Participatie en legitimiteit............................................................................................................. 21 Participatie en burgerschap .......................................................................................................... 21 Participatie en vertegenwoordiging ............................................................................................. 22 Hoofdstuk 5. Amsterdammers aan het woord over de lokale politiek en niet-stemmen ....................

24 Reden en motieven om niet te stemmen volgens Amsterdammers (interesse/kennis en belangstelling, niet gehoord voelen, wantrouwen).......................................................................... 24 Reden 1 om niet te stemmen: Weinig interesse, informatie en kennis van politiek ....................... 25 1.1 Politieke interesse en dagelijkse realiteit ............................................................................... 26 1.2 Kennisbehoefte ....................................................................................................................... 26 1.3 Informele gesprekken over politiek ........................................................................................ 27 1.4 Behoefte aan digitale informatievoorziening ......................................................................... 28 1.5 Taalbeheersing ........................................................................................................................ 29 Reden 2: Niet gezien worden door de lokale politiek en geen relatie voelen met de stad ............. 31 2.1 Ik ben geen onderdeel van de lokale politiek ......................................................................... 34 Reden 3 om niet te stemmen: Wantrouwen en teleurstelling richting politiek...............................

35 3.1 Gevolgen van de coronapandemie ......................................................................................... 36 3.2 Teleurstelling in de politiek ..................................................................................................... 37 1

Hoofdstuk 6. Handelingsperspectieven ................................................................................................ 39 Stap 1: De relatie tussen politiek, bestuur en kiezers verbeteren ................................................ 42 Stap 2: Betere inhoudelijke informatie voor kiezers .................................................................... 43 Stap 3: Inzet op politieke interesse ............................................................................................... 44 Stap 4: Middelen en tijd voor een structurele aanpak ................................................................. 45 Stap 5: Taakverdeling bij een structurele aanpak: maak gebruik van het bestaande maatschappelijk middenveld ........................................................................................................ 46

2

Samenvatting De onderzoeksvragen die we in dit rapport behandelen zijn: 1. Welke motieven en belevingswerelden bevinden zich achter de structurele opkomstverschillen tussen gemeenteraadsverkiezingen en de Tweede Kamerverkiezingen? 2. Welke motieven en belevingswerelden bevinden zich achter de structurele opkomstverschillen tussen verschillende kiezersgroepen in verschillende delen van de stad? 3.

Welke handelingsperspectieven zijn er om de opkomst in de toekomst te bevorderen?

Om deze vragen te beantwoorden zijn we in gesprek gegaan met Amsterdamse kiezersgroepen waarvan we weten dat de opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen gemiddeld laag is: jongeren (16 t/m 26 jaar), Amsterdammers met een migratieachtergrond (inclusief recent gearriveerde migranten met theoretisch opleidingsniveau) en Amsterdammers met een praktisch opleidingsniveau. Met deze groepen hebben we in totaal 7 focusgroepen en 6 interviews gehouden (we hebben in totaal 48 personen gesproken).

Resultaten: - Ten aanzien van de historisch lage opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen kan geconcludeerd worden dat het past in het patroon van de afgelopen 30 jaar. De meeste opkomsten liggen iets hoger dan 50% en af en toe komt er een verkiezingsopkomst onder de 50% voor. Een lagere opkomst op zich zelf lijkt de legitimiteit van of het draagvlak voor de lokale democratie niet direct in gevaar te brengen. - De participatieve ongelijkheid in de stad (grote verschillen in opkomst tussen verschillende delen in de stad) vormt daarentegen wel een acute bedreiging voor de lokale democratie. Die ongelijkheid is de afgelopen jaren sterk toegenomen. Dat komt doordat de opkomst in delen van de stad waar de opkomst laag is sneller daalt dan in delen van de stad waar de opkomst gemiddeld hoog is. - Jongeren, Amsterdammers met een praktisch opleidingsniveau en Amsterdammers met een migratieachtergrond hebben de laagste stemintentie tijdens gemeenteraadsverkiezingen. De combinatie van leeftijd en opleiding geeft de sterkste effecten. Jongeren met een praktisch opleidingsniveau geven aan het minst geneigd te zijn te gaan stemmen. Voor een belangrijk deel heeft de participatieve ongelijkheid in de stad een sterk sociaaleconomische dimensie. Amsterdammers met minder hulpbronnen stemmen significant minder en worden daardoor minder goed politiek vertegenwoordigd.

- Daarnaast zien we heel lage opkomst onder kiesgerechtigden zonder Nederlandse nationaliteit die geen Nederlands spreken. - Bij Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen zijn er niet alleen steeds meer kiesgerechtigden (een stijging van meer dan 23% in de afgelopen 20 jaar), een steeds groter deel van het electoraat is ook geen Nederlander. Naar schatting heeft momenteel ruim 10% van het Amsterdamse electoraat een niet-Nederlandse nationaliteit. Dat zijn ongeveer 90.000 kiesgerechtigden. Een groot deel van de niet-Nederlandse kiesgerechtigden spreekt geen (of zeer matig) Nederlands. Daarnaast is naar schatting 16 procent van de Amsterdammers laaggeletterd. Dat betekent dat zeker 1 op 5 (misschien

3

wel 1 op 4) van de Amsterdamse kiesgerechtigden grote moeite heeft om Nederlandstalige geschreven berichten (informatie) over de Amsterdamse politiek te begrijpen. - Kiezersgroepen die minder geneigd zijn te gaan stemmen, wonen vaker in specifieke delen van de stad: buiten de ring of boven het IJ. Hierdoor heeft de lagere opkomst van sommige kiezersgroepen ook een ruimtelijke dimensie. De opkomst in de stadsdelen Nieuw-West, Noord en met name Zuidoost is structureel lager dan in de rest van de stad. - De Amsterdamse gemeenteraad biedt een onvoldoende inhoudelijke vertegenwoordiging van het Amsterdamse electoraat. Coalitiepartijen krijgen tijdens gemeenteraadsverkiezingen steeds minder stemmen in de stadsdelen met een relatief lage opkomst (relatief en absoluut gezien). Politieke meerderheden kunnen daarmee op belangrijke onderwerpen afwijken van meerderheidsopvattingen in de stad. Lage opkomst met ongelijke vertegenwoordiging kan tot een vicieuze cirkel leiden: raadsleden richten zich vooral op mensen die wél stemmen, waardoor de nietstemmers zich steeds minder gehoord voelen en zich verder afkeren van de politiek.

Waarom stemmen er minder Amsterdammers tijdens de gemeenteraadsverkiezingen in vergelijking met landelijke verkiezingen? Twee hoofdredenen: Amsterdamse electoraat bestaat voor steeds groter deel uit kiesgerechtigden met een niet-Nederlandse nationaliteit die geen Nederlands spreken en minder vaak stemmen. Daarnaast beschouwen Amsterdammers gemeenteraadsverkiezingen (net zoals kiesgerechtigden in andere steden en in andere landen) als minder belangrijk en minder interessant.

Welke motieven en belevingswerelden bevinden zich achter de structurele opkomstverschillen tussen verschillende kiezersgroepen in verschillende delen van de stad? Uit de gesprekken die wij met Amsterdamse kiesgerechtigden hebben gehouden, komen dezelfde motieven naar voren als uit eerder landelijk onderzoek: (1) weinig/geen interesse in en kennis van de (lokale) politiek; (2) het gevoel te hebben niet gezien te worden door lokale politici; (3) wantrouwen richting de politiek. - De specifieke redenen waarom specifieke kiezersgroepen zich niet met de politiek verbonden voelen en waarom ze het gevoel hebben relevante informatie te missen, verschillen per groep. NietNederlandstalige kiesgerechtigden geven aan in hun eigen Engelstalige bubbel te leven waar Nederlandstalige informatie niet doordringt. Deze groep voelt zich prettig in Amsterdam, maar heeft geen sterke band met de lokale politiek, voor een belangrijk deel omdat ze niet zeker weten of ze hier lang zullen blijven. Andere kiezersgroepen voelen juist een sterke band met hun buurt en de stad, maar zijn teleurgesteld in de lokale politiek die in de afgelopen jaren keuzes heeft gemaakt die er volgens hen voor heeft gezorgd dat hun buurt en leefwereld sterk in hun nadeel is veranderd. Deze kiezersgroepen hebben het gevoel dat politici hun problemen niet echt kennen en zich daar ook niet echt druk over maken.

- Amsterdammers, met specifieke kenmerken (jong, praktisch opgeleid en met een migratieachtergrond) in specifieke ondervertegenwoordigde delen van de stad (Noord, Nieuw-West en Zuidoost), voelen zich vaak achtergesteld door de politiek. Men heeft het gevoel dat politici niet uit hun buurt komen, hun situatie niet begrijpen, beslissingen nemen die in hun nadeel zijn en uiteindelijk niet naar hen luisteren. Ervaren uitsluiting, ervaren achterstelling en ongelijke vertegenwoordiging zorgt voor meer wantrouwen en een gebrekkige lokale politieke verbondenheid onder deze kiezersgroepen. 4

Welke handelingsperspectieven zijn er om de opkomst in de toekomst te bevorderen? Als je als gemeente iets wilt doen aan de participatieve ongelijkheid in de stad dan heb je (1) een ongelijke investering nodig in het betrekken van achtergestelde groepen, en (2) zal in de gemeenteraad korte termijn partij politieke doelen plaats moeten maken voor lange termijn doelen gericht op het verbeteren van de kwaliteit van het hele democratische systeem. De gemeenteraad/de gemeente zal onder ondervertegenwoordigde groepen in ondervertegenwoordigde delen van de stad aandacht en discussie voor maatschappelijke vraagstukken moeten stimuleren. Dat zorgt er voor dat deze Amsterdammers meer kennis hebben en interesse krijgen van de lokale democratie (lokale betrokkenheid) wat hen helpt hun standpunten in deze vraagstukken verder te bepalen. Hoe verhoog je de lokale betrokkenheid onder specifieke groepen? We bouwen we voort op de 5 stappen uit het ‘Plan van aanpak Opkomstbevordering verkiezingen 2021’, 1 dat goed aansluit bij de uitkomsten van dit onderzoek. Die 5 stappen hebben we uitgewerkt op basis van onze eigen onderzoeksresultaten: 1. De relatie tussen politiek, bestuur en kiezers verbeteren. Laat als lokale politicus je gezicht vaker zien en luister écht naar bewoners en communiceer helder wat de reden is als bepaalde beloften niet waar gemaakt kunnen worden. 2.

Betere inhoudelijke informatie voor kiezers over de lokale politiek Uit ons onderzoek blijkt dat er behoefte is onder een grote groep niet-stemmers (Nederlandstalig en niet-Nederlandstalig) aan meer informatie over Amsterdamse politiek, maar dan wel op een laagdrempelige en toegankelijke manier (dat betekent onder andere meer Engelstalige informatie over de lokale verkiezingen voor niet-Nederlandstalige kiesgerechtigden). Taal speelt hierbij een belangrijke rol en daarnaast informatie die aansluit bij de leefwereld en ervaringen van specifieke groepen Amsterdammers. Verder moet de gemeente stappen zetten in het aanbieden van efficiënte en bruikbare online informatie. Met name voor de jeugd, maar ook voor andere moeilijk bereikbare doelgroepen is online informatie cruciaal. Het inzetten van video’s met informatie over de verkiezingen en lokale politiek is daarmee een belangrijk en onderbenut middel om te communiceren met Amsterdamse kiesgerechtigden.; 3. Inzet op politieke interesse. Laat de doelgroep zelf vertellen en spreken over de lokale politiek en verkiezingen; faciliteer het gesprek in de stad: organiseer debatten en dialoog en laat politici daarbij aanschuiven; zorg ervoor dat deze te volgen zijn op verschillende (sociale) media.

Zo kunnen meer ‘oefenplekken’ gecreëerd worden waar Amsterdammers hun eigen politieke positie leren bepalen en daarover met anderen in gesprek kunnen gaan. Meer investeren in (democratie- en burgerschaps)onderwijs en de betrokkenheid van inwoners bij politiek en bestuur.; 4. Middelen en tijd voor een structurele aanpak. Een belangrijke rol voor het vrijmaken van middelen voor een structurele lange termijn aanpak ligt bij de gemeenteraad. Partij politieke discussies in de raad over middelen voor een structurele (en doelgerichte) aanpak voor opkomstbevordering en de bestrijding van participatieve ongelijkheid zijn een obstakel gebleken voor een structurele aanpak. Politieke partijen moeten hier over hun eigen schaduw heen stappen en inzetten op het verbeteren van de lokale democratie door meer Amsterdammers te betrekken bij https://amsterdam.raadsinformatie.nl/document/9881233/1/Plan+van+aanpak+opkomstbevordering+verkie zingen+2021 1

5

de lokale democratie. Deze discussie staat immers los van partij politieke belangen en de korte termijn effecten van een hogere opkomst onder specifieke kiezersgroepen.; 5. Taakverdeling bij een structurele aanpak. Maak bij het uitvoeren van een structurele aanpak gebruik van het bestaande maatschappelijke middenveld (met name in de ondervertegenwoordigde stadsdelen Nieuw-West, Zuidoost en Noord). Blijf als gemeente investeren in zelforganisaties, die toegang hebben tot de doelgroep. Erken hierbij dat organisaties ruimtes (lokalen) nodig hebben, zij vrijwilligers graag beloond zien. Erken daarnaast dat deze organisaties autonoom zijn en geef hen ruimte en vertrouwen om zelf te bedenken welke aanpak met betrekking tot opkomstbevordering bij de groepen die zij kennen past.

6

Hoofdstuk 1. Inleiding

De opkomst bij de afgelopen Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen was met 46,6% historisch laag en aanzienlijk lager dan in 2018 en 2014 (respectievelijk 52,1% en 50,3%). De opkomst is bovendien ongelijk verdeeld over de stad. In de stadsdelen Noord, Nieuw-West en vooral Zuidoost is het opkomstpercentage al jaren veel lager dan elders in de stad. Dit verschil is in de afgelopen decennia groter geworden, omdat de opkomst in de buurten met lage opkomstpercentages meer is gedaald dan in buurten waar de opkomst gemiddeld hoog is. Bovenstaande ontwikkelingen roepen zorgen op. Ze lijken samen te hangen met een groeiend politiek wantrouwen onder Amsterdammers 2 en kunnen de legitimiteit van het lokale politieke systeem en de besluitvorming ondermijnen. Er komen verschillende vragen op zoals: Hoe komt het dat Amsterdammers bij landelijke verkiezingen wel naar de stembus gaan (opkomst TK 2021 75,7%), maar dat bij gemeenteraadsverkiezingen de meerderheid thuis blijft? Waarom lukt het niet om bewoners uit verschillende stadsdelen even betrokken te krijgen bij de lokale politiek? En wat betekent dit voor de verkiezingsresultaten en de uiteindelijke vertegenwoordiging van alle Amsterdammers in de gemeenteraad? Politiek gaat over meer dan alleen stemmen.

Om de opkomst te bevorderen is het belangrijk te weten hoe stemgerechtigden zich tot maatschappelijke vraagstukken verhouden en hoe zij naar de lokale politiek kijken. De vraag is in feite wat stemgerechtigden er van weerhoudt om actief met de lokale politiek in den brede bezig te zijn? Zaken als ervaren politieke representatie, politiek (zelf) vertrouwen/interesse en het gevoel daadwerkelijk politieke invloed te hebben spelen hierbij een belangrijke rol. De onderzoeksvragen die we in dit rapport behandelen zijn: 1. Welke motieven en belevingswerelden bevinden zich achter de structurele opkomstverschillen tussen gemeenteraadsverkiezingen en de Tweede Kamerverkiezingen? 2. Welke motieven en belevingswerelden bevinden zich achter de structurele opkomstverschillen tussen verschillende kiezersgroepen in verschillende delen van de stad? 3. Welke handelingsperspectieven zijn er om de opkomst in de toekomst te bevorderen? Om deze vragen te beantwoorden zijn we in gesprek gegaan met specifieke Amsterdamse kiezersgroepen waarvan we weten dat de opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen laag is: jongeren (tussen de 16 en 29 jaar), Amsterdammers met een migratieachtergrond (inclusief recent gearriveerde migranten met theoretisch opleidingsniveau) en Amsterdammers met een praktisch opleidingsniveau.

3 Met deze groepen hebben we in totaal 7 focusgroepen en 6 interviews gehouden (we hebben in totaal 48 personen gesproken). 4 Deze gesprekken zijn niet bedoeld als een representatieve selectie van Amsterdammers of van bepaalde kiezersgroepen. Het geeft ons wel de mogelijkheid verschillende perspectieven van verschillende doelgroepen te presenteren die een rol spelen in de manier waarop zij betekenis geven aan politiek in brede zin en hun relatie tot de lokale gemeentepolitiek.

Zie bijvoorbeeld ook de raadsinformatiebrief van de burgemeester, ‘Werken aan meer vertrouwen tussen Amsterdammers en de gemeente’, 25 oktober 2022. 3 Zie voor uitleg praktisch en theoretisch opgeleiden https://www.cbs.nl/nl-nl/longread/discussionpapers/2021/invulling-praktisch-en-theoretisch-opgeleiden?onepage=true 4 Verdere en meer uitgebreide beschrijving methode en analyse in hoofdstuk 5. 2

7

Het onderzoek richt zich verder vooral op twee onderwerpen: 1.

(Belevingswereld achter de) Motieven

In veel literatuur en onderzoek zijn de redenen waarom mensen niet gaan stemmen al besproken en onderzocht. Veelal zijn die redenen in rationele termen gesteld (kiesgerechtigden met minder politieke kennis, interesse en hulpbronnen zijn minder geneigd te stemmen), terwijl meer emotionele overwegingen (politiek (zelf)vertrouwen, verbondenheid voelen met de lokale politiek) ook een rol kunnen spelen. Daarnaast hebben we ook aandacht voor oorzaken van een lage opkomst die tijdelijk van aard zijn, zoals de pandemie. 2.

Handelingsperspectief voor de gemeente (en mogelijk andere actoren)

Welke acties kunnen ondernomen worden om deze groepen te bewegen deel te nemen aan het democratisch proces en verkiezingen? In hoeverre kunnen kiesgerechtigden zich voorstellen, onder bepaalde omstandigheden, wel te participeren en wat zou er voor nodig zijn om die omstandigheden te creëren?

Leeswijzer Het rapport behandelt in hoofdstuk 2 eerst de ontwikkeling ten aanzien van de opkomst en het electoraat tijdens Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen. In dat hoofdstuk bespreken we ook welke Amsterdammers (met welke demografische kenmerken) minder geneigd zijn te stemmen bij lokale verkiezingen en welke type (niet-) stemmers we in Amsterdam kunnen identificeren. We beëindigen hoofdstuk 2 met een antwoord op de eerste onderzoeksvraag: waarom verschilt de opkomst sterk bij landelijke en lokale verkiezingen? In hoofdstuk 3 bespreken we de participatieve ongelijkheid in de stad, het verschil in opkomst tussen verschillende delen van de stad, en het type buurten waar de opkomst het laagst is en wat daar de gevolgen van zijn voor de politieke vertegenwoordiging in de stad. Daarna bespreken we in hoofdstuk 4 de verschillende ontwikkelingen die schuil kunnen gaan onder een lage opkomst en grote participatieve ongelijkheid. Ten slotte zullen we in hoofdstuk 5 aan de hand van de gesprekken met Amsterdammers de motieven achter niet-stemmen behandelen en eindigen we in hoofdstuk 6 met manieren om de opkomst te bevorderen (handelingsperspectief).

8

Hoofdstuk 2. Ontwikkeling opkomst en electoraat tijdens Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen Opkomst in Amsterdam: fluctuerend rond de 50% Figuur 1 hieronder laat zien dat de gemiddelde opkomst bij Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen sinds 1990 rond de 50% schommelt en de opkomst in 1998 voor het eerst onder de 50% kwam (47,9%). Dit gebeurde ook in 2002 en onlangs in 2022. Ten aanzien van de historisch lage opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen kan, als we kijken naar de opkomsten bij lokale verkiezingen op lange termijn, geconcludeerd worden dat het past in het patroon van de afgelopen 30 jaar. De meeste opkomsten liggen iets hoger dan 50% en af en toe komt er een verkiezingsopkomst onder de 50% voor. Opkomstpercentages bij landelijke verkiezingen in Amsterdam schommelen ook. In de afgelopen 20 jaar tussen de 70 en 80%. Het verschil in opkomst in Amsterdam bij landelijke en lokale verkiezingen lijkt in de afgelopen 20 jaar wel iets te zijn gegroeid.

Figuur 1 5 Opkomst bij Gemeenteraadsverkiezingen, Tweede Kamerverkiezingen, Provinciale Statenverkiezingen en Europese verkiezingen in Amsterdam, 1966-2022* (procenten)

Het Amsterdamse electoraat bij lokale verkiezingen: steeds meer kiesgerechtigden en steeds minder Nederlanders Omdat bepaalde inwoners van Amsterdam zonder de Nederlandse nationaliteit ook stemgerechtigd zijn bij gemeenteraadsverkiezingen, is het Amsterdamse electoraat bij lokale verkiezingen veel groter dan bij nationale verkiezingen. In 1985 kregen inwoners van 18 jaar en ouder zonder de Nederlandse nationaliteit, die minimaal vijf jaar in Nederland woonden, stemrecht bij lokale verkiezingen. Dit zou hun politieke participatie en integratie in de Nederlandse samenleving

5

https://onderzoek.amsterdam.nl/publicatie/amsterdamse-burgermonitor-2021.

9

bevorderen. 6 EU-burgers van 18 jaar en ouder, die verblijven in een lidstaat waarvan men geen onderdaan is, hebben sinds 1995 actief en passief kiesrecht bij gemeenteraadsverkiezingen. 7 Het Amsterdamse electoraat bij gemeenteraadsverkiezingen is in de afgelopen jaren sterk gegroeid. Onderstaande figuur 2 laat zien dat er twintig jaar geleden (2002) 568.538 kiesgerechtigden waren bij de Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen, bij de laatste verkiezingen waren dat er 703.714 (een stijging van meer dan 23%). Figuur 2 laat ook zien dat in diezelfde periode het aantal geldig uitgebrachte stemmen veel minder is toegenomen. De groei van het Amsterdamse electoraat bij gemeenteraadsverkiezingen is bovendien niet gelijkmatig over de stad verdeeld. In vergelijking met 2018 zijn er in 2022 vooral meer kiesgerechtigden geregistreerd in de stadsdelen Noord (6,3%), Zuidoost (5,1%), Oost (3,8%) en Nieuw-West (2,7%), terwijl stadsdelen Centrum (-0,7%) en West (1,4%) juist minder kiesgerechtigden hebben. Figuur 2 laat verder zien dat het aantal stemmen uitgebracht op coalitiepartijen (absoluut en relatief) in de afgelopen decennia is afgenomen. Die daling komt voor een deel door de daling van de stemmen voor coalitiepartijen in de stadsdelen Noord, Zuidoost en Nieuw-West.

Zo haalden in 2010 de coalitiepartijen nog een ruime meerderheid in de stadsdelen Nieuw-West, Noord en Zuidoost, 61,7% met meer dan 60.000 stemmen. In 2022 is dat percentage gedaald naar 38% met minder dan 36.000 stemmen. Figuur 2. Aantallen kiesgerechtigden, geldige stemmen en stemmen voorde coalitiepartijen in Amsterdam 1982-2022.

800.000

kiesgerechtigden geldige stemmen coalitiepartijen

400.000

0

1982 1986 1990 1994 1998 2002 2006 2010 2014 2018 2022

Bron: O+S

Het Amsterdamse electoraat bij gemeenteraadsverkiezingen bestaat bovendien voor een steeds groter deel uit Amsterdammers zonder de Nederlandse nationaliteit. Dat zien we bijvoorbeeld door te kijken naar de ontwikkeling van het verschil tussen de grootte van het Amsterdamse electoraat bij landelijke en lokale verkiezingen. In 2018 was dat verschil nog 89.000 kiesgerechtigden (in Tillie, Jean (2000). De Etnische Stem, Opkomst en Stemgedrag van Migranten tijdens Gemeenteraadsverkiezingen, 1986-1998, Utrecht: Forum. 7 https://eur-lex.europa.eu/legal-content/EN/TXT/?uri=LEGISSUM:l23026. En Groenendijk, C. A. (2018). Het kiesrecht van Unieburgers in een andere lidstaat. https://repository.ubn.ru.nl/bitstream/handle/2066/199874/199874.pdf?sequence=1 6

10

vergelijking met TK2017), terwijl dat in 2022 gegroeid was naar meer dan 120.000 kiesgerechtigden (in vergelijking met TK2021). Dit zijn voor het overgrote deel kiesgerechtigden zonder de Nederlandse nationaliteit (vooral Amsterdammers afkomstig uit een van de EU-landen). Naar schatting heeft momenteel ruim 10% van het Amsterdamse electoraat een nationaliteit anders dan de Nederlandse. 8 Dat zijn ongeveer 90.000 kiesgerechtigden (met een kiesdrempel van 7200 in 2022 in theorie 12 van de 45 gemeenteraadszetels). Het overgrote deel van deze groep kiesgerechtigden komt uit een van de EU-landen 9 en spreekt naar alle waarschijnlijkheid matig (of geen) Nederlands. Daarnaast is naar schatting 16 procent van de Amsterdammers laaggeletterd. 10 Dat betekent dat een aanzienlijk deel van het Amsterdamse electoraat (ongeveer 1 op 5, misschien wel 1 op 4) grote moeite heeft om Nederlandstalige geschreven berichten (informatie) over de Amsterdamse politiek en de gemeenteraadsverkiezingen te lezen of daartoe helemaal niet in staat is, omdat men geen Nederlands spreekt of leest.

Lage stemintentie onder jongeren, praktisch opgeleiden en Amsterdammers met migratieachtergrond Mensen zijn eerder geneigd te stemmen als ze meer hulpbronnen tot hun beschikking hebben. 11 Hulpbronnen, zoals tijd, geld en democratische vaardigheden stellen mensen in staat zich te verdiepen in de politiek en politieke vraagstukken. Dit zorgt voor meer politieke interesse en politieke kennis, wat weer zorgt voor een grotere geneigdheid naar de stembus te gaan. Hulpbronnen kunnen daarnaast een indicator zijn van iemands sociale omgeving, waarin stemmen al dan niet gebruikelijk is. Opleiding geneert meer politieke hulpbronnen, mensen met een theoretische opleiding hebben vaak meer politiek vertrouwen/kennis en interesse en gaan vaker stemmen dan mensen met een praktische opleiding. 12 Ook leeftijd hangt samen met niet-stemmen. Jongeren zijn notoire niet-stemmers, maar veel van hen gaan als ze ouder worden wel stemmen. Jongeren hebben meestal minder politieke kennis en interesse dan oudere kiesgerechtigden. Inkomen heeft meestal een positief effect op stemmen. Hoe hoger het inkomen des te groter de kans dat iemand gaat stemmen; hoe lager het inkomen hoe groter de kans op niet-stemmen.

13 De data die voor Amsterdam beschikbaar zijn om te onderzoeken of individuele kenmerken effect hebben op stemmen hebben betrekking op stemintentie (dat is dus iets anders dan daadwerkelijk wel of niet gaan stemmen). In de burgermonitor 2021 geeft 72% van de Amsterdammers aan dat ze zouden stemmen als er morgen gemeenteraadsverkiezingen waren. Dat is stabiel vergeleken met de twee voorgaande metingen in 2019 en 2017: allebei 71%. Stemintentie ligt altijd hoger dan de

Zie ook: https://www.nhnieuws.nl/nieuws/299570/90000-amsterdamse-expats-mogen-stemmen-voor-degemeenteraadsverkiezingen-ik-had-geen-idee. 9 Momenteel heeft ongeveer 9% van de Amsterdamse bevolking een nationaliteit van een van de EU-landen, maar niet iedereen uit deze groep is 18 jaar of ouder. 10 https://onderzoek.amsterdam.nl/publicatie/nederlandstalige-laaggeletterden-in-amsterdam 11 Smets, K., & Van Ham, C. (2013). The embarrassment of riches? A meta-analysis of individual-level research on voter turnout. Electoral studies, 32(2), 344-359. (https://www.utwente.nl/en/bms/csd/research/Smets%20en%20Van%20Ham%202013.pdf) 12 De lokale niet-stemmer. Een analyse van de lage opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022 13 De lokale niet-stemmer. Een analyse van de lage opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022 8

11

daadwerkelijke opkomst, maar we zien dus in de afgelopen jaren geen daling in de intentie om te stemmen bij gemeenteraadsverkiezingen onder Amsterdammers. 14 Figuur 3: Percentage Amsterdammers dat aangeeft zeker te gaan stemmen bij gemeenteraadsverkiezingen (in enquête Amsterdamse Burgermonitor) en opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen, 1999 2022 (procenten)

Bron: burgermonitor 2021

Opleidingsniveau blijkt inderdaad een belangrijke rol te spelen onder Amsterdammers als het gaat om hun geneigdheid te gaan stemmen tijdens gemeenteraadsverkiezingen. De stemintentie is het laagst onder personen met een praktische opleiding. Daarnaast zien we verschillen in stemintentie naar leeftijdsgroepen: jongeren (16 t/m 29 jaar) zeggen minder vaak te gaan stemmen dan de groep tussen 30 en 54 jaar en 55 plussers. De combinatie van leeftijd en opleiding geeft de sterkste effecten. Jongeren met een praktisch opleidingsniveau geven aan het minst geneigd te zijn te gaan stemmen, terwijl 55 plussers met theoretische opleiding vrijwel allen zeggen te gaan stemmen. Deze verschillen naar leeftijd en afgeronde opleiding zijn stabiel over de jaren heen: we zien hetzelfde patroon in de stemintentie van Amsterdammers in 1999. Uit landelijk onderzoek komt hetzelfde beeld naar voren. Bij de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen bracht slechts 24 procent van de jongeren met alleen een VMBO-diploma een stem uit tegenover 42 procent van de jongeren met een theoretisch opleidingsniveau. 15 Een ander kenmerk dat sterk correleert met stemintentie onder Amsterdammers is migratieachtergrond. Slechts de helft van Amsterdammers die in het buitenland is geboren (de zogenaamde eerste generatie) geeft aan dat zij zullen stemmen.

Maar er zijn wel grote verschillen binnen deze groep: de stemintentie is duidelijk hoger onder Amsterdammers geboren in Turkije, Marokko, Suriname, de Cariben en Indonesië (67%), en lager voor personen geboren in alle andere landen (45%). Kinderen van migranten (tweede generatie) geven veel vaker aan dat zij van plan zijn te gaan stemmen. 16 Datzelfde verschil zagen we terug bij de afgelopen landelijke verkiezingen, waar met name de opkomst onder Nederlanders met een migratieachtergrond uit Zuid-Amerikaanse,

https://onderzoek.amsterdam.nl/publicatie/amsterdamse-burgermonitor-2021. De lokale niet-stemmer. Een analyse van de lage opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022 p.44 16 https://onderzoek.amsterdam.nl/publicatie/amsterdamse-burgermonitor-2021. 14 15

12

Afrikaanse en Oost-Aziatische landen laag bleek te zijn en de tweede generatie een hoger opkomstpercentage laat zien. 17 Er zijn geen specifieke cijfers over het opkomstpercentage onder kiesgerechtigden zonder de Nederlandse nationaliteit, maar het weinige onderzoek dat beschikbaar is doet vermoeden dat de opkomst onder deze groep zeer laag is. Een ICAP enquête onder ruim 1100 niet-Nederlandse kiesgerechtigden (2022) liet zien dat 28% van de ondervraagden niet wist dat ze stemrecht hadden. Veel respondenten noemden het gebrek aan informatie in andere talen dan het Nederlands als reden waarom ze niet gingen stemmen. Slechts 13% van de respondenten zei dat de lokale overheid informatie over de verkiezingen in het Engels had gepubliceerd en 44% zei niet te weten of dit in hun gemeente was gebeurd. 18 Een andere (niet-representatieve) enquête ten tijde van de gemeenteraadsverkiezingen (2022) suggereerde dat niet-Nederlanders tot wel 30 procent minder stemmen dan inwoners met de Nederlandse nationaliteit. 19 Een mogelijke verklaring voor deze lage opkomstcijfers is de lage taalvaardigheid, het gebrek aan kennis van en binding met de lokale politiek van veel kiesgerechtigden uit deze groep (een deel van hen zal slechts relatief kort in de stad wonen).

In de dagen na de gemeenteraadsverkiezingen in maart 2022 zijn we in gesprek gegaan met jongeren in de stadsdelen Nieuw-West, Zuidoost en Noord over de verkiezingen. 20 Figuur 4: Redenen voor het niet- stemmen voor de Gemeenteraadsverkiezingen 2022 onder jonge niet-stemmers in Amsterdam Nieuw-West, Zuidoost en Noord (N=92). 21

40 35 30 25 20 15 10 5 0

Ik heb geen interesse in de politiek

Mijn stem maakt toch niets uit

Geen enkele partij trekt mij

Ik heb geen vertrouwen in de politiek

Overige redenen

We hebben jongeren op straat gevraagd mee te doen aan een enquête en hebben met diegenen die daarvoor openstonden verder gepraat over hun blik op politiek, stemmen en hun leefomgeving. Een Spierings, N. en Vermeulen, F. (te verschijnen). Minding the political engagement gap: how discrimination and religion impacts Dutch voters with an immigrant background. 18 https://icapnl.org/local-election-survey/. 19 De lokale niet-stemmer. Een analyse van de lage opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022 p.4950 en Leiwakabessy et al. (2022). Opkomst en stemgedrag van Amsterdammers met een migratieachtergrond tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van 16 maart 2022 (https://onderzoek.amsterdam.nl/publicatie/opkomst-amsterdammers-met-migratieachtergrond-blijft-laag) 20 Leiwakabessy et al. 2022. Opkomst en stemgedrag van Amsterdammers met een migratieachtergrond tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van 16 maart 2022. Dit onderzoek stond los van de focusgroepen uit dit onderzoek. Deze 92 jongeren hebben niet mee gedaan met een van de focusgroepen. 21 Leiwakabessy et al. (2022). Opkomst en stemgedrag van Amsterdammers met een migratieachtergrond tijdens de gemeenteraadsverkiezingen van 16 maart 2022. 17

13

groot deel van hen bleek niet gestemd te hebben (men kon meerdere redenen opgeven). In Figuur 4 hierboven een overzicht van de belangrijkste redenen die zij gaven voor het feit dat ze niet gestemd hebben. Hieruit blijkt dat voor deze jonge groep niet-stemmers de bekende hoofdredenen om niet te gaan stemmen (gebrek aan vertrouwen/interesse, lage ervaren politieke vertegenwoordiging) ook van toepassing zijn (we bespreken dit verder in hoofdstuk 5). Uit de gesprekken bleek verder dat praktische omstandigheden voor jongeren een rol gespeeld hebben. Zo gaven verschillende jongeren aan een onderdeel (stempas, legitimatie) dat noodzakelijk is in het stemproces vergeten te zijn of omdat ze recent op een ander adres verbleven dan het adres waar ze ingeschreven staan (ook hier komen we nog op terug in hoofdstuk 5).

Type (niet-) stemmers en mate van betrokkenheid met de Amsterdamse politiek Achter het niet stemmen, of juist wel stemmen, kunnen verschillende ontwikkelingen schuil gaan. Zoals bij de jonge niet-stemmers uit de enquête hierboven blijkt dat sommige kiesgerechtigden niet gaan stemmen omdat ze geen interesse hebben, terwijl anderen aangeven weinig politiek (zelf)vertrouwen te hebben. 22 Hetzelfde kan gelden voor de kiesgerechtigden die wel gestemd hebben. Sommigen kunnen dat gedaan hebben omdat ze veel vertrouwen in de politiek hebben, terwijl bij anderen juist hun politiek wantrouwen er voor gezorgd heeft dat men is gaan stemmen in een poging politieke verandering teweeg te brengen. Ten aanzien van het handelingsperspectief om de opkomst te verhogen (onder specifieke kiezersgroepen) is het van belang meer inzicht te krijgen in die verschillende redenen en de type (niet-)stemmers. In het tweede deel van het rapport (hoofdstuk 5 en 6) komen we daar nog op terug aan de hand van de gesprekken die we gevoerd hebben. De Amsterdamse burgermonitor maakt hierbij een onderscheid tussen politiek actieve en inactieve Amsterdammers en Amsterdammers met veel en weinig politiek vertrouwen. Tabel 1. Politiek vertrouwen en politieke inzet in vier groepen, 2021 (procenten) politiek ingezet

politiek niet ingezet

veel vertrouwen

24

28

weinig vertrouwen

21

27

Bron: Burgermonitor 2021 De burgermonitor maakt duidelijk dat de vier groepen redelijk gelijk zijn in omvang, maar dat ze qua demografische kenmerken verschillen. Praktisch opgeleide Amsterdammers combineren vaak weinig vertrouwen en geen politieke inzet (44%). Amsterdammers met een havo, vwo of mbo 2, 3 of 4 diploma hebben relatief vaak weinig vertrouwen én hebben een politieke activiteit ondernomen (24%). Amsterdammers met een inkomen boven de 4.500 euro (per maand) zitten relatief vaak in de groep die veel vertrouwen heeft en een politieke activiteit heeft ondernomen (32%). Tegelijkertijd zijn ze ook oververtegenwoordigd in de groep met veel vertrouwen die geen activiteit heeft ondernomen (31%). Er zijn verschillen in de zorgen die de verschillende types hebben over de stad. Zo zien we dat Amsterdammers die een hoog politiek vertrouwen hebben en zich politiek hebben ingezet zich relatief vaak zorgen maken om woningnood (67%), klimaat/duurzaamheid (35%) en onderwijs (15%). Zie ook: Krouwel, A. P. M., van Lindert, J., Kutiyski, Y., & Pupovac, D. (2018). Typen niet-stemmers: Onderzoek naar verschillende typen niet-stemmers en hun beweegredenen om sommige verkiezingen wel en andere niet te gaan stemmen. (Kennisbank Openbaar Bestuur). Ministerie van BZK. 22

14

Amsterdammers die veel politiek vertrouwen hebben en zich niet politiek hebben ingezet maken zich relatief vaak zorgen over corona (18%) in vergelijking met de andere groepen. Amsterdammers die weinig politiek vertrouwen hebben en zich hebben ingezet, maken zich relatief vaak zorgen over het functioneren van de politiek (21%) en integratie (14%). Amsterdammers die weinig politiek vertrouwen hebben en zich niet ingezet hebben, maken zich relatief veel zorgen over criminaliteit en onveiligheid (39%) en parkeren (17%).De burgermonitor laat bovendien zien dat Amsterdammers die weinig politiek vertrouwen hebben en zich politiek hebben ingezet bovengemiddeld vaak discriminatie ervaren (24%). Ook de groep die weinig politiek vertrouwen heeft en zich niet politiek heeft ingezet, ervaart relatief vaak discriminatie. 23

Antwoord op eerste onderzoeksvraag: Concluderend kunnen we stellen dat: (1) de opkomst bij Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen sinds 1990 schommelt rond de 50%; (2) het electoraat steeds groter geworden is en voor een steeds groter deel bestaat uit niet-Nederlandse kiesgerechtigden; (3) jongeren, praktisch opgeleiden en Amsterdammers met migratieachtergrond zijn de kiezersgroepen met de laagste opkomst en de combinatie van deze kenmerken leidt tot de laagste opkomst; (4) er zijn verschillende redenen waarom Amsterdammers niet stemmen (daarover in hoofdstuk 4, 5 en 6 meer) en we zien verschillende typen (niet-) stemmers met verschillende demografische kenmerken en die zich zorgen maken over verschillende politieke onderwerpen. Op basis van deze eerste conclusies kunnen we hieronder een antwoord presenteren op de eerste onderzoeksvraag: Waarom stemmen er minder Amsterdammers tijdens de gemeenteraadsverkiezingen in vergelijking met landelijke verkiezingen? We maken daarbij ook gebruik van delen van onze focusgroepgesprekken met Amsterdammers om het antwoord beter te illustreren. In het tweede deel van het rapport (hoofdstuk 5 en 6) zullen we meer systematisch gebruik maken van die gesprekken, het betreft hier slechts een illustratie bij de gevonden antwoorden.

TK en GR: Verschillend electoraat en tweede-orde verkiezingen Er zijn twee hoofdredenen dat opkomstpercentages bij gemeenteraadsverkiezingen structureel lager zijn dan bij Tweede Kamerverkiezingen. De eerste hebben we al besproken. Het Amsterdamse electoraat bij beide verkiezingen verschilt significant. Door het uitbreiden van het kiesrecht op lokaal niveau (eerst Nederlandse wetgeving, later EU-wetgeving) mogen er steeds meer Amsterdammers stemmen tijdens gemeenteraadsverkiezingen. Een steeds groter deel van het electoraat bij deze lokale verkiezingen bestaat uit Amsterdammers zonder de Nederlandse nationaliteit met minder Nederlandse taalvaardigheid. Deze groep kiesgerechtigden geeft aan relatief weinig binding te hebben met, en kennis te hebben van, de Amsterdamse politiek. Tijdens een van de focusgroepgesprekken geeft een Japanse Amsterdammer (vrouw, theoretisch opgeleid) bijvoorbeeld aan dat het niet spreken van de Nederlandse taal er voor zorgt dat je weinig informatie over de Amsterdamse politiek hebt, maar ook dat je het gevoel hebt er niet echt bij te horen. Alsof het, ondanks het feit dat je stemrecht hebt, eigenlijk niet de bedoeling is dat je ook daadwerkelijk stemt. Ik denk dat mensen [zoals ik] het vaak moeilijk vinden te begrijpen welke rol ze mogen spelen [in de Amsterdamse politiek]. Het is voor mij eigenlijk niet duidelijk wie er nu in aanmerking komt om

23

https://onderzoek.amsterdam.nl/publicatie/amsterdamse-burgermonitor-2021.

15

politiek actief te zijn. [Welke Amsterdammers] zijn [echt] gerechtigd te stemmen en zo invloed te hebben op de politieke beslissingen [die er in de stad genomen worden]? 24 Daarnaast geven vooral jonge kiesgerechtigden zonder de Nederlandse nationaliteit aan dat ze niet weten hoe lang ze nog in Amsterdam zullen wonen. Een belangrijk deel van deze groep studeert hier aan een van de Amsterdamse universiteiten en kan zich voorstellen over een paar jaar in een ander land te wonen. Dat zorgt er voor dat men minder binding voelt met de Amsterdamse politiek. Een Spaanse Amsterdammer (man, theoretisch opgeleid) verwoordt dat gevoel als volgt: Ik hoor hier [in Amsterdam] thuis omdat ik hier mijn vrienden heb die Engels spreken. Ik heb geen andere redenen. Ik had laatst een praatje met een jongen die ik ken en hij zei: 'Ben je van plan hier te blijven na je studie?' en ik zei letterlijk: 'Als mijn vrienden dat doen, zal ik blijven. Zo niet, dan doe ik het niet.' Zo is het. Ik hou van deze stad, het is hier prima, ja, maar ik hou ook van Madrid en ik hou ook van Berlijn. 25 De tweede reden waarom de opkomstpercentages bij lokale verkiezingen in Amsterdam structureel lager liggen dan bij nationale verkiezingen heeft te maken met het feit dat kiesgerechtigden lokale verkiezingen als minder belangrijk dan landelijke verkiezingen beschouwen.

Lokale verkiezingen worden gezien als zogenaamde tweede-orde verkiezingen waar men minder interesse voor heeft en waar minder (media) aandacht voor is. 26 Zo vonden sommige bewoners van Zuidoost de lokale politiek minder belangrijk dan de landelijke tijdens de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen. Een oudere mannelijk respondent (praktisch opgeleid) vertelt tijdens een van de focusgroepgesprekken dat hij van buurtgenoten hoorde dat stemmen op de gemeenteraad weinig zinvol leek omdat de problemen op landelijk niveau opgepakt moesten worden. De oplossing ligt niet hier, maar nationaal en veel van mijn buurtgenoten kennen geen landelijke politici, dus waarom zouden ze zich bezig houden met politiek en gaan stemmen? Een Ierse Amsterdammer (theoretisch opgeleid) geeft aan dat het gevoel dat we hier te maken hebben met een zogenaamde tweede-orde verkiezingen niet een specifiek Amsterdams fenomeen is, maar ook in andere contexten speelt: Thuis zou ik de Irish Times lezen [landelijk dagblad] en geen idee hebben wat er in de gemeenteraad van Dublin afspeelt. Mijn interesse ligt bij de nationale politiek. En ik heb dezelfde veronderstelling hier naartoe meegebracht, in de zin van ja, wat kunnen ze echt doen... op het lokale niveau? Dat is één reden waardoor ik minder geneigd ben om de Amsterdamse politiek te volgen en daar in te participeren.

Ten slotte zien we dat respondenten die niet geneigd zijn om bij de landelijke verkiezingen te stemmen, dit ook niet bij de lokale verkiezingen doen De vermenging tussen lokale en landelijke politiek betekent ook dat lokale politiek wordt afgerekend op landelijke ontwikkelingen. In de Vertaald uit het Engels. Vertaald uit het Engels. 26 Zie ook https://stukroodvlees.nl/waarom-is-de-opkomst-bij-lokale-verkiezingen-zo-laag/ en Dekker P and Den Ridder J (2018) Afkeer en afzijdigheid. In Van der Meer T, Van der Kolk H and Rekker R (eds), Aanhoudend Wisselvallig: Nationaal Kiezersonderzoek 2017. Amsterdam: Stichting Nationaal Kiezersonderzoek, pp. 40–47. Dekker P and Den Ridder J (2021) Afkeer van de Haagse politiek. In Sipma, T., Lubbers, M., van der Meer, T., Spierings, N., & Jacobs, K. (eds), Versplinterde vertegenwoordiging: Nationaal Kiezersonderzoek 2021. Amsterdam: Stichting Nationaal Kiezersonderzoek, pp. 29–36; Jansen, G., en M. Boogers. (2019). Opkomst en stemgedrag. In G. Jansen en B. Denters (red.), Democratie dichterbij: Lokaal kiezersonderzoek 2018. Leiden, Nederland: Stichting kiezersonderzoek Nederland (SKON). 24 25

16

verschillende focusgroepen gaat het dan ook vaak over het gedrag van landelijke politici en landelijke schandalen (terwijl er gevraagd wordt wat men van de lokale politiek vindt). Een vrouw (praktisch opgeleid zonder migratieachtergrond) die zelf gedupeerde is van de Toeslagenaffaire vertelt, terwijl andere respondenten haar bijvallen. Als ik aan regering denk, dan kan ik maar aan één ding denken en dan denk ik van: “Ja, mensen, toeslagenaffaire”. Jullie [de regering] hebben wel mijn leven kapot gemaakt. Tien jaar lang. En dan met een excuusbriefje aan gaan komen en gewoon geprint gewoon. Dat ik denk: “Je neemt niet eens de moeite … Meerdere respondenten vertellen hoe ze lachen om debatten in de landelijke politiek. Het komt op hen over als een show in plaats van als serieuze politiek. Ze geven aan dat politici vooral ruzie maken en niet serieus te nemen zijn. Een Braziliaanse Amsterdammer (vrouw, praktisch opgeleid) zegt hierover het volgende: Er wordt ook niet zoveel gezegd. Er wordt niet gezegd wat de politiek doet of wil doen. Het is alleen maar ruzie maken, de ene die wil dit en die andere wil dat en je moet stemmen en het kabinet dat valt [en komt na de verkiezingen weer terug] …. Wat is dit? Weet je, ja[…] Het is niet serieus te nemen, snap je? Het lijken eerder een hoop malloten.

Ook geven meerdere respondenten aan dat ze vinden dat politici er vooral voor zichzelf zitten. Hierbij gaan enkelen zelfs een stap verder door te suggereren dat er complotten spelen waarin politici vooral elkaar uit de wind houden, wegwerken of samenzweren. Dit sentiment speelt vooral in relatie tot de landelijke politiek, waarbij respondenten het gevoel hebben dat politici geen verantwoordelijkheid nemen voor hun fouten en niet oprecht bezig zijn om de belangen van kiezers in een meer kwetsbare positie te vertegenwoordigen. Dit beeld straalt af op de lokale politiek.

17

Hoofstuk 3. Ongelijkheid in opkomst in de stad: groeiend en structureel Kiezersgroepen die minder geneigd zijn te gaan stemmen wonen vaker in specifieke delen van de stad: buiten de ring of boven het IJ. Hierdoor heeft de lagere opkomst van sommige kiezersgroepen ook een ruimtelijke dimensie. De opkomst in de stadsdelen Nieuw-West, Noord en met name Zuidoost is structureel lager dan in de rest van de stad en de verschillen worden steeds groter. In dit hoofdstuk bespreken we deze participatieve ongelijkheid in de stad. Bij de afgelopen gemeenteraadsverkiezingen was het opkomstpercentage bij stembureaus in sommige delen van de stad lager dan 20 procent (in bepaalde buurten in Amsterdam Zuidoost of Nieuw-West). In stembureaus in de binnenstad lag de opkomst daarentegen soms boven de 90 procent. In het onderstaande figuur worden de opkomstpercentages voor deze verkiezing per wijk weergeven. Figuur 5. 27 Opkomstpercentages gemeenteraadsverkiezingen 2022 in Amsterdamse buurten

De lage opkomstpercentages zijn zoals gezegd in buurten die voornamelijk buiten de ring liggen en boven het IJ (Nieuw-West, Zuidoost en Noord). Figuur 6 laat zien dat de opkomst het hoogst is in de stadsdelen Centrum (63,6%), Zuid (55,3%) en Oost (53,6%) en het laagst in de stadsdelen NieuwWest (32,5%) en Zuidoost (29,9%). Dit patroon komt overeen met het beeld in eerdere jaren. 28

Weesp is ook een gebiedsdeel, maar recent en daardoor hier niet opgenomen. Vermeulen, F., E. Harteveld en L. Michon (2020). Opkomst in Amsterdamse buurten bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2018. Onderzoek, Informatie en Statistiek (OIS). https://data.amsterdam.nl/publicaties/publicatie/opkomst-amsterdamse-buurtengemeenteraadsverkiezingen-2018/936fe141-6002-4c90-ac93-3b69fe62394c/. 27 28

18

Figuur 6. Opkomst tijdens gemeenteraadsverkiezingen 2022 per stadsdeel in % 70 60 50 40 30 20 10 0

Centrum

West

Nieuw-West

Zuid

Oost

Noord

Zuidoost

Amsterdam

De verschillen in opkomstpercentages tussen stadsdelen en buurten zijn de afgelopen jaren groter geworden. Dat zien we bijvoorbeeld als we kijken naar de gemeenteraadsverkiezingen in 2018 en 2022. De grotere verschillen zijn vooral een gevolg van een sterke daling van de opkomst in NieuwWest (9,8 procentpunt lager) en in Zuidoost (7,5 procentpunt lager), terwijl de daling minder sterk is in het Centrum (3,7 procentpunt lager), Oost (4,1 procentpunt lager) en Zuid (4,2 procentpunt lager). Maar ook op buurtniveau zien we grotere verschillen qua opkomst door de jaren heen. 29

Figuur 7. Verschil in opkomst 2022-2018 per stadsdeel in %. 0

Centrum

West

Nieuw-West

Zuid

Oost

Noord

Zuidoost

Amsterdam

-2 -4 -6 -8 -10 -12

We kunnen die verschillen in opkomst ook op andere manieren in kaart brengen, bijvoorbeeld op basis van het aantal stemmen dat uitgebracht is in verschillende delen van de stad. In 2022 woonde 61% van de stemgerechtigden binnen de ring en onder het IJ (Centrum, Oost, West en Zuid) (in 2018: 62%). Tegelijkertijd kwam uit dat gebied 70,4% van de stemmen (in 2018: 69,0%). Noord, Nieuw-West en Zuidoost waren samen goed voor 93.350 stemmen, waar dat vier jaar geleden nog 107.606 stemmen waren, terwijl het electoraat in dat gebied toenam van ongeveer 250.000 29

Hier niet weergegeven in grafiek, maar zie ook Vermeulen et al. (2020) voor buurtvergelijking 2018.

19

kiesgerechtigden in 2018 tot bijna 270.000 in 2022. De opkomst in combinatie met partijkeuze zorgt er voor, zoals we eerder al bespraken, dat de inwoners van de stadsdelen Noord, Nieuw-West en Zuidoost minder goed politiek vertegenwoordigd worden in de Amsterdamse politiek dan bewoners uit de andere stadsdelen. Zo krijgen de coalitiepartijen relatief gezien steeds minder stemmen in de eerste genoemde stadsdelen en is het verkiezingsresultaat steeds meer een afspiegeling van de politieke voorkeuren van Amsterdammers, woonachtig binnen de ring en onder het IJ.

Welke type buurten hebben lage opkomstpercentages? Wat kunnen we nog meer zeggen over de buurten met een lage opkomst behalve dat ze voornamelijk in de stadsdelen Noord, Nieuw-West en Zuidoost liggen? In navolging van Vermeulen et al. (2020) hebben we in dit onderzoek de correlatie tussen buurtkenmerken en opkomst op macroniveau onderzocht. 30 Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2018 bleek dat een hoog opkomstpercentage sterk samenhangt met de aanwezigheid in die buurt van relatief veel oudere, hoog opgeleide en maatschappelijk actieve Amsterdammers zonder migratieachtergrond. In wijken waar veel Amsterdammers met een lage sociaaleconomische positie wonen en veel Amsterdammers met een migratieachtergrond, en meer in het bijzonder afkomstig uit Afrika, Azië en Zuid Amerika, was de opkomst relatief laag. Figuur 8 laat zien dat voor 2022 er nog slechts twee buurtkenmerken significant samenhangen met een lage opkomst: dat zijn het percentage hoogopgeleiden (hoge opkomst) en het percentage inwoners tussen de 18 en 26 jaar (lage opkomst). Dit komt goed overeen met de data op individueel niveau. Het zijn vooral jonge Amsterdammers en Amsterdammers met een praktisch opleidingsniveau die een lage stemintentie en een lage opkomst bij gemeenteraadsverkiezingen laten zien.

Figuur 8. Correlatie buurtkenmerken en opkomst in 2022 (gecontroleerd voor andere kenmerken).

Hierbij moet worden opgemerkt dat dergelijke analyses op macro niveau niet zo maar gebruikt kunnen worden voor analyses op het individuele niveau. We kunnen de analyses van de buurtanalysen wel plaatsen in bredere context. 30

20

Hoofdstuk 4. Een lage opkomst en participatieve ongelijkheid, welk en wiens probleem is dat? Nu we hebben vastgesteld dat de gemiddelde opkomst tijdens Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen schommelt rond de 50% en dat de lage opkomst specifieke kiezersgroepen en specifieke delen van de stad betreft, bespreken we in dit hoofdstuk kort de stand van zaken in de politicologische literatuur hieromtrent voordat we Amsterdamse kiesgerechtigden uit die groepen zelf aan het woord laten. De belangrijkste vraag voor dit hoofdstuk betreft wanneer een lage opkomst en participatieve ongelijkheid als probleem wordt bestempeld en waarom en voor wie het een probleem is.

Wanneer is een laag opkomstpercentage een probleem, waarom en voor wie? 31 Participatie en legitimiteit In het publieke debat gaat men vaak uit van het idee dat meer participatie (meer mensen die stemmen) zorgt voor meer legitimiteit van een democratische systeem. Om legitieme politieke beslissingen te nemen die door iedereen worden aanvaard, is het van belang dat zoveel mogelijk kiesgerechtigden participeren in het electorale proces. Hoge participatie verhoogt de legitimiteit en het draagvlak van het politieke systeem en de beslissingen die genomen worden. Volgens deze redenering kan een politiek bestuur dus op minder draagvlak en legitimiteit rekenen, als een kleiner deel van de kiesgerechtigden deelneemt aan verkiezingen. Vaak wordt hier een opkomst van 50 procent, de helft van het electoraat, als kritische ondergrens beschouwd. 32 Waar Amsterdam dus bij de afgelopen verkiezingen (net) niet meer aan voldoet (dat was ook het geval in 1998 en 2002). Er zijn verschillende tegenargumenten te bedenken bij bovenstaande redenering. De belangrijkste is dat opkomst niet direct samenhangt met de legitimiteit van het democratische politieke systeem. Kiesgerechtigden accepteren beslissingen van het gemeentebestuur op allerlei andere gronden dan op basis van het aantal mensen dat gaat stemmen.

Dat er vrije en eerlijke verkiezingen plaatsvinden lijkt eerder een belangrijkere voorwaarde te zijn voor democratische legitimatie. Dat kiesgerechtigden kunnen participeren is, voor het draagvlak van het politieke systeem, belangrijker dan hoeveel mensen precies hun stem bij verkiezingen uitbrengen. Het is hierbij wel relevant na te denken over de vraag of alle kiesgerechtigden in Amsterdam nog wel, en op verschillende manieren, gelijke toegang hebben tot de verkiezingen. In het vorige hoofdstuk zagen we dat een steeds groter deel van het Amsterdamse electoraat geen Nederlands spreekt (of laaggeletterd is) en daardoor in de praktijk veel minder/geen informatie kan ontvangen over de lokale politiek los van de vraag of men daar interesse in heeft. Dergelijke structurele belemmeringen kunnen (op den duur) wel invloed hebben op de legitimiteit van het lokale politieke systeem.

Participatie en burgerschap Burgers kunnen democratische vaardigheden en mentaliteit ontwikkelen door hun deelname aan politieke procedures. Personen leren constructief en verantwoord onderdeel te zijn van een democratisch systeem door er actief onderdeel van uit te maken. Het algemene idee in de politicologische literatuur is: een goede burger stemt, leert daarvan (door over politiek met anderen Zie hoofdstuk 4 van Klarenbeek, L. (2021). Relational integration: From integrating migrants to integrating relations voor overzicht functie participatie in verschillende democratische tradities en De lokale nietstemmer. Een analyse van de lage opkomst bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2022 (hoofdstuk: intermezzo) 32 van Ostaaijen, J., Jacobs, D., & van Zuydam, S. (2018). De zin en onzin van opkomst (bevordering). Beleid & Maatschappij, 46(1), 181-185. 31

21

te praten, daarover in discussie te gaan en een politieke keuze te maken) en ontwikkelt zich als democratisch burger. Een niet-stemmer is in deze visie afgehaakt van de politieke gemeenschap en ontwikkelt zich niet (langer) als democratisch burger. Een dalende opkomst zou daarom een teken zijn van het verval van lokaal democratisch burgerschap en daarmee een probleem zijn voor het lokale politieke systeem en haar inwoners. Personen kunnen echter op allerlei andere manieren een zinvolle(re) bijdrage leveren aan de stad dan door via stemmen te proberen een overheid te beïnvloeden. Men kan, zoals veel Amsterdammers doen, een goede burger zijn door middel van vrijwilligerswerk, het helpen van Amsterdammers die het moeilijk hebben of door zich op een of andere manier in te zetten voor de lokale samenleving. 33 Of via meer informele praktijken voor je eigen individuele of groepsbelangen opkomen, bijvoorbeeld via sociale bewegingen, protesten of bewonersinitiatieven. Deze vormen van maatschappelijke participatie zijn vaak nuttiger voor het opdoen van burgerschapsvaardigheden dan te gaan stemmen. Het gaat hierbij namelijk om langduriger activiteiten en samenwerkingsverbanden waarbij mensen leren om hun eigen politieke standpunt te bepalen en visie te vormen.

Ze leren te luisteren en af te stemmen met anderen, een agenda te bepalen, standpunten te bepalen en strategieën voor collectieve actie te organiseren. De keuze om niet te stemmen, juist voor Amsterdammers die maatschappelijk heel actief zijn, kan daarmee het resultaat zijn van een bewuste (rationele) afweging (betere besteding van tijd) en geen teken dat de lage opkomst onderdeel is van een ontwikkeling waarbij het Amsterdamse democratische burgerschap in verval is. Op basis van bovenstaande discussies kunnen we nogmaals concluderen dat de historische lage opkomst tijdens de afgelopen Amsterdamse gemeenteraadsverkiezingen vooralsnog niet beoordeeld kan worden als heel problematisch. Het gemiddelde opkomstpercentage schommelt al sinds 1990 rond de 50% en is al twee keer eerder onder de 50% gekomen (1998 en 2002). De 50% wordt wel vaak als een belangrijke symbolische grens gezien, maar aangezien het gemiddelde opkomstpercentage schommelt rond deze grens en het electoraat voor een steeds groter deel bestaat uit niet-Nederlanders die in de meeste gevallen niet de taal spreken en minder binding hebben met de Amsterdamse politiek, lijkt de 50% grens voor Amsterdam steeds minder relevant. Bovendien betekent een lagere opkomst niet per se en altijd minder legitimiteit of betrokkenheid.

Het lokale politieke systeem kan haar legitimiteit halen uit andere elementen dan het aantal kiesgerechtigden dat komt opdagen bij lokale verkiezingen (bijvoorbeeld door Amsterdammers te betrekken bij belangrijke politieke beslissingen en de uitvoering daarvan en door het organiseren van vrije en eerlijke verkiezingen). Daarnaast kunnen belangrijke democratische burgerschapsvaardigheden ook op andere manieren verkregen worden dan door te stemmen (maatschappelijke participatie). Ten aanzien van de groeiende en systematische ongelijkheid in opkomst tussen verschillende delen van de stad en tussen verschillende kiezersgroepen bestaan daarentegen wel degelijk zorgen in de literatuur, die hieronder kort besproken worden.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/12403677/1