CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

3. Tuindorp Oostzaan II_Toelichting.pdf

RAAD 26 juni 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingplan Tuindorp Oostzaan II (VN2024-005645)28.470 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

1 alinea's met “deur”: 553

Omdat deze rechten in beginsel gerespecteerd moeten worden, is hiervoor in de woonbestemming een bouwrecht opgenomen. Daarnaast is - waar dit uit cultuurhistorisch en stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is - voor het desbetreffende adres een nieuw bouwrecht voor een uitbouw opgenomen. Het gaat om ca. 135 adressen. Dit zijn bouwrechten tot doorgaans 2,5 meter uit de achtergevel, op sommige adressen tot 3 meter diep afhankelijk van de reeds aanwezige naburige uitbouwen. Gevolg hiervan is dat de uitbouw daarmee ook vergunningvrij te realiseren is. Met deze bouwmogelijkheden wordt tegemoet gekomen aan de wensen uit de buurt. Een aantal panden in het rijksbeschermde stadsgezicht is aangewezen als (gemeentelijk) monument. Voor het realiseren van een uitbouw blijft in dat geval een omgevingsvergunning voor het wijzigen van het monument nodig. Dakkapellenregeling Dakkapellenregeling in vigerend bestemmingsplan

bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 65

Om het specifieke architectonische ontwerp van het tuindorp te beschermen, werd in het vigerende bestemmingsplan een kaartbijlage aan de regels toegevoegd. Op de kaartbijlage stonden de verschillende architectonische eenheden met bijbehorende kapprofielen opgenomen, waarnaar in de bouwregels werd verwezen. Het doel van de regeling was het beschermen van de ruimtelijke en stedenbouwkundige kwaliteiten en structuur van het tuindorp. Onderdeel hiervan is dat de bestaande symmetrie en repeterende elementen zoals het kapprofiel in stand dienen te blijven. De dakkapellenregeling zoals opgenomen in het vigerende bestemmingsplan luidt als volgt (artikel 3.1 lid 2 onderdeel f van bestemmingsplan Tuindorp Oostzaan):

Het bepaalde onder 1-2 en 5 t/m 8 heeft betrekking op de mogelijkheid van het bouwen van dakkapellen op de naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijde van het pand, het voorgeveldakvlak. Hierbij werd uitgegaan van de vijf situaties die hieronder zijn afgebeeld. Dakkapellen aan de voorkant van de panden zijn in alle situaties, met uitzondering van de panden met kapvorm type B+, toegestaan mits passend binnen de aangegeven architectonische eenheden met bijbehorend kapprofiel; bij het type pand B+ is geen dakkapel maar een dakopbouw mogelijk. Van een aantal bouwblokken wijkt de kapvorm af van de voor tuindorp Oostzaan karakteristieke kapvormen (A, B, B+ en C). Voorbeelden zijn de winkels met woningen aan het Mercuriusplein en het Zonneplein. Deze panden hebben een kapvorm die zijn aangeduid als type W. Voor deze bouwblokken werd geen specifieke kapvorm voorgeschreven.

Gemeente Amsterdam

blz. 66

Afbeelding: verschillende kapvormen in rijksbeschermd stadsgezicht tuindorp Oostzaan

bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 67

Afbeelding: kaartbijlage bij dakkapellenregeling in vigerend bestemmingsplan Tuindorp Oostzaan; letters corresponderen met de in de legenda aangegeven kapvormen Voor de aaneengesloten dakkapellen aan de voor- en achterzijde van het dakvlak van de panden met kapprofiel A, C en W is de standaard minimale onderlinge afstand tussen de dakkapellen van 2 meter niet geldig; onderstaande afbeeldingen geven deze dakkapellen weer. Hiervoor werden dan ook afwijkende bepalingen opgenomen in de regels.

Gemeente Amsterdam

blz. 68

Afbeelding: aaneengesloten dakkapellen aan de voorzijde (kapvorm type A en C)

Afbeelding: aaneengesloten dakkapellen aan de achterzijde (kapvorm type A, C en W) Herziene dakkapellenregeling in voorliggend bestemmingsplan Om het specifieke architectonische ontwerp van het tuindorp te beschermen, werd in het geldende bestemmingsplan een kaartbijlage aan de regels toegevoegd. Hierop zijn de verschillende architectonische eenheden met bijbehorende kapprofielen weergegeven. Bij nieuwbouwplannen moet aangesloten worden op deze kapprofielen en er zijn regels aan gekoppeld voor het bouwen van dakkapellen. Vanwege het gedateerd zijn van deze regeling is deze in samenspraak met Monumenten en Archeologie herzien. Uit analyse van het plangebied blijkt dat de kaartbijlage bij de vigerende dakkapellenregeling geen recht meer doet aan de werkelijkheid en als zodanig tekortschiet. Zorgvuldige inventarisatie van het gebied leidt tot de conclusie dat voor en heel aantal locaties geen juist kapprofiel (kapvorm type) staat aangegeven op de kaartbijlage. Bovendien maakt de vigerende dakkappellenregeling meer mogelijk dan de nadien, in 2016, geactualiseerde welstandsnota 'De Schoonheid van Amsterdam' toestaat. Dit geldt hoofdzakelijk voor de naar de openbare ruimte gekeerde dakkapellen (voorzijde). Voor wat betreft de dakkapellen aan de achterzijde loopt de vigerende regeling uit de pas met de regelgeving voor bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 69

vergunningvrij bouwen. Vanwege de beschermde stastus van het gebied is het niet wenselijk om in het bestemmingsplan meer toe te staan dan wat vergunningvrij mogelijk is; evenmin is het zinvol om minder toe te staan dan wat vergunningvrij mogeiljk is. Hieronder volgt een beschrijving van de analyse van het gebied met een uiteenzetting van de gemaakte keuzes. Kapvormen type A en C - voorgeveldakvlak Een historische analyse van de bebouwing laat zien dat dakkapellen meeontworpen werden bij vrijwel alle panden met kapvormen van type A en C. Deze dakkapellen zijn in de jaren '90 gerenoveerd maar ze zijn nog steeds in de oorspronkelijke omvang en ritmiek aanwezig. Een inventarisatie van het gebied in de zomer van 2020 heeft bevestigd dat alle panden met kapvormen van type A en C van een dakkapel zijn voorzien. Doordat alle woningen met dit type dak (mansardekap of mansardekap met wolfseind) reeds zijn voorzien van dakkapellen, bestaat geen behoefte aan nieuwe bouwmogelijkheden in het voorliggende bestemmingsplan. De gerealiseerde dakkapellen vormen reeds een zorgvuldig gecomponeerde en samenhangende waardevolle daklandschap, dat behouden kan worden door middel van een conserverende regeling in het bestemmingsplan. In het voorliggende bestemmingsplan worden dakkapellen daarom in exact dezelfde positie en omvang als het oorspronkelijke ontwerp toegestaan.

Aldus kan het bestaande, waardevolle daklandschap, dat nog in oorspronkelijke vorm aanwezig is, gevrijwaard blijven van mogelijke aantasting. In de planregeling wordt uitsluitend een bouwrecht opgenomen om een bestaande dakkapel aan het voorgeveldakvlak te vervangen op exact dezelfde positie en in dezelfde omvang. Deze moet in samenhang met de bestaande dakkapellen worden ontworpen en gerealiseerd binnen dezelfde bebouwingsstrook.

Afbeelding: geel weergegeven zijn de panden met type kapvorm A en/of C; blauw weergegeven zijn Orionplantsoen 1A-B, Meteorenweg 158-160 en Castorstraat 5, 7, 6 en 8 die ten onrechte zijn aangeduid als kapvorm type A en/of C (in werkelijkheid monumentale panden van kapvorm type W)

Gemeente Amsterdam

blz. 70

De bebouwing aan het Polluxplein (op de afbeelding hierboven rood omcirkeld) is op de kaartbijlage bij het vigerende bestemmingsplan ten onrechte aangeduid als bebouwing met een kapvorm van type W (type W betreft monumentale panden); de bebouwing is niet monumentaal. Deze bebouwing is feitelijk voorzien van kapvorm type A en de aanwezige dakkapellen werden destijds meeontworpen. De kaartbijlage bij het vigerende bestemmingsplan is voor deze locatie dus niet in overeenstemming met de werkelijkheid. De panden aan Steenbokstraat nr. 2 t/m 10 en Kreeftstraat nr. 1 t/m 9 (op de afbeelding hierboven eveneens rood omcirkeld) zijn evenmin monumentale panden en op de kaartbijlage ten onrechte aangeduid als bebouwing van kapvorm type W. Deze gebouwen werden oorspronkelijk als werkplaatsen gebouwd en niet voorzien van een dakkapel. Geconstateerd is dat het aanvaardbaar is om voor deze twee blokken in het bestemmingsplan alsnog dakkapellen toe te staan aan de straatzijde, onder voorwaarde dat deze in samenhang worden ontworpen en gerealiseerd binnen dezelfde bebouwingsstrook, waarmee de gaafheid van het dakenlandschap wordt beschermd tegen losse aanvragen voor dakkapellen aan de straatzijde. In de planregeling van voorliggend bestemmingsplan is een bouwrecht opgenomen voor het bouwen van deze dakkapellen, waarbij is aangesloten op het actuele welstandsbeleid.

Kapvormen type A en C - achtergeveldakvlak Voor wat betreft het bouwen van dakkapellen aan de achterzijde loopt de regeling in het vigerende bestemmingsplan uit de pas met de regelgeving voor vergunningvrij bouwen (artikel 2 onderdeel 4 juncto artikel 4a lid 2 van Bijlage II van het Besluit omgevingsrecht). De vigerende regeling staat aan de achterzijde een dakkapel met een hoogte van 1,50 meter toe, terwijl de regelgeving voor vergunningvrij een dakkapel van 1,75 meter bouwhoogte toestaat. Het op dit punt hanteren van een stringentere maatvoering in het bestemmingsplan dan de regelgeving voor vergunningvrij bouwen toestaat, is weining zinvol. Voor wat betreft dakkapellen aan de achterzijde is dan ook niet gekozen voor het behouden van deze regeling, aangezien deze zou kunnen worden doorkruist door de regeleving voor vergunningvrij bouwen. Kapvormen type B en B+ Een analyse van de bebouwing laat zien dat de kappen met kapvorm type B te laag zijn voor het bouwen van dakkapellen. Gezien de geringe hoogte van de kap wordt een dakkapel erg gekunsteld, zonder dat die een bruikbare verblijfsruimte oplevert. Daarbij sluit de dakkapel dan veel te dicht tegen (of zelfs over) de nok aan. Er zijn in het plangebied daarom geen panden van deze type kapvorm aanwezig met een dakkapel.

Het opnemen in het voorliggende bestemmingsplan van een bouwrecht voor een dakkapel aan het voor- of achtergeveldakvlak is voor dit type bebouwing dan ook weinig zinvol. Bij dit type kan in de kap extra verblijfsruimte worden gecreëerd met een dakopbouw (zogenoemde 'pet'). Deze woningen zijn als kapvorm type B+ gearceerd aangegeven op de kaartbijlage bij het vigerende bestemmingsplan.

bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 71

Afbeelding: links kapvorm type B, rechts kapvorm type B+ (petwoningen) De bebouwing aan de Grote Beerstraat 25 t/m 35 (op de afbeelding hieronder rood omcirkeld) is op de kaartbijlage bij het vigerende bestemmingsplan ten onrechte aangeduid als bebouwing met een kapvorm van type B+. De bebouwing betreft geen petwoningen aangezien dakopbouwen feitelijk ontbreken. Hier hoort dan ook een kapvorm van type B bij. De kaartbijlage bij het vigerende bestemmingsplan is voor deze locatie niet in overeenstemming met de werkelijkheid. De bebouwing aan de Aldebaranstraat 29 t/m 43 (op de afbeelding hieronder eveneens rood omcirkeld) staat ook onjuist weergegeven op de kaartbijlage. De bebouwing betreft petwoningen en heeft in werkelijkheid een kapvorm van type B+, maar is ten onrechte aangeduid als kapvorm type B. Ook voor deze locatie is de kaartbijlage van het vigerende bestemmingsplan dus niet in overeenstemming met de werkelijkheid.

Gemeente Amsterdam

blz. 72

Afbeelding: rood weergegeven zijn de panden met een kapvorm type B of B+ Kapvormen type W Kapvormen van type W komen voor bij panden die met een orde-1 zijn gewaardeerd op de waarderingskaart van de gemeente Amsterdam. Het betreft in alle gevallen, zonder uitzondering, panden die aangewezen zijn als rijks- of gemeentelijk monument. Naast de aanwijzing als beschermd stadsgezicht is door de aanwijzing als monument de waardevolle architectuur ook op pandniveau beschermd. Het overgrote deel van deze monumentale panden is al voorzien van een dakkapel. Voor deze karakteristieke, monumentale bebouwing bestaat niet direct behoefte aan nieuwe bouwmogelijkheden voor dakkapellen. Het opnemen van een conserverende regeling die de werkelijke situatie vastlegt ligt - gelet op het karakter van deze panden - eerder in de rede. Dakkapellen aan het voorgeveldakvlak van deze monumentale panden zullen daarom uitsluitend worden toegestaan in exact dezelfde positie en omvang als het oorspronkelijke ontwerp, waarmee de oorspronkelijke kapvorm van het pand, in ieder geval voor wat betreft de naar openbaar toegankelijk gebied gekeerde zijde, blijft behouden. Op de plekken waar nog geen dakkapellen zijn gerealiseerd (dit zijn de monumentale panden aan Mercuriusstraat 13 t/m 31 en het Zonnehuis) is in alle gevallen behoefte aan maatwerk.

Het gaat hier immers om karakteristieke panden waarbij een bouwrecht voor het realiseren van een nieuwe dakkapel zich niet op voorhand laat vangen in vaste maatvoering. De vigerende dakkapellenregeling in bestemmingsplan is op dit punt dan ook ontoereikend en behoeft aanpassing. Voor het kunnen realiseren van dakkapellen op de nog gave daken van deze panden zal in het vervolg een aparte bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 73

planologische procedure moeten worden doorlopen.

Afbeelding: blauw weergegeven zijn de panden met kapvorm type W (monumentale panden); blauw omlijnd zijn Steenbokstraat nr. 2 t/m 10, Kreefstraat 1 t/m 9 en Polluxplein, die ten onrechte zijn aangeduid met kapvorm type W (in werkelijkheid kapvorm type A en/of C) Conclusie In de herziene dakkapellenregeling wordt ervoor gekozen om de kaartbijlage zoals opgenomen bij de vigerende regeling te laten vervallen. Verder is ervoor gekozen om de feitelijk aanwezige dakkappellen aan de voorzijde conserverend op te nemen in de planregeling. Die mogen uitsluitend op dezelfde positie en in dezelfde omvang mogen worden teruggebouwd, in samenhang met de dakkapellen van de buren en in dezelfde bebouwingsstrook. Voor de adressen waar nog geen dakkappellen aan de voorzijde aanwezig zijn, is een bouwrecht opgenomen uitsluitend waar dit uit cultuurhistorisch en stedenbouwkundig oogpunt aanvaardbaar is (het betreft een beperkt aantal adressen: Steenbokstraat 2 t/m 10 en Kreeftstraat 1 t/m 9). Hierbij is ook aangesloten bij de vereisten uit de welstandsnota. Voor dakkapellen aan de achterzijde is, vanwege de beschermde status, niet meer mogelijk gemaakt dan wat vergunningvrij is toegestaan. De herziene dakkapellenregeling doet hiermee recht aan de bijzondere plaats die het daklandschap in het rijksbeschermde stadsgezicht inneemt.

Aldus wordt onevenredige aantasting van het daklandschap voor de toekomst voorkomen. De herziene dakkappellenregeling staat opgenomen in artikel 18.2.2 Dakkapellen en overige wijzigingen aan de dakvorm.

Gemeente Amsterdam

blz. 74

4.3

Bebouwingsregeling achtertuinen AUP-gebieden

4.3.1

Algemeen

In steeds meer binnentuinen verliest de groen het van de stenen, wat de toch al schaarse groene ruimte in de stad verder onder druk zet. Het vergroenen en openhouden van de binnentuinen is een Amsterdamse beleidsambitie. De stijgend hoeveelheid vergunningvrije verbouwingen aan bestaande panden, waarmee vierkante meters worden toegevoegd in tuinen, leidt tot wijzigingen in de fysieke structuur van de stad. Door het vele uitbouwen verandert het aangezicht van de stad aan de tuinzijde. De wettelijk vastgestelde vergunningvrije ruimte voor het oprichten van uitbouwen in achtertuinen bedraagt 4 meter vanuit de achtergevel, met een maximering op doorgaans 50% van de tuin (tuinen tot 100 m2). In de huidige praktijk kan dit ten koste gaan van de stedenbouwkundige en cultuurhistorische structuur van de AUP-gebieden. AUP-gebieden in Amsterdam Noord vormen stedenbouwkundige en architectonische eenheden die het verdienen om beschermd te worden. In tegenstelling tot tuinen in gesloten bouwblokken dragen privétuinen in AUP-gebieden duidelijk bij aan het groene karakter van de buurt. Voor dit bestemmingsplan is daarom onderzocht of de mogelijkheid van het vergunningvrij realiseren van uitbouwen in de achtertuinen van AUP-gebieden ingeperkt kan worden.

Het gaat om de buurten die niet aangewezen zijn als rijksbeschermd stadsgezicht, te weten Tuindorp Oostzaan-West, Vegabuurt en Terrasdorp, en die in meer of mindere mate gekenmerkt worden door AUP-bebouwing. 4.3.2

Cultuurhistorische en stedenbouwkundige analyse

Cultuurhistorische aspecten Uit het onderzoek "Van licht, lucht en groen word je een 'beter' mens, een cultuurhistorische analyse van de tuin in de Amsterdamse stedenbouw" (zie Bijlage 3 Cultuurhistorische analyse tuin, Monumenten en Archeologie d.d. oktober 2017) blijkt dat bij het streven naar goede en betaalbare woonomstandigheden en aantrekkelijke woonbuurten, 'groen' een onlosmakelijke rol speelt. De centrale vraag die in de loop van de tweede helft van de 19de eeuw gaandeweg steeds scherper geformuleerd wordt is: hoe kan op grote en betaalbare schaal een goede woonkwaliteit met voldoende, groene, buitenruimte in een stedelijk context gebouwd worden voor armlastige arbeiders? De stad wordt vanaf het eind van de 19de eeuw steeds meer als een groot en samenhangend bouwwerk opgevat. In het begin van de 20ste eeuw wordt groen aan voldoende licht en frisse lucht gekoppeld, waarop volgens de Woningwet (1901) en de Gezondheidswet (1901) iedereen recht had. De idealen worden in de praktijk gebracht door middel van een stedenbouw waaraan zorgvuldige studies vooraf gaan, zoals verkavelingsvormen, verhoudingen tussen bouwhoogtes, blokdieptes, straatbreedtes en bezonningsmodellen. Het Algemeen Uitbreidingsplan (AUP) De inrichting van de openbare ruimte en het gebruik van licht, lucht en ruimte speelde een belangrijke rol in de twintigste-eeuwse stedenbouw.

Dit komt expliciet aan bod bij de totstandkoming van het AUP in 1934 waarbij het idee van het logisch, organisch ordenen van terreinen met verschillende functies centraal stond. Recreatie en natuur werden gezien als essentiële onderdelen van het maatschappelijke leven van de moderne stadsbewoner. In de naoorlogse tuinsteden werd het groen voor het eerst als gelijkwaardig stedenbouwkundig element gezien. Groen werd hier niet alleen gebruikt om de relaties tussen bebouwing en aangrenzende parklandschap te waarborgen, maar ook tussen bebouwde en onbebouwde ruimtes binnen het stedelijke weefsel.

bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 75

Zowel vanuit het concept van verkeer als groen geldt de woning als de uiterste vertakking van een gelaagd systeem. Het verkeer betekent het contact met de maatschappij, het groen staat voor rust, ontspanning en de aanraking met de natuur. Er werd gestreefd naar een doorgaande, zo groen mogelijke, ruimte die in schaalniveaus verloopt van de woning via de buurt en wijk naar de stad en het ommeland, van particuliere naar gemeenschappelijke naar openbare ruimte. Mede vanwege de open verkaveling is er een groot scala aan gradaties tussen privé en openbare ruimtes waar specifiek voor ontworpen werd door landschapsarchitecten. De ruimtereeks die daarbij werd onderscheiden is: balkon – tuin – binnentuin – stoep – straat – plein – park – weg – stad. De uitgangspunten waren gemeenschapszin, pragmatisme, dienstbaarheid aan de gebruiker, functionaliteit in de beleving, samenhang en afwisseling. De ruimte moest doorlopend zijn, maar ook beslotenheid en beschutting bieden op daartoe geëigende plekken. Scheidingen en verbindingen zijn (ruimtelijk en/of visueel) tot stand gebracht door gradaties van afscherming. Zo koos men bijvoorbeeld bij gemeenschappelijke tuinen en parkstroken voor een parkachtige inrichting, terwijl het stedelijke karakter van straat- en pleinruimtes met formeler vormgegeven plantsoenen en speelinrichtingen werden ingericht.

Woonstraten kregen lage (fruit)bomen die genoeg licht en lucht doorlaten, de doorgaande verbindingswegen zijn daarentegen voorzien van markante, hoog opgaande bomen. Vanuit praktisch oogpunt werden bijvoorbeeld speelpleinen van privétuinen afgeschermd door een strook stekelige struiken. Natuurlijk werd de beplantingskeuze en plaatsing ook gestuurd door de verkaveling, ritme, omvang en architectuur van de omringende bebouwing. Waarderingskaarten AUP en Post-AUP bebouwing Door de afdeling Monumenten en Archeologie van de gemeente Amsterdam zijn waarderingskaarten voor de AUP- en Post AUP gebieden gemaakt voor de wijken die zijn aangelegd op basis van het Algemeen Uitbreidingsplan. Deze wijken liggen om de stadsdelen West (Bos en Lomer), Nieuw-West (Slotermeer, Geuzenveld, Slotervaart, Overtoomseveld, Osdorp), Zuid (Zuideramstel), Oost (Watergraafsmeer) en Noord. In de waarderingskaarten wordt de architectonische kwaliteit van de bebouwing in een opklimmende waardering aangegeven met basisorde, orde 3, orde 2 en orde 1. Daarin is bovendien aandacht voor de architectuureenheden, accenten en symetrische bebouwing. Criteria ordepanden De afgelopen jaren is duidelijk geworden dat de bescherming van orde 2-panden te wensen overlaat. Orde 2-panden zijn beeldbepalende bouwwerken met een nadrukkelijke architectonische verbijzondering en een bijzondere cultuurhistorische betekenis.

Het beschermingsregime voor deze panden is alleen via de welstandsnota geregeld, in tegenstelling tot aangewezen monumenten die bescherming genieten via de Erfgoedverordening dan wel Monumentenwet. Het streven is dan ook om de bescherming van orde 2-panden, in de aanloop naar de Omgevingswet, te verbeteren. Hieronder volgt een beschrijving van de stedenbouwkundige waarderingen. De waardering van de stedenbouwkundige structuur van de AUP en Post-AUP bebouwing in het plangebied is terug te vinden in paragraaf 10.3. Basisorde: Lage waarde Een voor de periode kenmerkende architectuureenheid zonder architectonische of stedenbouwkundige meerwaarde, ofwel ontstaan door geringe ontwerpkwaliteit ofwel door latere, ingrijpende wijzigingen waardoor deze de architectonische meerwaarde en/of bijdage aan de compositie van de verkaveling heeft verloren. Orde 3: Middelhoge waarde Een architectuureenheid met een voor de periode kenmerkende vormgeving en/of kenmerkende typologie en/of belangrijke bijdrage aan de compositie van de verkaveling en het veld. Gemeente Amsterdam

blz. 76

Orde 2: Hoge waarde Een architectuureenheid met een voor de periode karakteristieke architectonische vormgeving en/of typologie, die bovendien een belangrijke bijdrage levert aan de compositie van de verkavelingseenheid en het veld. Orde 1: Monumenten of monumentwaardige bebouwing Een architectuureenheid die op basis van typologie, een voor die periode bijzondere en/of karakteristieke architectonische vormgeving, de positie in een verkavelingeenheid en/of zijn bijdrage aan een verkaveling en veld de status heeft van rijks- of gemeentelijk monument of daarvoor in aanmerking komt. Stedenbouwkundige aspecten De kwaliteit van de stedenbouwkundige structuur als geheel kan worden gemeten op basis van diverse, uiteenlopende kwalificaties, maar in essentie is een bouwblok te herleiden tot een verhouding onbebouwd - bebouwd (groen - grijs). Bebouwd is de huizenmassa, terwijl onbebouwd uiteen valt in tuinen en openbare ruimte. De verhouding tussen de bouwblokken en de openbare ruimte is een van de wezenskenmerken van stedenbouw. Aan de hand van een aantal relevante stedenbouwkundige criteria is afgewogen in hoeverre uitbouwen ten koste gaan van de stedenbouwkundige structuur in de buurten Tuindorp Oostzaan-West, Vegabuurt en Terrasdorp. Deze betreffen: 1. de waardering van de stedenbouwkundige structuur; 2. de mate waarin de stedenbouwkundige structuur resp.

het zicht vanuit de openbare ruimte op de bebouwing verstoord is door reeds aanwezige bebouwing; 3. de mate van ondergeschiktheid c.q. verhouding van de uitbouw tot de woning- en/of tuindiepte. Bovengenoemde stedenbouwkundige aspecten zijn, naast de cultuurhistorische aspecten, als criteria betrokken in de afweging om het vergunningvrij bouwen van uitbouwen in de achtertuinen van de AUP-gebieden al dan niet in te perken. De cultuurhistorische aspecten zien vooral op het tuinstadkarakter waar zo veel mogelijk werd gestreefd naar een doorgaande, zo groen mogelijke, ruimte die in schaalniveaus verloopt van de woning via de buurt en wijk naar de stad en het ommeland, van particuliere naar gemeenschappelijke naar openbare ruimte. Het verweven groen is een hoofdonderdeel van de stedenbouwkundige structuur van een tuinstad en brengt licht, lucht en ruimte. De ruimte moest doorlopend zijn, maar ook beslotenheid en beschutting bieden op daartoe geëigende plekken. Hieronder volgt een uiteenzetting voor de onderscheiden buurten (Tuindorp Oostzaan-West, Vegabuurt en Terrasdorp). Voor iedere buurt wordt een onderbouwing gegeven van de noodzaak voor een restrictieve bebouwingsregeling in de achtertuinen.

Voor de woonwijken uit de periode 1970-1985, waartoe Het Hogeland behoort, zijn nog geen waarderingskaarten gemaakt en evenmin inventarisaties en selecties van monumentwaardige gebouwen uitgevoerd (een dergelijk project omvat een gemeentebrede aanpak waarvan vooralsnog geen sprake is). Het Hogeland wordt mede om deze reden buiten beschouwing gelaten.

bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 77

4.3.3 Belangenafweging bebouwingsregeling achtertuinen Tuindorp Oostzaan-West, Vegabuurt en Terrasdorp Evenals andere AUP-gebieden wordt de buurt Tuindorp Oostzaan-West gekenmerkt door een uitgekiende inrichting van de openbare ruimte en de integraal meeontworpen groenstructuur. Dit geldt ook voor de buurt Terrasdorp. De groenstructuur in beiden buurten vormt een wezenlijk onderdeel van de aanhechting van de wijken onderling en de omringende gebieden. De doorschakeling van groene (semi) privé-ruimte naar openbaar groen loopt in beide buurten naadloos in elkaar over. AUP-gebieden in Amsterdam Noord vormen dan ook stedenbouwkundige en architectonische eenheden die het verdienen om beschermd te worden. Voor bewoners betekent het bebouwen van de tuinen doorgaans een vergroting van het woonoppervlak. Men heeft baat bij een groter oppervlak, waardoor de mogelijkheid ontstaat om langer in de woning te blijven, ook als de huishoudensamenstelling wijzigt. De woningen in Tuindorp Oostzaan-West en Terrasdorp zijn relatief klein en veel gezinnen hebben behoefte aan meer ruimte. De buurten bestaan voornamelijk uit grondgebonden woningen, waarbij de woningen beschikken over een eigen tuin. Dit maakt dat de woningen in trek zijn bij gezinnen.

Tijdens inspraakavonden en bij de behandeling van bouwplannen die afwijken van het bestemmingsplan wordt door bewoners over het algemeen vaak het belang van gezinsuitbreiding benoemd. Bewoners krijgen het gevoel de stad uit te worden gedrukt als er geen mogelijkheden zijn voor uitbreiding. Het beleid van de gemeente Amsterdam gaat er ook van uit om gezinnen in de stad te behouden. Dit belang is in het kader van een zorgvuldige afweging meegewogen. In de afweging om het vergunningvrij bouwen in de achtertuinen in te perken, zijn naast de belangen van de bewoners de cultuurhistorische en stedenbouwkundige aspecten op bouwblok- en buurtniveau betrokken. Hierna volgt een uiteenzetting. Tuindorp Oostzaan-West Evenals andere AUP-gebieden werd hier gestreefd naar (een visuele beleving van) een doorgaande groene ruimte die in schaalniveaus verloopt van de woning via de buurt en wijk naar de stad en het ommeland, van particuliere naar gemeenschappelijke openbare ruimte. De doorschakeling van groene (semi) privé-ruimte naar openbaar groen loopt naadloos in elkaar over. Tuindorp Oostzaan-West wordt omsingeld met blauw-groene stroken, waarbij gebruik is gemaakt van de bestaande, doorgaande waterloop de Westertocht. De laagbouwwoningen in dit gebied hebben allemaal een privétuin.

Deze (achter)tuinen zijn niet alleen te vinden als onderdeel van strokenbouwverkaveling waarbij de voorkant van de ene rij woningen uitkijkt op de achtertuinen van de tegenoverliggende woningen, maar ook als onderdeel van hakenverkavelingen. De achtertuinen die naar binnenhoven gekeerd zijn, grenzen vrijwel altijd aan collectief groen en nooit aan de straat. De achtertuinen die naar de straat gekeerd staan, zijn hier soms van gescheiden door stroken openbaar groen. Net zoals in de binnenhoven, zijn sommige tuinen ondieper om plaats te maken voor het openbaar groen. Vrijwel de gehele buurt heeft in de waardering van de stedenbouwkundige structuur van het AUP en Post-AUP een orde 2 gekregen, waarbij de buurt bij de beoordeling van het tuinstadkarakter de volle punten kreeg. Het verweven groen is een hoofdonderdeel van de stedenbouwkundige structuur van een tuinstad en brengt licht, lucht en ruimte. Door de typerende hakenstructuur worden semi-openbare groene hoven gecreëerd. Een dergelijke stempel is zeer kenmerkend binnen het AUP. Dit is onder andere ook te vinden in de buurten in de stadsdelen Nieuw-West, Zuid en andere buurten in Noord. Het verschil met de hakenstructuur in Tuindorp Oostzaan-West is dat Tuindorp Oostzaan-West uit grondgebonden woningen bestaat en niet uit gestapelde bouw zoals dat bij veel van de andere buurten het geval is.

De orde 2-panden, de stempels met hakenstructuur, zijn beeldbepalend voor de buurt. De stedenbouwkundige structuur van Tuindorp Oostzaan-West wordt dan ook hoog gewaardeerd (de woningen aan de Nadirstraat zijn van orde 1 en daarmee zelfs monumentwaardig).

Gemeente Amsterdam

blz. 78

Doordat de gehele buurt voor langere tijd corporatiebezit was, is de buurt vrijwel geheel gevrijwaard gebleven van uitbouwen. Gelet op het relatief beperkt aantal aanwezige uitbouwen dat veelal een diepte van 2,5 meter heeft, is de stedenbouwkundige structuur van Tuindorp Oostzaan-West in dit opzicht nog redelijk gaaf te noemen. Er zijn evenwel verscheidene (niet groene) erfafscheidingen en bijgebouwen geplaatst die vanuit de binnenhoven nadrukkelijk in het zicht staan en niet conform de originele plannen zijn, waardoor de werkelijkheid inmiddels in strijd is met de initiële plannen om een verbinding tussen de woning en het hof te realiseren. De stedenbouwkundige structuur is hierdoor enigszins verrommeld. De tuinen hebben een diepte variërend van 5,5 tot 10 meter; diepten van 7,5 en 9,5 meter komen het vaakst voor. Een groot deel van de woningen is inmiddels overgegaan op particulier bezit, waarmee de verwachting dat het aantal uitbouwen zal toenemen reëel is. De naar verwachting (als gevolg van privébezit) nog te realiseren uitbouwen zullen, gelet op de royale regelgeving voor vergunningvrij bouwen, in de meeste tuinen per saldo een niet onaanzienlijk deel van de (gemiddeld) niet al te diepe tuinen in beslag nemen. En in omvang ook afsteken tegen de (geringe) diepte van de woningen.

Een uitbouw tot 4 meter diep gemaximeerd op 50% van de tuin zal in de meeste gevallen niet ondergeschikt zijn. De met de uitbouw gepaard gaande toename in bebouwde massa zal daarbij ook ten koste gaan van de beschikbare groene ruimte. Uitbouwen van dergelijke omvang zullen bijdragen aan een verdere verrommeling van de achtertuinen, hetgeen ook ten koste zal gaan van het tuinstadkarakter. Vegabuurt Vegabuurt binnen Tuindorp Oostzaan valt binnen de bouwperiode gordel 20-40. De tuindorpen uit dezelfde periode gingen uit van het vermijden van donkere hoekwoningen zonder uitzicht op een groene binnenruimte en het creëren van meer licht en lucht. De hoekwoning die te vinden is in een gesloten bouwblok, dat wil zeggen zonder tuin, is hier evenals in de tuindorpen afwezig, maar de buurt is opmerkelijk meer besloten van opzet. De blokken zijn relatief lang met een beperkt aantal smalle toegangen naar de binnenterreinen, waardoor het zicht op de bebouwing in de achtertuinen vanuit de openbare ruimte beperkt is. In de gehele buurt zijn slechts vier hoven aanwezig met eveneens een sterk besloten en collectief karakter. De waardering van de stedenbouwkundige structuur van Vegabuurt is dan ook laag (basisorde). Door de grote hoeveelheid aanwezige uitbouwen en bijgebouwen, die vaak van positie wijzigen, is de stedenbouwkundige structuur in de binnenterreinen ook niet meer gaaf te noemen.

Terrasdorp Terrasdorp werd na de Tweede Wereldoorlog ten oosten van de buurt Tuindorp Oostzaan gebouwd en voornoemde AUP-principes zijn daar ook toegepast en nog altijd aanwezig. Zo verbindt het groene sportpark het vooroorlogse met het naoorlogse deel van Tuindorp Oostzaan en dienen groene ruimtes tussen de bebouwing als doorgaande routes voor bewoners. De doorschakeling van groene (semi) privé-ruimte naar openbaar groen loopt naadloos in elkaar over. De hovenverkaveling en niveauverschillen in de buurt zorgen voor beslotenheid. In het geval van Terrasdorp werd bovendien de tamelijk sobere architectonische uitwerking van de bouwsystemen gecompenseerd door de groenaanleg die, naast de stedenbouwkundige structuur en de verschillende verkavelingswijzes, de wijk een aangenaam karakter en enige allure verschaffen. Terrasdorp is gebouwd in de Post-AUP periode. Evenals in Tuindorp Oostzaan-West hebben de laagbouwwoningen in Terrasdorp allemaal een privétuin. Deze (achter)tuinen zijn niet alleen te vinden als onderdeel van strokenbouwverkaveling waarbij de voorkant van de ene rij woningen uitkijkt op de achtertuinen van de tegenoverliggende woningen, maar ook als onderdeel van hakenverkavelingen. De achtertuinen die naar binnenhoven gekeerd zijn, grenzen vrijwel altijd aan collectief groen en nooit aan de straat.

De achtertuinen die naar de straat gekeerd staan, zijn hier soms van gescheiden door stroken

bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 79

openbaar groen. Net zoals in de binnenhoven, zijn sommige tuinen ondieper om plaats te maken voor het openbaar groen. De haken die een hof omsluiten en zich aan de oostelijke rand van de buurt bevinden, hebben evenals in Tuindorp Oostzaan-West een orde 2 waardering gekregen. De orde 2-panden zijn beeldbepalend voor de buurt. De rest van de buurt dat voornamelijk uit typerende strokenbouw bestaat, is van orde 3. Beide stempels zijn zeer kenmerkend binnen het AUP en Post-AUP. De stedenbouwkundige structuur van Terrasdorp wordt dan ook hoog tot middelhoog gewaardeerd. Stempels met hakenstructuur Bij de stempels met hakenstructuur zijn evenals in Tuindorp Oostzaan-West relatief weinig uitbouwen aanwezig. Op basis hiervan is de stedenbouwkundige structuur nog redelijk gaaf te noemen. Door de bewoners zijn (evenals in Tuindorp Oostzaan-West) verscheidene (niet groene) erfafscheidingen en bijgebouwen geplaatst die vanuit de binnenhoven nadrukkelijk in het zicht staan en niet conform de originele plannen zijn, waardoor de werkelijkheid inmiddels in strijd is met de initiële plannen om een verbinding tussen de woning en het hof te realiseren. De stedenbouwkundige structuur is hierdoor enigszins verrommeld. De tuinen in de stempels met hakenstructuur hebben een diepte variërend van 6 tot 15 meter; diepten van 6 tot 10 meter komen het vaakst voor.

De nog te realiseren uitbouwen zullen, gelet op de royale regelgeving voor vergunningvrij bouwen, in de meeste tuinen per saldo een niet onaanzienlijk deel van de (gemiddeld) niet al te diepe tuinen in beslag nemen. En in omvang ook afsteken tegen de (geringe) diepte van de woningen. Een uitbouw tot 4 meter diep resp. 50% van de tuin zal in de meeste gevallen niet ondergeschikt zijn. De met de uitbouw gepaard gaande toename in bebouwde massa zal daarbij ook ten koste gaan van de beschikbare groene ruimte. Uitbouwen van dergelijke omvang zullen bijdragen aan een verdere verrommeling van de achtertuinen, hetgeen ook ten koste zal gaan van het tuinstadkarakter. Typerende strokenbouw Bij de typerende strokenbouw in het hart van de buurt is de bebouwing in de tuinen meer planmatig van opzet, wat te danken is aan het vigerende bestemmingsplan waarin de locaties van bijgebouwen zijn aangewezen op de verbeelding. Hierdoor is de stedenbouwkundige structuur en het beeld nog niet is verrommeld. Het zicht vanuit de openbare ruimte op de achtertuinen is wel beperkt. Vanuit de openbare ruimte is er vaak alleen zicht op de tuinen aan de kopzijde, maar door de planmatige plaatsing van de bergingen en de geringe verrommeling is het tuinstadkarakter daar behouden.

De tuinen in de stempels met strokenbouw hebben een diepte variërend van 6 tot 11 meter; diepten onder de 10 meter komen het vaakst voor. Ook hier zullen in de meeste tuinen de uitbouwen, gelet op de royale regelgeving voor vergunningvrij bouwen, een niet onaanzienlijk deel van de tuinen in beslag nemen. En in omvang ook afsteken tegen de (geringe) diepte van de woningen. Een uitbouw tot 4 meter diep resp. 50% van de tuin zal in de meeste gevallen niet ondergeschikt zijn. De met de uitbouw gepaard gaande toename in bebouwde massa zal daarbij ook hier ten koste gaan van de beschikbare groene ruimte. Uitbouwen van dergelijke omvang zullen bijdragen aan een verdere verrommeling van de achtertuinen, hetgeen ook ten koste zal gaan van het tuinstadkarakter.

Gemeente Amsterdam

blz. 80

4.3.4

Vertaling in bestemmingsplan

Voor de Vegabuurt worden geen (overtuigende) cultuurhistorische of stedenbouwkundige argumenten gezien om beperkingen te stellen aan het vergunningvrij bouwen. Een restrictieve bebouwingsregeling wordt wel voorgesteld voor de buurten Tuindorp Oostzaan-West en Terrasdorp. Deze buurten hebben een kenmerkende open verkaveling, die uit bouwstroken is opgebouwd waarbij de achtertuinen veelal aan het openbare gebied grenzen. Tuindorp Oostzaan-West is stedenbouwkundig hoog gewaardeerd (orde 1 en 2). Terrasdorp is hoog tot middelhoog gewaardeerd (orde 2 en 3). De stedenbouwkundige structuur is in beide buurten nog redelijk gaaf te kwalificeren: beide hebben een nog relatief beperkte hoeveelheid uitbouwen. De nog te realiseren vergunningvrije uitbouwen zullen in de maximaal toegestane omvang een niet onaanzienlijk deel van de tuinen in beslag nemen, daarmee ook afsteken tegen de (geringe) diepte van de woningen en niet ondergeschikt ogen. De verwachting is dat het maximaal benutten van de vergunningvrije bebouwingsmogelijkheden ten koste zal gaan van de beschikbare groene ruimte en het tuinstadkarakter. De belangenafweging in deze leidt dan ook tot de conclusie dat ter voorkoming van verdere aantasting van de stedenbouwkundige structuur en het cultuurhistorische karakter, een restrictieve bebouwingsregeling voor de achtertuinen van beide buurten geboden is.

Het vergunningvrij oprichten van uitbouwen wordt in deze buurten met 1,5 meter ingeperkt, tot 2,5 meter uit de achtergevel. Een uitbouw van 2,5 meter diep is nog voldoende ondergeschikt aan het hoofdvolume van de woningen en past bij de doorgaans relatief geringe tuindiepte, waardoor het geheel ook beter inpasbaar is in de stedenbouwkundige en cultuurhistorische structuur. Het dichtzetten van de tuinen wordt hiermee voorkomen. Aldus wordt ook bijgedragen aan een eenduidig stedenbouwkundig beeld aan de tuinzijde, hetgeen het tuinstadkarakter ten goede komt. In het kader van een zorgvuldige afweging van belangen wordt redelijkerwijs nog ruimte voor uitbreiding op de begane grond toegestaan. Een uitbouw van 2,5 meter diep is nog vrij ruim en niet ongebruikelijk in de praktijk. Met deze maatstelling, waarmee overigens wordt aangesloten op de vergunningvrije bouwdiepte zoals die gold in de regelgeving voor 1 november 2014 (vanaf die datum werden vergunningvrije uitbouwen tot 4 meter diep toegestaan), kan een nog rendabele uitbreiding van het woonvloeroppervlak worden gerealiseerd. Bebouwingsregeling achtertuinen Tuindorp Oostzaan-West en Terrasdorp De bebouwingsregeling zoals opgenomen in het voorliggende ontwerpbestemmingsplan bestaat eruit dat het vergunningvrij realiseren van uitbouwen wordt teruggedrongen tot een (gemiddeld) acceptabele diepte van 2,5 meter.

Dit wordt geëffectueerd door het leggen van een dubbelbestemming (Waarde Landschap) over het achtererfgebied, op een afstand van 2,5 meter uit de achtergevel. Daarmee worden de gronden met de dubbelbestemming niet meer gerekend tot 'erf' in de zin van de regelgeving voor vergunningvrij bouwen (artikel 1 van Bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht), in ieder geval niet voor wat betreft het bouwen van bijbehorende bouwwerken zoals uitbouwen, bergingen en overkappingen. Voor deze bebouwing is voortaan een omgevingsvergunning vereist. Een aanvraag hiervoor zal in de dan te doorlopen planologische procedure op inpasbaarheid worden beoordeeld. De ruimte voor uitbreiding van de woning middels een vergunningvrije uitbouw kan alleen gevonden worden in tuingronden die de dubbelbestemming niet krijgen en daarmee als achtererfgebied blijven bestaan, te weten een strook van 2,5 meter diep achter de woonbestemming. Op grond van artikel 3 onderdeel 1 van Bijlage II bij het Bor kan daar vergunningvrij een uitbouw worden gerealiseerd. Het leggen van de dubbelbestemming Waarde - Landschap over het achtererfgebied betekent overigens niet dat de tuin niet als tuin gebruikt kan worden of zelfs niet dat er niet gebouwd kan worden. De bewoners vallen terug op de onderliggende tuinbestemming en de mogelijkheden die daar worden geboden.

bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 81

Uitsluitend het vergunningvrij bouwen van bijbehorende bouwwerken wordt uitgesloten op de gronden met de dubbelbestemming. Voor uitbouwen dieper dan 2,5 meter is een omgevingsvergunnig nodig. Rechtspraak over binnentuinenregeling Waar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) eerder in haar uitspraak van 10 februari 2021 op het beroep tegen het bestemmingsplan voor de Pijp (ECLI:NL:RVS:2021:281) aangaf dat niet kan worden volstaan met het in zijn algemeenheid aan banden leggen van vergunningvrije uitbouwen en er altijd een deugdelijke, locatiespecifieke motivering moet zijn, werkt zij dit in haar uitspraken op de beroepen tegen de bestemmingsplannen voor Oud-West (ECLI:NL:RVS:2022:82; ECLI:NL:RVS:2022:2312) verder uit. Volgens de Afdeling kan de motivering voor een dergelijke inperkende regeling voor de achtertuinen geen betrekking hebben op het gehele plangebied en algemeen van aard zijn, omdat het plangebied niet overal dezelfde kenmerken heeft. De Afdeling benadrukt dat kan worden volstaan met een motivering voor een aantal percelen gezamenlijk mits deze percelen zodanig ruimtelijk met elkaar samenhangen dat deze in ruimtelijk opzicht een eenheid vormen, zoals bij een woonblok.

De motivering in het voorliggende bestemmingsplan kan juridisch standhouden, omdat hierin een onderscheid wordt gemaakt in verschillende eenheden in de stedenbouwkundige structuur. Binnen de buurten Tuindorp Oostzaan-West en Terrasdorp (waar de wettelijke regeling voor vergunningvrij bouwen is ingeperkt) is een hoge mate van repetitie aanwezig waardoor het redelijk is om deze percelen als één ruimtelijke eenheid te beschouwen. De motivering in de plantoelichting is dus toegesneden op de onderscheiden buurten en daarmee niet algemeen van aard.

Gemeente Amsterdam

blz. 82

bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 83

Hoofdstuk 5

M.e.r.-(beoordelings)plicht

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. De regelgeving met betrekking tot de milieueffectrapportage is verankerd in de Wet milieubeheer. Voor sommige plannen of activiteiten geldt direct de verplichting om een MER op te stellen (m.e.r.-plicht), maar er zijn ook plannen waarvoor het bevoegd gezag moet beoordelen of hij het nodig vindt om ter voorbereiding van een besluit een MER te laten maken (m.e.r.-beoordeling). In het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is opgenomen voor welke activiteiten de m.e.r.-plicht dan wel de m.e.r.-beoordelingsplicht bestaat. Het gaat dan met name om activiteiten die aanzienlijke nadelige effecten op het milieu kunnen hebben. Het voorliggende bestemmingsplan is gericht op behoud van de bestaande bebouwing en functies. Het bestemmingsplan is een overwegend conserverend plan, aangezien de functies c.q. activiteiten als het ware opnieuw worden vastgelegd in dit bestemmingsplan.

Dit leidt niet tot significante nieuwe emissies of nieuwe verkeersaantrekkende werking. Het bestemmingsplan is getoetst op eventuele effecten op alle relevante milieueffecten. Belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu worden niet verwacht. Het bestemmingsplan is daarom geen project waarvoor vanwege de activiteit en/of omvang daarvan op grond van het Besluit m.e.r. een m.e.r.(beoordelings)plicht geldt.

Gemeente Amsterdam

blz. 84

bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 85

Hoofdstuk 6 6.1

Verkeer en parkeren

Algemeen

In artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening staat dat bestemmingsplannen moeten voldoen aan het "vereiste van een goede ruimtelijke ordening". Voornoemde vereiste geldt ook in verkeerskundig opzicht. Daarmee is dus op een indirecte manier de plicht tot het uitvoeren van een verkeersonderzoek opgenomen in de wetgeving. In deze paragraaf wordt beschreven of een verkeersonderzoek voor het plangebied noodzakelijk is.

6.2

Autoverkeer

De hoofdontsluiting van Tuindorp Oostzaan wordt gevormd door de Klaprozenweg, Cornelis Douwesweg, Coentunnelcircuit, Molenaarsweg, Marskramerstraat, Stellingweg, Meteorenweg en Scheepsbouwweg. De (kleinere) buurtstraten zijn over het algemeen ingericht als 30 kilometer-zone. In het bestemmingsplangebied is geen sprake van de aanleg van nieuwe wegen of de reconstructie daarvan. Het plan is verder conserverend van aard. Een eventuele verkeerstoename zal daarom gering zijn en kan worden opgenomen in het bestaande verkeersaanbod. Onderzoek naar de verkeerskundige effecten is om die reden niet noodzakelijk.

6.3

Langzaam verkeer

De gemeente Amsterdam geeft een hoge prioriteit aan de fiets als vervoersalternatief. Onderdeel van het gemeentelijke verkeers- en vervoerbeleid is het Hoofdnet Fiets met bijbehorende kwaliteitseisen ten aanzien van volledigheid, comfort, veiligheid en helderheid. In Amsterdam-Noord wordt dit net gevormd door paden die de stedelijke centra op de meest directe manier verbinden. Het fietsnetwerk is onderverdeeld in drie categorieën: bestaande, geplande en nieuw toe te voegen routes. In Tuindorp Oostzaan zijn geen ontbrekende schakels in het fietsnetwerk geconstateerd en worden op het gebied van fietsroutes geen ingrepen voorgesteld.

6.4

Parkeren

Het voorliggende bestemmingsplan legt de bestaande (verkeers)situatie en wegen vast. Er worden geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk gemaakt in het bestemmingsplan. Daar waar er voorzieningen zijn, is reeds voorzien in parkeergelegenheid. De parkeercapaciteit is voldoende om aan de vraag te voldoen. In de regels van dit bestemmingsplan wordt het vastgestelde parkeerbeleid (Nota Parkeernormen Auto) als uitgangspunt gehanteerd voor het bepalen van de parkeerbehoefte bij aanvragen omgevingsvergunning. In geval van nieuwe ontwikkelingen, zoals het toevoegen van woningen of bebouwing ten behoeve van economische functies, geldt dat er moet worden voorzien in 'voldoende parkeergelegenheid' op basis van de parkeernormen in de Nota Parkeernormen Auto. Voor Tuindorp Oostzaan geldt dat dit een B-locaties is. De B-locaties hebben goed openbaar vervoer, maar liggen verder van de intercitystations af. Het grootste deel van Amsterdam wordt als B-locatie geclassificeerd. Hier kiest de gemeente ervoor om naast een maximumparkeernorm ook een minimumparkeernorm te hanteren. Ontwikkelaars worden verplicht om bij nieuwbouw een minimum aantal parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren. Voor wat betreft het fiets- en scooterparkeerbeleid wordt in de regels van dit bestemmingsplan het vastgestelde beleid (Nota Parkeernormen Fiets en Scooter) gehanteerd voor het bepalen van de Gemeente Amsterdam

blz. 86

parkeerbehoefte bij aanvragen omgevingsvergunning. In geval van nieuwe ontwikkelingen, zoals sloop/nieuwbouw, geldt dat in voldoende mate ruimte moet zijn aangebracht en in stand worden gehouden op eigen terrein voor het parkeren van fietsen en scooters overeenkomstig het vigerende fietsen scooterparkeerbeleid.

6.5

Toetsing en uitgangspunten bestemmingsplan

Gezien het bovenstaande bestaat er geen aanleiding en/of noodzaak om onderzoek te doen naar verkeer en parkeren. In het kader van verkeer en parkeren zijn geen belemmeringen te constateren voor dit bestemmingplan.

bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 87

Hoofdstuk 7 7.1

Geluid

Algemeen

Een van de grondslagen voor de ruimtelijke afweging is de Wet geluidhinder (Wgh). De Wet geluidhinder bevat geluidnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Op grond van de Wet geluidhinder gelden zones rond geluidbronnen met een grote geluiduitstraling, zoals (spoor)wegen en industrieterreinen. De belangrijkste bestaande geluidzones bevinden zich langs bestaande wegen en spoorwegen, rond grote bestaande industrieterreinen en rondom bestaande luchtvaartterreinen.

7.2

Beleid en regelgeving

7.2.1

Algemeen

In de Wgh is aangegeven dat een akoestisch onderzoek moet worden verricht bij het voorbereiden van de vaststelling en/of herziening van een bestemmingsplan voor zover die geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden behorende tot een zone als bedoeld in de Wgh. Wanneer een nieuw (of gewijzigd) bestemmingsplan het mogelijk maakt nieuwe geluidsgevoelige bebouwing in de geluidszone van een industrieterrein of (spoor)weg te realiseren, is een akoestisch onderzoek noodzakelijk naar de geluidsbelasting van een industrieterrein of (spoor)weg op geluidsgevoelige bebouwing. Indien de hoogste toelaatbare geluidsbelasting wordt overschreden, kan op grond van de Wgh een hogere waarde (ontheffing op de geluidsbelasting) worden verleend door het bevoegd gezag. Voorwaarde is dat het toepassen van maatregelen gericht op het terugbrengen van de geluidsbelasting onvoldoende doeltreffend zijn, of overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, landschappelijke of financiële aard een rol spelen. Het toepassen van maatregelen dient in volgorde van prioriteit gericht te zijn op bronmaatregelen (geluiddempers, aanpassing wielen/spoor, aanpassing wegverharding en/of aangepaste rijsnelheden) en overdrachtsmaatregelen (geluidsschermen/geluidswallen).

Wanneer sprake is van meerdere relevante geluidsbronnen, kan slechts een besluit hogere waarde worden vastgesteld voor zover de gecumuleerde geluidsbelasting niet leidt tot een onaanvaardbare geluidbelasting. Verder dient, in het geval van ontheffing op de geluidsbelasting, de binnenwaarde worden gewaarborgd door het eventueel toepassen van gevelmaatregelen. 7.2.2

Vaststelling hogere grenswaarden Wet geluidhinder, Amsterdams geluidbeleid

Op 12 juli 2016 is het "Amsterdams geluidbeleid 2016, hogere waarde Wet geluidhinder" door de gemeenteraad vastgesteld en is het beleid uit 2007 ingetrokken. Het doel van het geluidbeleid is het borgen van een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij het bouwen van woningen (inclusief plaatsen voor woonwagens/woonschepen) en andere geluidgevoelige functies op geluidbelaste locaties. Uitgangspunt van het Amsterdams geluidbeleid is dat iedere woning een stille zijde heeft. Dit uitgangspunt geldt alleen voor een woonfunctie, niet voor andere functies. Een stille of geluidluwe zijde (de termen zijn synoniem) is een (deel van een) gevel waar de geluidbelasting gelijk is aan de voorkeursgrenswaarde of lager. De voorkeursgrenswaarde is de geluidsbelasting die altijd toelaatbaar is op de gevel van de geluidsgevoelige bestemming. Wanneer de stille zijde tevens beschikt over een buitenruimte heeft ook deze buitenruimte bij voorkeur een aanvaardbaar geluidniveau. Aan de stille zijde worden bij voorkeur de slaapkamers gesitueerd zodat met open raam of deur geslapen kan worden. In het beleid is aangegeven dat voor bepaalde gevallen gemotiveerd kan worden afgeweken van de eis

Gemeente Amsterdam

blz. 88

van een stille zijde. Dit is als er overwegende bezwaren zijn van stedenbouwkundige, vervoerskundige, landschappelijke of financiële aard (criteria opgenomen in artikel 110g Wgh). Daarnaast kan in geval van transformatie van bestaande bebouwing of de realisatie van woningen voor een specifieke doelgroep (zoals jongeren) gemotiveerd worden afgeweken van de stille zijde eis.

7.3

Resultaten onderzoeken

Bij de realisatie van nieuwe geluidgevoelige bestemmingen (zoals woningen) is op grond van de Wet geluidhinder akoestisch onderzoek verplicht. Aangezien het bestemmingsplan geen nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mogelijk maakt, is akoestisch onderzoek naar weg- en spoorweggeluid niet noodzakelijk. Industriegeluid Op grond van de Wet geluidhinder moet een geluidzone worden vastgesteld rond industrieterreinen waar inrichtingen zijn gevestigd die "in belangrijke mate geluidhinder kunnen veroorzaken". Dit zijn inrichtingen als aangewezen in bijlage I, onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht (Stb. 2010, nr. 143), de zogenaamde "grote lawaaimakers". Dergelijke inrichtingen worden geacht zoveel lawaai te (kunnen) veroorzaken, dat de wijde omgeving ervan zeer zwaar belast wordt. Het plangebied ligt binnen de zone rondom de gezoneerde industrieterreinen Westpoort, Cornelis Douwesterrein en Johan van Hasseltkanaal West. Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen of nieuwe geluidgevoelige bestemmingen mogelijk, zodat voor dit aspect geen akoestisch onderzoek nodig is. Ter plaatse van de geluidszones van de gezoneerde industrieterreinen is het voorliggende bestemmingsplan de gebiedsaanduiding Geluidszone - industrie opgenomen.

De gronden zijn mede bestemd voor het tegengaan van een te hoge geluidsbelasting vanwege de industrieterreinen Westpoort, Cornelis Douwesterrein en Johan van Hasseltkanaal West op woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen.

Afbeelding: ligging plangebied gedeeltelijk binnen gezoneerd industrieterrein 'Westpoort'

bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 89

Afbeelding: ligging plangebied gedeeltelijk binnen gezoneerd industrieterrein 'Cornelis Douwesterrein'

Gemeente Amsterdam

blz. 90

Afbeelding: ligging plangebied gedeeltelijk binnen gezoneerd industrieterrein 'Johan van Hasseltkanaal West'

7.4

Conclusie

In het kader van weg-, spoor- en industrielawaai zijn geen belemmeringen te constateren voor het bestemmingsplan Tuindorp Oostzaan II.

bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 91

Hoofdstuk 8 8.1

Luchtkwaliteit

Algemeen

In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan vanuit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening kunnen belemmeringen bestaan om een project te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn. Dit bestemmingsplan maakt echter geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk, er bestaat zodoende geen aanleiding om een onderzoek naar de luchtkwaliteit uit te voeren.

8.2

Beleid en regelgeving

8.2.1

Wet milieubeheer (Wet luchtkwaliteit)

Op 15 november 2007 is de Wet luchtkwaliteit in werking getreden. Ingevolge de wet is een specifiek op luchtkwaliteit betrekking hebbende titel 5.2 in de Wet milieubeheer (hierna: Wm) opgenomen. De wet voorziet in onder meer het rijksprogramma het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), het begrip "in betekenende mate" (ibm) en gebiedssaldering. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Uit oogpunt van een goede ruimtelijke ordening kunnen belemmeringen bestaan om een ontwikkeling te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe woningen, grootschalige kantoorcomplexen of andere nieuwe voorzieningen mogelijk die kunnen leiden tot een substantiële toename van het aantal verkeersbewegingen. De grenswaarden uit de Wet milieubeheer zullen als gevolg van het vaststellen van dit bestemmingsplan niet worden overschreden. 8.2.2

Besluit gevoelige bestemmingen

Het Besluit gevoelige bestemmingen is in januari 2009 in werking getreden. Met deze Algemene Maatregel van Bestuur (AMvB) wordt beoogd de realisering van scholen en andere gevoelige bestemmingen in de nabijheid van drukke (snel)wegen tegen te gaan als op de locatie in kwestie sprake is van een (dreigende) overschrijding van de Europese normen voor luchtkwaliteit. Tot de gevoelige bestemmingen behoren: scholen (voor onderwijs aan minderjarigen), kinderopvang, bejaarden-, verzorgings- en verpleegtehuizen. Achtergrond hiervan is dat de AMvB is gericht op functies die specifiek bedoeld zijn voor groepen mensen die extra gevoelig zijn voor verontreinigende stoffen, zijnde kinderen, ouderen en zieken. Als een bestuursorgaan voornemens is een besluit te nemen over een gevoelige bestemming op een locatie binnen 300 meter vanaf de rand van rijkswegen (snelwegen en autowegen in beheer bij het rijk) of binnen 50 meter vanaf de rand van provinciale wegen (autowegen en overige wegen in beheer bij de provincie), dan moet het bestuursorgaan onderzoeken of op die locatie sprake is van een daadwerkelijke of een dreigende overschrijding van de grenswaarden.

Gemeente Amsterdam

blz. 92

8.2.3

Richtlijn gevoelige bestemmingen Amsterdam

Deze richtlijn, op 5 januari 2010 vastgesteld door het College van Burgemeester en Wethouders, is een uitwerking van een amendement dat de gemeenteraad op 1 maart 2006 heeft aangenomen bij de behandeling van het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam. Het amendement houdt in dat “geen voorzieningen voor gevoelige groepen in nabijheid van plekken waar veel verkeer is” wordt vervangen door: “in het ruimtelijk ordeningsbeleid er meer rekening gehouden wordt dat voorzieningen voor gevoelige groepen niet in de directe nabijheid van grote verkeersaders worden geplaatst, of dat het beschermen van de volksgezondheid vormt een belangrijk uitgangspunt van het Nederlandse en Amsterdamse luchtkwaliteitsbeleid. De gemeente wil ook in relatie tot ruimtelijke planvorming in de omgeving van het eigen wegennet zorgvuldig met deze groepen omgaan er maatregelen worden getroffen om de gevoelige groepen beter te beschermen dan nu doorgaans het geval is” (Amendement C - Gemeenteblad afd. 1, nr. 148). Uitgangspunten zijn dat: 1. binnen de zone van 300 meter gemeten van de rand van een snelweg en 50 meter gemeten van de rand van een provinciale weg, geen gevoelige bestemmingen worden geprojecteerd; 2.

bij stedelijke wegen met meer dan 10.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal binnen een afstand van 50 meter gemeten van de rand van de weg geen gevoelige bestemmingen in de eerste lijnsbebouwing worden geprojecteerd. Voor de omschrijving van een gevoelige bestemming wordt aangesloten bij het (landelijke) Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit, namelijk: gebouwen geheel of gedeeltelijk bestemd of in gebruik ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarigen, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis. De richtlijn heeft, evenals bij het landelijke Besluit gevoelige bestemmingen alleen betrekking op nieuwe situaties. Het bestemmingsplan maakt geen nieuwe gevoelige functies mogelijk langs stedelijke wegen, zodat het bestemmingsplan in overeenstemming is met het beleid.

8.3

Conclusie

Het voorliggende bestemmingsplan gaat niet uit van de bouw van nieuwe gevoelige maatschappelijke voorzieningen, zodat wordt voldaan aan de bepalingen uit het Besluit gevoelige bestemmingen. Bovendien ligt het plangebied op meer dan 100 meter van een rijksweg en meer dan 50 meter van een provinciale weg. In het kader van luchtkwaliteit zijn geen belemmeringen te constateren voor het bestemmingsplan Tuindorp Oostzaan II.

bestemmingsplan_Tuindorp Oostzaan II (vastgesteld)

blz. 93

Hoofdstuk 9 9.1

Bodem

Algemeen

Bij het toekennen van (gevoelige) bestemmingen aan gronden is het van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet voorkomen worden dat gevoelige bestemmingen op verontreinigde gronden worden gerealiseerd. Ook op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) en de Bouwverordening is het verboden te bouwen op verontreinigde grond. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij een geconstateerde verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan tevens in kaart worden gebracht welke saneringsmaatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14296870/1