3. Nota van Beantwoording Hoogbouwbeleid Amsterdam 2024_juli 2024.pdf
Tekst van het document
Nota van Beantwoording Publieke reacties en stadsdeeladviezen
Behorende bij het concept Hoogbouwbeleid juli 2024
Inhoudsopgave 1
2
3
4
Inleiding
4
1.1
Communicatie
4
1.2
Structuur en referentienummers
4
Samenvatting
5
2.1
Algemene tendens
5
2.2
Belangrijkste wijzigingen
5
Inspraakreacties met antwoorden
7
3.1
Algemene reacties
7
3.2
Hoogbouw in relatie tot de historische stad
7
3.3
HER
8
3.4
Levendigheid van de openbare ruimte
9
3.5
Welstand / Ontwerp van het gebouw
10
3.6
Locatiespecifieke reacties
10
3.6.1
Vogelbuurt / Hamerkwartier
10
3.6.2 Sloten
11
3.6.3
Tuindorpen in Oost
11
3.6.4 Tuindorpen (algemeen)
12
3.7
Wind
12
3.8
Licht en schaduwvorming
13
3.9
Minimale afstand tussen gebouwen
13
3.10
Toenemende drukte op straat
14
3.11
Brandveiligheid
15
3.12
Aandacht voor groen
15
3.13
Hoogtebeperkingen
16
3.14
Criterium nabijheid OV-knooppunten
17
3.15
Integratie met openbaar vervoer
17
3.16
Lange lijnen en stadsstraten
17
3.18
Programmering
18
Inspraakreacties van bedrijven en organisaties
20
4.1
Actiflow
20
4.2
Cauberg Huygen
21
4.3
EDGE Technologies
23
4.4
Erfgoedvereniging Heemschut
24
4.5
Port of Amsterdam
25
4.6
Red Amsterdam Noord
26 2
5
6
4.7
Stichting Buurtbelangen Bosleeuw
29
4.8
Stichting Korenmolen De Vriendschap
30
4.9
Stichting Monumenten Noord
31
4.10 Vereniging Vrienden van de Amsterdamse Binnenstad, het Cuypersgenootschap, Stichting Monumenten Noord, Vereniging Promotie Westelijke Tuinsteden (ProWest) en Erfgoedvereniging Heemschut
33
4.11
Voordestad
36
Stadsdeeladviezen
42
5.1
Stadsdeel Centrum
42
5.2
Stadsdeel Oost
43
5.3
Stadsdeel Zuid
47
5.4
Stadsdeel Zuidoost
49
5.5
Stadsdeel West
54
5.5.1
Advies van het dagelijks bestuur
54
5.5.2
Advies van de stadsdeelcommissie
55
5.6
Stadsdeel Nieuw-West
56
5.7
Stadsdeel Noord
60
5.8
Stadsgebied Weesp
62
Overzicht van wijzigingen
64
3
1
Inleiding
Amsterdam groeit. Om te voorzien in de behoefte aan woonruimte en ruimte voor andere functies is het bouwen van hoge gebouwen een optie. In het hoogbouwbeleid staat waar hoogbouw een mogelijkheid is en ook onder welke voorwaarden. De gemeente wil duidelijker aangeven waar hoogbouw wel en waar juist niet past. Daarom heeft het College van B&W besloten tot actualisatie van de Hoogbouwvisie 2011. Dit was al aangekondigd in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 en sluit aan bij de strategische keuze om te 'groeien binnen grenzen'. Het concept Hoogbouwbeleid heeft ter inzage gelegen van 5 juni t/m 17 juli 2023 voor inspraak. Deze nota van beantwoording biedt een overzicht van alle inspraakreacties en wat het college van burgemeester en wethouders naar aanleiding van die inspraakreacties richting de gemeenteraad aangeeft. Vervolgens is het aan de gemeenteraad om de standpunten van het college al dan niet geheel, gedeeltelijk of met wijzigingen over te nemen en een besluit te nemen over de al dan vaststelling van de nota, al dan niet in gewijzigde vorm. 1.1
Communicatie
Van 5 juni 2023 tot 17 juli 2023 heeft het concept Hoogbouwbeleid voor inspraak ter inzage gelegen. Om hier bekendheid aan te geven zijn diverse middelen ingezet: een persbericht, een advertentie in het Parool en diverse social media-advertenties. Ook is de website van het Hoogbouwbeleid geactualiseerd. De formele bekendmaking van de inspraakperiode liep via het Gemeenteblad en Amsterdamse kanalen. 1.2
Structuur en referentienummers
Reacties van individuen zijn gebundeld per onderwerp en staan in verkorte vorm in deze nota. Alle volledige reacties zijn op aanvraag beschikbaar. De reacties hebben betrekking op 18 onderwerpen. Reacties over hetzelfde onderwerp worden gebundeld beantwoord. Inspraakreacties die bestonden uit meerdere onderwerpen, zijn op meerdere plekken in deze nota terug te vinden. Na ieder onderwerp geven we aan of en hoe de reacties geleid hebben tot een wijziging in het beleid. Om de anonimiteit van de indieners te waarborgen, heeft elke indiener een uniek referentienummer ontvangen. Dit nummer is terug te vinden in de nota bij de onderwerpen waarover is ingesproken. Via CTRL+F kunt u zoeken op uw referentienummer. Hoofdstuk 4 bevat de reacties en antwoorden van organisaties. Deze zijn op alfabetische volgorde opgenomen in deze nota. Reacties en adviezen van de stadsdelen en stadsgebied Weesp zijn terug te vinden in hoofdstuk 5. Alle wijzigingen naar aanleiding van de inspraakreacties zijn ondergebracht in hoofdstuk 6.
4
2
Samenvatting
2.1
Algemene tendens
Tijdens de inspraakperiode van het concept Hoogbouwbeleid zijn in totaal 85 reacties ingediend. De kortste reacties telden slechts enkele woorden (‘overal maximaal verdichten’) en de langste reacties waren meer dan tien pagina's lang. Uit de reacties blijkt boven alles dat Amsterdammers zich enorm betrokken voelen bij hun stad, zich bewust zijn van alle ontwikkelingen die gaande zijn en dat zij het huidige karakter van hun stad koesteren. Hoewel Amsterdam relatief weinig hoogbouw heeft, blijkt uit veel inspraakreacties brede steun voor de hoogte in gaan. Men begrijpt de ingewikkelde verdichtingsopgave waarvoor de stad de komende jaren staat en de rol die hierin voor hoogbouw is weggelegd. Veel indieners zien het als een oplossing voor de huidige woningschaarste en om tegelijkertijd het groen in de stad te kunnen behouden. Een aanzienlijk aantal indieners moedigt om die redenen ook aan om juist zo hoog mogelijk te bouwen: hoe hoger, hoe beter. Hoge torens zouden volgens sommigen bovendien de stad een internationale en wereldstedelijke allure kunnen geven. Te lezen is dat gevraagd wordt aan het toestaan van hoogbouw duidelijke voorwaarden te verbinden. Hoogbouw moet zorgvuldig worden ingepast, met aandacht voor de menselijke maat en een hoogwaardig architectonisch ontwerp.
In meerdere reacties wordt aangegeven dat men het belangrijk vindt dat hoge gebouwen aansluiten op de omgeving en een positieve bijdrage leveren aan de beleving van de openbare ruimte. In verschillende inspraakreacties wordt gewaarschuwd voor de negatieve gevolgen van een onzorgvuldige aanpak. Indieners uiten zorgen over mogelijke windhinder en schaduwwerking en de toenemende drukte op straat door verdere verdichting. Een aantal indieners vrezen ook voor hun privacy of uitzicht als er een grote toren tegenover hun woning verrijst. En de moderne hoogbouw kan een grote bedreiging vormen voor het historische karakter van de stad. Erfgoedorganisaties maken zich in hun inspraakreacties dan ook hard voor een aanpak waarin de UNESCO-status van de stad wordt gewaarborgd, en in meerdere inspraakreacties wordt aandacht gevraagd voor de beschermde stadsgezichten van tuindorpen. Hoge gebouwen hebben grote invloed op het leven in de stad qua schaal en in de tijd. Ze staan er lang, en je breekt ze niet zo makkelijk weer af. Ze zijn bepalend voor de beleving van de directe omgeving en vaak van grote afstand zichtbaar. Daarom is een zorgvuldige inpassing van groot belang. In het voorgestelde beleid zijn daarom aandachtspunten en vuistregels opgenomen die deze zorgen zo veel mogelijk dekken.
Aangegeven wordt waar hoogbouw mogelijk is, tot welke hoogte dat mag en aan welke eisen deze gebouwen dienen te voldoen. Naar aanleiding van de vele inspraakreacties is het voorgestelde beleid nog verder aangescherpt.
2.2
Belangrijkste wijzigingen
Een aanzienlijk aantal reacties heeft geleid tot het aanpassen, aanvullen, wijzigen of verduidelijken van het voorgestelde hoogbouwbeleid. Zie hoofdstuk 6 voor een overzicht van alle wijzigingen. Hieronder een opsomming van de belangrijkste wijzigingen: - Een verplichte inpassingsstudie in stad en directe omgeving is toegevoegd aan het proces van hoogbouwontwikkeling. Ook nemen we op dat we aanbevelen plannen in het begin van het traject voor te leggen aan de openbare vergadering van de Commissie Omgevingskwaliteit (voorheen Commissie Ruimtelijke Kwaliteit). Een integraal advies kan behulpzaam zijn bij het versnellen van het ontwikkeltraject. Dit doen we omdat we daarmee 5
-
-
een zorgvuldig proces organiseren, waarmee de kwaliteit van de gebouwen wordt bewaakt. Tegelijkertijd voorkomt deze aanpak een onnodige vertraging van het proces. We hebben voor een aantal uitzonderingsgebieden aangepast wanneer we van hoogbouw spreken. Voor de uitzonderingsgebieden Het Foodcenterterrein, de strook tussen de Haarlemmerweg en het Groot Westerpark, Havenstraatterrein, de van Hasseltzone, het Marineterrein en de Oostelijke Eilanden spreken we van hoogbouw vanaf 20 of 30 meter, afhankelijk van de afstand tot het UNESCO-gebied. De definitie van hoogbouw is aangepast voor de vooroorlogse gebieden die geen beschermd stadsgebied zijn. De oorspronkelijke definitie liet onvoldoende ruimte toe om bijvoorbeeld panden van twee lagen op te toppen en waren daarmee niet werkbaar. In Noord en Nieuw-West is een aantal locaties voor hoogbouw geschrapt omdat hoogbouw niet goed verenigbaar is met de landschappelijke kwaliteit van deze plekken. Het gebiedsregime voor het dorpje Sloterdijk is gewijzigd. In plaats van regime 1 ‘Ja, gebieden geschikt voor hoogbouw’ gaat het vallen onder het regime 3 ‘In principe nee, gebieden waar hoogbouw een uitzondering is'. Tot slot zijn de kaarten op een aantal punten verhelderd en zijn formuleringen aangescherpt zonder inhoudelijke wijzigingen.
6
3
Inspraakreacties met antwoorden
3.1
Algemene reacties
Ingediend door: 6633-1383, 8289-4515, 1918-2502, 3959-9892, 2882-4024, 3294-9305, 9913-5813, 1185-9433, 53062644, 0092-7676, 4626-8524, 7415-5626, 4918-8945, 8154-8813, 3630-8739, 3756-4587, 5089-2390, 1918-2502, 3613-3742, 1790-7001, 6788-9060, 6670-8199, 2670-6151, 4896-0367, 7354-1355, 32482958, 5518-1019, 4896-0367, 7354-1355, 0667-7582, 4322-4902, 3859-9644, 8411-5379, 5291-3637 Samenvatting reacties: In verschillende inspraakreacties wordt in algemeenheden positief over hoogbouw gesproken. Indieners benadrukken het belang van hoogbouw om de woningcrisis te bestrijden, om het groen in de stad te beschermen of om door verdichting meer draagvlak te creëren voor voorzieningen. Volgens sommige indieners zou hoogbouw de stad ook meer allure geven en een meer metropolitane uitstraling geven. Er zijn ook veel inspraakreacties ingediend waarin in negatieve zin wordt gesproken over hoogbouw. Indieners kaarten aan dat hoogbouw vooral in het topsegment werd gebouwd, dat hoogbouw een manier is om mensen “dicht op elkaar op te hokken”, het haaks staat op het karakter van de stad en de sociale cohesie in buurten ernstig zal aantasten.
Daarnaast gebruikten sommige indieners de inspraak als mogelijkheid om een breder punt aan te kaarten, zoals de schaarste aan (betaalbare) woningen, internationalisering van de stad, massatoerisme, de sloop van bepaalde gebouwen in Buitenveldert of in Zuidoost, of een algeheel wantrouwen in de politiek. Antwoord: Het college deelt de mening van de indieners dat hoogbouw een belangrijk middel kan zijn om de woningcrisis te bestrijden en om groen te beschermen. Wat betreft woningbouwopgave: met de Ontwikkelstrategie wordt gewerkt aan het in gang zetten van woningbouwprojecten, waarmee tegelijk de stad wordt versterkt, door investeringen onder andere in groen en openbare ruimte. Ten opzichte van het voorgaande beleid, wordt meer ruimte gegeven aan hoogbouw in de gebieden die daarvoor geschikt zijn, rondom OV-stations en langs het IJ. In die gebieden wordt op meer plekken hoogbouw toegestaan, in clusters in plaats van accenten. Het Hoogbouwbeleid doet geen uitspraken over de programmering van de gebouwen. Het Amsterdamse woonbeleid, recent gevat in het plan ‘Amsterdamse Aanpak Volkshuisvesting’, richt zich op het verhelpen van het gebrek aan passende en betaalbare woningen. Uit gesprekken met bewoners en woningzoekenden is af te leiden dat mensen verschillende voorkeuren hebben in de manier waarop ze wonen. In Amsterdam zijn verschillende woonvormen mogelijk.
Hoogbouw is één van deze vormen. Geen aanleiding tot aanpassing van het concept-beleid.
3.2
Hoogbouw in relatie tot de historische stad
Ingediend door: 2910-2521, 0654-8359, 3870-9269, 2340-2834, 9051-8607, 7276-6119, 0964-3245, 4120-5181, 06677582, 8411-5379, 9383-3999, 4322-4902 Samenvatting reacties: 7
In meerdere inspraakreacties uiten indieners hun zorgen over mogelijke aantasting van historische wijken door de komst van hoogbouw. Het gaat hier met name om het historische centrum, maar ook over de wijken “binnen de ring”, de “planologische stadsuitbreidingen waar een duidelijke signatuur aan zit”, of stadsdeel Noord, dat “op New York gaat lijken” en er daardoor “niet mooier op wordt”. Eén indiener pleit voor renovatie van “de mooie panden die er zijn” in plaats van deze te slopen om plaats te maken voor hoogbouw. Antwoord: Het Hoogbouwbeleid is gebaseerd op 3 principes: 1. Hoogbouw is met name mogelijk op plekken die goed bereikbaar zijn met het OV; 2. Daarnaast biedt de grote schaal van het IJ ruimte voor hoogbouw; 3. De beschermde stadsgezichten en het UNESCO-gebied worden beschermd, zodat geen schaalbreuk ontstaat. Op basis van deze principes is gebiedsspecifiek beleid opgesteld, dat duidelijk aangeeft waar hoogbouw wel en niet is toegestaan. In de beschermde stadsgezichten (waaronder het UNESCO-gebied, Plan Zuid en het historisch centrum van Weesp) wordt hoogbouw niet toegestaan. Binnen de overige gebieden, waar de maximale hoogte van nieuwe gebouwen in de regel niet hoger is dan tot 1,25 keer de overwegende hoogte van de directe omgeving (deze regel heeft betrekking op bebouwing met een hoogte van 15 meter en hoger), is hoogbouw alleen bij uitzondering toegestaan.
Afwegingen aangaande de plaatselijke maximumbouwhoogte worden niet alleen gemaakt op basis van dit hoogbouwbeleid, maar ook op basis van de stedenbouwkundige planvorming bij inpassingsprojecten en herontwikkeling en overig beleid. Rondom het UNESCO-gebied is een 2 kilometerzone opgenomen. Binnen deze zone mag nieuwe bebouwing dit historische stadsbeeld niet aantasten. Geen visual impact, dat wil zeggen, geen veranderingen in aanzicht vanuit de diverse zichtlijnen in het werelderfgoedgebied. Concreet houdt dat in dat vanuit het UNESCO-gebied zichtlijnen richting het IJ, over de Amstel, maar ook zichtlijnen richting het stedelijk weefsel van de Jordaan en verder, vrij moeten blijven en dat nieuwe bebouwing perspectivisch vanuit het UNESCO-gebied gezien niet hoger mag lijken dan de gemiddelde bebouwing. Met deze helderheid vooraf kunnen we de historische structuur van de verschillende delen van de stad goed beschermen. Wijziging in het concept-beleid: Op pagina 29, 35 en 39 is de toelichting op <<geen visual impact>> en op << dat veranderingen in dit historisch gelaagde stadsbeeld door nieuwe bebouwing in de 2 kilometerzone rondom het Singelgrachtgebied niet mag worden aangetast>> aangepast en het woord “grotendeels” geschrapt, omdat hier verwarring zou kunnen ontstaan over wat wel of niet is toegestaan. 3.3
HER
Ingediend door: 0654-8359, 6993-5183, 1685-5010, 5416-3206 Samenvatting reacties: In een aantal inspraakreacties wordt bezwaar gemaakt tegen het afschaffen van een verplichte hoogbouweffectrapportage (HER). Antwoord: 8
Het college onderschrijft volledig het belang van zorgvuldige afweging en inpassing van hoogbouw, omdat het relatief grote impact heeft op de omgeving. De behoefte aan een efficiëntere werkwijze rondom toetsen en adviseren was één van de aanleidingen voor het nieuwe beleid. De werkwijze is verschoven van een HER-toets achteraf, naar helder beleid vooraf en onderzoek in het kader van de planontwikkeling. Op basis van dat beleid en onderzoek worden de randvoorwaarden geformuleerd die zorgen voor een zorgvuldige en adequate hoogbouwontwikkeling. Naar aanleiding van deze reactie is een verdere aanpassing toegevoegd aan het concept-beleid: met een voorgeschreven inpassingsstudie in omgeving en stad zal niet alleen het effect op het stadslandschap, maar ook windhinder en schaduwwerking tijdig onderdeel van de planvorming zijn. Voor zover voorafgaand aan de ontwikkeling van een concreet bouwplan voor een stedenbouwkundig plan wordt opgesteld wordt de inpassingsstudie in dat kader uitgevoerd. Ten aanzien van bijvoorbeeld windhinder kan het ook zo zijn dat ook bij de ontwikkeling van een concreet bouwplan een nadere studie en nadere maatregelen aan de orde zijn. Als het geen bredere gebiedsontwikkeling betreft waarvoor eerst een stedenbouwkundig plan wordt gemaakt, maar een solitair bouwplan is de inpassingsstudie in zijn geheel vereist bij de bouwplanontwikkeling.
Wijziging in het concept-beleid: In het beleid is opgenomen dat bij hoogbouwontwikkeling een inpassingsstudie in omgeving en stad moet worden gedaan door de projectgroep of stedenbouwkundige. Met een voorgeschreven inpassingsstudie zal het effect op het stadslandschap, windhinder schaduwwerking en privacy tijdig onderdeel van de planvorming zijn. Ook nemen we op dat we aanbevelen plannen in het begin van het traject voor te leggen aan de openbare vergadering van de Commissie Omgevingskwaliteit. Een integraal advies kan behulpzaam zijn bij het versnellen van het ontwikkeltraject.
3.4
Levendigheid van de openbare ruimte
Ingediend door: 0330-9425, 4322-4902, 0907-1903, 0092-7676 Samenvatting reacties: Meerdere indieners uiten hun zorgen over de gevolgen van hoogbouw voor een levendige openbare ruimte waarin verblijven minder aantrekkelijk wordt. Hoogbouw kan volgens de indieners zorgen voor een “koude en donkere” omgeving die “minder leefbaar” wordt. Men pleit er daarom voor te waken voor een levendige, sociale omgeving op straatniveau. Antwoord: Juist dit onderwerp is één van de belangrijkste aandachtspunten in het nieuwe Hoogbouwbeleid en geeft, ten opzichte van het vorige beleid, meer handvatten om voor een kwalitatieve openbare ruimte te zorgen. Er zijn vier Amsterdamse principes op het niveau van het gebouw in het beleid opgenomen. Die zorgen voor een basisstandaard van Amsterdamse hoogbouw. Het eerste principe is dat hoogbouw bijdraagt aan de levendigheid van de openbare ruimte. In het beleid staat beschreven wat daar onder wordt verstaan. Het gaat om een menselijke maat, om een begane grond waar activiteiten zichtbaar zijn ten behoeve van levendigheid en sociale veiligheid en om een prettig microklimaat. Ook is er een aantal hele concrete vuistregels opgenomen. Het gaat dan bijvoorbeeld om de manier waarop windhinder getoetst en verminderd wordt en om te zorgen voor voldoende ruimte op de begane grond om technische ruimtes goed in te kunnen passen.
Geen aanleiding tot aanpassing van het concept-beleid. 9
3.5
Welstand / Ontwerp van het gebouw
Ingediend door: 9913-5813, 4637-7536, 8154-8813, 5089-2390, 3613-3742, 3370-5740, 5306-2644, 6383-2856, 12703748 Samenvatting reacties: In verschillende inspraakreacties benadrukken indieners het belang van een “spannend” of “dynamisch” architectonisch ontwerp van hoogbouw, aangezien hoogbouw vanaf een grote afstand zichtbaar is en een stempel kan drukken op het stadssilhouet. Veel indieners noemen hierbij ook graag een “kroon” van het gebouw verplicht te zien in het ontwerp, om “saaie dozen” of “lelijke vierkante blokken” te voorkomen. Een enkele indiener vraagt zich daarbij af hoe het hoogbouwbeleid zich tot welstandsbeleid verhoudt. Antwoord: Het hoogbouwbeleid niet gaat over beeldkwaliteitsplannen of het architectonisch ontwerp. Dat vindt in een later stadium plaats. Wel is er een expliciete vuistregel opgenomen over het zorgvuldig beëindigen van de hoogbouw. Bovendien wordt Welstand wel nadrukkelijk benoemd als onderdeel van het proces van kwaliteitsborging. Geen aanleiding tot aanpassing van het concept-beleid.
3.6
Locatiespecifieke reacties
3.6.1
Vogelbuurt / Hamerkwartier
Ingediend door: 5428-9887 Samenvatting reactie: De indiener vraagt aandacht voor de verhouding tussen de relatief hoge hoogbouw in het Hamerkwartier en de aangrenzende Vogelbuurt die een beschermd stadsgezicht heeft en vooral bestaat uit laagbouw. Daarbij is de indiener ook niet te spreken over de gelaagde opbouw van hoogbouw, met lagere bouw aan de IJ-zijde en hogere bouw aan de Vogelbuurtzijde. Volgens de indiener is er hierdoor geen integratie van nieuwe met bestaande bouw en keert de hoogbouw zich “de rug naar de oude wijk”. Antwoord: De inspraakreactie heeft concreet betrekking op een reeds bestaande situatie. Daar heeft de nota geen betrekking op, omdat de bestaande situatie een feitelijk gegeven is waar met de nota geen verandering meer in kan worden gebracht. Voor toekomstige situaties geeft de nota wel randvoorwaarden en procesvoorschriften aan. Het Hoogbouwbeleid geeft de zones aan waar hoogbouw (in clusters) mogelijk is. De wijze van aansluiting op de bestaande buurten wordt niet specifiek in het hoogbouwbeleid vastgelegd. Wel wordt een inpassingsstudie vereist waarbij ook de afstemming van hoogbouwplannen op de omgeving aan de orde komt. De concrete randvoorwaarden voor de vormgeving worden op projectniveau bepaald en vertaald in het concrete bouwplan. 10
Wijziging in het concept-beleid: In het beleid is opgenomen dat bij hoogbouwontwikkeling een inpassingsstudie in omgeving en stad moet worden gedaan door de projectgroep of stedenbouwkundige. Met een voorgeschreven inpassingsstudie zal het effect op het stadslandschap, windhinder schaduwwerking en privacy tijdig onderdeel van de planvorming zijn. Ook nemen we op dat we aanbevelen plannen in het begin van het traject voor te leggen aan de openbare vergadering van de Commissie Omgevingskwaliteit. Een integraal advies kan behulpzaam zijn bij het versnellen van het ontwikkeltraject.
3.6.2
Sloten
Ingediend door: 4393-7679 Samenvatting reactie: De indiener wijst erop dat Sloten op de totaalkaart als enige tuindorp binnen een regime lijkt te vallen dat hoogbouw hoger dan 30 meter toe zou staan. De indiener uit zijn zorgen over de mogelijke komst van hoogbouw en pleit ervoor dat in Sloten hetzelfde regime wordt toegepast als in Weesp, of liever nog, er niet meer dan drie woonlagen mogen worden gebouwd in het dorp. De indiener vraagt zich daarnaast af welke landelijke gebieden van Sloten uitgezonderd zijn van hoogbouw. Dit is op de totaalkaart niet goed te zien. Antwoord: Sloten valt onder het regime “Soms, gebieden met hoogbouw op specifieke plekken”. Daarbij staat het volgende beschreven: “Nieuwbouw, en dus ook hoogbouw, moet zich op een logische manier voegen in de stedenbouwkundige opbouw van deze gebieden. Daarmee wordt bedoeld dat hoogbouw gekoppeld moet worden aan ruimtelijke elementen die qua schaal passen bij de grotere schaal van hoogbouw. Dat zijn de lange doorgaande straten, de winkelcentra en -pleinen en de infrastructurele elementen zoals dijklichamen. Het betekent ook dat hoogbouw in de buurten niet mogelijk is”. Die ruimtelijke elementen staan aangegeven op de kaart. Na verdere ambtelijke afstemming is overeengekomen om het landschappelijke deel van de Plesmanlaan en de lijn door het Kasterleepark van de kaart te halen.
Hoogbouw is hier daarmee niet mogelijk. Wijziging in het concept-beleid: Het landschappelijke deel van de Plesmanlaan en de lijn door het Kasterleepark is uit de kaart gehaald. Hoogbouw is daarmee op deze plekken niet mogelijk.
3.6.3
Tuindorpen in Oost
Ingediend door: 4671-0937, 6359-0840, 7884-7200 Samenvatting reacties: In een aantal inspraakreacties wordt gepleit voor het beschermen van de tuindorpen in stadsdeel Oost, in het bijzonder tuindorp Amsteldorp. Hoogbouw zou in deze gebieden volgens de indiener niet mogen worden toegestaan.
11
Antwoord: Amsterdam heeft een aantal beschermde stadsgezichten. Hier is hoogbouw niet mogelijk. De tuindorpen in Oost die deze status niet hebben vallen wel onder het regime “In principe nee, gebieden waar hoogbouw een uitzondering is”. Daar wordt hoogbouw in principe niet toegestaan. Een uitzondering in het gehele gebied dat onder dit regime valt, kan worden overwogen als er programmatisch of stedenbouwkundig een aanleiding voor is en het geen afbreuk doet aan de bescheiden schaal van de buurten in het gebied. De ervaring tot nu toe leert dat er soms ruimte voor hoogbouw geschikt wordt geacht op tussenstukken en open hoeken in het gebied. We hebben nog explicieter opgenomen dat het om een zorgvuldige omgang met de schaal en samenhang van bestaande buurten gaat.
De zin “Dit betekent dat hoogbouw alleen bij uitzondering toegestaan is en het geen afbreuk mag doen aan de bescheiden schaal van het gebied” op pagina 29 is vervangen door “Dit betekent dat hoogbouw alleen bij uitzondering in het gebied toegestaan is en het geen afbreuk mag doen aan de ruimtelijke samenhang en de bescheiden schaal van bestaande buurten in het gebied.” Wijziging in het concept-beleid: In het beleid is explicieter gemaakt dat hoogbouw geen afbreuk mag doen aan de ruimtelijke samenhang en de bescheiden schaal van bestaande buurten binnen het regime ‘In principe nee, gebieden waar hoogbouw een uitzondering is”.
3.6.4
Tuindorpen (algemeen)
Ingediend door: 3912-1235, 5291-3637 Samenvatting reacties: Twee indieners spreken hun zorgen uit over de mogelijke komst van hoogbouw in de tuindorpen in Amsterdam. Hoogbouw zou volgens hen de sociale cohesie alsook de rust en het groen in de wijk ernstig aan gaan tasten. Volgens de indieners wordt in het concept-beleid het monumentale karakter van de tuindorpen niet gerespecteerd. Antwoord: In alle tuindorpen is Amsterdam in dit nieuwe beleid terughoudend met hoogbouw. Daar waar het beschermde stadsgezichten zijn, wordt überhaupt geen hoogbouw toegestaan. In andere gevallen wordt alleen zorgvuldig ingepast langs de langere doorgaande straten, niet in de kleinschalige buurten zelf. Op die manier wordt geen afbreuk gedaan aan bescheiden schaal. Met het tweede principe (“het is fijn wonen en werken in hoogbouw”) wordt gestuurd op gebouwen waar niet alleen je woning fijn is, maar waar je ook op een prettige manier met anderen samenleeft. Collectieve ruimtes en een prettig gang van de stoep naar je voordeur kunnen hieraan bijdragen. Geen aanleiding tot aanpassing van het concept-beleid.
3.7
Wind
Ingediend door: 12
9051-8607, 8330-0464, 0330-9425, 0225-2848, 8107-3160, 3370-5740, 5029-4940, 6433-5209, 69935183 Samenvatting reacties: In meerdere inspraakreacties worden zorgen geuit over de gevolgen van hoogbouw voor het windklimaat. Hoge gebouwen zouden ervoor kunnen zorgen dat de stad verandert in een “onaangenaam tochthol” en daarmee een bedreiging vormen voor de leefbaarheid op straatniveau. Er wordt daarnaast ook aandacht gevraagd voor bestudering van windklimaat op collectieve en groene daken. Antwoord: In het beleid is een voorgeschreven werkwijze opgenomen waarmee gestuurd wordt op een aanvaardbaar windklimaat. In het beleid is naar aanleiding van deze inspraakreactie opgenomen dat ook ter plaatse van collectieve daken windoverlast voorkomen moet worden. Wijziging in het concept-beleid: In het beleid is toegevoegd dat ook voor collectieve daken windoverlast voorkomen moet worden en dat dit bij de stedenbouwkundige planvorming en de bouwplanontwikkeling moet worden onderzocht.
3.8
Licht en schaduwvorming
Ingediend door: 6163-9747, 4918-8945, 0330-9425, 8107-3160, 8411-5379, 6433-5209, 6993-5183 Samenvatting reacties: Meerdere indieners vragen aandacht voor de effecten van hoogbouw op schaduwvorming en een terugval van licht voor bestaande bewoners en op straatniveau. Antwoord: Het college onderschrijft het belang van zorgvuldige afweging en inpassing van hoogbouw volledig, omdat het relatief grote impact heeft op de omgeving. We hebben naar aanleiding van deze reactie een aanpassing doorgevoerd in het beleid: met een voorgeschreven inpassingsstudie in omgeving en stad zal niet alleen het effect op het stadslandschap, maar ook windhinder en schaduwwerking tijdig onderdeel van de planvorming zijn. Wijziging in het concept-beleid: In het beleid is opgenomen dat bij hoogbouwontwikkeling een inpassingsstudie in omgeving en stad moet worden gedaan door de projectgroep of stedenbouwkundige. Met een voorgeschreven inpassingsstudie zal het effect op het stadslandschap, windhinder schaduwwerking en privacy tijdig onderdeel van de planvorming zijn. Ook nemen we op dat we aanbevelen plannen in het begin van het traject voor te leggen aan de openbare vergadering van de Commissie Omgevingskwaliteit. Een integraal advies kan behulpzaam zijn bij het versnellen van het ontwikkeltraject.
3.9
Minimale afstand tussen gebouwen
Ingediend door: 13
6163-9747, 8107-3160, 7353-5741, 4918-8945 Samenvatting reacties: In een aantal inspraakreacties wordt aandacht gevraagd voor de impact van hoogbouw op privacy van bestaande bewoners. Een woontoren tegenover of naast je huis krijgen betekent immers dat er veel mensen mogelijk bij je naar binnen kunnen kijken. Er wordt aandacht gevraagd voor een minimale afstand tussen gebouwen om privacy te waarborgen, zowel tussen nieuwe gebouwen, als tussen nieuwe gebouwen en bestaande gebouwen, in het bijzonder voor eenzijdig georiënteerde bestaande (lage) gebouwen. In dit verband pleiten een aantal indieners er ook voor dat er rekening wordt gehouden met de impact die (dichtbij geplaatste) hoge gebouwen kunnen hebben op het uitzicht van bestaande bewoners. Antwoord: In het Hoogbouwbeleid is een vuistregel over minimale onderlinge afstand tussen gebouwen expliciet opgenomen om dit negatieve effect te minimaliseren: “De onderlinge afstand tussen hoogbouw, waar een éénzijdig georiënteerde woning recht tegenover een ander hoog gebouw ligt, is vanaf een hoogte van 30 meter minimaal 25 meter.” Hiermee wordt privacy, maar ook uitzicht (de grote kwaliteit van wonen in een hoog gebouw) gewaarborgd. In het beleid is naar aanleiding van deze en soortgelijke reacties opgenomen dat bij hoogbouwontwikkeling een inpassingsstudie in omgeving en stad moet worden gedaan.
Met een voorgeschreven inpassingsstudie zal het effect op het stadslandschap, windhinder, schaduwwerking, bezonning en privacy tijdig onderdeel van de planvorming zijn. Overigens is dit aspect in een verdichtende stad altijd een aandachtspunt, ongeacht het gebouwtype, en daarmee een aandachtpunt in alle stedenbouwkundige plannen. Wijziging in het concept-beleid: In het beleid is opgenomen dat bij hoogbouwontwikkeling een inpassingsstudie in omgeving en stad moet worden gedaan door de projectgroep of stedenbouwkundige. Met een voorgeschreven inpassingsstudie zal het effect op het stadslandschap, windhinder en schaduwwerking tijdig onderdeel van de planvorming zijn. Ook nemen we op dat we aanbevelen plannen in het begin van het traject voor te leggen aan de openbare vergadering van de Commissie Omgevingskwaliteit. Een integraal advies kan behulpzaam zijn bij het versnellen van het ontwikkeltraject.
3.10
Toenemende drukte op straat
Ingediend door: 8411-5379, 9051-8607, 0964-3245 Samenvatting reacties: In meerdere reacties uiten bewoners hun zorgen over de effecten van verdere verdichting (in de vorm van hoogbouw) op de drukte op straat. Een indiener beklaagt zich over hoe druk de stad nu al is, met een gebrek aan genoeg groen, te volle stoepen en te weinig plekken om je fiets kwijt te kunnen. Er moet voldoende rekening worden gehouden met de extra belasting op alle functies in de stad die verdichting met zich meebrengt. Antwoord: De verdichtingsopgave is één van strategische keuzes uit Omgevingsvisie. Dat beleidsstuk geeft ook aan waar we in meer of mindere mate verdichten. Het hoogbouwbeleid zegt alleen iets over welke vorm die verdichting kan krijgen. 14
In de uitwerking van plannen en beleid nemen we dit signaal wel mee en zoeken we naar het beperken van de negatieve aspecten van verdichting. En door het maken van genoeg ruimte in de openbare ruimte en bijvoorbeeld door te bewaken dat er ook altijd rustige plekken in de stad te vinden zijn. Wordt meegenomen in de verdere beleidsontwikkeling en planvorming. Daarom geen aanleiding om het hoogbouwbeleid aan te passen.
3.11
Brandveiligheid
Ingediend door: 9022-8633 Samenvatting reactie: De indiener maakt zich zorgen over de brandveiligheid van hoge gebouwen en vraagt aandacht voor de opties voor ouderen en mensen in een rolstoel of met rollator om het gebouw te kunnen verlaten, mochten liften niet te gebruiken zijn bij brand. Antwoord: In het beleid zijn vier principes op gebouwniveau opgenomen die zorgen voor een Amsterdamse kwaliteitstandaard. Het onderwerp van brandveiligheid valt onder het principe “het is fijn wonen en werken in hoogbouw”. Daarbij is de volgende tekst opgenomen, waarmee we de brandveiligheid bewaken: “Tot slot dient aan veiligheid de nodige aandacht worden besteed. Incidenten op hoogte vragen een bijzondere en andere inspanning van de gebruikers en hulpdiensten. Gevels hoger dan 30 meter zijn niet bereikbaar voor hulpdiensten. Bewoners en gebruikers moeten zelf- en samenredzaam zijn en over (vlucht)scenario’s moet dan ook goed worden nagedacht. Ook zijn er voorzieningen noodzakelijk om hulpdiensten te ondersteunen om op een veilige en effectieve manier te kunnen optreden. In het Besluit bouwwerken leefomgeving zijn de eisen voor gebouwen hoger dan 70 meter niet in detail ingevuld. De brandweer speelt bij advisering over veiligheid een belangrijke rol.
Het is belangrijk om tijdig in de planvorming ruimte te maken voor bijvoorbeeld de volgende maatregelen: - De gevelconstructie dient uit onbrandbare materialen te bestaan, zodat een brand zich niet onbeperkt kan uitbreiden via de gevel. - Lokale stationaire pompvoorzieningen voor effectieve brandbestrijding dienen aanwezig te zijn. - Gegarandeerde werking van voorzieningen zoals liften (noodstroomvoorziening). - Het gebouw mag de veiligheid in de omgeving niet nadelig beïnvloeden.” Geen aanleiding voor aanpassing, reeds opgenomen in het concept-beleid.
3.12
Aandacht voor groen
Ingediend door: 4777-6618, 5537-8220, 0964-3245, 3756-4587, 1918-2502 Samenvatting reacties: Een aantal indieners benadrukt dat er voldoende aandacht moet worden besteed aan groen in relatie tot hoogbouw. We moeten ervoor waken dat hoogbouw niet ten koste van groen wordt gebouwd; dusdanig verdichten zou het aanwezige groen juist moeten behouden. 15
Antwoord: In de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 is de verdichtingsopgave van de stad opgenomen, waarbij altijd rekening is gehouden met het maken van voldoende groen in de buurten en het in stand houden van de Hoofdgroenstructuur. De groennorm en het beleid rondom de Hoofdgroenstructuur zijn erop gericht om Amsterdam groen te houden en maken, terwijl er ook verdicht wordt. Is buiten het hoogbouwbeleid vastgelegd. Daarom geen aanleiding om het concepthoogbouwbeleid aan te passen.
3.13
Hoogtebeperkingen
Ingediend door: 3630-8739, 3756-4587, 1790-7004, 3294-9305, 6670-8199, 4637-7536, 2882-4024 Samenvatting reacties: Meerdere indieners geven aan dat de stad haar ambities voor hoogbouw flink mag opschroeven en moedigen aan om hoger te bouwen dan aangegeven in het beleid. Volgens deze indieners is er, als kosten het toelaten, geen reden om terughoudend te zijn. Op de toegestane plekken zou de stad “allin” moeten gaan en niet slechts tot “laffe hoogtes” moeten bouwen. De stad zou “echt de hoogte in mogen”, anders zou het “kansen laten liggen”. Antwoord: Het Hoogbouwbeleid is gebaseerd op 3 principes: 1. Hoogbouw is mogelijk op plekken die goed bereikbaar zijn met het OV; 2. Daarnaast biedt de grote schaal van het IJ ruimte voor hoogbouw; 3. We beschermen de beschermde stadsgezichten en het UNESCO-gebied, zodat geen schaalbreuk ontstaat. Op basis van deze principes hebben we gebiedsspecifiek beleid gemaakt, dat duidelijk aangeeft waar hoogbouw wel en niet is toegestaan. Ten opzichte van het voorgaande beleid geven we meer ruimte aan hoogbouw in de gebieden die daarvoor geschikt zijn, daar waar we stevig willen verdichten, rondom OV-stations en langs het IJ. We staan in die gebieden op meer plekken hoogbouw toe en het worden clusters in plaats van accenten.
Door op specifieke plekken die hoge clusters (hoger dan 70 meter) toe te staan en op andere plekken maximale hoogtes van 60 tot 70 meter vast te leggen, geeft de bebouwing uitdrukking aan de centra en knooppunten in de stad. Het draagt bij aan oriëntatie en voorkomt verrommeling van het stadslandschap. Tegelijkertijd wordt de kleinere schaal van de vooroorlogse stad, maar ook onderdelen van de naoorlogse stad, zeer gewaardeerd. Dit stadsbeeld is bovendien voor een groot deel beleidsmatig beschermd. Dit hoogbouwbeleid gaat zorgvuldig om met die karakteristieken van Amsterdam. Ook de horizontaliteit van het stadslandschap in het IJ-meer wordt bewaakt door op IJburg zeer terughoudend met hoogbouw om te gaan. Tenslotte is er in Amsterdam altijd een grens aan de hoogte door de nabijheid van Schiphol. Het juridisch vastgelegde Luchthavenindelingsbesluit (LIB) geeft maximale hoogtes aan, zodat het aanen uitvliegen veilig kan gebeuren en radars kunnen werken. Maximaal, in het oostelijke deel van de stad, is de hoogte 146 meter. Hoe dichter bij Schiphol, hoe lager de toegestane hoogte is. Geen aanleiding om het concept-beleid aan te passen. 16
3.14
Criterium nabijheid OV-knooppunten
Ingediend door: 7353-5741 Samenvatting reactie: De indiener geeft aan dat “het criterium nabijheid van openbaar vervoer te ver is opgerekt” en het criterium niet consequent wordt toegepast. Als voorbeeld draagt de indiener aan dat het aangemerkte gebied voor hoogbouw rondom metrostation Noord erg groot is, en dat de omgeving van metrostation Noorderpark bijvoorbeeld niet is aangemerkt als gebied waar hoogbouw is toegestaan, terwijl metrostation Noord dat wel is. Keuzes voor waarom het ene gebied wel is aangemerkt en het andere niet mogen om die reden duidelijker naar voren komen in het beleid. Antwoord: Rondom het station Noorderpark wordt terughoudend omgegaan met hoogbouw, omdat het midden in het beschermde stadsgezicht van de tuindorpen ligt. In aansluiting op de jongere bebouwing langs de Johan van Hasseltweg wordt in de Van Hasseltzone wel een hogere bouwhoogte toegestaan. De clusters rondom de OV-knooppunten zijn niet alleen gebaseerd op de afstand tot het station maar ook op de opbouw van de bestaande situatie. Die bestaande situatie verschilt per plek, waardoor ook de precieze afmetingen van de clusters onderling variëren. Geen aanleiding om het concept-beleid aan te passen.
3.15
Integratie met openbaar vervoer
Ingediend door: 7415-5626 Samenvatting reactie: De indiener geeft aan in het beleid niets terug te zien over de integratie met het openbaar vervoer. Antwoord: In de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 is de verdichtingsopgave van de stad opgenomen. Het hoogbouwbeleid geeft aan op welke plekken die verdichtingsopgave in de vorm van hoogbouw gegoten kan worden. Het principe onder die verdichtingsopgave is dat we het meest bouwen op plekken die het best bereikbaar zijn met openbaar vervoer. Op die manier heeft de integratie met het openbaar vervoer een plek gekregen. In het Hoogbouwbeleid wordt dit op pagina 17 nog eens extra benoemd. Geen aanleiding om het concept-beleid aan te passen.
3.16
Lange lijnen en stadsstraten
Ingediend door: 3370-5740 Samenvatting reactie: 17
De indiener vraagt zich af wat het onderscheid is tussen zogenaamde ‘stadsstraten’ en ‘lange lijnen’. Antwoord: Lange lijnen zijn doorgaande stadsstraten en -lanen in naoorlogse wijken, daar is ruimte voor verdichting. De stadsstraten die in de kaart aangegeven zijn, zijn de straten die een station kruisen. Deze informatie werkte wellicht verwarrend. Daarom zijn de blauwe pijlen uit de kaart gehaald. Wijziging in het concept-beleid: De blauwe pijlen zijn uit de totaalkaart verwijderd om verwarring te voorkomen. 3.17
Hoogwaardige woningen
Ingediend door: 1790-7004 Samenvatting reactie: De indiener wijst op het belang van hoogwaardige woningen als het om hoogbouw gaat. Antwoord: In het beleid zijn vier principes op gebouwniveau opgenomen die zorgen voor een Amsterdamse kwaliteitstandaard. Een van de principes is dat het fijn wonen is in hoogbouw. Er wordt met dit principe gestuurd op de kwaliteit, flexibiliteit en het uitzicht van de woningen. Daarnaast is er aandacht voor het sociale aspect van hoogbouw door ontmoeting van buren mogelijk te maken. Geen aanleiding tot aanpassing van het concept-beleid.
3.18
Programmering
Ingediend door: 8330-0464, 0907-1903, 4918-8945 Samenvatting reacties: In twee inspraakreacties wordt aandacht gevraagd voor de programmering van de plinten. De programmering dient bij te dragen aan een levendige openbare ruimte; “geen Starbucks en Louis Vuitton, maar lokale, kleinschalige ondernemers uit de buurt, oefenruimtes voor bands, restaurants, cafés, fietsenmakers, kappers, apotheken, wellness spa's, straatmarkt, etc.”. Eén indiener roept op om ook dakterrassen mee te nemen in een ontwerp, zodat de gebouwen op meerdere lagen toegankelijk zijn. Antwoord: In het beleid zijn vier principes op gebouwniveau opgenomen die zorgen voor een Amsterdamse kwaliteitstandaard. Twee van de principes sturen op de programmering van de plinten: “hoogbouw draagt bij aan de levendigheid van de openbare ruimte” en “het is fijn wonen en werken in hoogbouw”. Er wordt gestuurd op actief gebruik van de begane grond door entrees en niet-woonprogramma. Daarnaast geeft het beleid aanleiding voor verschillende soorten programmering: Levende gebouwen ontstaan doordat ze ruimte bieden aan verschillende soorten gebruik, dat afhankelijk van de plek kan bestaan uit verschillende woningtypen, ruimte voor werk, en voorzieningen. De exacte programmering wordt in projectplannen uitgewerkt. 18
Het is de gemeente overigens niet toegestaan beleid of regels op te stellen ten aanzien van het al dan niet uitsluiten van specifieke merken of ondernemingsvormen. Geen aanleiding tot aanpassing van het concept-beleid.
19
4
Inspraakreacties van bedrijven en organisaties
4.1
Actiflow
Ingediend door: 5029-4940 Samenvatting reactie: Inspreker geeft in haar reactie aan het concept-beleid op veel fronten een stap voorwaarts en duidelijkheid biedt. Naar aanleiding van het document stelt het bureau een aantal vragen. De vragen zijn hieronder samengevat. a. Inspreker adviseert om kwaliteitseisen in het algemeen en de eisen aan windhinder en windgevaar in het bijzonder, reeds te beschouwen bij de stedenbouwkundige opzet, en niet enkel op gebouwniveau. Op deze manier wordt de opzet geoptimaliseerd en zijn hoogbouwinitiatieven in relatie tot wind kansrijk. b. Inspreker merkt op dat de prestatie-eis ten aanzien van windhinder en windgevaar significant strenger is dan op dit moment wordt gehanteerd in de praktijk. Het is op dit moment enkel toegestaan om conform NEN8100 tot een beoordeling ‘goed’ te komen. Het ingenieursbureau voorziet op basis van deze prestatie-eis uitvoeringsproblemen, waarbij hoogbouwprojecten in de praktijk onmogelijk worden gemaakt. c. Inspreker vraagt zich af of mogelijke toekomstige ontwikkelingen die het windklimaat kunnen beïnvloeden ook kunnen worden meegenomen in het windonderzoek. d. Is het mogelijk om aspecten die invloed hebben op de bouwmassa en bouwhoogte, zoals de beschouwing van windhinder en windgevaar voor voetgangers in de openbare ruimte, reeds bij de opzet van het bestemmingsplan en het kavelpaspoort op te nemen? Antwoord: a.
(t/m c.) Naar aanleiding van vraag a, b en c over het proces van sturen op een aanvaardbaar windklimaat en de formulering van dat doel, scherpen we het beleid aan. Daarmee is het proces beter geborgd. Daarnaast hanteren we een andere formulering van het doel: we behouden een aanvaardbaar windklimaat', maar schrappen 'zonder overmatige windhinder of windgevaar'. Het woord ‘overmatig’, legt de lat juridisch zo hoog, dat het reële kwaliteitseisen overstijgt. De tekst op pagina 45 en 52 is als volgt aangepast: “Om te kunnen bepalen of een aanvaardbaar windklimaat heerst, wordt voor de stedenbouwkundige opzet op buurtniveau en in de directe omgeving van de geprojecteerde gebouw(en) hoger dan 30 meter gekeken naar de kwaliteit van het windklimaat voor de activiteiten verblijven, slenteren en doorlopen. Het ervaren van windhinder is immers afhankelijk van de activiteit die plaatsvindt. Om voor deze activiteiten tot een aanvaardbaar windklimaat te komen, moet in elke fase van het planproces een windonderzoek worden uitgevoerd door een onafhankelijk en gespecialiseerd bureau. Het windonderzoek moet op basis van de NEN 8100 aantonen dat met betrekking tot wind voor deze categorieën wordt voldaan aan een 'matig’ windklimaat. Wanneer een plan gefaseerd tot uitvoering komt, geeft de gemeente aan in welke fase(s) inzicht gegeven dient te worden in het windklimaat.
Bij het opstellen van een stedenbouwkundig plan wordt in het kader van de winder het gebied als geheel beschouwd. Voor zover sprake is van afhankelijkheden tussen de gebouwen onderling zal dit daarbij in beeld komen. Bij de beoordeling van de windhinder in de bouwplanfase kan
20
het positieve effect van andere gebouwen niet worden meegenomen als de realisatie van die andere gebouwen nog niet zeker is. In het geval dat er een stedenbouwkundig plan op buurtniveau wordt gemaakt en bij het opstellen van de randvoorwaarden waaraan een solitair bouwplan moet voldoen (kavelpaspoorten) is de gemeente leidend en daarmee verantwoordelijk voor het onderzoek naar het windklimaat. Vervolgens dient de ontwikkelende partij bij de verdere bouwplanontwikkeling de eventuele windhinder verder in detail in beeld te brengen en zo nodig te vertalen in ontwerpaanpassingen.” Bij het opstellen van een stedenbouwkundig plan wordt in het kader van de windhinder het gebied als geheel beschouwd. Voor zover sprake is van afhankelijkheden tussen de gebouwen onderling zal dit daarbij in beeld komen. Bij de beoordeling van de windhinder in de bouwplanfase kan het positieve effect van andere gebouwen niet worden meegenomen als de realisatie van die andere gebouwen nog niet zeker is. d. Naar aanleiding van vraag d, of we aangeven dat het windklimaat invloed heeft op de gebouwvorm en hoogte, is het beleid aangescherpt.
Aan het beleid is de v0lgende zin toegevoegd: “In een uitwerking op buurt- en gebiedsniveau worden mogelijk wegens bezonning, ruimtelijke kwaliteit, windhinder en het LIB uiteindelijk minder hoge bouwhoogtes toegestaan.” Wijziging in het concept-beleid: Het beleid is in relatie tot het borgen van het windklimaat aangescherpt. Het proces van het toetsen van het windklimaat is breder getrokken dan het object. Ook de stedenbouwkundige opzet dient meegenomen te worden bij de beoordeling ervan. De prestatie-eisen voor het windklimaat zijn aangepast. Op pagina 45 en 52 schrappen is de zinsnede “…zonder overmatige windhinder of windgevaar” geschrapt.
4.2
Cauberg Huygen
Ingediend door: 6433-5209 Samenvatting reactie: Ingenieursbureau Cauberg Huygen geeft in haar inspraakreactie het college graag het onderstaande ter overweging mee. a. Inspreker stelt voor dat in de gemeente in de stedenbouwkundige fase al stedenbouwfysisch onderzoek naar o.a. windhinder en bezonning moet worden gedaan, zodat geborgd wordt dat geen onmogelijk haalbare eisen aan initiatiefnemers van losse gebouwen of projecten opgelegd worden. b. Inspreker stelt ook voor om kwaliteitseisen niet generiek, maar planspecifiek te maken, waarbij het windklimaat of de bezonning rondom een verder uitgewerkt gebouw niet significant slechter mag zijn dan het stedenbouwfysische klimaat zoals bepaald in de stedenbouwkundige fase. c. Inspreker stelt dat de prestatie-eisen ten aanzien van het windklimaat significant strenger zijn dan op dit moment wordt gehanteerd in de praktijk. Wanneer deze eisen in een hoogbouwbeleid vastgelegd worden, en daarmee als harde eisen geïnterpreteerd kunnen worden, zal dit volgens inspreker sommige wel gewenste hoogbouwontwikkelingen in de stad zeer moeilijk of onmogelijk maken. 21
d. Inspreker geeft aan dat veel grootschalige ontwikkelingen gefaseerd worden gerealiseerd. Een cluster gebouwen of zelfs een wijk wordt niet in één keer ontwikkeld en gebouwd. In de praktijk maakt inspreker mee dat er dan veel discussie kan ontstaan over het toetsingskader en welke situatie (de huidige situatie met beoogde nieuwbouw, of de eindsituatie met alle geplande nieuwbouw of een tussenvariant) dan beoordeeld moet worden. Het zou volgens inspreker prettig zijn als het hoogbouwbeleid hierin meer duidelijkheid verschaft. e. De vuistregels, bijvoorbeeld het plaatsen van hoogbouw op een basement of lager podium, komen volgens inspreker erg dwingend over, terwijl niet in alle situaties een setback nodig, of voldoende, is om een acceptabel windklimaat te borgen. Soms wordt het toepassen van een setback vanuit het kavelpaspoort en daarin vastgelegde esthetische en ruimtelijke eisen zelfs niet toegestaan. f. Op een aantal punten overlapt het Hoogbouwbeleid met het Bouwbesluit (en de toekomstige BBL). Bijvoorbeeld, vanuit het Bouwbesluit is voor grotere woningen (GO > 50m²) een privé buitenruimte vereist en voor kleinere woningen een collectieve buitenruimte.
De vuistregel vanuit het Hoogbouwbeleid “Tot een hoogte van in ieder geval 70 meter hebben alle woningen private buitenruimte, op zijn minst een Frans balkon, ten behoeve van prettig wonen.” is voor de grotere woningen dubbelop en in geval van de kleine woningen een verzwaring van de Bouwbesluit-eisen. Dit lijkt ons niet wenselijk. g. Ook de vuistregels ten aanzien van ‘duurzaamheid’ kunnen uitgelegd worden als een verzwaring ten opzichte van het wettelijk vereiste. Bijvoorbeeld doordat volgens de richtlijn “Bij woningen kleiner dan 50 m2 BVO moet het samenvoegen van woningen mogelijk zijn.”. Er zijn verschillende zeer duurzame gebouwconcepten denkbaar, zoals CLT-modules, waarbij samenvoegen niet heel eenvoudig is. Antwoord: a. (t/m d.) Met betrekking tot het proces van sturen op een aanvaardbaar windklimaat en de formulering van dat doel, is het beleid aangepast. Daarmee is het proces beter geborgd. Daarnaast hanteren we een andere formulering van het doel: we behouden “een aanvaardbaar windklimaat”, maar schrappen “zonder overmatige windhinder of windgevaar”. Het woord ‘overmatig’, legt de lat juridisch zo hoog, dat het reële kwaliteitseisen overstijgt.
De tekst op pagina 45 en 52 is als volgt aangepast: “Om te kunnen bepalen of een aanvaardbaar windklimaat heerst, wordt voor de stedenbouwkundige opzet op buurtniveau en in de directe omgeving van de geprojecteerde gebouw(en) hoger dan 30 meter gekeken naar de kwaliteit van het windklimaat voor de activiteiten verblijven, slenteren en doorlopen. Het ervaren van windhinder is immers afhankelijk van de activiteit die plaatsvindt. Om voor deze activiteiten tot een aanvaardbaar windklimaat te komen, moet in elke fase van het planproces windonderzoek worden uitgevoerd door een onafhankelijk en gespecialiseerd bureau. Het windonderzoek moet op basis van de NEN 8100 aantonen dat met betrekking tot wind voor deze categorieën wordt voldaan aan een 'matig’ windklimaat. Wanneer een plan gefaseerd tot uitvoering komt, geeft de gemeente aan in welke fase(s) inzicht gegeven dient te worden in het windklimaat. Bij het opstellen van een stedenbouwkundig plan wordt in het kader van de winder het gebied als geheel beschouwd. Voor zover sprake is van afhankelijkheden tussen de gebouwen onderling zal dit daarbij in beeld komen. Bij de beoordeling van de windhinder in de bouwplanfase kan het positieve effect van andere gebouwen niet worden meegenomen als de realisatie van die andere gebouwen nog niet zeker is.
In het geval dat er een stedenbouwkundig plan op buurtniveau wordt gemaakt en bij het opstellen van de randvoorwaarden waaraan een solitair bouwplan moet voldoen (kavelpaspoorten) is de gemeente leidend en daarmee verantwoordelijk voor het
22
onderzoek naar het windklimaat. Vervolgens dient de ontwikkelende partij bij de verdere bouwplanontwikkeling de eventuele windhinder verder in detail in beeld te brengen en zo nodig te vertalen in ontwerpaanpassingen. “ e. De vuistregels zijn dwingend geformuleerd omdat we na uitgebreid onderzoek menen met deze vuistregels meer kwaliteit te kunnen maken. Er is ruimte voor afwijking van de vuistregels, maar dan is een advies van de Subcommissie Integrale Omgevingskwaliteit (SIOK) verplicht. Met betrekking tot de set-back; deze wordt niet verplicht. In het beleid staat dat het een geschikt middel kan zijn om een menselijke maat te introduceren of windhinder tegen te gaan. f. Een private buitenruimte is inderdaad een extra kwaliteitseis voor kleinere woningen, omdat Amsterdam ook kleinere woningen van voldoende kwaliteit wil maken. g. De bruikbaarheid en aanpasbaarheid van woningen op lange termijn is een belangrijke kwaliteitseis waar bouwsystemen aan moeten voldoen. In het geval van CLT-modulen zal er rekening moeten worden gehouden met de locatie van het leidingwerk. De duurzaamheidseisen zijn bij hoogbouw in het bijzonder belangrijk, omdat hoogbouw niet eenvoudig afgebroken wordt. Meer dan bij laagbouw is het bij hoogbouw van belang om op verschillende vlakken (energetische duurzaamheid, flexibiliteit, woonkwaliteit, enzovoorts) een hoge kwaliteit te realiseren.
Wijziging in het concept-beleid: Naar aanleiding van de vragen over het proces van sturen op een aangenaam windklimaat en de formulering van dat doel, scherpen we het beleid aan. Daarmee is het proces beter geborgd. We passen de prestatie-eisen voor het windklimaat aan. Op pagina 45 en 52 schrappen we de zinsnede “...zonder overmatige windhinder of windgevaar”.
4.3
EDGE Technologies
Ingediend door: 0000-0001 Samenvatting reactie: Inspreker vraagt zich af of de maximale diagonalen voor bouwhoogte XL van toepassing zijn op hun bouwplannen voor een gebouw aan De Boelelaan 2. De maatvoering uit de concept-bouwenveloppe van het gebouw resulteert in een diagonaal die de maximale diagonalen uit het beleid met circa 5 meter overschrijdt. Antwoord: Gebouwen die al in planvorming zijn hoeven niet te voldoen aan het nieuwe hoogbouwbeleid. Ondanks dat zijn de maximale diagonalen aangepast zoals hieronder op een rij gezet. Deze aanpassing komt voort uit de afweging tussen de slankheid van de toren en de ontwerpruimte, bijvoorbeeld om goede en betaalbare woningen te maken. - De kernontsluiting diagonaal mag maximaal 42 meter (30x30) bedragen, bij torens hoger dan 100 meter wordt dit maximaal 45 meter; - De corridor diagonaal maximaal 48 meter; - De galerij diagonaal maximaal 50 meter. Wijziging in het concept-beleid: Om meer ontwerpruimte te bieden is de maximale diagonaal bij een kernontsluiting vergroot tot 42 meter. Bij torens hoger dan 100 meter mag deze diagonaal maximaal 45 23
meter zijn. De corridor diagonaal mag maximaal 48 meter bedragen en de galerij diagonaal wordt maximaal 50 meter.
4.4
Erfgoedvereniging Heemschut
Ingediend door: 0000-0002 Samenvatting reactie: Erfgoedvereniging Heemschut waardeert dat het Hoogbouwbeleid na twaalf jaar een verdere uitwerking krijgt en dat nu duidelijker wordt aangegeven waar hoogbouw wel of niet past. De vereniging is erover te spreken dat hoogbouw in het concept-beleid mede in relatie tot de gemiddelde bebouwing wordt beschouwd en gedefinieerd. De vereniging geeft graag enkele aandachtspunten mee. a. De vereniging verzoekt met klem om de in de vorige visie verplicht gestelde hoogbouweffectrapportage (HER) te handhaven. b. Er dienen criteria te worden ontwikkeld voor het zichtbaarheidscriterium. Het zichtbaarheidscriterium is volgens de vereniging “een beter, in feite gedetailleerder, middel om gebieden te beschermen (zoals beschermde stads- en dorpsgezichten) dan een bufferzone. Bij een bufferzone is eenvoudig alleen de afstand bepalend, maar dat zegt lang niet alles over de zichtbaarheid op grotere en mindere afstand. c. In de HER dient door middel van bezonningsstudie ook de effecten van schaduw op het maaiveld en de omringende bebouwing inzichtelijk te worden gemaakt. Zowel de schaduwwerking als de vormgeving van de plinten van de bebouwing bepalen in hoge mate de toekomstige leefbaarheid. d.
Aangaande uitzonderingen van de ‘nee’ voor regime 3 (in principe nee) verzoekt de vereniging met klem om geen onderscheid te maken in gebieden waar hoogbouw of waar in principe geen hoogbouw is toegestaan. De huidige formulering is volgens de vereniging onduidelijk en kan later leiden tot lastige discussies en procedures. e. Op de totaalkaart wordt het Marineterrein gedefinieerd als een locatie “met een nieuwe ruimtelijke invulling: gerelateerd bij de reeds aanwezige grootschaligere bebouwing wordt hier van hoogbouw gesproken boven een hoogte van 30 à 40 meter. In deze gebieden is de maximale hoogte L, circa 70 meter”. Volgens de vereniging kan er voor het Marineterrein niet worden gesteld dat er sprake is van een ‘nieuwe ruimtelijke invulling’ aangezien de huidige bebouwing onder andere bestaat uit beschermde monumenten en monumenten in procedure. Het Marineterrein ligt daarnaast binnen de 2 kilometerzone. Hoogbouw zou volgens de vereniging daarom niet mogen worden toegestaan op het Marineterrein. f. Hetzelfde bepleit de vereniging voor gebieden als Kattenburg, Wittenburg en Oud-West, die ook in de 2 kilometerzone vallen. Antwoord: a. Het college onderschrijft volledig het belang van zorgvuldige afweging en inpassing van hoogbouw, omdat het relatief grote impact heeft op de omgeving.
De behoefte aan een efficiëntere werkwijze rondom toetsen en adviseren was één van de aanleidingen voor dit nieuwe beleid. De werkwijze is verschoven van een HER-toets achteraf, naar helder beleid vooraf en onderzoek in het kader van de planontwikkeling. Op basis van dat beleid en onderzoek worden de randvoorwaarden geformuleerd die zorgen voor een zorgvuldige en adequate hoogbouwontwikkeling.
24
b. Met betrekking tot het zichtbaarheidscriterium kunnen we geen absolute maten voor hoogte en afstand opnemen, omdat gebouwen verschillen in bouwhoogte en zichtlijnen heel verschillend zijn (soms kun je ver kijken, maar op de meeste plekken niet). Daarom wordt het gerelateerd aan bestaande bebouwing en als principe geformuleerd. c. Naar aanleiding van deze reactie is een aanpassing in het beleid doorgevoerd: Met een voorgeschreven inpassingsstudie in omgeving en stad zal niet alleen het effect op het stadslandschap, maar ook windhinder en schaduwwerking tijdig onderdeel van de planvorming zijn. d. Het hoogbouwbeleid is geen totaal masterplan voor de stad waar we nu al heel precies kunnen uitdenken waar hoogbouw wel en niet aanvaardbaar is. De ervaring leert dat onvoorziene verschijningsvormen en onvoorziene situering van gebouwen toch aanleiding kunnen zijn om hoogbouw toe te staan. Regime 2 (“gebieden met hoogbouw op specifieke plekken”) staat meer hoogbouw toe en – zeer belangrijk – spreekt pas van hoogbouw vanaf een hoogte van 30 meter. In principe is hier dus in het gehele gebied een behoorlijk hoogte toegestaan. Regime 3 (“in principe nee”) is in zijn geheel veel terughoudender hogere bebouwing. Er wordt al vanaf 1,25 keer de overwegende hoogte van de bestaande bebouwing van hoogbouw gesproken. In de basis is dus minder hoogte toegestaan.
En als dat wel wordt toegestaan, dan alleen als uitzondering. e. Naar aanleiding van deze inspraakreactie is de nota op dit punt aangepast. Het wordt: in dit regime 3 geven we voor de uitzonderingsgebieden maximale hoogtes aan. Dat is 20-40 meter, afhankelijk van de zichtbaarheid vanuit het UNESCO-gebied. Hoogbouw tot 60 meter, is net als in de andere delen die onder dit regime vallen, alleen als uitzondering mogelijk. f. Ook voor deze gebieden is alsnog bovenstaande formulering opgenomen: Dat is 20-40 meter, afhankelijk van de zichtbaarheid vanuit het UNESCO-gebied. Hoogbouw tot 60 meter, is net als in de andere delen die onder dit regime vallen, alleen als uitzondering mogelijk. Wijziging in het concept-beleid: In het beleid is opgenomen dat bij hoogbouwontwikkeling een inpassingsstudie in omgeving en stad moet worden gedaan door de projectgroep of stedenbouwkundige. Met een voorgeschreven inpassingsstudie zal het effect op het stadslandschap, windhinder, schaduwwerking en privacy tijdig onderdeel van de planvorming zijn. Ook nemen we op dat we aanbevelen plannen in het begin van het traject voor te leggen aan de openbare vergadering van de Commissie Omgevingskwaliteit. Een integraal advies kan behulpzaam zijn bij het versnellen van het ontwikkeltraject. In regime 3 geven we voor de uitzonderingsgebieden aan wat daar de definitie van hoogbouw is.