CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

20251118_1029_Anders behandeld en nu_1.pdf

Raadscommissie Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding 11 februari 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Rapport Kinderombudsman Amsterdam: “Anders behandeld en nu?” (VN2026-000619)16.894 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

27 alinea's met “samenleving”: 3 5 10 14 16 19 20 27 29 33 34 37 38 46 50 119 124 125 138 143 146 149 150 157 162 164 173

Ze vinden dat je een verhaal moet kunnen delen op school, bij een juf of meester die je vertrouwt of op de sportclub. En die instanties moeten ook goed kunnen samenwerken met het meldpunt. Een kind: “Mijn juf is lief en behulpzaam. Zij helpt ons met dingen. Eigenlijk is ze een vertrouwenspersoon.”

Alleen melden als er vertrouwen is De Kindertelefoon is volgens kinderen een goede instantie die alle informatie ‘bij elkaar kan brengen’. Veel kinderen kennen de Kindertelefoon en daar komt al veel informatie terecht. Hierop vertelt een kind over school waar een brievenbus hangt. In die brievenbus stoppen kinderen briefjes waarop ze schrijven waar zij mee zitten. Elke vrijdag wordt de bus geleegd en gaan kinderen met elkaar in gesprek over een of meer problemen die aan de orde worden gesteld. De andere kinderen vinden dit een ‘mooi idee’. Eigenlijk zou iedere school zo’n brievenbus moeten hebben. Ook zeggen veel kinderen dat zij hun ervaringen wel aan familieleden, vrienden of vertrouwenspersonen willen vertellen, maar niet aan vreemden. ‘Vertrouwen’ en ‘betrouwbaar zijn’ komen in de gesprekken opmerkelijk vaak naar voren: “Ik zou diegene eerst willen testen om te kijken wat ie zegt en het niet doorvertelt.”

Over het begrip vertrouwen zeggen kinderen dat het zinvol is om ‘eerst een gesprek te hebben’. Over hoe het met je gaat. En dan pas daarna, als er vertrouwen is kun je ingaan op de kwestie zelf. Maar dan moet diegene met wie je praat wel genoeg over het onderwerp discriminatie en racisme weten. Het gevoel dat iemand ‘je echt goed begrijpt’ is belangrijk. Een kind zegt dat zij het liefst praat met oudere vrouwen omdat die meer te vertrouwen zijn en eerder begrijpen wat er aan de hand is. Jongere mensen ‘vertellen het sneller door’. Bijna 24

alle kinderen hebben behoefte aan stevig bewijs dat degene bij wie zij een klacht indienen of melden hun vertrouwen niet zal beschamen. “Je kunt niet iedereen vertrouwen, ook als ze zeggen dat ze niks door gaan vertellen.”

Veel kinderen zullen een drempel over moeten om iets te durven melden. Op de vraag wanneer kinderen ‘tevreden zijn’ na het doen van een melding wordt aangegeven ‘als het stopt.’ “Ze moeten het oplossen en de daders aanpakken.”

Op de stelling ‘een meldpunt discriminatie moet op iedere school aanwezig zijn’ laten jongerenambassadeurs weten hier positief tegenover te staan. Wel benadrukken zij dat deze meldpunten anoniem, betrouwbaar en professioneel begeleid moeten zijn met herkenbare personen en aanspreekpunten. Én het moet duidelijk zijn wie de meldingen oppakt omdat kinderen en jongeren zich veilig moeten voelen om daadwerkelijk een melding te doen. Een meldpunt ‘zonder echte gevolgen voor de dader is nutteloos’. Een breed gedragen standpunt onder de jongerenambassadeurs is dat ‘zonder consequenties het vertrouwen in meldpunten verdwijnt’. Maar, zo wordt naar voren gebracht ‘meldingen zijn nooit nutteloos, omdat ze bijdragen aan het opbouwen van data en signalen’. Kortom, volgens de jongerenambassadeurs moeten meldpunten zichtbare en duidelijke vervolgstappen kunnen garanderen. Liever veel en laagdrempelige plekken om te melden dan één perfecte oplossing, want die is er niet. 3.5. Resumerend Sinds deze zomer is Discriminatie.nl (landelijk) gestart om het doen van een melding kindvriendelijker te maken, mede op advies van het VN-Kinderrechtencomité. De gemeente werkt aan het verbeteren van meldingsbereidheid via Discriminatie.nl, jongerenwerk en lokale initiatieven. Dat is een goede zaak. Maar er is meer nodig.

Gesprekken over kindvriendelijk en laagdrempelig melden laten zien hoe kwetsbaar het melden in de beleving van kinderen is. Er is behoefte aan een uitgewerkt vervolgtraject voor kinderen die wél melden. Kinderen willen op voorhand weten wat er met hun melding gebeurt, wie er luistert, wat de gevolgen zijn voor de dader en of er echt iets verandert. Zonder duidelijke terugkoppeling en zichtbare actie verdwijnt het vertrouwen dat melden zin heeft. Na de melding Op de gemeentelijke website is informatie te vinden over jongerenwerkers, @ease-chats en inloopspreekuren, maar het is niet altijd duidelijk hoe deze verschillende routes samenkomen in één herkenbare, kindvriendelijke meldstructuur. Er is geen plan voor structurele samenwerking tussen vertrouwenspersonen op scholen, sportclubs en het meldpunt Discriminatie, terwijl die samenwerking juist belangrijk is om kinderen te begeleiden na een melding. Het ontbreekt aan een aanpak om meldingen die via andere kanalen binnenkomen, bijvoorbeeld bij de Kindertelefoon, jeugdteams of familie, te verbinden met het officiële meldpunt, zodat ervaringen niet versnipperd raken. Voorts moeten professionals die met kinderen werken goed op de hoogte zijn van de emotionele effecten van het melden. Hier is (nog) te weinig aandacht voor, terwijl dit voor kinderen erg belangrijk is.

Daarom moet om kindvriendelijk melden daadwerkelijk effectief te maken, de stap ná het melden even serieus worden ingericht als de melding zelf: een duidelijk proces van opvolging, terugkoppeling en begeleiding waarin kinderen merken dat hun verhaal iets in gang zet. Het vervolgtraject bepaalt of kinderen zich serieus genomen voelen.25 Dus: niet alleen registreren, maar actief reageren: vertrouwelijke gesprekken voeren, terugbellen, uitleg geven, emoties bevestigen, zichtbaar maken wat er met een melding gebeurt en nazorg bieden. 25

Wat werkt bij het verminderen van discriminatie? | Movisie

25

Laat de kinderen mee-ontwerpen Kinderen moeten kunnen meepraten over beleid. Opvallend is dat kinderen die in het kader van dit onderzoek zijn gesproken behoefte hebben aan controle over hun eigen melding: ze willen zelf bepalen bij wie ze melden, hoe en in welke vorm. Jongeren zijn eerder bereid problemen te melden als zij ervaren dat hun stem ertoe doet en mede-eigenaarschap voelen over de aanpak.26 Zowel kinderen als jongeren hebben hele duidelijke ideeën over inrichting van meldpunten: zo moeten deze makkelijk te vinden en ‘te gebruiken’ zijn. Melden zou via telefoon, chat, e-mail of zelfs een brievenbus op school moeten kunnen plaatsvinden. Fysieke plekken in de buurt worden vaak betrouwbaarder en toegankelijker gevonden dan één centraal meldpunt. Ook de deskundigheid en cultuursensitiviteit van medewerkers is belangrijk: meldpunten moeten bemand worden door goed opgeleide professionals die weten hoe ze met verschillende achtergronden en ervaringen omgaan. Jongeren willen erop kunnen rekenen dat hun verhaal veilig is bij iemand die niet alleen goed is opgeleid, maar óók verschillende vormen van racisme en discriminatie herkent. Een andere belangrijke voorwaarde is dat wat is er besproken niet zonder toestemming wordt gedeeld.

Door kinderen actief te betrekken bij de inrichting en evaluatie van meldprocedures, wordt het systeem niet alleen kindvriendelijker, maar ook effectiever. Dit, omdat het aansluit bij hun taal en leefwereld. Een netwerk rond meldpunten Omdat in het werkveld veel verschillende professionals actief zijn, zoals scholen, jongerenwerkers, vertrouwenspersonen, het anti-discriminatiemeldpunt en eventuele andere meldpunten, is goede samenwerking essentieel. Meldpunten moeten onderdeel zijn van een breed netwerk en ‘in de samenleving’ staan.27 Alleen dán kunnen partijen elkaar snel vinden en samen met kinderen bespreken welke stappen mogelijk zijn. Hier wordt het belang van duidelijke voorlichting zichtbaar: wat betekent het om een melding te doen, welke opties zijn er, en vooral waarom melden belangrijk is.

26 27

https://www.oecd.org/en/publications/oecd-youth-policy-toolkit_74b6f8f3-en.html Handreiking Antidiscriminatiebeleid voor gemeenten.

26

27

4. Bevorderen van een inclusieve samenleving 4.1. Inleiding “Niet alleen omdat jij bepaalt hoe je over dingen denkt. Je moet meer perspectieven leren zien. Dat is belangrijk aan het begin van je leven.”

Een inclusieve samenleving zorgt ervoor dat alle kinderen volwaardig kunnen deelnemen aan het sociale, culturele en economische leven. Het betekent niet alleen meedoen, maar ook erkend en gewaardeerd worden om wie je bent. Inclusie is voor kinderen van belang, omdat dit het veiligheidsgevoel versterkt, een bijdrage levert aan gelijke ontwikkelingskansen en een positief zelfbeeld stimuleert. Kinderen die opgroeien in zo’n omgeving leren beter samen te leven, krijgen eerlijke kansen en ontwikkelen zich tot empathische, veerkrachtige en sociaal vaardige volwassenen. Het bevorderen van een inclusieve samenleving vormt dan ook een belangrijke stap in de aanpak van discriminatie en racisme. Voorkomen is beter dan genezen. In dit hoofdstuk wordt nader ingegaan op de vraag of en zo ja welke (preventieve) handelingen een inclusieve samenleving kunnen bevorderen. 4.2. Wat de kinderen belangrijk vinden Kinderen willen dat er voorlichting wordt gegeven over discriminatie en racisme, niet alleen op school maar ook op de sportclub en op sociale media. Voorlichting hoeft niet alleen gericht te zijn op kinderen. Het is ook zinvol om volwassenen goed voor te lichten, vinden kinderen. Kinderen zouden willen dat het thema discriminatie en racisme tijdens de opvoeding serieus wordt genomen en door ouders wordt opgepakt.

Want als ouders hun kinderen al van jongs af aan leren aandacht en respect te hebben voor verschillende achtergronden en culturen dan zullen discriminatie en racisme in de toekomst afnemen. Voorlichting kan helpen om bewustzijn te creëren en de slachtoffers te laten weten dat ze er niet alleen voor staan. Niet alleen het verstrekken van adequate informatie is nodig maar ook het voeren van het ‘goede gesprek’. Hiervoor is cruciaal dat elkaars mening wordt gerespecteerd én dat er een open dialoog mogelijk is. Tot slot moet er steun zijn van ouders, leraren, en andere volwassenen. 4.3. Hoe professionals daarop reageren “Kinderen nemen veel over van hun ouders. Je moet vroeg beginnen met kinderen leren dat er verschillen zijn. Dat geldt voor ouders thuis maar ook voor docenten op school. Als leerkracht besteed ik aandacht aan alle feestdagen en kijk ik hoe deze gezamenlijk kunnen worden gevierd. We bespreken de verschillende religies en culturen. Op die manier creëer je op een laagdrempelige manier tolerantie, begrip en bewustzijn. En er wordt kennis gedeeld. Het is belangrijk dat je ieders grenzen respecteert.”

Professionals die werkzaam zijn in het onderwijs vertellen dat zij inmiddels overbelast zijn en dat voor extra taken – zoals het aandacht schenken aan het thema discriminatie en racisme - niet altijd genoeg tijd is. Ook kampt het onderwijs met tal van andere problemen waardoor aandacht voor het thema discriminatie en racisme ondersneeuwt. Bovendien staat het thema niet bij alle professionals op het netvlies, zeker als zij niet zelf te maken hebben met discriminatie en racisme. Deze professionals zullen racisme en micro-agressies dan ook minder snel herkennen en zijn zich minder bewust van de impact ervan.28 Juist om deze reden moet er, ook op school, meer preventief aandacht zijn voor diversiteit, vinden professionals: “Een standaard schoolprogramma, zoals een jaarlijkse "Week van de Culturen", kan bijdragen aan bewustwording binnen het onderwijs, vergelijkbaar met initiatieven zoals Fawaka.” 28

Onderzoek over de leergang van Fawaka voor docenten over racisme laat zien, dat dit echter wel te veranderen is: EvaluatierapportLeergang-Inclusief-onderwijs-van-Fawaka.pdf.

28

Zorg voor een veilige setting Hoewel er soms angst is voor conflicten, escalatie en boosheid omtrent dit gevoelige onderwerp constateren veel professionals dat er behoefte is aan het voeren van open gesprekken. Ook als die soms schuren. Een positieve en open dialoog zou kunnen leiden tot wederzijds begrip, bewustwording en hopelijk tot een oplossing om toekomstige incidenten (makkelijker) te voorkomen. Een belangrijke (rand)voorwaarde daarbij is dat deze dialogen ‘empathisch,29 vertrouwelijk en toegankelijk zijn’, aldus een aantal professionals. “Het goede gesprek heeft effect, zeker met kinderen. Veel hoop zit in werken vanuit de basis. Mensen willen graag hun verhaal delen en meer kennis uitwisselen.”

Veiligheid en rechtvaardigheid moeten gewaarborgd worden. Gedragsverandering bij daders is alleen mogelijk als je grenzen bespreekbaar maakt. Werkvormen als Over de Streep kunnen helpen empathie en bewustwording te vergroten. 30 Rolmodellen en ervaringsdeskundigen zijn essentieel voor herkenning en inspiratie. Een professional: “Het is belangrijk dat ‘gemarginaliseerde groepen’ samenkomen en elkaars verhalen delen. Dan vergroot je empathie. Overweeg formats, zoals een podcast of campagne waarin mensen anoniem hun verhaal kunnen vertellen. En vergeet niet dat deze ook gericht moeten zijn op omstanders en daders.”

Niet alleen op school maar ook op plekken waar kinderen ‘vrijwillig’ komen, zoals de speeltuin of de sportclub zouden dialoogsessies georganiseerd moeten worden, omdat deze ‘meer ruimte bieden voor openheid’. Ook in gesprekken over dit thema wordt opgemerkt dat er behoefte is aan een structurele aanpak, geen kortdurende pilots. Vertrouwen (terug)winnen bij mensen die zijn gediscrimineerd, vraagt namelijk om een langdurige inzet. Volgens een aantal professionals willen kinderen wel praten over discriminatie en racisme, maar dan moet de aanpak aansluiten. En dat is niet altijd eenvoudig te bewerkstelligen. Een leerkracht: “Wat doe je in de klas om het onderwerp te bespreken? Hoe leren wij kinderen dat ze ook omstanders kunnen zijn? Hoe geven wij ze handvatten en leer ze: zorg voor elkaar?”

Deskundigheid is vereist Er is meer expertise over discriminatie nodig bij diegenen die werken met (jonge) kinderen om ‘goede gesprekken te kunnen voeren’.31 Ondanks de besproken werkdruk van leerkrachten geven professionals aan dat het toch goed zou zijn als zij educatieve trainingen kunnen volgen. Dit benadrukt dat er tijd vrijgemaakt moet worden voor leerklachten om hier prioriteit aan te geven. Ook ouders zouden door trainingen beter kunnen worden geïnformeerd. Tot slot is cruciaal dat scholen, ouders en leerlingen structureel informatie met elkaar uitwisselen, zodat een effectieve driehoek ontstaat die uitnodigt tot samenwerking. Een vruchtbare samenwerking tussen school en ouders kan helpen. “We moeten niet toegeven, er zijn kaders nodig. Maar dan moet je iedereen meenemen en koesteren. Leerkrachten voor de klas, de kinderen maar ook hun ouders. Juist de ouders moeten soms opgevoed worden. Het is een soort ‘driehoek’. Daarnaast vind ik het belangrijk dat je iemand groet en laat zien dat iedereen erbij hoort. Zo begint het, in het klein.” 29

Inleving en empathie zijn belangrijke mechanismen om vooroordelen (en daarmee discriminatie) te verminderen. Daar is veel onderzoek over beschikbaar. Zie: Wat werkt bij het verminderen van discriminatie? | Movisie. Ook onder kinderen kan dit effectief zijn. Zie ook KIS rapport ‘Opgroeien zonder vooroordelen’. 30 Over de Streep is een werkvorm met als doel om leerlingen bewust te maken van hun gedrag en de impact die dit heeft op anderen, met een speciale nadruk op pestgedrag. 31 Hierbij moet worden opgemerkt dat als het thema ‘bespreekbaar’ wordt gemaakt het niet altijd betekent dat er daadwerkelijk verbetering plaatsvindt. Een voorbeeld: als er in de klas een gesprek plaatsvindt over discriminatie waarin kinderen aangeven discriminatie geen probleem te vinden, verslechtert de situatie (ook al is het bespreekbaar gemaakt).

29

Volgens sommige professionals speelt ‘geweldloze communicatie’ een rol in het verbinden van mensen, vooral binnen diverse teams met verschillende subculturen. 32 Trainingen over effectieve gespreksvoering kunnen helpen om de juiste mensen aan te trekken en ervoor te zorgen dat teamleden cultuursensitief met elkaar omgaan. Ook ervaringsdeskundigen en cultuur-sensitieve lesprogramma’s kunnen volgens professionals bijdragen aan inclusie. 33 Een aantal professionals waarschuwt om niet alleen voor ‘eigen parochie te prediken’. Wanneer het gaat om het vergroten van expertise is het belangrijk om juist die mensen te bereiken met wie je niet zo snel in aanraking komt of die er andere ideeën op nahouden. Daarnaast moet je alert zijn op vormen van discriminatie die verschillend worden ervaren, zegt een aantal professionals. Het vraagt om nuance in aanpak. Politieke gevoeligheden moeten niet onderschat worden: te ‘woke’ roept wellicht weerstand op, ook al is de intentie goed.34 Tot slot kan een gebrek aan expertise over het onderwerp een belemmering zijn bij het voeren van een goed gesprek, want niet iedereen is cultuursensitief. Wat impliciet wordt gezegd is dat dit geen kwestie is van goede bedoelingen, maar van geoefende competenties. Er is behoefte aan professionele vorming, een standaard in het onderwijs, jeugdwerk en gemeente, met een focus op discriminatie en racisme.

Creëer (politieke)randvoorwaarden Onder het oppervlak schuilt iets wat niet expliciet wordt benoemd maar wel steeds doorklinkt in gesprekken, namelijk de erfenis van racisme. Er is machteloosheid en trauma bij slachtoffers en professionals en soms schaamte bij daders en omstanders. Deze onderstroom maakt dat problemen niet alleen praktisch of beleidsmatig kunnen zijn, maar ook psychologisch, collectief en historisch. Er zit veel verdriet en moedeloosheid. Ook daar moet aan worden gewerkt, zegt een aantal professionals. Opvallend vaak komt in bijeenkomsten naar voren ‘dat het huidige politieke klimaat niet meewerkt’. Er wordt (op landelijk niveau) gestigmatiseerd in plaats van ondersteund. Een professional: “De huidige landelijke koers helpt niet. Amsterdam zal zelf leiderschap moeten tonen en laten zien hoe het anders kan.”

Er is behoefte aan een concreet meerjarenprogramma vanuit de (rijks)overheid met structurele financiering. Want alleen dán kan er een verandering in de samenleving plaatsvinden. Nu worden er alleen ‘pleisters geplakt’. Een aantal professionals is wantrouwend: hoe kunnen we organisaties die zich eerder hebben schuldig gemaakt aan discriminatie en racisme wel vertrouwen op dit vlak? Er is sprake van ‘institutioneel wantrouwen’. Of er wordt gezegd: zijn de Amsterdamse inspanningen niet tevergeefs als de politiek in Den Haag het slechte voorbeeld blijft geven? “Er wordt zoveel genormaliseerd dat het lastig kan zijn de problemen nog goed aan te pakken. Creatieve oplossingen bedenken is hier noodzaak, omdat veel huidige aanpakken nog niet werken. Hier moet dus buiten de box worden gedacht.”

4.4. Uitkomsten dialoogsessies met kinderen Kinderen geven aan dat er meer ‘van dit soort bijeenkomsten’ moeten zijn: bijeenkomsten waarbij zij op een serieuze manier met volwassenen in gesprek kunnen gaan over belangrijke thema’s zoals het thema discriminatie en racisme. Volgens een paar kinderen ligt dit thema bij volwassenen ‘gevoeliger’. Een kind:

32

Geweldloze communicatie is een communicatievorm gericht op wederzijds begrip en verbinding door te spreken vanuit jezelf met empathie, in plaats van te oordelen of beschuldigen. 33 Cultuursensitief zijn betekent een open en nieuwsgierige houding hebben ten opzichte van iemands culturele achtergrond, waarbij je rekening houdt met verschillende waarden, normen en tradities om zorg of ondersteuning te bieden die aansluit bij de ander. 34 De term ”woke” is afkomstig uit straattaal en betekent “alert” of “wakker” met betrekking tot racisme of discriminatie. 30

“Volwassenen raken er helemaal door van slag omdat ze denken dat we in Nederland tolerant zijn. Misschien bedoelen ze er niks vervelend mee maar soms is het wel echt discriminerend wat er gezegd wordt. Ze moeten uit hun bubbel stappen en bedenken dat niet iedereen hetzelfde is of doet.”

Volg cursussen Hoewel volwassenen al veel van de wereld hebben gezien en al lang op de wereld rondlopen, ‘gebruiken ze hun hersenen niet’. Ze denken niet na over de lelijke dingen die zij soms zeggen. Daarom moeten ze cursussen volgen en leren om met anderen vreedzaam samen te leven, vindt een aantal kinderen. Juist leraren moeten nadenken over hun eigen aannames en vooroordelen en zich meer verdiepen in het thema. Dat zou al helpen. En ze moeten weten wat hun leerlingen bezighoudt. Het voeren van een goed en open gesprek in de klas is daarom belangrijk. Eén kind legt uit dat hij geboren is ‘in een land waarin iedereen hetzelfde moet vinden en denken’ en hij is blij ‘dat je in Nederland mag zijn wie je wilt zijn’. Om een inclusieve samenleving te kunnen realiseren is het belangrijk dat je met andersdenkenden op een normale manier omgaat en in gesprek blijft. Zo krijg je verschillende perspectieven mee, aldus een aantal kinderen. Creëer wederzijds begrip Verschillende perspectieven zijn belangrijk en leiden tot wederzijds begrip. ‘Dan denk je niet alleen aan wat jij belangrijk vindt maar weet je ook wat anderen denken.’ Volgens sommige kinderen dragen sociale media bij aan vooroordelen over elkaar en ‘hokjes denken’. “Vanuit de anonimiteit kun je nare dingen over elkaar zeggen en als het bekende personen zijn die dat doen, dan heeft dat weer invloed op anderen.

En op die manier worden kinderen ook weer beïnvloed.”

In het verlengde hiervan heeft de Kinderombudsman de jongerenambassadeurs de vraag voorgelegd of kinderen onder de 16 jaar op sociale media al dan niet moeten worden beschermd tegen racistische content. Een aantal jongeren antwoordt dat zij het ‘nut van bescherming in een kwetsbare levensfase’ zeker zien. Anderen vinden deze bescherming echter onrealistisch. Zij vermoeden dat een verbod juist averechts werkt: “Verbieden ontneemt vrijheid en handhaving is lastig.”

Kinderen moeten de kans krijgen om een ‘dikke huid te ontwikkelen’, vinden sommige jongerenambassadeurs. Voorts vindt een aantal ‘educatie over sociale media effectiever dan het verbieden ervan’. Op de stelling van de Kinderombudsman dat ‘sociale veiligheid belangrijker is dan alles kunnen zeggen’ laten jongerenambassadeurs weten ‘dat sociale veiligheid en vrijheid van meningsuiting samen horen te gaan’. Een gevoel van veiligheid is nodig om je mening te durven geven. Tegelijkertijd moet je voorzichtig zijn met het beperken van vrijheid van meningsuiting. Daarom pleiten de jongeren ‘voor meer respect en bewustwording’ en niet voor beperkingen in de wet. De stelling dat ‘elke nieuwe wet getest moet worden op discriminatie’ vinden de jongerenambassadeurs op zich ‘logisch klinken’ maar zij vrezen dat deze op praktische bezwaren zal stuiten. De werkwijze is kostbaar en lastig uitvoerbaar. Bovendien is het verbod op discriminatie verankerd in de Grondwet. Volksvertegenwoordigers moeten beseffen dat zij verantwoordelijkheid dragen voor jongeren in de samenleving en moeten hier serieus mee omgaan, aldus de jongerenambassadeurs. Garandeer veiligheid In de dialoogsessies kwam het onderwerp ‘veiligheid’ opvallend vaak ter sprake. Volgens de kinderen is een gesprek over discriminatie en racisme alleen effectief als dit wordt gevoerd in een veilige omgeving en die ontbreekt vaak.

Er is angst voor escalatie, voor ‘snitchen’, en voor fouten maken. Tegelijkertijd is de emotionele lading van het onderwerp zó groot dat de randvoorwaarden voor veiligheid niet optioneel zijn maar fundamenteel. Spannende en schurende gesprekken moeten ‘in veiligheid’ kunnen plaatsvinden. Het is cruciaal dat kinderen en leerkrachten elkaar respecteren én dat er duidelijke afspraken worden gemaakt over 31

hoe met elkaar om te gaan. Door het bevorderen van het goede gesprek moeten mensen leren wat de ‘standaard’ is. Op die manier creëer je bewustzijn en doorbreek je patronen (en zorg je voor veiligheid en geborgenheid). Jongerenambassadeurs vinden veilige gespreksruimtes weliswaar belangrijk maar vragen zich tegelijkertijd af wat precies onder een ‘een veilige ruimte’ moet worden verstaan en waar dat gesprek dan zou moeten plaatsvinden. En hoewel zij onderkennen dat deze ruimtes zouden kunnen helpen bij het maken van verbinding wijzen zij ook op het risico dat op deze wijze ‘alleen met gelijkgestemden wordt gesproken’. Ga met kinderen in gesprek over wat zij willen Kinderen geven aan dat er niet voor hen maar mét hen moet worden gesproken over wat er zou moeten gebeuren qua preventie. Zij willen vooral serieus genomen worden en meepraten, meedenken, meedoen én (mee) aanspreken. Een kind verwoordt het als volgt: “Er wordt altijd gezegd dat kinderen de toekomst zijn, maar dat is onjuist. De jeugd is nú!”

4.5. Resumerend Hoewel de gemeente Amsterdam met programma’s als Amsterdammerschap, de Kom Op-campagne én andere initiatieven volop inzet op inclusie en het tegengaan van discriminatie, zeggen kinderen en professionals dat er vooral behoefte is aan meer structurele, langdurige vormen van dialoog.35 En minder aan pilots en incidentele acties. Daarbij is het wenselijk dat kinderen structureel worden betrokken bij het vormgeven van beleid en uitvoering. En ondanks dat de gemeente investeert in voorlichting en normcommunicatie (‘discriminatie wordt niet getolereerd’) blijkt ook uit de dialoogsessies dat professionals vaak moeite hebben om het ‘goede gesprek’ te voeren. Dit, omdat ze de vaardigheden missen om spanningen te hanteren, micro-agressies te herkennen of een veilige sfeer te waarborgen. Docenten kunnen het niet alleen Bij het werken aan een inclusieve samenleving is een belangrijke rol weggelegd voor docenten. Tegelijkertijd geven sommige professionals aan, met name degenen die zelf werkzaam zijn in het onderwijs, dat zij die verantwoordelijkheid niet alleen kunnen dragen. En dat is terecht. Het bevorderen van een inclusieve samenleving (en daarmee het voorkomen van discriminatie en racisme) is immers niet een taak voor het onderwijs alleen, maar voor de samenleving als geheel.

Werken aan een inclusieve samenleving betekent ‘het gesprek’ aangaan, inclusief beleid ontwikkelen, én zorgen voor ondersteuning op diverse gebieden. Door actief te streven naar gelijke kansen voor iedereen. Met respect voor verschillende achtergronden en behoeften. Bewustwording Een inclusieve samenleving vraagt om meer dan ‘bewustwording’. Bewustwording, zo blijkt uit onderzoek, heeft alleen effect heeft als mensen hun eigen vooroordelen ook écht onwenselijk vinden en gemotiveerd zijn om ze te veranderen.36 Als dat niet het geval is dan heeft het minder zin om in te zetten op bewustwording. Sterker nog, het confronteren met de eigen vooroordelen leidt dan soms zelfs tot méér vooroordelen.37 Wat wél zinnig is, is het vergroten van de urgentie en motivatie, door in te spelen op gevoelens van rechtvaardigheid en empathie.38 En door positieve rolmodellen zichtbaar te maken.39

35

Hierbij is aandacht voor normstelling, bewustwording en training van professionals. De bestaande aanpak richt zich sterk op projecten, campagnes en pilots (zoals de Be Yourself!-week of de Leergang inclusief onderwijs). 36 Zo staat in het rapport Werken aan kansengelijkheid door de Raad voor de Kinderbescherming, een onderzoek naar mogelijke discriminatie, vooroordelen, ongewenst gedrag en kansenongelijkheid (Verwey Jonker en Movisie, maart 2025) onder meer beschreven wat werkt om de invloed van vooroordelen en bias op beslissingen en het handelen van professionals in de jeugdzorg te verminderen en te voorkomen. 37 Hanneke Felten, Sociale Vraagstukken, 7 september 2016. 38 Hanneke Felten, Sociale Vraagstukken, 7 september 2016. 39 Belangrijk ook dat bewustwording van eigen vooroordelen, vaak niet goed aansluit bij kinderen en pubers. Zie: Les over vooroordelen en stereotypen op school: is bewustwording wel echt de eerste stap? | KIS. 32

Deskundigheid Bewustwording kan worden ondersteund via cursussen en gesprekken over inclusie. Zulke gesprekken zijn waardevol als deze deskundig worden begeleid, waardoor jongeren zich veilig voelen. Scholen40, sportverenigingen en jongerenorganisaties spelen hierin een sleutelrol. Het is daarbij belangrijk dat professionals niet alleen goede bedoelingen hebben, maar ervaringsdeskundig zijn en naast kennis over racisme en discriminatie ook beschikken over goede gespreksvaardigheden om complexe thema’s bespreekbaar te maken, zonder te vervallen in schuld- of wij-zij-denken. Als je het thema bespreekbaar maakt dan is het belangrijk hóe je dat doet. Fawaka Wereldburgerschap heeft speciaal voor leerkrachten een leergang ontwikkeld: Inclusief onderwijs, expliciete scholing rondom racisme & discriminatie. Deze leergang wordt doorgaans ervaren als leerzaam en nuttig.41 Rolmodellen Tegelijk moeten jongeren zich gesteund voelen door rolmodellen, met wie zij zich kunnen identificeren en met wie zij open kunnen praten -op school, in hun wijk en online.42 Beleidsmatig betekent dit dat regelgeving getoetst moet worden aan het recht van kinderen op bescherming tegen discriminatie, waarbij hun eigen ervaringen serieus worden meegenomen.

40

Scholen zijn verantwoordelijk voor een sociaal veilige schoolomgeving en moeten beleid maken gericht op het voorkomen, aanpakken en tegengaan van pesten (wet Veiligheid op school). Het is belangrijk dat scholen weten wat werkt om pesten en uitsluiting te voorkomen en aan te pakken. Stichting School & Veiligheid helpt scholen daarbij. 41 Hoe kun je racisme bespreekbaar maken? Inzichten uit evaluatieonderzoek van de leergang ‘Inclusief onderwijs’ van Fawaka Wereldburgerschap, Movisie 6 november 2024. 42 Bedenk dat ‘witte’ kinderen hierbij ook rolmodellen nodig kunnen hebben: ‘witte volwassenen’ die racisme signaleren en aanpakken. 33

34

5. Van intentie naar actie 5.1. Inleiding Een jaar na de publicatie van het rapport Anders behandeld zijn in dit vervolgrapport de ervaringen van kinderen verzameld om te achterhalen welke oplossingsrichtingen effectief zijn om discriminatie en racisme te bestrijden. Uit de zeven door de kinderen aangedragen oplossingsrichtingen zijn drie overkoepelende thema’s gedestilleerd: (1) normeren; (2) kindvriendelijk en laagdrempelig melden; én (3) het bevorderen van een inclusieve samenleving. In dit rapport zijn deze thema’s nader uitgewerkt. 5.2. Conclusie Uit het rapport Anders behandeld komt naar voren dat racisme en discriminatie helaas nog altijd grote en structurele problemen zijn. Incidenten vinden veelvuldig plaats op scholen, op sportclubs, op straat en op sociale media.43 De pijnlijke en schrijnende verhalen en citaten in dat rapport spreken voor zich én laten zien dat discriminatie en racisme een enorme impact hebben op kinderen, nu en in hun latere leven. Hoe ziekmakend en levensverwoestend discriminatie en racisme ook zijn, toch worden kinderen hier (nog) onvoldoende tegen beschermd.

Terwijl op de overheid juist de verplichting rust, onder meer op grond van het VN-Kinderrechtenverdrag (IVRK), om hen bescherming te bieden en de rechten van alle kinderen te waarborgen.44 Het (voormalig) kabinet liet weten meer aandacht te willen besteden aan de bestrijding van discriminatie en racisme.45 Zo stelde de minister van BZK in haar reactie op het rapport Anders behandeld dat er vanuit het ministerie voor gemeenten vanaf 2024 jaarlijks een financiële bijdrage, via een decentralisatie-uitkering aan het gemeentefonds, beschikbaar wordt gesteld om extra in te zetten op preventie van discriminatie. Het is aan gemeenten om te bepalen hoe zij deze middelen inzetten. De minister schrijft hierover: “dat deze middelen kunnen worden ingezet om al dan niet in samenwerking met lokale adv’s, meer aandacht te creëren voor ervaren discriminatie onder kinderen en jongeren.” Ondanks dat de minister van BZK aangeeft dat het kabinet zich ten doel stelt discriminatie en racisme te willen aanpakken, vinden veel kinderen dat ‘Den Haag’ het verkeerde voorbeeld geeft. Dat blijkt niet alleen uit gesprekken met de Kinderombudsman, maar ook uit recent onderzoek door Unicef.46 Dat onderzoek toont aan dat ruim 40 procent van de jongeren vindt dat politici zich ‘onbehoorlijk gedragen’. Én zij vinden dat zij niet gehoord worden door politici.

Toetsen aan kinderrechten Met instemming constateert de Kinderombudsman dat de gemeente Amsterdam de ambitie heeft om een inclusieve stad te zijn. Een stad waar iedereen gelijke kansen krijgt en waar geen plaats is voor discriminatie en racisme. Die boodschap wordt door middel van doorlopende campagnes én het stellen van eisen aan opdrachtnemers en partners kenbaar gemaakt. De gemeente heeft een breed antidiscriminatiebeleid geformuleerd, waarin onder andere wordt ingezet op het stellen van een norm, onderzoek, educatie, het stimuleren van meldingen en ondersteuning.47 De gemeente moedigt het melden aan en biedt voor dit doel

43

Ondanks dat er in 2020 een motie werd aangenomen in de Tweede Kamer om structureel aandacht te besteden aan racisme en discriminatie op scholen. 44 Zo stelt artikel 2 IVRK dat er geen ongeoorloofd onderscheid mag worden gemaakt tussen kinderen op basis van kenmerken. Dit artikel moet overigens worden gezien in samenhang met drie andere kernartikelen, te weten: artikel 3 IVRK, dat het belang van het kind vooropstelt bij alle maatregelen en beslissingen die hen aangaan; artikel 6 IVRK, dat het recht van kinderen op leven en ontwikkeling waarborgt; en artikel 12 IVRK, dat kinderen het recht geeft om hun mening te geven over zaken die hen aangaan. Samen vormen deze artikelen de basis voor de verplichting van de overheid om kinderen te beschermen tegen discriminatie en hun rechten te garanderen. Zie Nationale Kinderombudsman, Kinderrechtentoets. 45 Aanpak discriminatie en racisme | Discriminatie en racisme | Rijksoverheid.nl. 46 Unicef Jongerenadvies 2025. 47 Meer informatie: https://www.amsterdam.nl/sociaaldomein/diversiteit/antidiscriminatie. 35

ondersteuning aan scholen, via trainingen, jongerenwerk en een Schoolveiligheidskaart.48 Er wordt samengewerkt met maatschappelijke organisaties, onderwijsinstellingen en werkgevers.49 De Kinderombudsman is blij met deze positieve ontwikkelingen en gaat ervanuit dat deze effect zullen sorteren. Het is haar echter onvoldoende duidelijk geworden of, en zo ja op welke wijze, kinderen een rol van betekenis hebben gespeeld bij de totstandkoming van deze maatregelen. In vervolg op het rapport Anders behandeld werd, door kinderen én professionals, uitgebreid stilgestaan bij hoe het anders kan. Zo is er nagedacht over vragen als: wat is nodig om te kunnen normeren; of en zo ja op welke wijze kinderen laagdrempelig hun ervaringen met discriminatie en racisme kunnen melden om uiteindelijk tot inclusieve samenleving te kunnen komen. Voordat nader wordt ingegaan op deze vragen, benadrukt de Kinderombudsman het belang van het instellen van de Kinderrechtentoets, specifiek toegespitst op het thema discriminatie en racisme. Dit, vanwege het recht op non-discriminatie, zoals omschreven in de grondrechten van de EU.50 En daarnaast het discriminatieverbod in artikel 1 Grondwet én het feit dat van de overheid een proactieve en positieve houding verwacht mag worden om feitelijke ongelijkheid te corrigeren en gelijke kansen voor alle kinderen te waarborgen bij het uitoefenen van hun rechten.

Daarom vindt de Kinderombudsman het noodzakelijk dat, als het gaat om zaken die kinderen en jongeren aangaan, regelgeving en beleid structureel worden getoetst aan kinderrechten. Zij doet de gemeente hiertoe een aantal aanbevelingen, zie hierna. 5.2.1. Veranker de kinderrechtentoets Pas de kinderrechtentoets - zoals ontwikkeld door de Nationale Kinderombudsman - toe op al de te ontwikkelen lokale regelgeving en beleid. Middels deze toets wordt inzichtelijk gemaakt welke kinderen extra hard worden geraakt worden door een nieuwe regeling of beleidsvoorstel. 51 Zoals kinderen die kwetsbaar zijn voor discriminatie en racisme. Gezien hun ervaringen moet er expliciet aandacht voor hun situatie zijn en zij dienen zelf in de gelegenheid te worden gesteld om te participeren en hun visie te geven. Daarmee zal steeds meer duidelijk worden waar specifieke knelpunten en blinde vlekken liggen in regelgeving en beleid voor kinderen die met discriminatie en racisme te maken hebben. Door hier rekening mee te houden kunnen structurele verbeteringen worden doorgevoerd in de totstandkoming en evaluatie van nieuwe regelgeving en beleid. Hier gaat niet alleen een preventieve werking van uit. Uit de gezamenlijke input van kinderen kunnen ook standaardtoetsvragen worden ontwikkeld waarmee het risico op discriminatie en racisme door regelgeving of beleid wordt verkleind. 5.3.

Wat is er nodig in de bestrijding van racisme en discriminatie? Onderstaande punten vereisen actie van de gemeente, omdat zij volgens het IVRK verplicht is kinderen te beschermen tegen discriminatie en racisme. Daarom beveelt de Kinderombudsman de gemeente aan de in dit rapport beschreven oplossingsrichtingen over te nemen, verder uit te werken én te monitoren. Samen met kinderen en professionals. Het betrekken van kinderen bij dit proces is een harde voorwaarde, niet alleen omdat dit hun recht is, maar óók omdat hun ervaringen en ideeën de basis vormen voor effectieve oplossingen. Er is al veel in gang gezet en het is tijd om deze inzichten structureel te verankeren. Om racisme en discriminatie effectief te bestrijden is nodig dat er wordt genormeerd en dat kindvriendelijk melden mogelijk is. Het bevorderen van een inclusieve samenleving kan onder meer worden bewerkstelligd door het voeren van goede gesprekken, het organiseren van activiteiten en bijeenkomsten. Hieronder wordt nader ingegaan op deze punten.

48

Zie o.a. ook https://www.amsterdam.nl/sociaaldomein/diversiteit/antidiscriminatie/eerste-hulp-discriminatiebestrijding/toolsinclusiviteit-organisatie/. 49 https://www.amsterdam.nl/sociaaldomein/onderwijs/schoolveiligheid/. 50 Art.21 Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. 51 Zie in dit kader ook de praatplaten die de Kinderombudsman heeft laten maken naar aanleiding van haar rapport Buitenspel dat in januari 2025 werd gepubliceerd. 36

5.3.1. Een stevige sociale norm tegen discriminatie Kinderen willen dat discriminatie en racisme worden begrensd. Volwassenen moeten hiertegen optreden en duidelijk uitspreken dat discriminatoir gedrag niet door de beugel kan. Om effectief te kunnen normeren zijn handvatten nodig. Zo moeten er duidelijke afspraken komen over wanneer en hoe genormeerd wordt. Ook moet er overeenstemming zijn over wat ‘de norm’ is (of zou moeten zijn). Het stellen van duidelijke sociale normen is een bewezen effectief middel om discriminatie aan te pakken.52 Dat vraagt om een actieve en leidende rol van de overheid, zowel op rijks- als op gemeentelijk niveau. De overheid moet zich duidelijk en zichtbaar opstellen als bestrijder van discriminatie en racisme en voorvechter van gelijke rechten zowel voor kinderen als volwassenen. De Kinderombudsman beveelt de gemeente aan de mogelijkheden te onderzoeken om in het kader van normeren een ‘keurmerk’ tegen discriminatie en racisme te ontwikkelen, liefst in samenwerking met kinderen.53 Daarmee laten partijen zoals scholen, sportclubs en andere relevante organisaties zien dat zij zich openlijk uitspreken tegen discriminatie en racisme. Deze vorm van normeren maakt het onderwerp bespreekbaar, zichtbaar én herkenbaar voor kinderen. 5.3.2. Van melden naar vertrouwen Kinderen worden geraakt door wat zich in hun omgeving afspeelt.

Over het algemeen willen kinderen hun ervaringen delen, mits dat kan bij iemand die ze vertrouwen. Uit onderzoek blijkt echter dat het melden van discriminatie een precaire aangelegenheid kan zijn.54 Het ‘hebben’ van een meldpunt sorteert niet altijd het gewenste effect voor slachtoffers van discriminatie. Veel ervaringen worden niet gemeld. Hoewel Discriminatie.nl de anti-discriminatiemeldpunten kindvriendelijker heeft gemaakt en aandacht besteedt aan naamsbekendheid, is nog niet iedereen op de hoogte van het bestaan van het anti-discriminatiemeldpunt. Een veelgehoorde wens van kinderen is de realisatie van meerdere laagdrempelige meldplekken in de stad om discriminatie en racisme te kunnen melden. De Kinderombudsman pleit er dan ook voor om in deze behoefte te voorzien door meerdere, herkenbare meldplekken te realiseren in de directe leefomgeving van kinderen, zoals op school, bij sportclubs, in buurthuizen. Het gaat daarbij om fysieke plekken waar kinderen letterlijk kunnen binnenlopen om hun verhaal te delen. Elke meldplek zorgt voor de eerste opvang (veiligheid, luisteren, uitleggen van opties). Vervolgens kan worden nagegaan door wie het de melding van het kind effectief kan worden opgepakt (bijvoorbeeld door een vertrouwenspersoon, school, sportbond of Discriminatie.nl).

Discriminatie.nl zou daarbij toezicht kunnen houden op de meldingen en medewerkers van de laagdrempelige meldpunten kunnen opleiden. In ontwerpsessies zouden kinderen kunnen meedenken over hoe laagdrempelige meldplekken er uit moeten zien: wat moeten ze uitstralen en wat vertrouwen wekt. Ook andere meldopties via chat, telefoon, mail, of zelfs een brievenbus op school moeten eenvoudig en uitnodigend zijn en afgestemd zijn op het kind. Voorts vraagt de Kinderombudsman expliciet aandacht voor de wens van kinderen dat professionals deskundig, herkenbaar én vooral betrouwbaar moeten zijn als het gaat om discriminatie en racisme. Het gaat daarbij niet alleen om het vergroten van expertise maar ook om ervaringsdeskundigheid. Kinderen voelen zich veiliger bij iemand die op hen lijkt.

52

Wat werkt bij het verminderen van discriminatie? | Movisie. Eventuele praktische voorbeelden over hoe sociale normen te stellen tegen discriminatie vindt je hier: Sociale normen stellen tegen discriminatie: waarom en hoe werkt het? | Movisie. 53 Dit kan door een eigen keurmerk te ontwikkelen of aan te sluiten bij een bestaand keurmerk dat specifiek gericht is op het bestrijden van discriminatie en racisme onder kinderen en jongeren. 54 Zie voor een uitgebreide bespreking van de effectiviteit van melden het dossier van Movisie 'discriminatie verminderen’.

37

5.3.3. Het bevorderen van een inclusieve samenleving De Kinderombudsman beveelt de gemeente aan om bij het aanpakken van discriminatie en racisme gebruik te maken van verschillende bestaande interventiemethoden.55 Daarbij is cruciaal dat deze methoden gebaseerd zijn op wetenschappelijke inzichten en vooraf in de praktijk op effectiviteit worden getest en waar nodig worden bijgesteld. Om een inclusieve samenleving te bevorderen kan, naast bovengenoemde punten (meer) worden ingezet op het vertalen van beleid naar de praktijk. Bijvoorbeeld door activiteiten te organiseren en input die daaruit voortkomt te gebruiken voor beleidsontwikkeling, voor en waar mogelijk mét kinderen. Op die manier blijft beleid in ontwikkeling. Preventief werken is noodzakelijk om kinderen te laten opgroeien in een omgeving waarin verschillen niet negatief worden benoemd, maar juist worden gewaardeerd. Zo kan het organiseren van bijeenkomsten over maatschappelijke thema’s als discriminatie en racisme zinvol zijn. Zeker als kinderen hier actief bij worden betrokken. Niet alleen bij de voorbereiding maar ook bij het verder ontwikkelen ervan.56 De bijeenkomsten moeten worden georganiseerd voor deelnemers uit alle lagen van de samenleving. 5.4. Aanbevelingen De Kinderombudsman doet de gemeente, kort samengevat, de volgende aanbevelingen: 1.

Pas de kinderrechtentoets toe in regelgeving en beleid als het gaat om zaken die kinderen raken en besteed daarbij expliciet aandacht aan (het mogelijk aanwezig zijn van) discriminatie en racisme. 2. Ga aan de slag met een aantal oplossingsrichtingen om discriminatie en racisme aan te pakken, zoals het: a. ontwikkelen van een keurmerk tegen discriminatie en racisme; b. realiseren van herkenbare meldplekken van discriminatie en racisme in de leefwereld van kinderen (op school, op de sportclub, op sociale media);57 c. gebruikmaken van (reeds ontwikkelde) interventies om discriminatie en racisme te bestrijden en hier kinderen bij te betrekken.

55

In de Database antidiscriminatie-interventies | KIS staan meer dan 70 interventies (lespakketten, trainingen, workshops, campagnes et cetera. Deze interventies worden in de Nederlandse praktijk gebruikt en zijn onderbouwd met wetenschappelijk bewezen mechanismen. In dit overzicht kunnen gemeenten of (maatschappelijke) organisatie (bedrijven, scholen, sportclubs, buurtorganisaties et cetera) gericht zoeken naar een interventie die ingezet kan worden in een specifiek domein met als doel discriminatie, vooroordelen of stereotypen te verminderen. Vervolgens krijg je interventies te zien die hier mogelijk toegepast kunnen worden. Als gemeente of organisatie kan je beoordelen welke interventie het beste past bij de situatie en context. 56 De Kinderombudsman heeft een praatplaat ontwikkeld voor kinderen én voor professionals waarin wordt uitgelegd hoe je kinderen kunt laten participeren. 57 Laat daarbij kinderen in ontwerpsessies meedenken over hoe deze meldplekken eruit kunnen zien. En faciliteer een nauwe samenwerking tussen de verschillende meldplekken en het anti-discriminatiemeldpunt. 38

39

Bijlage 1: Overzicht van geraadpleegde bronnen Bij het opstellen van dit rapport is gebruikgemaakt van een aantal bronnen zoals beleidsdocumenten, onderzoeksrapporten, wetenschappelijke artikelen en bestuurlijke reacties op het rapport Anders behandeld. De belangrijkste zijn hieronder samengevat. Een volledig overzicht is te vinden in de voetnoten in het rapport.

Wet- en regelgeving • •

•

Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) – artikelen 2, 12, 19 en 29. Wet Gemeentelijke anti-discriminatievoorzieningen (2009) – wettelijke plicht voor gemeenten om een laagdrempelige, onafhankelijke voorziening in te stellen waar inwoners terecht kunnen met klachten over discriminatie. Beleidskader Inclusie en Antidiscriminatiebeleid 2023–2026, gemeente Amsterdam.

Bestuurlijke reacties • •

Kamerbrief BZK, 27 januari 2025 – Reactie op rapport Kinderombudsman Anders behandeld. Bestuurlijke reactie gemeente Amsterdam, 25 februari 2025 – Reactie op rapport Kinderombudsman Anders behandeld.

Onderzoeks- en kennisbronnen • • • • • • • • • • • • • • • • • • •

Discriminatie.nl / ADV’s – informatie over landelijke gesprekken over kindvriendelijke meldpunten (BZK, 2025). Geerlings, J., Thijs, J., & Verkuyten, M. (2019) - Preaching and practicing multicultural education. Nationale Kinderombudsman – Kinderrechtentoets, vier stappen om te komen tot de beste besluiten voor kinderen bij wet- en regelgeving en beleid. Kennisplatform Diversiteit & Integratie (2021) – Sociale norm en gedragsverandering bij jongeren. Kennisplatform Inclusief Samenleven (2020) - Opgroeien zonder vooroordelen: wat kan je doen als basisschool? Kennisplatform Inclusief Samenleven (2022) – Wat werkt bij het verminderen van discriminatie? Effecten van normverandering en bewustwording. Kindertelefoon (2024) – data en inzichten over meldgedrag van kinderen. NJi (2024) – Omgaan met discriminatie in de klas. Nationaal Coördinator tegen Discriminatie en Racisme (2025) - een ‘Gouden Standaard’ voor werkgevers om discriminatie tegen te gaan. Movisie (2022) – Discriminatie herkennen en doorbreken in beleid en praktijk. Movisie (2023) – Dossier Wat werkt bij het verminderen van discriminatie? Movisie (2024) – Hoe kun je racisme bespreekbaar maken? Evaluatierapport Leergang Inclusief onderwijs van Fawaka. Movisie (2025) - Antidiscriminatiebeleid: wanneer zijn bewustwordingscursussen effectief? Antwoord op acht veel gestelde vragen.

Over de Streep – educatieve werkvorm gericht op empathie en bewustwording. PMC National Library of Medicine (2021) – Awareness and bystander intervention to reduce discrimination (PMCID: PMC8293475). M. Rosenberg (2003) – Geweldloze Communicatie: een taal van mededogen (Nonviolent Communication). Staatscommissie tegen discriminatie en racisme (2025) - Keer op keer. Inzichten in gestapelde discriminatie-ervaringen in Nederland en Europa (derde voortgangsrapportage). UNICEF (2023) – Peiling onder kinderen in Nederland over ervaren discriminatie. UNICEF (2025) – Jongerenadvies 2025. 40

•

Vreedzame Wijk – community-programma voor democratisch burgerschap en inclusie.

41

Bijlage 2: Verslag van de bijeenkomst van 29 oktober 2025 Bespreking conceptrapport Anders behandeld en nu? Aanwezig: Namens de stadsdelen: Stadsdeel Centrum (bestuurder) en stadsdeel Zuid (twee beleidsmedewerkers); stadsdelen Zuidoost en Noord zijn wegens omstandigheden verhinderd. Namens de Kinderombudsman: Twee onderzoekers van de Kinderombudsman en de Kinderombudsman. Eerste indrukken en algemene reactie Op 29 oktober 2025 bespreken de Kinderombudsman en enkele vertegenwoordigers van de stadsdelen het conceptrapport Anders behandeld en nu? De stadsdelen geven aan dat zij zich herkennen in wat er in het rapport naar voren is gekomen. Veel van wat tijdens de bijeenkomsten is besproken staat erin. Waardering is er voor het feit dat er in de inleiding wordt beschreven wat er aan het ‘vervolg’ vooraf is gegaan. Het rapport bouwt als het ware voort op het eerdere rapport en biedt een waardevolle verdieping. Ook kunnen de deelnemers zich vinden in de aanbevelingen aan het college. De stadsdelen verwachten dan ook dat het college het rapport, zodra het definitief is, zal omarmen. Het rapport verwijst regelmatig naar al bestaand beleid. De aanbevelingen zijn vooral relevant met het oog op de nieuwe bestuursperiode na de recente verkiezingen.

De stadsdelen stellen voor om in de aanbiedingsbrief expliciet te vermelden dat de aanbevelingen een plek moeten krijgen in het nieuwe coalitieakkoord. Daarbij kan worden benadrukt dat het belangrijk is een brede anti-discriminatieagenda te ontwikkelen, waarin kinderen en jongeren een actieve rol spelen. Er wordt ten aanzien van de inhoud nog opgemerkt dat sommige passages in het conceptrapport letterlijk zijn geciteerd, waardoor het kan lijken dat de Kinderombudsman deze uitspraken volledig overneemt. Dit kan tot verkeerde interpretaties leiden. De Kinderombudsman zal dit aanpassen. Betrokkenheid van kinderen en jongeren De stadsdelen benadrukken de waardevolle bijdrage van de jongeren van de zomerschool in Zuid en de jongerenambassadeurs in Noord. De inbreng is duidelijk terug te lezen in het rapport. Stadsdeel Zuid geeft aan dat men de inbreng van ‘hun’ kinderraad erg heeft gewaardeerd. Tijdens de kinderbijeenkomst is goed meegepraat en meegedacht. Fijn dat de stem van kinderen, zoals ingebracht tijdens de sessies, is gehoord. De Kinderombudsman vertelt dat zij de kinderen na publicatie van de rapportage, wil informeren over de vervolgstappen (en over wat er met de input van de kinderen is gebeurd). In feite zijn de vervolgstappen een verdiepingsslag ten aanzien van wat uit het vorige rapport naar voren is gekomen. Zij vergelijkt dit met een kralenketting.

Als de vervolgstappen/ aanbevelingen worden overgenomen, uitgewerkt en geïmplementeerd, dan zou het fantastisch zijn als dat samen met kinderen gebeurt. Zo werk je samen met kinderen aan een eindresultaat, stapje voor stapje (kraal voor kraal). Laagdrempelig en kindvriendelijk meldpunt Tijdens de bijeenkomst in de Uilenburgersjoel was ook Discriminatie.nl Regio Amsterdam aanwezig. De stadsdelen waarderen dat deze organisatie nadenkt over hoe zij laagdrempeliger kan functioneren en haar taalgebruik kan aanpassen. Tegelijk benadrukken de stadsdelen dat, gezien de toename van het aantal meldingen over discriminatie, voldoende menskracht (en dus budget) bij Discriminatie.nl nodig is.

42

Brede toepassing van de aanbevelingen Het zou mooi zijn als de opbrengst van de beide rapporten uiteindelijk ook buiten Amsterdam worden opgepakt. In één gemeente is dat al het geval. Zo is de gemeente Diemen onlangs gestart met een onderzoek. Het rapport Anders behandeld dient als basis en er is regelmatig overleg met de gemeente. De stadsdelen merken op dat het voor het college en de professionals in het conceptrapport ook een steun kan zijn als het Rijk verantwoordelijkheid neemt voor dit thema. Zij vragen de Kinderombudsman hier expliciet aandacht voor te vragen in het vervolg. Aanbevelingen De Kinderombudsman zal in het rapport de gemeente onder meer aanbevelen om in regelgeving en beleid gebruik te maken van de door de Nationale Kinderombudsman ontwikkelde kinderrechtentoets. Hierin zou nog meer expliciet gekeken kunnen worden naar discriminatie- en racisme aspecten. De Kinderombudsman denkt graag mee over hoe de toets duidelijk en praktisch kan worden toegepast. De stadsdelen stellen voor om dit onderwerp op te nemen in het participatiebeleid van de gemeente Amsterdam. De Kinderombudsman wijst erop dat dit eerder al is aanbevolen in het rapport Buitenspel over participatietrajecten in de openbare ruimte. Participatie en beleid De stadsdelen geven aan dat bij elk project of beleidsvoorstel een verplicht participatietraject wordt doorlopen.

Vooraf wordt in overleg met het bestuur vastgelegd hoe dit traject wordt uitgevoerd. Dit geldt voor alle initiatieven die invloed hebben op de openbare ruimte. In de praktijk krijgt de positie van kinderen echter vaak onvoldoende aandacht. Het is daarom belangrijk dat bij elk participatietraject expliciet wordt vastgesteld of het project invloed heeft op de leefwereld van kinderen. Als dat het geval is, dienen kinderen bij het participatieproces te worden betrokken. Is dat niet het geval dan moet dit expliciet worden toegelicht. De Kinderombudsman meldt dat de aanbevelingen uit het rapport Buitenspel, dat onder meer over kinderparticipatie ging, heeft overgenomen. Inmiddels is er contact geweest met de afdeling binnen de gemeente Amsterdam die verantwoordelijk is voor participatie. Bekeken wordt hoe kinderrechten structureel in participatietrajecten kunnen worden meegenomen. De stadsdelen stellen voor om in het rapport een korte voetnoot op te nemen waarin wordt verwezen naar eerdere aanbeveling over dit onderwerp. De Kinderombudsman zegt dit toe. Zienswijze stadsdelen De stadsdelen hebben geen behoefte om een gezamenlijke zienswijze in de rapportage op te nemen. Tijdens het proces is er regelmatig afgestemd over de ingebrachte onderwerpen. Het rapport laat zien dat de Kinderombudsman en de stadsdelen, waar nodig, gezamenlijk hebben optrokken.

En dat er verschillende perspectieven zijn meegenomen. Vooruitzichten en publicatie In december 2025 zal de Kinderombudsman twee scholen in Amsterdam Zuidoost bezoeken die aanwezig waren bij de bijeenkomst in de Uilenburgersjoel, om terugkoppeling te geven over de resultaten. Vergelijkbare terugkoppelingen kunnen eventueel plaatsvinden in stadsdeel Centrum en/of Zuid, bijvoorbeeld via de kindercommissie, als de stadsdelen daar behoefte aan hebben. Het rapport wordt op 20 november 2025, de Internationale Dag van de Rechten van het Kind, gepubliceerd. Op dezelfde datum vorig jaar verscheen het eerste rapport Anders behandeld. De definitieve rapportage wordt samen met een aanbiedingsbrief aan het college aangeboden en gepubliceerd op de website van de Kinderombudsman.

43

44

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16541866/1