CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

20241024 OZA definitief verslag

Raadscommissie Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding 2 oktober 2024, gemeente Amsterdam7.594 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Gemeente Amsterdam Raadscommissie Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding

OZA

Raadscommissieverslag, 2 oktober 2024

DEFINITEF VERSLAG Vergadering

Openbare vergadering van de Raadscommissie Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding Vergaderdatum Woensdag 2 oktober 2024 van 9.00 tot 12.30 uur in de raadszaal Verslag vastgesteld op: Woensdag 6 november 2024

Voorzitter: R. Alberts Portefeuillehouders: wethouders Moorman, Scholtes Commissiegriffier: K. van Klooster, R.N. Heeneman Verslaglegging: Notuleerservice Nederland Aanwezige leden: Bentoumya (GroenLinks), Bilgin (Forum voor Democratie), Bouali (GroenLinks), Broersen (Volt), Didderen (PvdD), Haijen (SP), Hakiki (DENK), Hylkema (VVD), De Jong (JA21), Van der Kamp (VVD), Minderhoud (PvdA), Noordzij (PvdA), Van Pijpen (GroenLinks), Runderkamp (PvdA), Wehkamp (D66), Wijmenga (CDA) Afwezig lid: Perdok (Lijst Ahmadi-Veldhuyzen) Overige aanwezigen: Deterink (VVD), Nadif (GroenLinks), Karijn Helsloot (inspreker), Elijah Delsink (inspreker)

ALGEMEEN DEEL 1. a. Opening procedureel gedeelte De VOORZITTER opent de vergadering om 09.00 uur en heet iedereen welkom. Ze stelt vast dat er voldoende fracties aanwezig zijn. b. Mededelingen De VOORZITTER meldt dat er een afmelding is ontvangen van het lid Perdok (Lijst Ahmadi-Veldhuyzen). De eerste termijn van de begroting van alle commissies wordt besproken in de bijzondere vergadering van de commissie FKD van 16 oktober. De tweede termijn vindt plaats in de commissie OZA van 6 november. Wethouder SCHOLTES deelt mee dat het project Beschikken op Maat binnen de Wmo-zorg helaas vertraging oploopt door ICT-problemen. De commissie zal er per brief nader over worden geïnformeerd. Het is aan de commissieleden om deze brief mee te nemen bij de behandeling van het onderwerp in de raadsvergadering. Lid VAN PIJPEN stelt voor om het onderwerp van de raadsagenda af te halen en de brief eerst te bespreken. Lid RUNDERKAMP wil eerst de brief van de wethouder afwachten. De VOORZITTER concludeert dat men na ontvangst van de brief deze beslissing zal nemen. Wethouder MOORMAN meldt dat op 23 oktober de Dag van de Voorschool zal plaatsvinden. Verder meldt ze dat per 1 januari 2026 de taken van de SAG zullen worden

1

Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding

OZA

Definitief Raadscommissieverslag, 10 juli 2024

ondergebracht bij de GGD, in goed overleg. Desgevraagd licht ze toe dat het overzichtelijker is om binnen de jeugdgezondheidszorg met minder partijen te werken. c. Vaststellen agenda De VOORZITTER zegt dat er geen bijdragen zijn ontvangen voor agendapunt 3 en 4. De commissie stemt ermee in om deze punten te hameren. Er is voorgesteld om de punten 10, 12 en 13 door te schuiven naar een volgende vergadering. Punt 6 wordt ook doorgeschoven, maar wellicht later afgevoerd. De agenda wordt vastgesteld. Achtereenvolgens worden de agendapunten 8, 9, 11, 14, 5 en 7 besproken. d. Conceptverslag van de openbare vergadering van de raadscommissie OZA d.d. 11 september 2024 De commissie stelt het verslag ongewijzigd vast. e. Termijnagenda, per portefeuille Er zijn geen opmerkingen. f. TKN-lijst Er zijn geen opmerkingen. g. Ingekomen stukken stadsdeelcommissie Er zijn geen ingekomen stukken stadsdeelcommissies. INHOUDELIJK DEEL 2. a. Opening inhoudelijk gedeelte De VOORZITTER opent het inhoudelijke gedeelte van de vergadering. b.

Inspreekmoment publiek Bij agendapunt 2b, Meertaligheid binnen het onderwijs Inspreker Karijn Helsloot spreekt namens Stichting Taal naar Keuze en vraagt aandacht voor een Onderzoeks- en Implementatievoorstel dat samen met het Kohnstamm Instituut is opgesteld en ondersteuning van het voortgezet onderwijs binnen het beleidskader Meertaligheid binnen het Onderwijs beoogt. De Wet voortgezet onderwijs biedt ruimte om moderne talen als keuzevak aan te bieden naast de verplichte vakken Nederlands en Engels. Een pilot binnen de Esprit-scholen liet zien dat hier veel belangstelling voor is. De stichting Taal naar Keuze spant zich actief in om het voor steeds meer leerlingen mogelijk te maken de thuistaal te kiezen als examenvak. Inspreker geeft aan dat een degelijk onderzoek naar de effecten nodig is. Daarnaast is een implementatievoorstel nodig om moderne talen structureel te integreren op Amsterdamse VO-scholen, waarbij spaarzame middelen efficiënt worden ingezet en er wordt gewerkt met schooloverstijgende taaldocenten. Inspreker vraagt om dit voorstel op de begroting van volgend jaar te zetten.

2

Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding

OZA

Definitief Raadscommissieverslag, 10 juli 2024

Bij agendapunt 14, Afdoening toezegging inzake inzet ABA-therapie in Amsterdam bij kinderen met autisme Inspreker Elijah Delsink spreekt namens LBVSO en vraagt aandacht voor de schadelijke effecten van ABA-therapie bij kinderen met autisme. Inspreker spreekt uit persoonlijke ervaring en geeft aan dat er meer dan honderd slachtoffers zijn in Amsterdam. Inspreker stelt dat in de brief van de wethouder staat dat het aantal aanbieders van ABAtherapie in het komend jaar zal worden verminderd. Inspreker vindt het onverantwoord dat er dan nog steeds jongeren zijn, die deze vorm van therapie krijgen, omdat uit internationaal onderzoek blijkt dat het leidt tot psychosociale problemen. De therapie richt zich op operante conditionering, waarbij ongewenst gedrag constant wordt gecorrigeerd en gewenst gedrag beloond. Deze manipulatieve aanpak negeert de eigen waarden en autonomie van een individu. Inspreker geeft aan dat organisaties die positieve effecten van ABA rapporteren, vaak een financieel belang hebben en benadrukt dat er meerdere alternatieve therapieën bestaan, met een wetenschappelijk onderbouwd positief effect. Inspreker wil dat de gemeente per direct ingrijpt en het aanbod van ABA-therapie in Amsterdam stopzet.

Desgevraagd geeft inspreker aan dat het cruciaal is dat LBVSO nauw betrokken wordt bij het vervolgproces, zodat hun input optimaal kan bijdragen aan het succes van vervolgstappen van de gemeente. Daarnaast licht de inspreker toe dat er een lijst is opgesteld van meer dan vijftig alternatieve therapiemogelijkheden, in samenwerking met vooraanstaande experts uit het vakgebied. Inspreker meldt dat de eerste klachten over deze therapie al binnenkwamen in 2020, bij de oprichting van LBVSO. In de afgelopen tijd is het aantal klachten in het hele land fors toegenomen. c. Actualiteiten en mededelingen Er zijn geen actualiteiten en mededelingen. d. Rondvraag Er is geen rondvraag.

BESPREEKPUNTEN Onderwijs 3. Herbenoemen van een lid in de Raad van Toezicht van het Ir. Lely Lyceum (VN2024-012551) Dit punt is gehamerd. 4. Vaststellen van het besluit van het college tot wijziging van de Verordening op het lokaal onderwijsbeleid Amsterdam (VloA) 2019 in verband met de tijdelijke aanvulling van de Verordening in verband met de Voorziening HDT (VN2024-012551) Dit punt is gehamerd. Publieke Gezondheid en Preventie 8. Instemmen met raadsbrief inzake LHBTIQ+-acceptatie n.a.v. Gezondheidsmonitor Jeugd 2023 (VN2024-012764) Lid DETERINK van de commissie FKD dankt voor de uitnodiging. Hij uit zijn zorgen over de lage acceptatiepercentages onder jongeren ten aanzien van de LHBTIQ+-

3

Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding

OZA

Definitief Raadscommissieverslag, 10 juli 2024

gemeenschap, zoals vermeld in het rapport. Hij vraagt of het college openstaat voor een breder onderzoek onder jongeren op dit thema, om achterliggende oorzaken beter in beeld te krijgen. Daarnaast vraagt hij of de schoolrapporten in de Gezondheidsmonitor de mogelijkheid bieden om analyses op wijkniveau te maken. Hij vindt het belangrijk dat signalen van professionals, die naar aanleiding van deze schoolrapporten met de scholen spreken, ook de raad bereiken. Hij vindt het zorgwekkend dat aanbieders van gastlessen, bijvoorbeeld over seksuele vorming, aangeven dat er een toename is van sociale onveiligheid in klassen en vraagt of er signalen zijn dat zij daarom willen stoppen. Lid WEHKAMP vraagt bij interruptie hoe de VVD aankijkt tegen het hoofdlijnenakkoord, waarin staat dat de doelen over voorlichting neutraal moeten zijn, beter toegesneden op de leeftijd van leerlingen en dat het lesmateriaal leeftijdsadequaat moet zijn. Lid DETERINK geeft aan dat hem niet precies duidelijk is, wat er met deze tekst bedoeld wordt. Hij benadrukt dat de staatsecretaris en fractievoorzitter van de VVD al hebben aangegeven het huidige lesprogramma over seksuele vorming te willen voortzetten. Lid BENTOUMYA vraagt of de VVD zich niet alleen in Amsterdam, maar ook landelijk wil blijven inzetten voor adequate seksuele vorming binnen het onderwijs, met structurele aandacht voor LHBTIQ+-acceptatie.

Lid DETERINK is bestuurslid van het VVD Thematisch Netwerk LHBT en ziet dit als een speerpunt. Lid NOORDZIJ vindt dat de tekst in het hoofdlijnenakkoord is voortgekomen uit jarenlange stigmatisering van het onderwijsaanbod over seksuele vorming en vraagt hoe de VVD dit ziet. Lid DETERINK verwijst naar de beantwoording van Kamervragen op dit onderwerp, waarin VVD-politici dit met krachtige argumenten tegenspreken. Hij vervolgt zijn betoog en geeft aan dat dit onderwerp ook buiten het onderwijs dient te worden opgepakt, zoals in de thuissituatie, sportclubs, buurthuizen, religieuze instellingen en sociale media. Hij vraagt hoe het college daar tegenaan kijkt. Lid BROERSEN steunt een breder onderzoek, maar is kritisch over de wijkgerichte aanpak. Lid DETERINK ziet dit als een onderdeel van de brede analyse. Als het onderzoek aantoont dat de LHBTIQ+-acceptatie heel laag is op scholen in specifieke wijken, kunnen professionals gericht in deze wijken aan het werk gaan. Lid WEHKAMP wijst op het regeerprogramma waarin staat dat de overheid afspraken wil maken met gemeenten over effectieve interventies voor preventie toe te passen, onder andere voor seksuele gezondheid. Er komen hiervoor minder financiële middelen beschikbaar. Ze roept het VVD-lid op om dit beleid te keren. Lid DETERINK herhaalt dat hij zich hier hard voor maakt.

Lid BENTOUMYA deelt de zorgen over de dalende acceptatiecijfers. Ze geeft aan dat ze geen toegevoegde waarde ziet van een wijkgerichte aanpak, aangezien de toenemende trend naar conservatisme landelijk is en zelfs internationaal. In het onderwijs zou een verplicht, vastomlijnd curriculum rondom seksuele vorming helpen. Ze pleit voor een lobby in deze richting, eventueel in samenwerking met de andere grote steden. Ze benadrukt ook het belang van ondersteuning voor docenten, die middelen nodig hebben om dit gesprek effectief te kunnen voeren. Ze vraagt in hoeverre docenten gebruikmaken van de leergang Inclusief Onderwijs en of het beschikbare budget volledig wordt besteed. Ze vraagt tot slot hoe men ouders in dit thema kan betrekken.

4

Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding

OZA

Definitief Raadscommissieverslag, 10 juli 2024

Lid WEHKAMP vindt de onderzoeksresultaten en de internationale trend naar conservatisme ook zorgwekkend. Zij vraagt de wethouder om de beleidsbrief op het gebied van seksuele gezondheid te actualiseren, wat als basis kan dienen bij de gesprekken die gaan plaatsvinden volgens het regeerprogramma. Hierbij kan het Nationaal Actieplan Seksuele Gezondheid als uitgangspunt worden meegenomen, evenals input vanuit belangengroepen. Lid NOORDZIJ is ook bezorgd over deze cijfers en spreekt zijn verontwaardiging uit over de hetze tegen seksuele minderheden. Hij geeft aan dat het niet altijd duidelijk is waar jongeren terecht kunnen voor hulp en vraagt of dit wordt meegenomen in de Agenda Digitale Stad. Hij vindt het belangrijk dat zorgprofessionals in gesprek gaan met scholen, ook met scholen die nu nog niet meedoen in de monitor. Er is een belangrijke rol weggelegd voor de GSA’s, die op meerdere Amsterdamse scholen actief zijn. Lid WIJMENGA sluit zich aan bij de zorgen over de trend. Ze ondersteunt de oproep om verder onderzoek te doen. Lid DIDDEREN vindt de cijfers alarmerend. De dalende trend in de acceptatiecijfers, zelfs in een tolerante stad als Amsterdam, is zeer zorgwekkend. Ze wijst op de negatieve effecten van sociale media. Ze bepleit de noodzaak van verder onderzoek en vraagt om een actieplan met betrekking tot de LHBTIQ+-acceptatie.

Ze vraagt hoe de gemeente ervoor kan zorgen dat er effectief gebruik wordt gemaakt van de beschikbare middelen. Lid BROERSEN deelt de zorgen over de onderzoeksresultaten ook en ziet een duidelijke link naar sociale media. Jongeren blijven te lang hangen in een bepaalde bubbel, waardoor ze minder openstaan voor anderen en polarisatie toeneemt. Ze steunt de oproep van de wethouder aan de Rijksoverheid om beter in te spelen op de leefwereld van jongeren. Ze steunt de oproep tot verder onderzoek, maar wil daarin geen wijkgerichte analyse. Tot slot vraagt ze hoe de gemeente, naast preventie maatregelen, zich wil inzetten voor het welzijn van LHBTIQ+-jongeren. Lid DE JONG interrumpeert en zegt dat een eventuele link tussen toenemend conservatisme en een lage acceptatie voor seksuele minderheden nog moet worden onderzocht. Hij vraagt hoe dit past bij de dalende acceptatiecijfers in Amsterdam, terwijl er juist heel links gestemd is. Lid BROERSEN denkt dat het met name gaat om jongeren tussen de 13 en 16 jaar, die door algoritmes op sociale media slechts eenzijdige perspectieven zien. Zij mogen nog niet stemmen. Wellicht kijken ze kritischer naar deze informatie als ze ouder worden. Lid DETERINK vraagt per interruptie waarom wijkgericht onderzoek naar acceptatie niet wordt ondersteund. Lid BROERSEN zegt dat dit polarisatie kan voeden.

Bovendien bewegen jongeren zich door de hele stad voor school, sportclub en het sociale leven. Een effectieve aanpak moet in de hele stad worden uitgerold Lid HAKIKI sluit zich aan bij Volt. Ze geeft aan dat er op wijkniveau al heel veel gebeurt. Ze vraagt zich af of scholen niet al genoeg doen en de focus bij sociale media moet liggen. Lid BENTOUMYA vraagt om verduidelijking vanuit DENK, aangezien de reacties tegenstrijdig lijken. Lid HAKIKI zegt dat ze voorstander is van een onderzoek om te kijken wat verbeterd kan worden. Ze is geen voorstander van een wijkgerichte aanpak, omdat het

5

Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding

OZA

Definitief Raadscommissieverslag, 10 juli 2024

polariserend kan werken. Ze benadrukt dat er nu al heel veel op dit vlak gebeurt en er zijn ook signalen dat dat genoeg is. Ouders zien dat er veel gebeurt, maar het moet niet worden opgedrongen. Lid DIDDEREN zegt dat de dalende acceptatiecijfers juist laten zien dat men niet voldoende doet. Ze denkt dat het niet juist is om de verantwoordelijkheid voor een inclusieve seksuele opvoeding met aandacht voor seksuele minderheden bij ouders te leggen, als zij van mening zijn dat dit wordt opgedrongen. Dit zal niet het gewenste effect hebben om de LHBTIQ+-acceptatie te verhogen. Lid WEHKAMP vraagt hoe DENK zijn verantwoordelijkheid hierin neemt, waarbij ze wijst op de verkiezingsposter met een regenboogvlag en de tekst dat men weer normaal moet doen. Lid HAKIKI zegt dat haar fractie de lijn van het verkiezingsprogramma aanhoudt. Lid BILGIM spreekt steun uit voor een wijkgericht onderzoek. Het bevorderen van interacties tussen diverse groepen is van groot belang en daarbij helpt het als inzichtelijk wordt gemaakt in welke wijken dit het meest nodig is. Lid NOORDZIJ zegt dat Forum voor Democratie zich over mensen uit de LHBTIQ+gemeenschap heeft uitgesproken met de woorden onzin, geneuzel of gek. Lid BILGIM schaart zich niet achter deze uitspraken. Desgevraagd bevestigt hij dat zijn fractie het bevorderen van LHBTIQ+-acceptatie steunt.

Wethouder MOORMAN geeft aan dat er zowel in het onderwijs als in de Agenda Digitale Stad aandacht is voor dit onderwerp, waarbij zij specifiek ingaat op onderwijs. Allereerst complimenteert zij de commissie, omdat er brede steun is voor het bevorderen van acceptatie van de LHBTIQ+-gemeenschap, wat een speerpunt is voor Amsterdam. Ze betreurt dat het Hoofdlijnenakkoord onduidelijkheid creëert op dit thema, wat de acceptatie niet ten goede komt. Het college vindt de cijfers uit het onderzoek ook zorgwekkend. De online leefwereld speelt hier een belangrijke rol. Ze merkt daarbij op dat de cijfers bekeken moeten worden in het licht van een internationale trend richting conservatisme. Ook in andere grote steden zijn de acceptatiecijfers fors gedaald. De aanpak van de gemeente zal dus moeten worden geïntegreerd in brede, landelijke maatregelen. Ze onderstreept dat het bestrijden van stigmatisering van seksuele minderheden niet mag leiden tot stigmatisering van andere groepen. Men moet vrij kunnen zijn in seksuele oriëntatie, maar ook in het geloof. Ze geeft aan dat de adviseurs voor de Gezonde School scholen ondersteunen bij het creëren van een gezond schoolklimaat, waarbij zij ook het gesprek aangaan over acceptatie van seksuele minderheden.

Hierbij worden ook professionals betrokken vanuit organisaties als het COC en de Rutgers Stichting, die zich inzetten voor seksuele gezondheid en LHBTIQ+-acceptatie. Ze herkent de signalen dat gastdocenten zich soms onveilig voelen, maar vaak is dat een extra drijfveer om door te gaan. Ze bevestigt dat met andere grote steden wordt samengewerkt op dit vlak. De gemeente Amsterdam is hierin een voorloper. Er is een verplichting voor scholen om binnen het curriculum aandacht te besteden aan dit thema. Scholen kiezen zelf hoe zij hier invulling aan geven. Ze is voorstander van deze keuzevrijheid. De leergang Inclusief Onderwijs wordt goed gevolgd, en dit geld wordt dus goed besteed. Ze geeft aan dat adviseurs voor de Gezonde School ook in gesprek gaan met scholen die nog niet deelnemen aan de monitor. Daarnaast bevestigt ze dat GSA’s intensief betrokken worden bij de gesprekken over dit thema. Tot slot brengt ze naar voren dat ze geen voorstander is van een wijkgerichte aanpak, omdat mogelijk een volgende stigmatisering hieruit volgt. Een brede aanpak is nodig op verschillende beleidsterreinen, waarbij scholen, ouders en de brede maatschappij worden betrokken. Ze ziet het als een complexe uitdaging.

6

Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding

OZA

Definitief Raadscommissieverslag, 10 juli 2024

Wethouder SCHOLTES sluit zich aan bij het betoog van zijn collega. Op verschillende beleidsterreinen is er aandacht voor de online leefwereld van kinderen en voor manieren om hen beter te beschermen tegen eenzijdige informatie, polarisatie en sextortion. Professionals, gastdocenten en jongeren zelf geven aan dat de sociale onveiligheid is toegenomen. In de digitale wereld dragen algoritmes bij aan polarisatie door eenzijdige content te presenteren. Hij betreurt dat ook sommige politieke partijen hieraan bijdragen met rigide overtuigingen over genderrollen. Hoewel er nog veel onderzoek gedaan kan worden naar de relatie tussen de online leefwereld en polarisatie, is hij van mening dat er direct al maatregelen moeten worden genomen. Een brede aanpak is nodig. De raad zal op korte termijn een brief ontvangen over de voortgang van de initiatieven binnen het Regenboog Stembusakkoord. Op het gebied van seksuele gezondheid is er een Mensenrechten Scan uitgevoerd. Daar zijn aanbevelingen uit voortgekomen, waaronder het actualiseren van het beleid. Hij zegt toe dit voortvarend op te pakken. Lid DETERINK vraagt of het college toezegt dat er verder onderzoek zal worden uitgevoerd naar de daling van de acceptatiegraad voor LHBTIQ+’ers onder jongeren. Wethouder SCHOLTES verwijst naar de brief waarin al staat dat men de lopende onderzoeken op dit gebied zal volgen.

Hij wil echter niet wachten met het nemen van maatregelen. Hij geeft aan dat het college zelf geen aanvullend onderzoek opstart. Lid DETERINK vindt dat het college aanvullend onderzoek moet doen naar aanleiding van deze cijfers. Hij verzoekt dit punt door te sturen naar de raad en zal dan een motie indienen. Wethouder SCHOLTES geeft mee dat er onderscheid gemaakt moet worden tussen het doel en de middelen. De VOORZITTER stelt vast dat het punt voldoende besproken is en naar de raad van 13 november wordt doorgestuurd. 9. Kennisnemen van het programmaplan Preventie Middelengebruik (VN2024012757) Lid VAN PIJPEN is positief over het plan met een integrale aanpak voor middelengebruik, waarin ook aandacht is besteed aan gokverslaving. Het programma richt zich vooral op gedragsverandering en verandering van de leefomgeving. Echter, soms wordt er voorbijgegaan aan het feit dat mensen legitieme redenen kunnen hebben om middelen te gebruiken. Het gebruik kan in sommige gevallen worden gezien als een vorm van zelfmedicatie, bijvoorbeeld als er geen zorgverlener beschikbaar is, of als het effectiever werkt dan therapie. Zij vraagt of het programma ook rekening houdt met deze cases. Verder vindt ze dat ervaringsdeskundigen structureel moeten worden ingezet binnen de werkwijze. Informatie daarover mist ze in het plan.

Ook mist ze informatie over de inzet van de sociale omgeving en hoe hun een handelingsperspectief kan worden geboden. Veel aandacht gaat uit naar de aanpak van nicotineverslaving. Ze pleit voor eenzelfde aanpak bij gokken, namelijk een totaalverbod op reclames, ook online. In dit kader doet ze een dringende oproep om in gesprek te gaan met Ajax. Lid HAKIKI spreekt ook haar waardering uit voor dit plan. Ze zegt dat er op het gebied van roken veel successen zijn geboekt, maar dat er ook ruimte is voor verbeteringen. Haar fractie stelt voor om een verbod in te stellen voor de aanschaf van tabak voor jongeren onder 18 jaar. Op het gebied van alcoholgebruik pleit ze voor verbetering van de voorlichting en bewustwording. Onderzoek toont aan dat veel mensen denken dat een glas per dag goed is voor de gezondheid. Daarnaast steunt ze de proef met alcoholvrije sportkantines. Ze vraagt hoeveel clubs hieraan zouden willen meewerken en hoe dit gefaciliteerd kan worden. Een verbod op reclames is een krachtige maatregel die helpt bij het denormaliseren van alcoholgebruik en terugdringen van de zichtbaarheid ervan. Ze pleit voor invoering

7

Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding

OZA

Definitief Raadscommissieverslag, 10 juli 2024

ervan. De vrije keuze moet behouden blijven, maar het helpt om de overweldigende aanwezigheid van alcohol terug te dringen. Ook op het gebied van cannabisgebruik pleit ze voor versterking van de informatievoorziening over de TCH-gehaltes en de mogelijke gevolgen hiervan. Lid WEHKAMP geeft aan dat het gebruik van middelen niet volledig kan worden voorkomen. Legalisering van bepaalde middelen zorgt ervoor dat ze veilig gebruikt kunnen worden, mits dit gepaard gaat met de juiste informatievoorziening en het beperken van verleidingen tot gebruik. Om de groeiende problemen met betrekking tot vapen tegen te gaan, stelt ze voor om in gesprek te gaan met jongeren vanaf 12 jaar, om van hen te horen wat hen helpt. Ze vindt het goed dat er in het programmaplan aandacht is voor chemseks. Voorlichting en bewustwording zijn hierbij van cruciaal belang. Tot slot wijst ze op een toenemende problematiek in het Oosterpark door verslaafden. Ze spreek haar zorg uit over de kwaliteit van de zorg die geboden wordt aan deze groep. Lid WIJMENGA is ook positief over het plan. Ze wijst erop dat het gebruik van Ritalin, dat met name onder studenten voorkomt, onvoldoende aandacht krijgt. Ze vindt dit zorgwekkend en vraagt of de omvang van het probleem in kaart is gebracht en of er maatregelen genomen worden.

Tot slot vraagt ze naar de opmerking over het legaliseren van cocaïnegebruik en hoe dit past bij het programmaplan, dat gericht is op preventie. Lid BILGIN speekt waardering uit voor de plannen. Op bepaalde punten gaat het plan te ver, zoals het voorstel om bedrijfsborrels alcoholarm te maken. Hij ondersteunt verbetering van informatievoorziening en bewustwording, maar mensen maken uiteindelijk zelf hun keuze. Hij denkt dat alcoholarme sportkantines geen realistische optie is, gezien de financiële implicaties voor clubs. Hij vraagt hoe het plan voor het ontwikkelen van businesscases tot stand is gekomen in dit kader. Hij denkt dat een lobby voor accijnsverhogingen op tabak averechts werkt, mede omdat het aanbod van illegale, soms nog schadelijkere, sigaretten daardoor toeneemt. Lid RUNDERKAMP is ook positief over het plan. Hij bespreekt het rookvrij maken van de stad en verwijst naar de gemeente Utrecht, waar het verbod op nieuwe tabakszaken juridisch niet houdbaar bleek. Hij vraagt naar de stand van zaken met betrekking tot de lobby richting Den Haag hierover. Daarnaast vraagt hij waarom de zone rondom speelplaatsen, onderwijs- en zorginstellingen, waar geen verkoop van nicotineproducten mag plaatsvinden, beperkt moet blijven tot honderd meter.

Wethouder SCHOLTES geeft aan dat het programmaplan aansluit bij de bredere beweging gericht op preventie en het verkleinen van gezondheidsverschillen in de stad. Hij spreekt zijn waardering uit naar GroenLinks, omdat het initiatiefvoorstel ervoor heeft gezorgd dat ook gokverslaving erin is opgenomen. Hij vindt het essentieel dat op de verschillende terreinen wordt samengewerkt met ervaringsdeskundigen. Waar nodig zal dit worden verduidelijkt in het plan. Maatregelen richten zich op gedragsbeïnvloeding. Daarnaast zijn maatregelen gericht op de leefomgeving. Hij bevestigt dat een verbod op nieuwe tabakszaken in de gemeente Utrecht juridisch geen stand hield. Gezamenlijk zal men de lobby richting de Rijksoverheid intensiveren om bevoegdheden van gemeenten uit te breiden op dit vlak. Hij verwijst ook naar twee moties die hiertoe bijdragen. Richting lid Van Pijpen zegt hij dat de redenen voor verslaving een belangrijk aandachtspunt zijn voor zorgprofessionals, als onderdeel van het behandeltraject. Lid VAN PIJPEN interrumpeert met de opmerking dat het ook om zelfmedicatie kan gaan en dat dit ook een plek verdient in het preventieplan. Wethouder SCHOLTES zegt dat hij openstaat voor ideeën om daar ruimte voor te bieden. Kennisbevordering is een belangrijk speerpunt in het plan.

Hij noemt als voorbeeld het programma Helder op school, dat leerlingen, ouders en docenten informeert over middelengebruik en preventiemaatregelen. In de gemeenteraad zal er nog een bredere discussie plaatsvinden over reclame, waarbij het verminderen van tabaks- en gokreclames

8

Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding

OZA

Definitief Raadscommissieverslag, 10 juli 2024

een speerpunt is. De gemeente zal in gesprek gaan met aanbieders van reclames en tegelijkertijd in Den Haag aandringen op landelijke wet- en regelgeving. Hij vindt het ook ongewenst dat voetbalclubs een gokbedrijf als hoofdsponsor hebben en wil graag stappen ondernemen om dit te veranderen. Hij erkent dat vapen een groeiend probleem is, waar de huidige regelgeving ontoereikend voor is. Het plan besteedt hier expliciet aandacht aan. Daarentegen is gebruik van Ritalin niet in kaart gebracht. Over het legaliseren van bepaalde middelen merkt hij in zijn algemeenheid op dat onderzoek aantoont dat repressie geen effectieve maatregel is. Hij vindt niet dat de maatregelen in dit plan te ver doorschieten. Er is een bredere aanpak nodig waaraan scholen en sportclubs, maar ook werkgevers meewerken. Voor sportclubs kan de financiële impact groot zijn als zij minder alcohol schenken, vandaar dat men hulp aanbiedt in de vorm van een businesscase. Lid HAKIKI vraagt of de wethouder al met verenigingen in gesprek is. Wethouder SCHOLTES zegt dat men nog in gesprek zal gaan over het verminderen van alcohol, zeker met clubs waar veel jongeren aangesloten zijn. Desgevraagd geeft hij aan dat er in opdracht van de GGD recent een onderzoek is uitgevoerd naar vapen onder jongeren van 12 tot 16 jaar.

Factoren die hen helpen om niet te vapen zijn onder meer gezondheid en conditie, kosten, een verbod door de ouders. Bij de UvA is een onderzoek gaande naar effectiviteit van interventiemaatregelen. Ook wordt gezocht naar mogelijkheden om de online verkoop van vapes tegen te gaan. Op de vraag over chemseks antwoordt hij dat deze groep goed in beeld is en er adequate zorg en hulpverlening beschikbaar is. Hij neemt dit ook mee bij de actualisatie van het beleid omtrent seksuele gezondheid. Tot slot beaamt hij dat de problematiek in het Oosterpark is toegenomen. Er zijn diverse organisaties voor zorg en opvang in de omgeving en ook de aanpak Overlastgevende Veelplegers is hiervoor ontwikkeld, maar niet iedereen staat daarvoor open. De gemeente zal het gesprek blijven voeren over hoe de problemen kunnen worden verminderd, waarbij ook opties als het inrichten van gebruikersruimten worden overwogen. De VOORZITTER stelt vast dat het punt voldoende besproken is. Het wordt doorgestuurd naar de raad van 13 november. Zorg en Maatschappelijke Ontwikkeling 11. Beleidskader toezicht & handhaving Wmo/Jeugdwet en het Handhavingskader Pgb Wmo/Jeugdwet (VN2024-012760) Lid VAN PIJPEN zegt dat het er inhoudelijk goed uitziet. Ze vraagt waarom dit kader geen raadsvoordracht is.

Verder vindt ze dat de inhoudelijke regelgeving waarop getoetst wordt, erg versnipperd is en samengebracht moet worden in een duidelijk en toegankelijk document. Het is goed dat er een meldpunt is ingericht. Ze vraagt om bevestiging of de GGD in haar rol als toezichthouder nu ook beschikbaar is voor individuele Amsterdammers, bijvoorbeeld wanneer er een verzoek voor handhaving wordt ingediend. Lid WIJMENGA is ook positief over het kader. Ze vraagt nadere toelichting over de periodieke evaluaties die worden ingepland. Lid BROERSEN sluit zich aan bij de vragen van lid Van Pijpen. Verder vraagt ze een toelichting over de informatievoorziening voor cliënten, wanneer zij in gesprek gaan met aanbieders als de ondersteuning niet conform afspraken verloopt. Ook vraagt ze of het meldpunt voldoende toegankelijk is. Tot slot merkt ze op dat de toezichthouder autonoom kan beslissen om bevindingen, oordelen en adviezen voor te leggen aan het gemeentebestuur. Ze vraagt of hier richtlijnen voor zijn. Lid HAIJEN zegt dat de VNG inschat dat er middels zorgfraude honderden miljoenen euro’s zijn ontvreemd, die specifiek voor de Wmo en de Jeugdwet bedoeld zijn. Het aanscherpen van toezicht vindt hij dus erg belangrijk. Hij vraagt of de GGD voldoende

9

Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding

OZA

Definitief Raadscommissieverslag, 10 juli 2024

mankracht en middelen heeft om deze toezichthoudende taken op zich te nemen. Hij is blij dat het handhavingskader er nu ligt, waarbij er verschillende maatregelen mogelijk zijn. Hij vindt het nog onduidelijk waar de regels voor het gebruik van zorggeld zijn vastgelegd en vraagt of er landelijke of lokale wetgeving van toepassing is. Hij noemt een voorbeeld uit Tilburg, waar bleek dat de afspraken over de besteding van pgb-gelden niet duidelijk genoeg waren opgenomen in lokale regelgeving. Tot slot is hij kritisch over de pgbsystemen, die met name voor kwetsbare Amsterdammers te complex zijn. Wethouder SCHOLTES stelt dat het beleidskader een heldere visie biedt en zorgt voor een eenduidige werkwijze. Er zijn verschillende instrumenten voor handhaving, waarbij de basisaanpak is gebaseerd op vertrouwen. Er is ook meer transparantie over waarom bepaalde handhavingsmaatregelen worden genomen. De technische vragen van de SP en GroenLinks zal hij schriftelijk beantwoorden. Hij geeft aan dat er in zijn algemeenheid sprake is van schaarste in de capaciteit voor handhaving. Hij verwacht dat een aantal zaken in het implementatieplan nader zullen worden uitgewerkt, waaronder een fraudeaanpak, een kwaliteitstoets voor pgb-aanbieders, informatievoorziening en ondersteuning voor cliënten, ook bij gebruik van de systemen.

Conform artikel 6.1 van de Wmo uit 2015 is het vaststellen van dit kader geen raadsbevoegdheid. Op de vraag waar toezichthouders zich op kunnen baseren om te bepalen of zorggeld rechtmatig wordt gebruikt, antwoordt hij dat de afspraken bij zorg in natura vastliggen in de contracten met zorgaanbieders. Het Handhavingskader Pgb is de juridische basis voor de gemeente om te kunnen handhaven bij onrechtmatig gebruik van pgb-gelden. De VOORZITTER stelt vast dat het punt voldoende besproken is. Jeugd(zorg) 14. Afdoening toezegging inzake inzet ABA-therapie in Amsterdam bij kinderen met autisme (VN2024-012830) Lid WEHKAMP stelt dat ieder kind zichzelf zou moeten kunnen zijn. De methode ABA-therapie richt zich op het afleren van autistisch gedrag. Het Nederlands Autisme Register meldt uit onderzoek dat deze therapievorm vaak leidt tot psychosociale klachten en een traumatische impact kan hebben. Er lijken goede alternatieven te zijn. Haar fractie is van mening dat deze therapievorm niet mag worden aangeboden als er een kans is dat het ernstige gevolgen heeft. Ze steunt daarom de inzet van de wethouder op dit dossier. Ze vraagt om een technische sessie over ABA-therapie in Amsterdam, waarin professionals informatie kunnen geven over alternatieven. Ook de LBVSO en NVA dienen hierbij betrokken te worden.

Lid NADIF stelt voor om de sessie te organiseren rondom het thema autisme, in plaats van ABA-therapie. Lid BROERSEN is positief over de brief van de wethouder. Hoewel de gemeente het oordeel over de inhoud van zorg uiteraard bij de zorgprofessionals laat, denkt ze dat men over deze meldingen eerder geïnformeerd had willen worden. Ze vraagt de wethouder hoe men ervoor kan zorgen dat zulke ernstige signalen sneller bij het college terechtkomen. Lid RUNDERKAMP is positief over de stappen die zijn gezet, waaronder ook een instroomstop bij Raeger. Hij vraagt wat dit betekent voor de Amsterdamse kinderen die daar een dagbehandeling krijgen. Daarnaast vraagt hij of de gemeente de bevoegdheid heeft om Raeger te laten stoppen met het aanbieden van deze therapievorm. Lid NADIF spreekt haar dankbaarheid uit naar allen die ervoor gezorgd hebben dat dit onderwerp op de agenda staat. Ze is er voorstander van om deze therapievorm zo snel mogelijk uit te faseren. Een aantal zorgprofessionals werkt hier al aan door zorgplannen op dit vlak aan te passen. Ze vraagt hoe men versnelling hiervan kan ondersteunen. Ze benadrukt dat veel ouders moeite hebben om de juiste zorg te vinden voor hun kind. Ze

10

Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding

OZA

Definitief Raadscommissieverslag, 10 juli 2024

roept de gemeente op om hier proactief over te informeren, met speciale aandacht voor ouders met beperkte taalvaardigheden. Ook vraagt ze hoe de kennis en ervaring van zorgprofessionals terechtkomt bij de mensen in de sociale omgeving van een kind, zodat zij ondersteund kunnen worden bij de participatie in de zorg voor het kind. Lid WEHKAMP interrumpeert met de opmerking dat zij deze mensen ook graag zou willen uitnodigen bij de technische sessie. Lid NADIF steunt dat voorstel. Ze vindt het niet alleen belangrijk om in gesprek te gaan over het soort zorg dat deze kinderen ontvangen, maar ook over de manier waarop de maatschappij met deze kinderen omgaat. Wethouder MOORMAN stelt dat de stappen die worden gezet uitzonderlijk zijn, omdat men in principe niet gaat over de zorginhoud. Voor april was men niet op de hoogte van deze ernstige klachten. Ze dankt LBVSO en NVA voor hun inzet om dit op de agenda te zetten. In een breder perspectief passen de stappen die men hier neemt bij de koers om samen te werken met een beperkt aantal kernpartners. Ze vindt het een goed idee om een technische sessie te organiseren over het onderwerp autisme en adviseert om het Jeugdplatform hier bij te betrekken. De gemeente voert prestatiedialogen met de zorgaanbieders, om verantwoording en transparantie binnen de zorg te bevorderen.

Het Jeugdplatform verzamelt signalen van cliënten en ondersteunt de gemeente hierin. Voor de kinderen die naar Raeger gaan voor dagbehandeling zal een alternatief worden gezocht. Ze beaamt dat het voor veel ouders complex is om een pgb aan te vragen en wil voorkomen dat hierdoor ongelijkheid ontstaat. Het OKT is erop gericht om hier hulp bij te bieden. Het betrekken van familie bij de zorg voor deze kinderen vindt ze ook zeer belangrijk. Enerzijds is dit een taak voor de zorgaanbieders, maar tegelijkertijd krijgt dit veel aandacht binnen de ondersteuningssystemen van de Sociale Basis. De VOORZITTER legt het verschil uit tussen een expertmeeting en een technische sessie. Een expertmeeting, die wordt georganiseerd door de commissie en zich richt op kennisverbreding, lijkt hier het meest passend. Ze stelt vast dat voldoende fracties de aanmelding hiervan ondersteunen. Het agendapunt is hiermee voldoende besproken. Onderwijs 5. Kennisnemen van de raadsinformatiebrief ‘Eindoordelen van de Inspectie van het Onderwijs 2024’ (VN2024-012762) Lid WEHKAMP deelt de zorgen van de wethouder over kinderen die langdurig onderwijs krijgen van onvoldoende kwaliteit. Ze kijkt uit naar de uitvoeringsagenda Onderwijskwaliteit. Ze vraagt de wethouder hoe onderwijskwaliteit en onderwijsinspectie zich verhouden.

Er zijn landen waar men het aantal inspecteurs laag houdt, om te laten zien dat er voldoende vertrouwen is in de kwaliteit van het onderwijs. Ze leest in de brief dat het niveau van basisvaardigheden is gedaald, maar ook burgerschapskennis. Ze vraagt de wethouder om meer informatie over de kwaliteit van het burgerschapsonderwijs. Lid HAIJEN vraagt of er wordt gevraagd om een herijking van de rol van de onderwijsinspectie. Lid WEHKAMP licht toe dat ze het belangrijk vindt dat er vertrouwen is in het onderwijs, waarbij ook de kwaliteit bewaakt moet worden. Ze wil graag horen hoe de wethouder dit ziet. Ze zet haar betoog voort en merkt op dat ouders vaak geen keus hebben, omdat er wachtlijsten zijn voor scholen. Dit benadrukt de urgentie van verbeteringen bij scholen die kwalitatief laag scoren. Ze vraagt ook om inzichtelijk te maken hoe lang scholen bepaalde scores hebben en wat men doet als er geen verbeteringen gerealiseerd worden. Lid DE JONG stelt dat er ongelijk geïnvesteerd is in scholen. Hij stelt vast dat er bij scholen die ondermaats presteren geen verbeteringen zijn gezien. Hij vraagt of er een

11

Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding

OZA

Definitief Raadscommissieverslag, 10 juli 2024

verband is tussen confessionele scholen en een lage score op onderwijskwaliteit naar oordeel van de inspectie. Hij stelt dezelfde vraag over scholen met specifieke onderwijsconcepten, zoals Montessori. Ook vraagt hij naar de landelijke cijfers hierover. Lid RUNDERKAMP vraagt of lid De Jong betoogt dat men moet afzien van ongelijke investeringen voor scholen. Lid DE JONG bevestigt dit. Tot slot vraagt hij of er een discrepantie is tussen maatregelen van de wethouder en het beleid van de centrale overheid, waarbij de minister voornemens is om scholen te sluiten. Lid RUNDERKAMP vraagt een toelichting bij gelijke investeringen. Lid DE JONG geeft aan dat hij wil voorkomen dat er wordt geïnvesteerd in zwakke scholen. Scholen die bij herhaling slecht presteren, moeten worden gesloten. Investeringen moeten zich eerder richten op uitbreiding van goed presenterende scholen, zodat deze aan meer leerlingen een plek kunnen bieden. Lid RUNDERKAMP kijkt hier op een andere manier naar. Hij wil dat scholen die zwak presteren kunnen leren van kwalitatief goede scholen, waar ook het Onderwijsnetwerk Amsterdam zich op richt. Op die manier kan het schoolaanbod in alle stadsdelen van Amsterdam behouden blijven. Lid DE JONG vindt het noodzakelijk om in te grijpen als de kwaliteit van een school structureel slecht blijft.

Lid RUNDERKAMP wijst in dit kader op de bevoegdheden van de gemeente en de inspectie. Daarnaast vertrouwt hij erop dat alle scholen een hoge kwaliteit nastreven. Ondersteuning van Onderwijsnetwerk Amsterdam kan hierbij waardevol zijn. Wethouder MOORMAN vindt dat onderwijskwaliteit juist moet leiden tot kansengelijkheid. De ongelijke investeringen zijn noodzakelijk in wijken waar kinderen het meest behoefte hebben aan onderwijs. Ze betreurt de aangekondigde landelijke bezuinigingen, omdat deze de onderwijskwaliteit en daarmee de kansengelijkheid in gevaar brengen. Hierdoor zal men moeten bezuinigen op salarissen van leraren, het aanbod van naschoolse huiswerkbegeleiding, het aanbod van onderwijsachterstandsmiddelen in de SPUK-regeling en het opzetten van de brede brugklassen. Lid VAN DER KAMP vraagt hoe de brede brugklassen bijdragen aan de onderwijskwaliteit. Wethouder MOORMAN verheldert dat dit concept bijdraagt aan kansengelijkheid. Het maakt het mogelijk dat zowel hoog als laag presterende leerlingen zich op hun eigen tempo kunnen ontwikkelen, wat de kans vergroot dat iedereen zich optimaal kan ontplooien. Lid VAN DER KAMP vraagt of de wethouder vindt dat de onderwijskwaliteit in een brede brugklas beter is. Wethouder MOORMAN vindt dat onderwijskwaliteit ook inhoudt dat kinderen op een niveau terechtkomen dat het beste bij ze past.

Lid DE JONG benadrukt dat dit alleen opgaat als de school goed presteert. Het opzetten van een brede brugklas in een zwakke school zal betekenen dat het algehele niveau daalt. Wethouder MOORMAN spreekt dat tegen. Ze haalt het voorbeeld aan van scholen in Amsterdam Nieuw-West waar een ernstig lerarentekort is en de leerlingen vaak weinig ondersteuning van thuis krijgen. Die leerlingen kunnen daar niets aan doen en het is dan

12

Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding

OZA

Definitief Raadscommissieverslag, 10 juli 2024

juist belangrijk dat zij langer de tijd krijgen om zich te ontwikkelen naar het niveau waar ze thuishoren. Lid DE JONG pleit er opnieuw voor om leerlingen over te plaatsen naar beter presterende scholen en de zwakkere scholen niet koste wat kost open te houden. Wethouder MOORMAN benadrukt dat leerlingen vrij zijn in hun schoolkeuze. Daarnaast benadrukt ze dat de gemeente zich enorm inzet om de onderwijskwaliteit te verbeteren via investeringen in het Onderwijs Netwerk Amsterdam en de kansenaanpak. Lid DE JONG geeft aan dat leerlingen geplaatst worden op scholen via een lotingsen matchingssysteem en niet zomaar kunnen wisselen van school. Wethouder MOORMAN stelt dat er voor elk niveau voldoende schoolaanbod is met een goede score op onderwijskwaliteit. De opmerking dat sommige leerlingen geen andere keuze hebben dan een school met een zwakke kwaliteitsscore, beschouwt ze als pertinent onjuist. Lid DE JONG vraagt of het beleid van de wethouder gericht is op het uitfaseren van zwakkere scholen, omdat deze door de lage instroom onder de norm voor opheffing zullen komen. Wethouder MOORMAN wijst opnieuw op de feiten rondom dit thema. De gemeente voert geen beleid over het openblijven of sluiten van scholen. Die verantwoordelijkheid ligt bij de minister. Ze denkt dat lid De Jong zich beter moet laten informeren op dit agendapunt. Ze vervolgt haar betoog.

Ze vindt het terecht dat er wordt gevraagd naar de beperkte keuze in stadsdeel Weesp, waar de Jozefschool als zwakke school is beoordeeld. Op last van de inspecties werkt men aan een herstelopdracht. Daarnaast wordt er gewerkt aan de ontwikkeling van nieuwe onderwijslocaties in Weesp, afgestemd op het groeiende aantal kinderen. Ook het aanbod van VSO is beperkt. Hier speelt mee dat deze scholen vaak zorg en onderwijs moeten combineren, waar het toetsingskader op dit moment nog geen rekening mee houdt. Er is aandacht voor gevraagd bij de onderwijsinspectie. Scholen die zwak presteren ontvangen een herstelopdracht, waarbij termijnen zijn vastgelegd. Als een school drie keer achtereenvolgens een negatief eindoordeel krijgt, heeft de minister de bevoegdheid om de school te sluiten. Ze zegt toe dat er over de voortgang zal worden gerapporteerd. Richting lid De Jong geeft ze aan dat er op het lijstje van de zwakke scholen geen enkel verband is te vinden met het karakter van de school of de wijk waarin deze zich bevindt. Bij confessioneel onderwijs, waaronder islamitische scholen, behaalt men vaak hoge scores op het gebied van basisvaardigheden. Tot slot benadrukt ze dat er geen sprake kan zijn van een discrepantie met overheidsbeleid, aangezien het sanctioneren van scholen niet binnen de bevoegdheden van de gemeente ligt.

Als uiterste maatregel kan de gemeente echter wel besluiten om subsidie stop te zetten. De VOORZITTER stelt vast dat het onderwerp voldoende besproken is. Coördinatie Maatschappelijke voorzieningen 7. Actualiseren van de Referentienormen voor Maatschappelijke voorzieningen (VN2024-012763) Lid VAN PIJPEN benadrukt dat het van groot belang is om voldoende maatschappelijke voorzieningen te realiseren bij nieuwbouwprojecten, evenals het op peil houden van voorzieningen in bestaande wijken, ook daar waar inbreiding plaatsvindt. Ze vraagt de wethouder of er voldoende financiële investeringsruimte is gereserveerd voor maatschappelijke initiatieven, waar geen norm voor is opgenomen. In bepaalde transformatiegebieden moeten maatschappelijke voorzieningen wijken voor nieuwbouw. Ze vraagt of de bestaande initiatieven niet minimaal als norm moeten worden opgenomen. Haar tweede vraag gaat over de stijging van de theoretische ruimteclaim met drie procent,

13

Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding

OZA

Definitief Raadscommissieverslag, 10 juli 2024

terwijl de investeringsruimte niet stijgt. Ze vindt dat de impact daarvan zou moeten worden meegenomen in het rapport. Lid DIDDEREN is ook positief over de plannen. Ze vraagt een nadere toelichting op het aantal schooltuinen. Ze sluit zich aan bij de vraag van GroenLinks over maatschappelijke initiatieven. Daarnaast verzoekt ze het college om een evaluatie uit te voeren onder de bewoners van nieuwbouwwijken om hun ervaringen met de nieuwe normen te onderzoeken. Dit zal ook bijdragen aan het verbeteren van het voorzieningenniveau in bestaande wijken. Lid HYLKEMA vraagt hoe het college rapporteert over het behalen van de doelstelling in dit rapport. Daarnaast vraagt hij hoe de normen worden toegepast bij herontwikkelingsprojecten in bestaande wijken. Lid MINDERHOUD is positief over de nieuwe referentienormen en vindt dat Amsterdam hier vooroploopt. Het is een sterk signaal vanuit het sociaal domein dat er ruimte moet worden vrijgemaakt voor maatschappelijke voorzieningen. Desalniettemin is hij van mening dat het stuk thuishoort bij Ruimtelijk Ordening, omdat daar de verdeling van ruimte plaatsvindt. Hij vraagt om in het stuk expliciet zijn initiatiefvoorstel te vermelden, waarin de gemeente wordt opgeroepen om te analyseren hoe voldoende ruimte kan worden gecreëerd voor maatschappelijke voorzieningen en initiatieven in nieuwbouw- en bestaande wijken.

Zijn tweede vraag gaat over het combineren van verschillende functies in voorzieningen. Hij vraagt of bewoners daarbij betrokken worden, ook in het kader van de Participatieverordening. Tot slot pleit hij voor experimenteerruimte, die pas wordt ingevuld na transformatie van een wijk, op basis van de behoeften van de bewoners. Zijn fractie overweegt hier een motie over in te dienen. Wethouder MOORMAN stelt dat er door verschillende wethouders wordt samengewerkt om de wensen op het gebied van fysieke en sociale aspecten te verenigen bij stadsontwikkeling. Het college is eensgezind over het feit dat de beide aspecten hierin moeten worden meegenomen. Ze benadrukt het belang van het behoud van waardevolle maatschappelijke voorzieningen bij de transformatie van stadsgebieden. Hiervoor wordt een startfoto gemaakt, op basis waarvan wordt vastgesteld welke voorzieningen behouden moeten blijven tijdens het transformatieproces. Ze geeft aan dat het complex is om in te schatten welke investeringen nodig zijn op dit vlak, door veranderende behoeften en veranderingen in de markt. Het belangrijkste doel is te voorkomen dat financiële overwegingen het maatschappelijke initiatief verdringen. Ze vindt het een goed idee om het kader te evalueren, maar merkt op dat pas na enkele jaren beoordeeld kan worden of het kader goed werkt.

Ze bevestigt richting lid Van Didderen dat er een nieuwe schooltuin bij Strandeiland komt. Ze spreekt dank uit richting lid Minderhoud voor indiening van het initiatiefvoorstel, dat dezelfde strekking heeft als dit beleidsstuk. Ze is het ermee eens dat de ontwikkeling van maatschappelijke voorzieningen met combinatiefuncties in samenspraak met de buurt moet plaatsvinden. Ze kijkt uit naar de motie met betrekking tot experimenteerruimte. Lid VAN PIJPEN pleit ervoor dat de startfoto niet als een vrijblijvende momentopname wordt gezien. Het heeft als doel om duidelijke afspraken te maken met gebiedsontwikkelaars welke voorzieningen tijdens het transformatieproces behouden moeten blijven. Lid HYLKEMA vraagt of er ook wordt teruggekeken op hoe er met de normen is omgegaan en of daar cijfers van beschikbaar zijn. Ook vraagt hij waarom deze doelstellingen niet aan de raad worden voorgelegd. Wethouder MOORMAN licht toe dat het hier gaat om het kader voor nieuwe gebiedsplannen. Concrete gebiedsplannen worden wel altijd met de raad besproken. Ze verheldert dat het kader normen biedt voor de omvang van het maatschappelijk initiatief. Welke voorzieningen het concreet betreft, wordt niet vastgelegd, ook omdat men ruimte wil

14

Gemeente Amsterdam Raadscommissie voor Onderwijs, Zorg en Armoedebestrijding

OZA

Definitief Raadscommissieverslag, 10 juli 2024

bieden aan nieuwe initiatieven. Op basis van de startfoto wordt bepaald welke maatschappelijke voorzieningen men wil behouden. Dit wordt meegegeven aan projectontwikkelaars voor de gebiedsontwikkeling. Lid MINDERHOUD voegt nog toe dat eerder al besproken is dat het verplichten van de terugkeer van bepaalde initiatieven niet mogelijk is. Binnenkort gaat de commissie in gesprek over andere mogelijkheden om dit doel te bereiken. De VOORZITTER stelt vast dat het punt voldoende is besproken. Het punt wordt doorgestuurd naar de raad van 13 november. Sluiting De VOORZITTER bedankt iedereen voor zijn inbreng en sluit de vergadering.

15

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14770929/1