2. Regels BP Westerpark Zuid.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 63
c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen uitgevoerd door een ter zake deskundige; d. indien uit archeologisch bureau-onderzoek blijkt dat er ter plaatse sprake is van een negatieve archeologische verwachting. 21.3.3 Weigeringsgrond omgevingsvergunning De omgevingsvergunning kan worden geweigerd indien door de werken of werkzaamheden, het belang van de archeologie onevenredig wordt geschaad. 21.3.4 Onderzoeksplicht De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien een archeologisch onderzoek naar mogelijk aanwezige archeologische waarden in de betrokken gronden heeft plaatsgevonden en waarin de archeologische waarde van het terrein, die blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. 21.3.5 Uitzondering onderzoeksplicht Het bepaalde in lid 21.3.4 is niet van toepassing indien uit aanvullend bureauonderzoek blijkt dat er een lage archeologische verwachting is en er geen nader archeologisch onderzoek nodig is. 21.3.6 Voorschriften omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning kunnen in het belang van de archeologische waarden de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c.
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Gemeente Amsterdam
blz. 64
Artikel 22 22.1
Waarde - Archeologie 5
Bestemmingsomschrijving
a. De voor Waarde - Archeologie 5 aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, mede bestemd voor de bescherming en het behoud van archeologische waarden. b. De bestemming Waarde - Archeologie 5 is primair ten opzichte van de overige aan deze gronden toegekende bestemmingen. 22.2
Bouwregels
22.2.1 Algemeen De aanvrager van een omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen dient een archeologisch Programma van Eisen te overleggen indien de aanvraag leidt tot grondroerende werkzaamheden: a. op 2,5 meter onder NAP; en b. van 10.000 m² of meer. 22.2.2 Uitzondering onderzoeksplicht Het bepaalde in lid 22.2.1 is niet van toepassing indien uit aanvullend bureauonderzoek blijkt dat er een lage archeologische verwachting is en er geen nader archeologisch onderzoek nodig is. 22.2.3 Nadere eisen Het bevoegd gezag kan nader eisen stellen aan bouwplannen die voorzien in grondroerende werkzaamheden, zijnde: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor archeologische waarden in de bodem worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
22.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 22.3.1 Verbodsregel Op en onder de in 22.1 genoemde gronden is het verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden)de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren: a. het uitvoeren van grondbewerkingen op 2,5 meter onder NAP en over een oppervlakte van meer dan 10.000 m², waartoe onder meer wordt gerekend het egaliseren, roeren en omwoelen van gronden; 22.3.2 Uitzondering verbodsregel Een omgevingsvergunning als bedoeld in 22.3.1 is niet vereist voor de volgende werken en werkzaamheden: a. het normale onderhoud van wegen, water, groenvoorzieningen en tuinen; b. werken en werkzaamheden die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 65
plan; c. in het kader van archeologisch onderzoek en het doen van opgravingen uitgevoerd door een ter zake deskundige; d. indien uit archeologisch bureau-onderzoek blijkt dat er ter plaatse sprake is van een negatieve archeologische verwachting. 22.3.3 Weigeringsgrond omgevingsvergunning De omgevingsvergunning kan worden geweigerd indien door de werken of werkzaamheden, het belang van de archeologie onevenredig wordt geschaad. 22.3.4 Onderzoeksplicht De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien een archeologisch onderzoek naar mogelijk aanwezige archeologische waarden in de betrokken gronden heeft plaatsgevonden en waarin de archeologische waarde van het terrein, die blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar oordeel van het bevoegd gezag in voldoende mate is vastgesteld. 22.3.5 Uitzondering onderzoeksplicht Het bepaalde in lid 22.3.4 is niet van toepassing indien uit aanvullend bureauonderzoek blijkt dat er een lage archeologische verwachting is en er geen nader archeologisch onderzoek nodig is. 22.3.6 Voorschriften omgevingsvergunning Aan de omgevingsvergunning kunnen in het belang van de archeologische waarden de volgende voorschriften worden verbonden: a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem worden behouden; b. de verplichting tot het doen van opgravingen; c.
de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het bevoegd gezag bij de vergunning te stellen kwalificaties.
Gemeente Amsterdam
blz. 66
Artikel 23 23.1
Waarde - Cultuurhistorie
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Cultuurhistorie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming en veiligstelling van cultuurhistorische waarden. 23.2
Bouwregels
Op en onder de in lid 23.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd overeenkomstig onderliggende bestemming met inachtneming van de volgende te beschermen waarden: a. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
ten aanzien van molencomplex De Otter, Gillis van Ledenberchstraat 78A: de rijksmonumenten: de molen de Otter, de zuidelijke en de westelijke houtloodsen de contour en het verloop van de kade de open ruimte rondom en tussen de loodsen het balkengat en de zijsloot in relatie tot Kostverlorenvaart de visuele kwaliteit van en de relatie tussen het terrein, bebouwing en de waterstructuren de herkenbaarheid van het molencomplex als samenhangend geheel (het ensemble) de zichtlijn vanaf de Gillis van Ledenbergstraat naar de molen
b.
ten aanzien van voormalig Entreegebouw overdekte waterreservoirs GWL, Waterkersweg 316:
1. architectonische, industrieel-archeologische en typologische waarden 2. historisch-functioneel onderdeel van het complex Pompstation Gemeentewaterleidingen Amsterdam. c. Schutsluis Haarlemmertrekvaart: 1. ensemblewaarde: gemaal, sluiswachterswoning, schutsluit Haarlemmertrekvaart 23.3
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
23.3.1 Vergunningvereiste Het is verboden om gebouwen op gronden met de bestemming Waarde - Cultuurhistorie, geheel of gedeeltelijk te slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning. 23.3.2 Uitzondering vergunningvereiste Het in lid 23.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op sloopwerkzaamheden: a. welke reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; b. waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan reeds vergunning voor het slopen is verleend; c. welke voortvloeien uit bouwactiviteiten waarvoor een vergunning voor het bouwen is verleend ingevolge een aanschrijving van het bevoegde gezag; d. bij regulier onderhoud aan de gevel, zoals het vervangen van rotte kozijnen of deuren, het vervangen van voegwerk en (houten) onderdelen; e. bij wijzigingen aan de voorgevel of bouwdelen die aan de voorgevel bevestigd zijn (zoals balkons) die het aanblik van de gevel aan de straatzijde niet wezenlijk veranderen; f. bij inpandige sloopwerkzaamheden die het aanblik van de gevel aan de straatzijde niet wezenlijk veranderen.
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 67
23.3.3 Criteria voor vergunningverlening De omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk kan worden verleend indien: a. met de sloopactiviteiten de beeldbepalende c.q. kenmerkende elementen van het cultuurhistorisch waardevolle bouwwerk niet op onaanvaardbare wijze worden verstoord; b. over het verzoek om vergunning de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Amsterdam een advies heeft uitgebracht. 23.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 23.4.1 Vergunningsplicht Op de in 23.1 genoemde gronden is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d.
het uitvoeren van grondbewerkingen, waaronder het ophogen, egaliseren en afgraven van gronden; het aanleggen, dempen, verbreden of versmallen van waterlopen; het herinrichten of anderszins wijzigingen aanbrengen in de inrichting van de openbare ruimte; het bestraten of herstraten van de bestaande profielen, in de zin van herprofilering en/of wijziging van bestratingsmateriaal, het aanbrengen, wegnemen of veranderen van stoepen, stoepranden, stoeppalen of waterpompen daaronder begrepen; e. het verwijderen of toevoegen van beplanting. 23.4.2 Uitzonderingen op de vergunningsplicht Het bepaalde in 23.4.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden: a. die het normale onderhoud betreffen; b. die het aanbrengen van ondergrondse kabels, leidingen en andere infrastructurele voorzieningen in bestaande tracés betreffen; c. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan, danwel uitgevoerd mogen worden conform een aangevraagde en/of verleende vergunning. 23.4.3 Toetsingscriteria De omgevingsvergunning zoals bedoeld onder 23.4.1 kan worden verleend, indien de werken, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden geen aantasting van de recreatieve, cultuurhistorische, ecologische of landschappelijke waarden tot gevolg hebben. 23.5
Wijzigingsbevoegdheid
Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd, overeenkomstig artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening, het bestemmingsplan te wijzigen door: a. één of meerdere bestemmingsvlakken met de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' geheel of gedeeltelijk te verwijderen, mits de betreffende gronden niet langer zijn aangewezen als cultuurhistorisch waardevol en Bureau Monumenten en Archeologie hierover heeft geadviseerd; b. aan gronden de dubbelbestemming 'Waarde - Cultuurhistorie' toe te kennen, mits de betreffende gronden worden aangewezen als cultuurhistorisch waardevol en Bureau Monumenten en Archeologie hierover heeft geadviseerd.
Gemeente Amsterdam
blz. 68
Artikel 24 24.1
Waarde - Hoofdgroenstructuur
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Waarde - Hoofdgroenstructuur' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming en het behoud van de hoofdgroenstructuur en de cultuurhistorische waarden van het Frederik Hendrikplantsoen. 24.2 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 24.2.1 Vergunningsplicht Op de in 24.1 genoemde gronden is het verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde en werkzaamheden uit te voeren: a. b. c. d.
het uitvoeren van grondbewerkingen, waaronder het ophogen, egaliseren en afgraven van gronden; het aanleggen, dempen, verbreden of versmallen van waterlopen; het herinrichten of anderszins wijzigingen aanbrengen in de inrichting van de openbare ruimte; het bestraten of herstraten van de bestaande profielen, in de zin van herprofilering en/of wijziging van bestratingsmateriaal, het aanbrengen, wegnemen of veranderen van stoepen, stoepranden, stoeppalen of waterpompen daaronder begrepen; e. het verwijderen of toevoegen van beplanting. 24.2.2 Uitzonderingen op de vergunningsplicht Het bepaalde in 24.2.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden: a. die het normale onderhoud betreffen; b. die het aanbrengen van ondergrondse kabels, leidingen en andere infrastructurele voorzieningen in bestaande tracés betreffen; c. die reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan, danwel uitgevoerd mogen worden conform een aangevraagde en/of verleende vergunning. 24.2.3 Toetsingscriteria De omgevingsvergunning zoals bedoeld onder 24.2.1 kan worden verleend, indien de werken, geen bouwwerk zijnde of werkzaamheden geen aantasting van de recreatieve, cultuurhistorische, ecologische of landschappelijke waarden tot gevolg hebben. 24.3
Wijzigingsbevoegdheid
Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd, overeenkomstig artikel 3.6 lid 1 onder a van de Wet ruimtelijke ordening, het bestemmingsplan te wijzigen door: a. één of meerdere bestemmingsvlakken met de dubbelbestemming 'Waarde - Hoofdgroenstructuur' geheel of gedeeltelijk te verwijderen, mits de betreffende gronden niet langer zijn aangewezen als Hoofdgroenstructuur en de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur hierover heeft geadviseerd; b. aan gronden de dubbelbestemming 'Waarde - Hoofdgroenstructuur' toe te kennen, mits de betreffende gronden worden aangewezen als hoofdgroenstructuur en de Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur hierover heeft geadviseerd.
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 69
Artikel 25 25.1
Waarde - Landschap
Bestemmingsomschrijving
a. De voor 'Waarde - Landschap' aangewezen gronden zijn bestemd voor uitsluitend instandhouding en ontwikkeling van de aanwezige landschappelijke waarde. b. De dubbelbestemming 'Waarde - Landschap' is primair ten opzichte van de andere aan deze gronden toegekende bestemmingen. 25.2
Bouwregels
Op en onder de in artikel 25.1 genoemde gronden mogen geen gebouwen worden opgericht, anders dan de gebouwen die op grond van artikel 14.2 zijn toegestaan. Deze gronden dienen niet te worden beschouwd als erf in de zin van artikel 1 van bijlage II behorende bij het Besluit omgevingsrecht, zoals dat artikel luidt op het moment van de datum van inwerkingtreding van dit plan. 25.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 25.3.1 Verbodsregel Het is verboden op en onder de in artikel 16 genoemde gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning nieuwe verharding aan te brengen. 25.3.2 Afwijken van de verbodsregel Het bevoegd gezag kan, gelet op het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder c van de Wet ruimtelijke ordening, een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, verlenen ten behoeve van verharding van de gronden indien a. aangetoond wordt dat het waterbergend vermogen van de tuin minstens 60 millimeter per uur bedraagt; en b. de gronden binnen deze bestemming niet voor meer dan 50% worden verhard, waarbij de oppervlakte van bebouwde gronden als verharding wordt meeberekend.
Gemeente Amsterdam
blz. 70
Artikel 26 26.1
Water
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. water; b. waterhuishoudkundige voorzieningen; c. waterbouwkundige kunstwerken; alsmede voor: d. ligplaatsen ten behoeve van woonboten uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'woonschepenligplaats'; e. een jachthaven met inbegrip van bijbehorende steigers, winkel, één vestiging horeca van categorie 3, bijbehorende opslag- en nevenruimte en overige bouwwerken geen gebouwen zijnde, ter plaatse van de aanduiding "jachthaven". 26.2
Bouwregels
26.2.1 Algemeen Op en onder de in lid 26.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met in achtneming van de volgende bepalingen. 26.2.2 Woonboten a. Voor woonboten gelden de afmetingen van de woonschepen, zoals die op grond van een vergunning aanwezig zijn ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan of op dat moment kunnen worden gerealiseerd op grond van een verleende vergunning. b. Bij verbouwing of vervanging van woonboten of bij het toelaten van nieuwe woonboten gelden de volgende maximale uitwendige maten: Lengte woonboot
Max. lengte bij verbouwing of vervanging
Max. breedte
Max. hoogte vanaf de waterlijn
Boten langer dan 20 meter
20 meter
5 meter
2,5 meter
Boten tussen 15 en 20 meter
de oude maat
5 meter
2,5 meter
Boten tot 15 meter
15 meter
5 meter
2,5 meter
c. Voor van origine varende schepen geldt naast het bepaalde onder b. een maximale stuurhuthoogte van 3,5 meter ten opzichte van de waterlijn; d. de maatvoering, zoals opgenomen onder b, is inclusief alle toebehoren, zoals terrassen, steigers en bijbootjes. e. De afstand tussen twee woonboten bedraagt gemeten van punt tot punt minimaal 2 meter (vrijhouden zicht op het water). f. In afwijking van het bepaalde onder b. mogen woonboten, gelegen in het Oostelijk Marktkanaal aan het Van Bossepad, de Visseringstraat en de Jan van Galenstraat twee woonlagen bevatten met een maximum hoogte van 5 meter, gemeten vanaf de waterlijn. g. In afwijking van het bepaalde onder b. mogen woonboten, gelegen in de Kostverlorenvaart aan de
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 71
Wittenkade een lengte hebben van maximaal 25 meter. 26.2.3 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. gebouwen zijn uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding jacht- en passantenhaven; b. maximum bebouwingspercentage ter plaatse van de aanduiding jacht- en passantenhaven: 10%; c. maximum bouwhoogte: 6 meter. 26.2.4 Overige bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. maximum bebouwingspercentage: 2%; b. maximum bouwhoogte bruggen: 10 meter; c. maximum bouwhoogte overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde: 3 meter. 26.3
Specifieke gebruiksregels
a. Het maximum aantal ligplaatsen in de op de plankaart aangeduide jacht- en passantenhaven bedraagt 120; b. Onder verboden gebruik als bedoeld in lid 30.2 van deze regels wordt in ieder geval verstaan het gebruik van het water als ligplaats voor een bedrijfsvaartuig, passagiersvaartuig of woonboot, behoudens de ligplaatsen als bedoeld in lid 26.1.
Gemeente Amsterdam
blz. 72
Artikel 27 27.1
Wonen
Bestemmingsomschrijving
De voor Wonen aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. woningen, al dan niet in combinatie met praktijk- of vrije beroepsuitoefening aan huis / bedrijf aan huis, in alle bouwlagen inclusief bijzondere bouwlagen; alsmede voor: b. bijbehorende gebouwde parkeervoorzieningen in de kelder met bijbehorende in- en uitritten, bergingen en technische ruimten ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage"; c. een woonzorgcentrum in alle bouwlagen, ter plaatse van de aanduiding "woonzorgcentrum"; met bijbehorende: d. tuinen en erven; e. nutsvoorzieningen; f. bergingen, garages en andere nevenruimten. 27.2
Bouwregels
27.2.1 Algemeen Op en onder de in lid 27.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming, met in achtneming van de volgende bepalingen. 27.2.2 Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. maximum bebouwingspercentage bestemmingsvlak: 100%, tenzij er in het betreffende bestemmingsvlak een bouwvlak is aangegeven, dan geldt een maximum bebouwingspercentage van 100% van het bouwvlak; b. maximum goot- en bouwhoogte: de hoogte van (de te onderscheiden delen van) gebouwen zoals die op grond van een omgevingsvergunning is gerealiseerd ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan of op dat moment kan worden gerealiseerd op grond van een omgevingsvergunning, dan wel in geval een oorspronkelijk bouwwerk geamoveerd is ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan, de in het voorgaande bestemmingsplan rechtens toegestane bouwhoogte; c. het kapprofiel van panden met een orde-1, een orde-2 en met een orde-3 aan hoge gewaardeerde stedenbouwkundige zones mag aan de straatzijde niet gewijzigd worden. d. ter plaatse van de aanduiding "onderdoorgang" mogen de gronden niet worden bebouwd tot een hoogte die benodigd is voor de vrije doorgang voor het verkeer, behoudens de voor de hoger opgaande bebouwing benodigde ondersteuningsconstructies; e.
ter plaatse van de aanduiding "overkapping" is een overkapping toegestaan met een maximale bouwhoogte van 3 meter; f. het bouwen van hoofdgebouwen of bijbehorende bouwwerken is slechts toegestaan als er wordt voorzien in de aanleg van een waterberging van ten minste 60 liter per vierkante meter (dak)oppervlak (60 mm), die vertraagd wordt geleegd met een snelheid van 2,5 mm/uur (60 mm in 24 uur).
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 73
27.2.3 Dakuitbouwen De maximum bouwhoogte als bedoeld 27.2.2 onder c mag worden overschreden door een uitbouw van de bovenste bouwlaag of kap, met inachtneming van de volgende bepalingen: a. een dakuitbouw is niet toegestaan op orde-1 en orde-2 panden, zoals bedoeld in de betreffende onderscheidelijke welstandskaarten; b. een dakuitbouw mag uitsluitend direct aangrenzend worden gerealiseerd, uitsluitend aan de achterzijde (de van de openbare ruimte afgekeerde zijde) van het hoofdgebouw; c. de afstand tot de achtergevel of dakrand minimaal gelijk is aan de hoogte van de uitbouw. d. de dakuitbouw mag uitsluitend worden gebruikt als deel van een woning; e. de maximale bouwhoogte bedraagt 3 meter, tenzij het direct bestaande aangrenzende deel (kap of dakopbouw) van het hoofdgebouw lager is, dan geldt de bouwhoogte van het direct aangrenzende deel van het hoofdgebouw als maximum; f. in geval het direct aangrenzende deel van het hoofdgebouw een kap is, mag de dakuitbouw uitsluitend worden gebouwd indien deze wordt gerealiseerd op minimaal 0,5 meter onder de bestaande maximale nokhoogte van het hoofdgebouw; g. op de nieuw gerealiseerde dakuitbouw is een dakterras toegestaan, met inachtneming van het bepaalde onder 27.2.5.
27.2.4 Dakopbouwen Op gebouwen zijn ter plaatse van de "specifieke bouwaanduiding - 1" dakopbouwen toegestaan, waarbij de maximaal toelaatbare bouwhoogte mag worden overschreden, met dien verstande dat: a. dakopbouwen niet zijn toegestaan op orde-1 en orde-2 panden, zoals bedoeld in de betreffende onderscheidenlijke welstandskaarten; b. de met de aanduiding "maximale bouwhoogte" aangegeven bouwhoogte met maximaal 3 meter mag worden overschreden; c. de dakopbouw uitsluitend dient ter vergroting van de bestaande woning; d. voor dakopbouwen moet een minimale afstand tot de voor- en achtergevel worden aangehouden van 3 meter indien de afstand tussen het betreffende bestemmingsvlak en de nabijgelegen hoofdbebouwing minder dan 20 meter bedraagt; e. de bepaling als bedoeld onder d geldt niet voor de bouwdelen waar een maximum bouwhoogte van 12 meter geldt; f. deze in de gehele architectonische eenheid wordt gerealiseerd; g. de voorwaarde onder f opgenomen geldt niet voor die delen van een bouwblok met een maximale bouwhoogte van 15 meter die minder dan de helft van het oppervlak vormen van het grondvlak. 27.2.5 Dakterrassen Het dak van de gebouwen mag worden ingericht en gebruikt als dakterras, waarbij de maximaal toelaatbare bouwhoogte mag worden overschreden, met dien verstande dat: a.
dakterrassen niet zijn toegestaan op orde-1 panden, zoals bedoeld in de betreffende onderscheidelijke welstandskaarten; b. dakterrassen alleen zijn toegestaan op daken die plat zijn afgedekt; c. Het dakterras mag niet groter zijn dan 50% van een plat dak, met uitzondering van de eventueel aan te brengen benodigde constructie; d. de afstand tussen dakterrassen en de dakrand die grenst aan lager gelegen tuinen of gemeenschappelijke binnentuinen minimaal 1,0 meter bedraagt, met dien verstande dat dit niet geldt voor aanbouwen; e. de afstand tussen dakterrassen en de dakrand die grenst aan lager gelegen openbare ruimte minimaal 2,0 meter bedraagt, met dien verstande dat dit niet geldt voor aanbouwen;
Gemeente Amsterdam
blz. 74
f. de totale hoogte vanaf het dakvlak tot de bovenkant van de terrasvloer maximaal 0,5 meter bedraagt; g. hekwerken zijn toegestaan van maximaal 1,20 meter, gemeten vanaf de te realiseren terrasvloer. 27.2.6 Bouwwerken geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken geen gebouwen zijnde gelden de volgende bepalingen: a. maximum bouwhoogte: 1 meter. 27.3
Specifieke gebruiksregels
27.3.1 Verboden gebruik Voor de in lid 27.1 genoemde gronden gelden de volgende gebruiksregels: a. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van Wonen - 1 uitgesloten' zijn dakterrassen niet toegestaan; b. Als verboden gebruik zoals bedoeld in artikel 30.2 van deze regels wordt in ieder geval aangemerkt het (geheel of gedeeltelijk) gebruiken en/of in gebruik geven van de in dit artikel genoemde kelders en souterrains als zelfstandige woning; 27.3.2 Gebouwde parkeervoorzieningen Voor de in lid 27.1 genoemde gronden gelden de volgende gebruiksregels: a. Ter plaatse van de aanduiding "parkeergarage" geldt dat bergingen, fietsenstallingen en technische ruimten onder de gronden als bedoeld in lid 14.1, 15.1 en 27.1 van deze regels slechts zijn toegestaan indien in aangegeven aanduidingsvlakken "parkeergarage" samen minimaal 141 parkeerplaatsen worden gerealiseerd danwel in stand worden gehouden. 27.4
Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk
27.4.1 Vergunningvereiste Het is verboden om orde-1 of orde-2 panden, zoals bedoeld in de betreffende onderscheidenlijke welstandskaarten, geheel of gedeeltelijk te slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning. Het is verboden om orde-3 panden, zoals bedoeld in de betreffende onderscheidenlijke welstandskaarten en voor zover op tussenwaarderingskaart C (waardering verkaveling) aangeduid als "5 punten" of "4 punten", geheel of gedeeltelijk te slopen zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning. 27.4.2 Uitzondering vergunningvereiste Het in lid 27.4.1 vervatte verbod is niet van toepassing op sloopwerkzaamheden: a. welke reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; b. waarvoor ten tijde van de inwerkingtreding van dit bestemmingsplan reeds vergunning voor het slopen is verleend; c. welke voortvloeien uit bouwactiviteiten waarvoor een vergunning voor het bouwen is verleend ingevolge een aanschrijving van het bevoegde gezag; d. bij regulier onderhoud aan de gevel, zoals het vervangen van rotte kozijnen of deuren, het vervangen van voegwerk en (houten) onderdelen; e. bij wijzigingen aan de voorgevel of bouwdelen die aan de voorgevel bevestigd zijn (zoals balkons) die het aanblik van de gevel aan de straatzijde niet wezenlijk veranderen; f. die alleen inpandig worden uitgevoerd en niet van invloed zijn op het gevelbeeld.
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 75
27.4.3 Criteria voor vergunningverlening De omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk kan worden verleend indien: a. met de sloopactiviteiten de beeldbepalende c.q. kenmerkende elementen van het cultuurhistorisch waardevolle bouwwerk niet op onaanvaardbare wijze worden verstoord; b. over het verzoek om vergunning de Commissie Ruimtelijke Kwaliteit Amsterdam een advies heeft uitgebracht.
Gemeente Amsterdam
blz. 76
Hoofdstuk 3 Artikel 28
Algemene regels Anti-dubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 77
Artikel 29
Algemene bouwregels
Het is toegestaan de in dit plan aangegeven bouw- en/of bestemmingsgrenzen te overschrijden: 1. tot ten hoogste 2 meter ten behoeve van hijsinrichtingen en andere ondergeschikte delen van gebouwen, voor zover deze de vrije doorgang van het verkeer niet belemmeren; 2. ten behoeve van stoepen, stoeptreden, koekoeken, funderingen, plinten, hekwerken van Franse balkons, pilasters, kozijnen, standleidingen voor hemelwater, gevelversieringen en dergelijke delen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 0,5 meter; 3. ten behoeve van gevel- en kroonlijsten, overstekende daken en dergelijke delen van gebouwen, met inbegrip van reclameuitingen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan maximaal 1 meter en deze werken niet lager zijn gelegen dan 4,2 meter boven een rijweg of boven een strook ter breedte van 1,5 meter langs een rijweg, 2,4 meter boven een rijwielpad en 2,2 meter boven een voetpad, voorzover dit rijwielpad of voetpad geen deel uitmaakt van bedoelde strook van 1,5 meter; 4. (wanden van) ventilatiekanalen, schoorstenen en dergelijke delen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 0,5 meter en deze achter de voorgevel worden gerealiseerd; 5. dakluiken, daklichtconstructies en dergelijke ondergeschikte delen van gebouwen mits de overschrijding van de bouwhoogte niet meer bedraagt dan 2 meter.
Gemeente Amsterdam
blz. 78
Artikel 30 30.1
Algemene gebruiksregels
Algemeen
Het is verboden de in 'Bestemmingsregels' bedoelde gronden en bouwwerken te gebruiken en/of te doen en/of laten gebruiken en/of in gebruik te geven op een wijze of tot een strijdig met de aan de grond gegeven bestemming, zoals die nader is aangeduid in de bestemmingsomschrijving. 30.2
Verbodsregels
Als verboden gebruik - in de zin van gebruiken, laten gebruiken of in gebruik geven - wordt, tenzij het gebruik op basis van Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels is toegestaan, in ieder geval begrepen het gebruik van gronden en bebouwing voor: a. b. c. d. e. f. g. h. i. j.
een inrichting die wordt begrepen onder bijlage I, onderdeel D van het Besluit omgevingsrecht (Bor); een automatenhal; een seksinrichting; een prostitutiebedrijf; een geldwisselkantoor; een toeristische voorziening; een belhuis; massagesalons; open opslag van goederen, opslag en/of verkooppunt van consumentenvuurwerk, professioneel vuurwerk of andere vergelijkbare ontplofbare goederen.
tenzij deze op grond van Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels zijn toegestaan. 30.3
Toegelaten bedrijven
Voor zover bedrijven zijn toegestaan, mogen de gronden en gebouwen worden gebruikt voor de volgende categorieën bedrijven: a. Uitsluitend bedrijven toegestaan die vallen onder categorie A van de bij deze regels gevoegde Staat van inrichtingen, tenzij anders in deze regels is bepaald; b. Uitsluitend bedrijven toegestaan die vallen onder categorie B en C van de bij deze regels gevoegde Staat van inrichtingen voor zover aanwezig ten tijde van de inwerkingtreding van het bestemmingsplan; c. Het bevoegde gezag kan, gelet op het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder c, van de Wet ruimtelijke ordening, bij een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, afwijken van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning te verlenen, met dien verstande dat het bouwen en het gebruik van gronden en bebouwing ten behoeve van een bedrijf is toegestaan dat: 1. niet in de Staat van inrichtingen voorkomt en in vergelijking met bedrijven die wel vallen onder de toegelaten categorieën een gelijke of mindere milieuhinder veroorzaakt; 2. in de Staat van inrichtingen voorkomt en valt onder één of meer categorieën hoger dan toegelaten, mits het desbetreffende bedrijf in vergelijking met bedrijven die vallen onder de toegelaten categorieën een gelijke of mindere milieuhinder veroorzaakt; 3.
na uitbreiding, wijziging of aanpassing in de Staat van inrichtingen valt onder één of meer categorieën hoger dan toegelaten, mits de uitbreiding, wijziging of aanpassing niet tot gevolg heeft, dat het bedrijf in vergelijking met bedrijven die vallen onder de toegelaten categorieën, meer milieuhinder veroorzaakt.
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 79
30.4
Parkeernormen auto
Voor parkeren geldt dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen voldoende parkeergelegenheid voor auto's moet worden gerealiseerd, waarbij voldoende betekent dat wordt voldaan aan de normen in de beleidsregels die zijn neergelegd in de gemeentelijke parkeernota 'Nota Parkeernormen Auto' (in werking per 1 juli 2017). Indien deze beleidsregel gedurende de planperiode bij besluit (gelet op artikel 1:3, vierde lid, van de Awb) worden gewijzigd, dient rekening te worden gehouden met de wijziging. 30.5
Parkeernormen fiets
Voor parkeren geldt dat bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen voldoende parkeergelegenheid voor fietsen moet worden gerealiseerd, waarbij voldoende betekent dat wordt voldaan aan de normen in de beleidsregels die zijn neergelegd in de gemeentelijke nota 'Nota Parkeernormen Fiets en Scooter' (in werking per 19 maart 2018). Indien deze beleidsregel gedurende de planperiode bij besluit (gelet op artikel 1:3, vierde lid, van de Awb) worden gewijzigd, dient rekening te worden gehouden met de wijziging.
Gemeente Amsterdam
blz. 80
Artikel 31 31.1
Algemene aanduidingsregels
Overige zone - 2
31.1.1 Aanduidingsomschrijving Ter plaatse van de gebiedsaanduiding 'overige zone 2' zijn de betreffende gronden, naast de daarvoor aangewezen andere bestemmingen en aanduidingen, mede bestemd voor de bescherming van het belang van grondwaterneutraal bouwen als genoemd in 1.44. 31.1.2 Bouwregels a. Binnen deze zone is het verboden kelders te bouwen, dan wel bestaande kelders te vergroten. b. Binnen deze zone zijn uitsluitend bestaande kelders toegestaan welke legaal aanwezig waren ten tijde van de inwerkingtreding van dit plan, alsmede kelders waarvoor voorafgaand aan het moment waarop dit plan in ontwerp ter inzage is gelegd een omgevingsvergunning is verleend waar nog uitvoering aan gegeven kan worden dan wel een aanvraag omgevingsvergunning is ingediend en deze omgevingsvergunning niet geweigerd kan worden. 31.1.3 Afwijken van de bouwregels a. Het bevoegd gezag is bevoegd om binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone 2' overeenkomstig het bepaalde in artikel 2.12, lid 1, sub a, onder 1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht een omgevingsvergunning te verlenen om in afwijking van het bepaalde in 31.1.2, een kelder te bouwen of te vergroten mits de kelder grondwaterneutraal kan worden gebouwd. Om te bepalen of een kelder grondwaterneutraal kan worden gebouwd geldt: 1.
voor kelders met een totale brutovloeroppervlakte van maximaal 300 m2 en een maximale bouwdiepte van 4 meter dat het bevoegd gezag de aanvraag toetst aan de beleidsregel "Grondwaterneutrale Kelders Amsterdam"; 2. voor kelders met een totale brutovloeroppervlakte van meer dan 300 m2 of een bouwdiepte van meer dan 4 meter dat op basis van een geohydrologisch onderzoek moet worden aangetoond dat het bouwplan niet strijdig is met het belang als genoemd in 31.1.1 b. Het bevoegd gezag kan op basis van de toetsing aan de beleidsregel of de uitkomsten uit het geohydrologisch onderzoek aan de omgevingsvergunning voorwaarden verbinden ter bescherming van het belang als genoemd in 31.1.1 c. Als vast staat dat een bouwplan grondwaterneutraal kan worden gebouwd, houdt het bevoegd gezag bij de afweging om gebruik te maken van de bevoegdheid in 31.1.3 sub a tevens rekening met overige belangen in het kader van een goede ruimtelijke ordening. d. Indien de beleidsregel wordt gewijzigd of herzien, moet bij de toetsing van een aanvraag omgevingsvergunning rekening worden gehouden met deze wijziging dan wel herziening.
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 81
Artikel 32
Algemene afwijkingsregels
Indien niet met toepassing van een andere bepaling van deze regels afgeweken kan worden, kan het bevoegd gezag, gelet op het bepaalde in artikel 3.6, lid 1 onder c van de Wet ruimtelijke ordening, een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, verlenen in afwijking van de desbetreffende bepalingen van dit bestemmingsplan, ten behoeve van: a. het toestaan van de volgende bebouwing in het plangebied: gebouwen ten behoeve van een nutsvoorziening met een maximum bouwhoogte van 6 meter en een maximum bruto vloeroppervlak van 25 m², alsmede;
b.
c. d.
e.
f.
1. bouwwerken geen gebouwen zijnde, zoals gedenktekens, kunstwerken, vrijstaande muren, geluidwerende en windhinder beperkende voorzieningen; geringe afwijkingen welke in het belang zijn van een ruimtelijk of technisch beter verantwoorde plaatsing van bouwwerken of welke noodzakelijk zijn in verband met de werkelijke toestand van het terrein, worden toegestaan, mits de afwijking in situering niet meer dan 2 meter bedraagt; de in de regels toegestane maximum bouwhoogten met niet meer dan 2 meter wordt vergroot; de in de regels toegestane maximum bouwhoogten, anders dan in bedoeld in c, met ten hoogste 5 meter worden overschreden ten behoeve van lift- en trappenhuizen, centrale verwarmingsinstallaties, zonneboilers, glasbewassingsinstallaties, ventilatie-inrichtingen en vergelijkbare inrichtingen zoals rookgasafvoerpijpen, vlaggenmasten en vergelijkbare bouwwerken voor de opwekking van duurzame energie zoals zonnepanelen en ten hoogste 12 meter ten behoeve van windmolens en windturbines; een overschrijding van de in het plan aangegeven bebouwingsgrenzen en/of bestemmingsgrenzen tot ten hoogste 2 meter ten behoeve van uitkragingen, bordessen, galerijen, luifels, erkers, buitentrappen en lift- en trappenhuizen en andere ondergeschikte delen van gebouwen; e en overschrijding van de in het plan aangegeven bebouwingsgrenzen en/of bestemmingsgrenzen tot ten hoogste 1,5 meter ten
behoeve van balkons, waarbij de negatieve gevolgen voor daglichttoetreding van de onderliggende woning door de aanvrager in beeld worden gebracht.
Gemeente Amsterdam
blz. 82
Hoofdstuk 4 Artikel 33 33.1
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwwerken
1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 2. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het eerste lid een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het eerste lid met maximaal 10%. 3. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 33.2
Overgangsrecht gebruik
1. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 2. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het eerste lid, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 3. Indien het gebruik, bedoeld in het eerste lid, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. 4. Het eerste lid is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
bestemmingsplan_Westerpark Zuid (vastgesteld)
blz. 83
Artikel 34
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Westerpark Zuid. Aldus vastgesteld in de vergadering van de gemeenteraad van de gemeente Amsterdam. De voorzitter, De griffier,
Gemeente Amsterdam