CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Programma windenergie amsterdam 12_VRM23_357.pdf

RAAD 18 september 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Kennisnemen van de raadsinformatiebrief Terinzagelegging ontwerp-Programma Windenergie Amsterdam 2030 en plan-MER (VN2024-011023)28.970 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 4

Niet gevonden in dit document.

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Programma Windenergie Amsterdam 2030 Versie t.b.v. tervisielegging Q2 20241

1 Let op: De inhoud van dit document is nog onder voorbehoud van eventuele wijzigingen die uit de inspraakperiode voort­komen (bijvoorbeeld reacties van bewoners, adviezen van stadsdelen of de Commissie mer).

Programma Windenergie Amsterdam 2030

4

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Voorwoord

De klimaatcrisis is de belangrijkste uitdaging voor onze planeet. En inmiddels beginnen we ook in Amsterdam de gevolgen van die klimaatverandering steeds meer in ons dagelijks leven te voelen. Amsterdam wil bijdragen aan het tegengaan van klimaatverandering en tegelijkertijd ook minder afhankelijk zijn van geïmporteerde energie. Daarvoor is het nodig dat we zoveel mogelijk zelf groene elektriciteit opwekken. Eén manier om dat te doen is door windenergie. In het collegeakkoord hebben we gesteld dat we het potentieel aan windenergie in Amsterdam willen benutten ‘zonder dat hierdoor onaanvaardbare gezond­ heidsrisico’s ontstaan of de natuur te veel wordt belast’. En ook is er in het akkoord aandacht voor het bestrijden van energiearmoede door in te zetten op coöperatieve vormen van energie opwek en lokaal eigenaarschap. Deze doelstellingen krijgen vorm in het Programma Windenergie Amsterdam 2030 (PWA) dat hier voor u ligt. Het beschrijft wáár in Amsterdam het college kansen ziet voor windenergie, en onder welke voorwaarden initiatieven van start kunnen. We realiseren ons dat er onder Amsterdammers vele meningen bestaan over windturbines. Sommige mensen maken zich zorgen over geluidsoverlast of aantasting van de natuur, en anderen zien juist op veel plekken kansen voor windturbines.

Ik denk dat we in het maken van het programma zeer zorgvuldig met deze meningen zijn omgegaan, en we zijn iedereen die met ons mee heeft gedacht dankbaar. In het bijzonder wil ik in dit kader de Stedelijke Adviesgroep RES Amsterdam (SARA) noemen, die ons meerdere malen van nauwkeurig advies heeft voorzien. Al met al denk ik dat we met dit programma een belang­ rijke stap zetten in de richting van het behalen van onze duurzaamheidsdoelen, en dat we laten zien dat we als hoofdstad op dit thema onze verantwoordelijkheid nemen. Zita Pels, wethouder Duurzaamheid, energietransitie en circulaire economie

5

Programma Windenergie Amsterdam 2030

S Samenvatting

6

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Hoofdstuk 1 Het Programma Windenergie Amsterdam 2030 (PWA) is een programma in het kader van de Omgevingswet, het is een thematische uitwerking van de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 en van de RES1.0. Het programma beschrijft hoe uitvoering wordt gegeven aan de ge­ meentelijke doelstelling voor de opwek van duurzame energie door middel van windturbines. Die doelstelling is 127 Megawatt (MW) opgesteld vermogen in 2030. Het PWA heeft drie doelen: • het college legt in dit programma verantwoording af over hóe het denkt de doelstelling voor wind te realiseren; • het programma informeert bewoners en anderen; • het programma beschrijft aan welke voorwaarden een windenergie initiatief moet voldoen. Het PWA is geschreven in de context van regionale-, nationale-, en internationale afspraken over het terug­ brengen van de CO2-uitstoot. De doelen uit deze context zijn door Amsterdam vertaald naar de Route­kaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 en de Omgevings­visie Amsterdam 2050. Het PWA biedt kaders op stedelijke schaal voor de uitvoering in concrete windenergie­ projecten. In die windprojecten is altijd nader onderzoek op projectniveau nodig. Tijdens het maken van het PWA heeft er op verschillende momenten en met verschillende groepen (onder andere bewoners, Stadsdelen, Port of Amsterdam) afstemming plaats­gevonden over de inhoud.

Dit is in lijn met het participatie­beleid en de inspraakverordening (straks ‘participatie­verordening’) van de gemeente Amsterdam. Daarnaast zijn de wettelijke momenten en eisen voor inspraak gevolgd (periodes voor tervisielegging). De Stedelijke Adviesgroep RES Amsterdam (SARA) had een bijzondere rol. Deze groep, in het leven geroepen naar aanleiding van de ‘reflectiefase’ heeft vanuit verschillende perspectieven gevraagd en ongevraagd advies uitgebracht op tussenproducten.

extern bureau een Milieueffectrapportage (plan-MER) uitgevoerd. Deze heeft voor alle windzoekgebieden uit de RES1.0 bekeken wat de milieueffecten zijn (bijvoorbeeld op gezondheid, natuur, landschap en cultureel erfgoed), met als doel deze gebieden onder­ ling te kunnen vergelijken. Uit het plan-MER blijkt dat er in theorie voldoende potentie is om binnen de gemeentegrenzen te voldoen aan de ambitie om in 2030 127 MW opgesteld vermogen te realiseren. Op basis van de kwalitatieve beschouwing in het planMER blijkt verder dat in enkele zoekgebieden optimali­ saties in de opstellingen van het onderzochte basis­ alternatief mogelijk zijn om het effect op een bepaald milieuthema (sterk) te verminderen. De informatie uit het plan-MER is input voor de afweging die het college heeft gemaakt tussen de verschillende zoekgebieden. Bij die afweging heeft het college invulling gegeven aan het coalitieakkoord (“het potentieel aan windenergie in Amsterdam benutten zonder dat hierdoor onaanvaardbare gezondheidsrisico’s ontstaan of de natuur te veel wordt belast”). Voor geluid wordt hierbij 45 dB Lden op gevoelige objecten als grens gehanteerd (d.w.z. zoekgebieden die resulteren in meer dan 45 dB Lden op gevoelige objecten (waaronder woningen, onderwijs- en zorginstellingen) vallen af, en valt het zoekgebied in het Natura2000beschermingsregime af.

Van de overige milieuaspecten (zoals landschap) en andere overwegingen (zoals sociale aspecten) is per gebied gekeken of er op voorhand geen onaanvaardbare situaties ontstaan.

Hoofdstuk 2

Op basis van bovenstaande afweging is voor elk zoek­ gebied onderbouwd waarom het wel of niet wordt aangewezen als gebied voor windenergie in dit PWA. Het resultaat is dat vier gebieden worden aangewezen, namelijk: de Haven (buiten de ring A10), knooppunt Holendrecht, Weesperkarspel, Gaasperplas (een klein deel van het oorspronkelijke zoekgebied), en de Diemerscheg. Zie voor een overzicht de kaart hieronder. De overige zoekgebieden uit de RES1.0 vallen af. Voor een uitgebreide beschrijving van de afweging per zoekgebied zie 2.3.

Dit hoofdstuk beschrijft de gebieden waarin het college onder voorwaarden positief staat tegenover plaatsing van één of meer windturbines. Windturbines hebben effecten op het milieu. Voor het PWA is door een

Invulling in de Haven heeft de prioriteit. Om die reden zijn wij voornemens om de Haven aan te wijzen als versnellingsgebied in de zin van de Renewable Energy Directive III (REDIII).

7

8

5 km

N

Amstelveen

Oostzaan

Knooppunt Holendrecht

Ouder-Amstel

Landsmeer

Kaart 1: Aangewezen gebieden voor windturbines (status: concept voor ter visielegging Q2 2024).

2,5km

Stadsdeelgrens

Bestaande windturbine

Windturbine in voorbereiding

Aangewezen gebied

Legenda

Haarlemmermeer

Haven

Zaanstad

Diemerscheg

Gooise Meren

Let op: Concept kaart t.b.v. ter visie legging. Q2 2024

Weesperkarspel

De Ronde Venen

Gaasperplas

Diemen

Waterland

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Verkenning

Ontwerp

Vergunning

Bouw

Exploitatie

Ontmanteling

Hoofdstuk 3 Verkenning

Ontwerp

Vergunning

Hoofdstuk 4 Bouw Exploitatie

Ontmanteling

Hoofdstuk 3 beschrijft het proces van het realiseren en in bedrijf nemen van een windturbine. Dit proces is complex en meerjarig. Het proces is maatwerk per project, maar er zijn een aantal fasen te onderscheiden Ontwerp Vergunning Verkenning (zie de figuur hierboven). De fasen worden beschreven, waarbij er gedetailleerder wordt ingegaan op de rol van de gemeente.

Verkenning

Ontwerp

Vergunning

De gemeente vraagt in de verschillende fasen van een windinitiatief extra inspanning van de initiatiefnemer met betrekking tot de fysieke leefomgeving, ecologie, landschap, participatie en communicatie. Hoofdstuk vier Bouw Exploitatie Ontmanteling beschrijft deze richtlijnen, die gelden náást de eisen die gesteld worden in wet- en regelgeving. In hoeverre deze richtlijnen geëist kunnen worden, hangt overigens af van de vraag of de gemeente grondeigenaar is en/of het college bevoegd gezag voor de vergunning is.

Bouw

Exploitatie

Ontmanteling

Zie hieronder een tabel met een overzicht, meer detail per regel in hoofdstuk 4. Overzicht van wat de gemeente concreet aan initiatiefnemers vraagt: 4.1 Fysieke leefomgeving

Verkenning

Ontwerp

Vergunning

Bouw

Exploitatie

Ontmanteling

De initiatiefnemer heeft in de verkennings- ontwerpfase onderzoek gedaan naar een optimale positionering/opstelling van de windturbine(s) om daarmee negatieve impact van geluid, slagschaduw, veiligheidsrisico’s en verlichting te voorkomen of tot een minimum te beperken. 4.2 Natuur en biodiversiteit

De initiatiefnemer doet in de verkenningsfase een Quickscan naar de geldende beschermingsregimes en de aanwezige natuurwaarden soorten in deVergunning omgeving van de beoogde Ontwerp Bouwlocatie. Exploitatie Ontmanteling Verkenning en beschermde Als voorwaarde voor een beoordeling van een initiatief voor plaatsing van één of meer windturbines geldt dat in de aanvraag alle consequenties voor natuurwetgeving en -beleid inzichtelijk moet zijn gemaakt. 4.3 Ruimtelijk-landschappelijk Het initiatief past binnen de geldende regels en kaders van rijk, provincie, gemeente en waterschappen ten aanzien van ruimtelijke inpassing.

Vergunning Exploitatie Ontmanteling Verkenning De initiatiefnemer neemtOntwerp in een vroeg stadium (de verkenningsfase)Bouw contact op met de gemeente om over ruimtelijklandschappelijke voorwaarden en kansen te praten. De initiatiefnemer onderzoekt en beschrijft in de ontwerpfase de randvoorwaarden en ambities ten aanzien van het landschap Een initiatief geeft tijdens de ontwerpfase in een landschapsplan inzicht in de te treffen ruimtelijk- landschappelijke maatregelen. 4.4 Proces participatie Het participatieproces voldoet aan de geldende beleidskaders en verordeningen ten aanzien van participatie. De initiatiefnemer stelt tijdens de verkenningsfase, in afstemming met de omgeving, een participatieplan op en legt dit voor aan het college of sluit hierover een anterieure overeenkomst met de provincie. In de vergunningsfase en in het verdere verloop van een windproject legt de initiatiefnemer verantwoording af over het participatieproces. De gemeente/provincie zorgt voor formele inspraak. 4.5 Financiële participatie De initiatiefnemer stelt in de verkenningsfase een plan op voor financiële participatie waarin zij aangeeft op welke wijze er binnen het project invulling gegeven wordt aan financiële participatie, in lijn met de ambitie en doelen van de gemeente.

Het plan wordt als bijlage toegevoegd aan het participatieplan dat de initiatiefnemer – tevens in de verkenningsfase – opstelt. 4.6 Communicatie Van de initiatiefnemer wordt verwacht dat zij, in afstemming met gemeente en stadsdeel, in de ontwerpfase van het windproject een communicatieplan opstelt.

9

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Leeswijzer

Dit document bevat het Programma Windenergie Amsterdam 2030 (PWA). Het document bestaat uit vier hoofdstukken. • Het document begint met een voorwoord van wethouder Pels, een samenvatting, deze leeswijzer, en een begrippenlijst.

•

realiseren van een windturbine. •

•

Hoofdstuk één is de introductie. Hierin wordt beschreven wat een programma is, wat het doel van het programma is, en in welke context het programma opereert.

• In hoofdstuk twee beschrijven we hoe we tot onze keuze van gebieden gekomen zijn, en welke gebieden zijn aangewezen.

10

Hoofdstuk drie beschrijft het proces van het Hoofdstuk vier gaat in op waar initiatiefnemers rekening mee moeten houden in alle fasen van een windturbine.

• Het document sluit af met een overzicht van bijlagen en het colofon.

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Begrippenlijst

Begrip

Definitie

Alternatief

De term ‘alternatief’ heeft binnen een MER een specifieke betekenis: mogelijke manier om de doelstelling te halen. In het plan-MER dat hoort bij het PWA zijn vier alternatieven onderzocht.

COK / CRK

De Commissie Omgevingskwaliteit (COK, voormalig CRK)

De gemeente

In dit PWA wordt daarmee het college van burgemeester en wethouders plus de gemeenteraad van Amsterdam bedoeld.

Harde belemmering

Reden waarom een windturbine op een bepaalde locatie niet realiseerbaar is.

ILT

Inspectie Leefomgeving en Transport

Initiatiefnemer

Een initiatiefnemer zorgt voor de aanvraag van een omgevingsvergunning of een projectbesluit voor een windturbine(s). De initiatiefnemer kan een grondeigenaar, coöperatie, particulier, bedrijf (bijvoorbeeld een energiebedrijf) of overheidsinstantie zijn die de ambitie heeft om een windturbine te ontwikkelen. De initiatiefnemer is de trekker van de ontwikkeling en doorloopt het gehele proces vanaf de verkenningsfase tot en met het ontmantelen van de windturbine.

Lden en Lnight

Eenheid om geluid te meten Lden: integratie van alle dag-, avond- en nachtwaarden van een jaar (Lden). Lnight: integratie van alle nachtperioden van een jaar (Lnight)

LIB

Luchthavenindelingbesluit

mer- plichtige activiteiten

Mer-plichtige activiteiten (plannen en projecten) zijn activiteiten waarvoor het opstellen van een milieueffectrapport vanuit de wet verplicht is. Alle plannen (zoals omgevingsplannen, omgevingsvisies en omgevingsprogramma’s) die windparken mogelijk maken zijn plan-merplichtig. In sommige gevallen volstaat een plan-mer-beoordeling. Voor wat betreft de projectmer-plicht geldt dat wettelijk gezien alleen windparken met 20 of meer windturbines direct project-MER-plichtig zijn. Voor windparken tussen de 3 en 20 windturbines geldt in eerste instantie een project-mer-beoordelingsplicht.

mer

Milieueffectrapportage (mer) is een instrument en hulpmiddel voor besluitvorming volgens een vastgelegde wettelijke procedure en inhoudelijke vereisten met wettelijke vastgelegde participatie- en/of inspraakmomenten. Het doel is om te zorgen dat de milieubelang volwaardig meegewogen wordt in besluitvorming.

MER

Milieueffectrapport

Milieugevolgen

Gevolgen voor het fysieke milieu, waaronder de kwetsbaarheid voor risico’s op zware ongevallen of rampen, gezien vanuit het belang van de bescherming van onder meer de bevolking, mense­ lijke gezondheid, biodiversiteit, bodem, klimaat, cultureel erfgoed en landschap in onderlinge samenhang.

Mitigatie (mitigerende maatregelen)

Manieren om negatieve milieueffecten van windturbines te voorkomen of verminderen.

MW en MWh

Megawatt: Eenheid van (elektrisch) vermogen. Megawattuur: Eenheid van (elektrische) energie. Een windturbine die een uur lang 3MW levert produceert in die tijd 3 mega-wattuur (MWh). Een gemiddeld huishouden verbruikt jaarlijks zo’n 3,2 MWh.

N2000

Natura 2000

NNN

Natuur Netwerk Nederland

NRD

De Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) betreft de eerste stap in de (plan-)mer. De NRD beschrijft voorafgaand aan de procedure de inhoud van het onderzoek (reikwijdte) en met welke diepgang (detailniveau) dit wordt onderzocht. Onder het oude recht (de Wet milieubeheer) werd de NRD gedurende zes weken ter inzage gelegd en konden zienswijzen worden ingediend.

NvB

Nota van Beantwoording

ODNZKG

Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied

11

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Begrip

Definitie

Omgevingsvergunning windturbines

Bestuursrechtelijke toestemming die nodig is van de gemeente voor windturbines van minder dan 5MW of voor windturbines die passen binnen de mogelijkheden van het Omgevingsplan Amsterdam; het kan gaan om meerdere activiteiten, zoals de milieuactiviteit, bouwactiviteit, activiteit afwijken van het omgevingsplan, aanleg-activiteit.

Omgevingsvisie Amsterdam (OVA)

Ruimtelijke visie voor de toekomst van Amsterdam tot 2050

Onderzoeksopstelling

Denkbeeldig windpark binnen een zoekgebied, waarvan de milieueffecten in het plan-MER zijn onderzocht.

Optimalisatiealternatief

Een in het plan-MER te onderzoeken alternatief, waarbij door middel van positionering van windturbines nadelige milieugevolgen op een bepaald thema zoveel mogelijk worden weggenomen.

Ow

Omgevingswet

plan-MER en project-MER

Binnen mer wordt onderscheid gemaakt tussen een plan-MER en een project-MER. Een plan-MER betreft de onderbouwing van een plan of programma en ondersteunt de overheid bij strategische afwegingen (bv. omgevingsplan of programma). Een project-MER betreft de milieuonderbouwing van een concreet project en kan een bijlage bij de vergunningaanvraag zijn. Het detailniveau van een project-MER is hoger dan van een plan-MER.

PoA

Port of Amsterdam

Programma Windenergie Amsterdam 2030 (PWA)

Het PWA is een beleidsdocument van de gemeente Amsterdam, namelijk een omgevings­ programma in de zin van de Omgevingswet, met de concrete uitwerking van de in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 vastgelegde doelstelling voor windenergie.

Projectbesluit windturbines

Bestuursrechtelijke toestemming die nodig is van de provincie voor windturbines tussen de 5-100MW als de aanvraag niet past binnen de mogelijkheden van het Omgevingsplan Amsterdam; het kan gaan om meerdere activiteiten, zoals de milieuactiviteit, bouwactiviteit, activiteit afwijken van het omgevingsplan, aanleg-activiteit.

REDIII

Renewable Energy Directive III (dat is een Europese richtlijn voor hernieuwbare energie)

RES

Regionale Energiestrategie

RWZI

Rioolwaterzuiveringsinstallatie

SARA

Stedelijke Adviesgroep RES Amsterdam

Smb-richtlijn

Strategische Milieu beoordeling richtlijn

TAC

Technische Adviescommissie Hoofdgroenstructuur

TWh

Terawattuur. 1 TWh is 1000 gigawattuur (GWh) is 1.000.000 megawattuur (MWh). De gemeente heeft in de regionale energiestrategie aangegeven 0,7 TWh per jaar aan duurzame elektriciteit te willen opwekken. De 127 MW aan opgesteld windvermogen draagt hier voor ongeveer de helft aan bij.

Wij

In dit PWA wordt daarmee het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam bedoeld.

Windturbine

Een grootschalige turbine die de energie van de wind omzet in elektriciteit door middel van een generator (minimaal 3MW). Moderne windturbines onderscheiden zich hiermee van traditionele windmolens, die direct gebruik maken van de mechanische energie om bijvoorbeeld graan te malen (korenmolen) of water te pompen (poldermolen).

Wind(turbine)park

Een cluster van drie of meer windturbines.

Zoekgebied

In de RES1.0 aangewezen gebied waarbinnen op voorhand mogelijkheden voor windenergie werden gezien. Het plan-MER bij dit PWA onderzoekt in meer detail de milieueffecten van onderzoeksopstellingen in de RES-zoekgebieden die in de gemeente Amsterdam liggen. Dit PWA legt in hoofdstuk 2 de uiteindelijke zoekgebieden vast. Die worden later ook in een nieuwe versie van de RES opgenomen.

12

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Inhoud

Leeswijzer10 Begrippenlijst11

1

Inleiding15 1.1 Wat is het Programma Windenergie Amsterdam 2030? 1.2 Wat ging vooraf aan dit programma? 1.3 Samenhang en doorwerking van het programma 1.4 Hoe heeft het gesprek met de stad plaatsgevonden?

2

16 19 20 23

Waar worden windturbines mogelijk gemaakt?

25

2.1 Wat zijn de verwachte milieueffecten? 2.2 Welke afwegingen maakt het college over de zoekgebieden? 2.3 Toelichting op de afgevallen en aangewezen gebieden 2.4 Conclusie: Wat zijn de aangewezen gebieden?

26 28 29 36

3

Hoe komt een windproject tot stand?

41

3.1 Hoe ziet het proces er op hoofdlijnen uit?  3.2 Wat moet er gebeuren voordat de bouw kan starten? 3.3 Het proces van bouwfase tot ontmanteling van een windturbine 3.4 Wat doet de gemeente Amsterdam?

42 43 45 48

4

Waar moet een initiatief aan voldoen?

51

4.1 Wat zijn aandachtspunten ten aanzien van de fysieke leefomgeving? 4.2 Wat zijn aandachtspunten ten aanzien van natuur en biodiversiteit? 4.3 Wat zijn ruimtelijk-landschappelijke aandachtspunten? 4.4 Wat zijn de richtlijnen voor procesparticipatie? 4.5 Wat zijn de richtlijnen voor financiële participatie? 4.6 Wat zijn de richtlijnen voor communicatie?

53 56 60 62 64 67

Bijlagen69 Colofon69

13

Programma Windenergie Amsterdam 2030

1 Inleiding

Dit deel is een inleiding op dit document: het Programma Wind Amsterdam (PWA). Het beschrijft de de maatschappelijke en politiek/bestuurlijke context, gaat in op wat het PWA wel en niet is, wat het doel van het PWA is, en hoe het gesprek met de stad over het PWA heeft plaatsgevonden.

15

Programma Windenergie Amsterdam 2030

1.1 Wat is het Programma Windenergie Amsterdam 2030? In het Programma Windenergie Amsterdam 2030 (PWA) beschrijft het college op welke wijze uitvoering gegeven wordt aan de gemeentelijke doelstelling om meer duurzame energie op te wekken op het grondgebied van Amsterdam door grootschalige windenergie. Onder grootschalige windenergie verstaan we in dit programma windturbines1 met een vermogen van minimaal 2MW en een minimale tiphoogte van 130 meter. De doelstelling voor windenergie staat beschreven in de door de gemeenteraad vastgestelde Regionale Energie Strategie (RES1.0) en de Omgevingsvisie Amsterdam 2050. In de Omgevingsvisie worden integrale afwegingen gemaakt voor de fysieke leefomgeving. Het is een visie op hoofdlijnen voor de lange termijn en niet geschikt voor het maken van concrete plannen op individuele thema’s zoals windenergie. Daarom heeft de gemeenteraad het college opgedragen om voor bepaalde onderdelen van de Omgevingsvisie een programma te maken. Daarin wordt een bepaald thema verder uitgewerkt. Met een Omgevingsvisie en een Omgevingsprogramma geven we als gemeente invulling aan de nieuwe instrumenten van de Omgevingswet.

Tiphoogte

Rotordiameter

Dit document is het omgevingsprogramma voor het on­ derdeel ‘windenergie’. Voor windenergie is in de Omge­ vingsvisie Amsterdam 2050 een doelstelling opge­nomen om in 2030 127 MW opgesteld vermogen te hebben.

Doel van het programma Het PWA geeft duidelijkheid aan burgers en bedrijven over grootschalige opwekking van windenergie op het grondgebied van Amsterdam in de periode tot 2030. Het doel van het programma is drieledig: 1. We leggen als gemeente in dit programma verant­ woording af over de wijze waarop wij denken dat het doel om in 2030 127 MW opgesteld vermogen

Waarom een Programma Windenergie Amsterdam? De uitstoot van CO2 door het verbranden van fos­ siele brandstoffen leidt tot klimaatverandering: de aarde wordt gemiddeld warmer. Ook Amsterdam zal hard worden geraakt door de gevolgen van klimaat­ verandering als er niks gebeurt om de uitstoot van CO2 te verminderen. Klimaatverandering heeft zoveel negatieve effecten dat we inmiddels spreken van een klimaatcrisis. Wereldwijd hebben overstro­ mingen, temperatuurveranderingen en droogte een grote impact op de volksgezondheid, de economie, en samenleving. De opwarming van de aarde leidt tot het uitsterven van dieren en planten en daarmee een verdere achteruitgang van de biodiversiteit. Het dynamische evenwicht van ecosystemen raakt uit balans. Niet goed functionerende ecosystemen leiden tot risico’s voor onze voedsel- en grond­ stoffenvoorziening, schoon drinkwater, zuurstof (geproduceerd door planten) en kustbescherming.

Ashoogte

Figuur 1: Tiphoogte, as-hoogte en rotordiameter van de windturbine.

1 Afhankelijk van de situatie bedoelen we hier een solitaire wind­ turbine of een windturbinepark. In de rest van dit document gebruiken we voor beiden ‘windturbine’.

16

In 2022 hebben we ook gemerkt dat onze afhanke­ lijkheid van het buitenland voor de import van fossiele brandstoffen kwetsbaar is en kan leiden tot extreme prijsschommelingen. Duurzame bronnen van energie hebben veel minder nadelen in verge­ lijking met fossiele brandstoffen. Voorbeelden van duurzame energie zijn stroom uit zonne­panelen of windturbines. Ook kan duurzame energieopwekking maatschappelijke voordelen hebben doordat ze niet alleen gebouwd kunnen worden door grote bedrijven die grote investeringen kunnen doen maar ook direct of indirect bij de gebruikers zelf in bezit kunnen zijn.

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Wat is de opgave? De opgave zoals Amsterdam die in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 heeft vastgelegd is om voor 2030 tenminste 127 MW opgesteld vermogen windenergie te realiseren op het eigen grondgebied. Die 127 MW is als volgt onderverdeeld: • Begin 2021 staan er 28 windturbines in Amsterdam met een gezamenlijk vermogen van 75 MW. • De resterende opgave tot 2030 is om tenminste 52 MW aan windenergie te realiseren op voorwaarde dat hierdoor geen onaanvaardbare gezondheidsrisico’s ontstaan of de natuur te veel wordt belast. – Een deel van de opgave, goed voor ongeveer 25 MW vermogen is recent al vergund (RWZI Westpoortweg, 9,2 MW) of is in voorbereiding (Noorder IJplas / Cornelis Douwesterrein, ca. 16MW). – Daarmee resteert een opgave van 27 MW Ondanks de ontwikkelingen rond de vergunnings­aanvraag voor het windturbinepark rond Noorder IJplas, gaan wij ervan uit dat deze doorgang gaat vinden. De opgave in dit PWA is daarom om gebieden aan te wijzen voor 27 MW aan opgesteld vermogen windenergie in de periode tot 2030. In de aangewezen gebieden is bij elkaar in theorie meer MW mogelijk, maar een overmaat is nodig vanwege uitvoeringsrisico’s. Het doel van dit PWA is dus realisatie van minimaal én maximaal 27 MW opgesteld vermogen tot 2030 in de in dit programma aangewezen gebieden.

Als het doel van 27 MW bijna bereikt is zal te zijner tijd worden afgewogen of een extra turbine wenselijk is (waarmee het doel met een klein aantal MW’s wordt overschreden) of dat een klein tekort op het doel beter is.

Ambitie windenergie 2030 Bestaande winturbines

127 MW 75 MW

Wind in voorbereiding

25 MW

Resterende opgave

27 MW

Figuur 2: Illustratie van de opgave voor windenergie in Amsterdam

windenergie te hebben op het grondgebied van Amsterdam het beste gehaald kan worden binnen de gestelde voorwaarden voor o.a. gezondheid en natuur (zie tekstkader: ‘wat is de opgave?’). In het programma worden gebieden aangewezen die volgens de gemeente aanvaardbaar zijn om windturbines te plaatsen en waar we, onder bepaalde voorwaarden, medewerking zullen verlenen aan initiatieven voor de plaatsing van windturbines. 2. Het programma is geschreven om Amsterdammers en initiatiefnemers te informeren en duidelijkheid te geven. Bijvoorbeeld over de stappen die doorlopen moeten worden om een windturbine te kunnen plaatsen en exploiteren, en over de rollen en verantwoordelijkheden in zo’n proces.

3. In dit PWA staan de richtlijnen beschreven waar initiatieven voor plaatsing van één of meer wind­ turbines aan moeten voldoen. Deze richtlijnen zijn bepalend voor het advies van de gemeente Amsterdam aan de vergunningverlener (vaak de provincie Noord-Holland). Het PWA biedt dus een leidraad bij de uitwerking voor windturbines in omgevingsplannen en/of omgevingsvergunningen.

Waar gaat het Programma Windenergie Amsterdam 2030 over en waar niet? Het Programma Windenergie Amsterdam 2030 gaat over de mogelijkheden voor het grootschalig opwekken van duurzame energie door middel van windturbines op het grondgebied van de gemeente Amsterdam. Het

17

Programma Windenergie Amsterdam 2030

PWA gaat dus bijvoorbeeld niet over de mogelijkheden voor de opwek van andere soorten duurzame energie, zoals door middel van zonnepanelen. Het gaat ook niet over de opwek van duurzame energie door kleine windturbines. Het PWA gaat ook niet over de belangrijke opgave om energie te besparen om daar­mee de vraag naar (duurzame) energie te laten afnemen. Al deze maatregelen staan beschreven in de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 en/of er lopen afzonder­lijke trajecten binnen de gemeente Amsterdam. Het PWA beperkt zich tot het in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 gestelde doel om voor 2030 127 MW opgesteld vermogen windenergie te hebben op het grondgebied van Amsterdam. Daarmee kunnen tot on­ geveer 147.000 huishoudens van duurzame elektriciteit worden voorzien. Omdat er al verschillende windturbines in Amsterdam staan en er diverse initiatieven lopen om nieuwe turbines te plaatsen richt dit PWA zich op de res­ terende opgave om voldoende ruimte te vinden voor het opwekken van 27 MW opgesteld vermogen aan wind­ energie. Dit komt ongeveer overeen met het plaatsen van 4 tot 8 windturbines (afhankelijk van de grootte). Het vinden van voldoende ruimte voor windturbines in een groeiende en compacte stad als Amsterdam is een complexe opgave.

Het kan niet los gezien worden van de andere grote opgaven waar de stad voor staat, zoals het vinden van ruimte voor woningen, mobiliteit of groen. Dit programma is in overeenstemming met ons eigen vastgestelde beleid, zoals de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 en sectoraal beleid ten aanzien van ecologie, warmtenetten, hoogspanningsverbindingen, etc. Dat geldt ook voor de wettelijke kaders en beleid van andere overheden, zoals rijk of provincie.

Rolverdeling en status van het Programma Windenergie Amsterdam 2030 Voordat een windturbine gebouwd en gebruikt kan worden, moet er een omgevingsvergunning aangevraagd worden. De omgevingsvergunning kan meerdere activiteiten omvatten. In ieder geval is dat bouwen en in gebruik hebben, en meestal ook buitenplans afwijken omgevingsplan, aanleggen en de flora- en fauna-activiteit. Als een dijk of waterwerk gekruist wordt, is daarnaast een waterwetvergunning nodig van het waterschap. Voor een windturbine met een opgesteld vermogen tussen 5 en 100 MW is de provincie het bevoegd gezag, als de aanvraag niet past binnen de mogelijkheden van het Omgevingsplan Amsterdam. Voor een windturbine

18

Ontwikkelingen in de opwek van duurzame energie De overgang van een stad waarin we afhankelijk zijn van fossiele energie naar een stad waarin we alleen nog gebruik maken van energie uit hernieuwbare bronnen is een onzeker en langdurig proces. In dit programma wordt een volgende stap gezet door gebieden aan te wijzen en kaders te formuleren voor nieuwe windprojecten op het grondgebied van Amsterdam. We gaan in dit programma uit van de bewezen en nu meest effectieve vormen van duurzame energieopwekking op land, waarin naast opwek van energie met zonnepanelen, ook grootschalige windturbines een belangrijke rol spelen. Tegelijk weten we ook dat innovaties en ontwikkelingen op het gebied van duurzame energieopwekking doorgaan. Deze kunnen leiden tot andere conclusies over hoe we als land en als stad kunnen voorzien in onze behoefte aan duurzame energie. Daarom is het belangrijk om dit programma perio­ diek te herijken: zijn we nog op de goede weg? Geven ontwikkelingen of innovaties aanleiding om het PWA aan te passen? Zijn de milieugevolgen zoals het plan-MER beschrijft? Dit gaan we jaar­ lijks monitoren. In 1.3 van dit programma staat beschreven wanneer dit programma wordt geëvalueerd en (als nodig) geactualiseerd.

tot 5 MW2 is de gemeente altijd het bevoegd gezag voor de omgevingsvergunning (met uitzondering van de floraen fauna-activiteit). Onder de Omgevingswet heet een omgevingsvergunning van de provincie een ‘provinciaal project­besluit’3. Het gaat dan in ieder geval over het afwijken van het omge­ vingsplan, maar het projectbesluit kan ook de andere activiteiten omvatten zoals hierboven in de eerste alinea is vermeld. In dit Programma wordt ook het provinciaal project­besluit gemakshalve aangeduid als de ’vergun­ ning’. De provincie Noord-Holland heeft de Omgevings­ dienst Noordzeekanaalgebied (OD NZKG) gemandateerd 2 In het wetsvoorstel voor de Energiewet is de gemeente bevoegd gezag tot 15 MW (artikel 6.2 van het wetsvoorstel Energiewet). Het wetsvoorstel is momenteel in behandeling bij de Tweede Kamer. 3  https://iplo.nl/regelgeving/instrumenten/projectbesluit/ hoofdlijnen-projectbesluit/

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Windturbines in bij de Afrikahaven in het Havengebied Amsterdam Westpoort.

om namens Gedeputeerde Staten van de provincie de vergunning te verlenen. De OD NZKG beoordeelt dus in die gevallen namens de provincie, of de omgevingsver­ gunning kan worden verleend. Voor de flora- en fauna-ac­ tiviteit is de Omgevingsdienst Noord-Holland-Noord ge­ mandateerd. Voor windturbines op het grondgebied van Amsterdam vraagt de provincie (voor deze de ODNZKG) advies aan de gemeente. Het PWA vormt het uitgangs­ punt voor dit advies van de gemeente Amsterdam. In het PWA kan een potentiële initiatiefnemer dus lezen onder welke voorwaarden we als gemeente positief zullen adviseren richting de Omgevingsdienst. Het PWA is ook zelfbindend voor de gemeente Amsterdam als deze het bevoegd gezag is voor het verlenen van een vergunning. De Omgevingsdienst NZKG verleent dan de vergunning namens het college van de gemeente Amsterdam. Naast een vergunning(en), is ook toestemming nodig van de eigenaar van de grond. In bepaalde gevallen is de gemeente eigenaar; meestal is de grond dan in erfpacht uitgegeven. De gemeente kan dan soms aanvullende voorwaarden aan een initiatief stellen. Maar er kan bin­ nen de gemeentegrens ook een andere grondeigenaar zijn, zoals Staatsbosbeheer, Rijkswaterstaat, de provincie Noord-Holland of een bedrijf. Zie hiervoor hoofdstuk 3 over de totstandkoming van een initiatief.

1.2 Wat ging vooraf aan dit programma? Het PWA is het resultaat van een langdurig en zorgvuldig proces. Afspraken over het beperken van broeikasgassen die op mondiaal niveau zijn gemaakt, zijn door het rijk ver­ taald naar landelijk beleid. Vervolgens is dat beleid weer uitgewerkt door regio’s en provincies om uiteindelijk door gemeenten door te vertalen naar programma’s zoals deze. We beperken ons hieronder tot het beschrijven van de be­ langrijkste afspraken en beleidsuitspraken van de afgelo­ pen jaren die uiteindelijk hebben geleid tot dit programma.

Internationaal beleid In 2015 zijn in Parijs afspraken gemaakt tussen 195 lan­ den over hoe de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 à 2 graden Celsius. Om de doelen van het Kli­ maatakkoord van Parijs te halen hebben de EU-lidstaten met elkaar afgesproken dat de EU in 2030 minimaal 55% minder moet uitstoten. In 2050 wil de Europese Unie klimaatneutraal zijn. Dat betekent dat er dan netto geen broeikasgassen meer worden uitgestoten.

Nationaal beleid De afspraken van ‘Parijs’ zijn door het Nederlandse kabinet, bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties

19

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Windturbines in het Havengebied Amsterdam Westpoort.

in 2019 vertaald in maatregelen die ervoor moeten zorgen dat Nederland de klimaatdoelen gaat halen. Eén van de doelen van het Nationaal Klimaatakkoord is om in 2030 84 TWh duurzame energie te kunnen opwekken. Elke gemeente heeft daarmee een doel­ stelling meegekregen van het rijk om uitvoering te geven aan het Nationaal Klimaatakkoord.

Regionaal beleid: Regionale Energiestrategie 1.0 (RES) Een groot deel van die 84 TWH kan door windturbines op zee worden opgewekt, maar niet alles. Daarom heeft het rijk bepaald dat een kleiner deel van de behoefte aan duurzame energie op land moet worden opgewekt door windturbines en zonnepanelen. Waar en hoe die energie moet worden opgewekt staat beschreven in 30 Regionale Energie Strategieën (RES). Amsterdam valt in de energie regio Noord-Holland Zuid. In de RES voor Noord-Holland Zuid (2021) staat dat deze regio in 2030 2,7 TWH aan duurzame energie moet opwekken. Amsterdam neemt daarvan 0,7 TWH (677MW) voor haar rekening: 127 MW uit windenergie en 550 MW zonneenergie. In de RES is voor Amsterdam een kaart met zoekgebieden voor zonne- en windenergie opgenomen. In de RES-regio wordt momenteel de RES2.0 voorbereid. Wij willen daarin geen nieuwe zoekgebieden voor windenergie ten opzichte van de RES1.0 toevoegen.

20

Gemeentelijk beleid De doelen van Parijs, het Nederlandse Klimaatakkoord en de RES 1.0 zijn door Amsterdam vertaald naar de Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 en de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 (zie tekstkader ‘Wat zijn belang­rijke beleidskaders voor grootschalige wind­ energie?’). De doelen zoals beschreven in de Route­kaart en de Omgevingsvisie vormen het vertrek­punt van dit programma.

1.3 Samenhang en doorwerking van het programma Om ervoor te zorgen dat er samenhang is tussen verschil­ lende beleidsdocumenten en beleid ook ‘doorwerkt’ in uitvoering, handhaving, monitoring en bijstelling, werkt Amsterdam volgens de principes van de beleidscyclus, zoals beschreven in de Omgevingswet. Figuur 3 is een ver­ beelding van de beleidscyclus van het Programma Wind Amsterdam. De beleidscyclus bestaat uit vier stappen: visie en beleid, doorwerking, uitvoering en terugkoppeling.

1: Visie en beleid De beleidscyclus start rechtsboven met beleidsontwik­ keling. Voor het PWA zijn vooral de RES 1.0, de Route­

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Wat zijn belangrijke beleidskaders voor grootschalige windenergie? Hieronder een beknopt overzicht van relevante beleidsdocumenten voor grootschalige windenergie. Zie bijlage 1.1 de Notitie Reikwijdte en Detailniveau van het Plan-MER voor een compleet overzicht van relevante beleidsdocumenten. Provinciale omgevingsvisie Het beleid van de provincie Noord-Holland voor de opwekking van duurzame energie is vastgelegd in de provinciale Omgevingsvisie NH2050 en de daarbij behorende Omgevingsverordening NH2020. Deze ver­ ordening zal vanaf 1 januari 2024, als naar verwachting de Omgevingswet in werking is gestreden, vervangen worden door de Omgevingsverordening NH2022. De provincie heeft de ambitie om in 2050 volledig kli­ maatneutraal en circulair te zijn en biedt zowel op land als op zee ruimtelijke mogelijkheden voor windener­ gie en de benodigde infrastructuur. Hierbij wordt ook rekening gehouden met ambities voor verstedelijking en mogen de ontwikkelingen geen inbreuk doen op landschappelijke en cultuurhistorische waarden en karakteristieken. Over het algemeen geldt dat in ge­ bieden met grotere structuren en geringe aanwezig­ heid van bijvoorbeeld cultuurhistorie meer en grotere ontwikkelingen mogelijk zijn dan in gebieden waar de waarden van cultuurhistorie, openheid of ecologie hoog zijn. In alle gevallen is de ruimtelijke kwaliteit het uitgangspunt.

Aan windturbines binnen de RES-zoek­ gebieden wordt de eis gesteld dat de windturbines: a) zorgvuldig ruimtelijk worden ingepast1; en b) aan de Adviescommissie Ruimtelijke Ontwikkeling om advies wordt gevraagd over de locatieafweging en de ruimtelijke inpassing van de windturbines. Regionale Energiestrategie 1.0 (RES 1.0) De gemeenteraad van Amsterdam heeft in 2021 de RES 1.0 Noord-Holland Zuid vastgesteld. In het RES 1.0 hebben de betrokken gemeenten, waterschappen, provincie en netbeheerders hun gezamenlijke ambitie vastgelegd om 2,7 TWh aan hernieuwbare energie op te wekken in 2030 om daarmee bij te dragen aan de doelstellingen uit het landelijk Klimaatakkoord. De gemeente Amsterdam heeft hierin een bod opgenomen van 0,7 TWh hernieuwbare elektriciteit met ten minste 127 MW opgesteld vermogen windenergie in de windzoekgebieden. Hiervoor zijn

op het grondgebied van Amsterdam 32 zoekgebieden voor de opwek van zonne-en windenergie in de regio aangewezen, waarbinnen nog geen concrete locaties voor wind­turbines of zonnevelden zijn vastgelegd. Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal In de Routekaart worden de belangrijkste ingrediën­ ten beschreven van de Amsterdamse strategie om de overgang van fossiele naar duurzame energie in be­ weging te zetten en te houden. Voor windenergie is in de Routekaart een doelstelling voor 2030 opgenomen om 127 MW opgesteld vermogen te hebben, daarvoor moeten we nog 52 MW (ca. 17 extra windturbines) realiseren. Omgevingsvisie Amsterdam 2050 De in 2021 door de gemeenteraad vastgestelde Omgevingsvisie Amsterdam 2050 vormt het integrale kader voor alle beleid en alle projecten die betrekking hebben op de fysieke leefomgeving. De windzoek­ gebieden en de ambitie om in 2030 127 MW ver­ mogen aan windenergie te hebben gerealiseerd uit de RES 1.0 zijn in de Omgevingsvisie overgenomen en in samenhang gebracht met andere waarden en ruimte­lijke ontwikkelingen. Binnen de aangewezen zoekgebieden zal de gemeente onder voorwaarden medewerking verlenen aan initiatiefnemers van wind­ projecten. Hier zal een integrale afweging gemaakt worden ten opzichte van andere functies en iedere plaatsing vraagt om een zorgvuldige inpassing.

De vei­ ligheid en gezondheid van mens en natuur mogen niet in het gedrang komen. De Omgevingsvisie beschrijft ook dat gemeente, initiatiefnemer(s), bewoners en belanghebbenden samen een participatieplan maken voor een beoogd gebied voor windenergie. In elke fase van het lokale participatieproces kunnen bewoners vragen stellen, adviseren, en soms ook meebeslissen. Coalitieakkoord Amsterdam 2022-2026 In het Amsterdams Coalitieakkoord staat de ambitie beschreven om het potentieel aan windenergie in Am­ sterdam te benutten zonder dat hierdoor onaanvaard­ bare gezondheidsrisico’s ontstaan of de natuur te veel wordt belast. De inzet is om lokaal eigenaarschap te stimuleren, zodat Amsterdammers mee kunnen profi­ teren. Er wordt uitgegaan van coöperatieve vormen van duurzame energieopwekking.

1 Provinciale verordening artikel 6.27a eerste lid en 6.27b, eerste lid sub d, wordt door het bevoegd gezag in ieder geval betrokken: a. de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie; en b. Ruimtelijke handreiking wind op land zoals door gedeputeerde Staten vastgesteld op 31 augustus 2021 en gewijzigd vastgesteld op 11 januari 2022

21

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Actualisatie PWA

p

li pe

ng

Vi s i

ee

RES 1.0

n

Teru

le id

e

er

k in

Ui t

g

vo

Figuur 3: De beleidscyclus van het PWA.

rw

g r in

Do o

Omgevingsvergunning/ Projectbesluit

Omgevingsvisie Amsterdam 2050

Be

Handhaving & Toezicht

gk o

Monitoring & Evaluatie

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Omgevingsplan

kaart Amsterdam Klimaatneutraal en de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 relevante beleidsdocumenten. De doelen en kaarten voor opwek van energie uit zon en wind uit de Routekaart en de RES 1.0 zijn 1-op-1 over­genomen in de door de gemeenteraad vastgestelde Omgevingsvisie Amsterdam 2050.

doelstelling voor windenergie. Waar kunnen volgens de gemeente Amsterdam de windturbines het beste komen en onder welke voorwaarden? Het PWA geeft duidelijkheid aan burgers en initiatiefnemers over de (on)mogelijkheden voor grootschalige windenergie op Amsterdams grondgebied.

In de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 draagt de raad het college op om een programma duurzame energie op te stellen. Dit programma voorziet in die opdracht voor het onderdeel windenergie. De uitwerking van het doel voor zonne-energie is niet tegenstrijdig met dit programma en loopt parallel aan de uitwerking voor windenergie. Ook op andere terreinen worden de doelen ten aanzien van duurzame energie verder uitgewerkt in beleid. Zo wordt er parallel aan dit programma onder andere gewerkt aan beleid voor het verzwaren van het elektriciteitsnet en aan beleid om de vraag naar energie door datacentra te beperken.

3: Uitvoering

Daarnaast zijn er verschillende raakvlakken met over­ koepelend beleid van rijk en provincie of gemeentelijke beleidsdocumenten (zoals beleid over woningbouw, natuur, grond(prijs)- en erfpachtbeleid, et cetera). Bij het opstellen van het PWA zijn de belangrijkste beleidsdocumenten betrokken om strijdigheid tussen beleid te voorkomen.

2: Doorwerking Het PWA vormt de concrete uitwerking van de in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 vastgelegde

22

Het PWA wordt uitgewerkt in een omgevingsvergun­ ning/projectbesluit en/of een wijziging omgevingsplan. Pas dan is het bindend voor burgers en bedrijven. Aan de omgevingsvergunning of het projectbesluit worden voor­schriften verbonden waar de vergunninghouder zich aan moet houden. Bijvoorbeeld over het maximaal toe­ gestane geluidsniveau, het aantal uren slag­schaduw of de monitoring van milieugevolgen door de vergunning­ houder. Voor het leesgemak worden omgevings­vergun­ ning en projectbesluit in dit programma allemaal de ­‘vergunning’ genoemd, tenzij het relevant is dit onder­ scheid te maken. Zie ook onder 1.1 ‘Rolverdeling en status van het PWA’.

4: Terugkoppeling Toezicht en handhaving is nodig bij controle op de naleving van de vergunningsvoorschriften/ voorschriften in het projectbesluit. Dit behoort tot het takenpakket van de OD NZKG. Hoe het PWA in de praktijk werkt, wordt jaarlijks gemonitord en geëvalueerd in 2030. Elk jaar wordt de voortgang in de gebieden van het PWA in de gaten

Programma Windenergie Amsterdam 2030

gehouden om een reëel beeld te geven van hoeveel turbines er nog nodig zijn. Ook wordt jaarlijks gekeken of de milieugevolgen nog binnen de verwachte milieu­ gevolgen van het plan-MER blijven (monitoring). Zo nodig moet het beleid bijgestuurd worden. In 2030 wordt het PWA geëvalueerd. Dan wordt gekeken welke doel­stelling voor opwek van duurzame energie door wind op land er dan is, en of de zoekgebieden nog voldoen.

1.4 Hoe heeft het gesprek met de stad plaatsgevonden? Het realiseren van windturbines roept veel reacties op van voor- en tegenstanders. De gemeente is daarom al geruime tijd met betrokken en ongeruste bewoners van Amsterdam en buurgemeenten in gesprek. Zo zijn diverse groepen bewoners betrokken geweest bij de totstandkoming van de RES 1.0. We beschrijven hieronder de periode vanaf de vaststelling van de RES, en gaan dieper in op de reflectiefase, de stedelijke adviesgroep RES Amsterdam, stadsdelen, buurgemeenten en formeel inspraak en advies.

Reflectiefase Bij de vaststelling van de RES 1.0 (2021) is op verzoek van de raad een reflectiefase ingesteld. Tijdens deze fase is veel aandacht besteed aan de zorgen en behoeften van Amsterdammers ten aanzien van windenergie. Diverse (lokale) experts en klankbordgroepen hebben geadviseerd hoe de zorgen over gezondheid en natuur in het proces richting dit programma en de realisatie van concrete windprojecten zorgvuldig kunnen worden meegenomen. De uitkomsten, zorgen en conclusies van de reflectiefase zijn beschreven in het document ‘Signalen uit de Stad’4. Naar aanleiding van de reflectie­ fase heeft het college onder andere besloten om een plan-MER te laten opstellen, waarin de zoeklocaties op milieueffecten worden beoordeeld. De adviezen en signalen uit de reflectiefase zijn betrokken bij de totstandkoming van het plan-MER en het PWA.

Stedelijke Adviesgroep RES Amsterdam (SARA) Na de reflectiefase is de Stedelijke Adviesgroep RES Amsterdam (SARA) in het leven geroepen. SARA bestaat uit lokale vertegenwoordigers van verschillende belangengroepen binnen en rond de stadsgrenzen 4 De belangrijkste uitkomsten, zorgen en conclusies zijn te raadplegen via: https://www.amsterdam.nl/wonen-leefomgeving/ duurzaam-amsterdam/windmolens-amsterdam/afwegingskadersignalen-stad-0/

van Amsterdam, zoals Natuur en Milieufederatie, Windalarm, jong RES, leden van de klankbordgroepen Gezondheid en Natuur en vertegenwoordigers van de bewoners van stadsdelen en buurgemeenten. Volgens de werkafspraken5 tussen gemeente en SARA heeft de adviesgroep vanuit verschillende perspectieven advies uitgebracht op de concepten van het planMER en het PWA. De SARA heeft eerder in het proces ook op specifieke producten en onderwerpen on- en desgevraagde adviezen opgeleverd. Al deze adviezen zijn betrokken bij de totstandkoming van het PWA. Zie voor het advies van de SARA op het concept PWA en het concept plan-MER bijlage 2.2.

Stadsdelen en buurgemeenten In de reflectiefase hebben bewoners van de Amster­ damse stadsdelen in de buurt van de zoekgebieden, het (huidige) stadsgebied Weesp, en buurgemeenten zich zeer betrokken getoond bij de windturbineplannen van de gemeente Amsterdam. Gedurende de totstand­koming van Plan-MER en PWA hebben we daarom extra aandacht aan hen besteed. Hun input tijdens de reflectiefase is meegenomen in de onderzoeksopzet van het Plan-MER. Ook zijn buurgemeenten en stadsdelen ambtelijk en bestuurlijk periodiek geïnformeerd over de voortgang en geconsulteerd over conceptdocumenten. Relevante communicatie over wind in Amsterdam is afgestemd met deze organisaties zodat de informatie­voorziening in en rond de stad zo zorgvuldig en volledig mogelijk is.

Provincie Noord-Holland De provincie heeft doelen en richtlijnen met betrekking tot duurzame energieontwikkeling. Bovendien is de provincie bevoegd gezag voor de grote windprojecten. Daarom is ook de provincie ambtelijk en bestuurlijk periodiek geïnformeerd over de voortgang en geconsul­ teerd over conceptdocumenten.

Andere belanghebbenden Andere belanghebbende die periodiek zijn geïnfor­ meerd en geconsulteerd (niet uitputtend): RES-regio Noord-Holland Zuid, Port of Amsterdam, Waternet, Staatsbosbeheer, Rijkswaterstaat en Liander.

Inspraak en advies Op diverse momenten in het proces zijn Amsterdammers, stadsdelen, buurgemeenten, wettelijke adviseurs en

5 De werkafspraken tussen gemeente en SARA zijn bevestigd op 27 juni 2022 en te raadplegen via: 1. RIB afspraken SARA en vervolgproces RES Wind Gemeente Amsterdam (raadsinformatie.nl)

23

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Participatie Vanaf het moment dat we begonnen met plannen voor het opwekken van windenergie in Amsterdam, zijn we in gesprek gegaan met bewoners. Nadat de zoekgebieden van de RES 1.0 waren vastgesteld, uitten veel Amsterdammers bezorgdheid over windturbines. We besloten daarom een reflectiefase in te lassen en lokale klankbordgroepen op te richten, waarin verschillende belangen werden vertegenwoordigd. Expertgroepen werden gevormd om advies te geven over gezondheid en natuur in relatie tot windturbines. We verzamelden meningen van Amsterdammers via een uitgebreide vragenlijst en gebruikten de ‘context mapping’ methode om lokale zorgen en situaties te begrijpen. Alle input werd vastgelegd in ‘Signalen uit de stad’.

andere betrokkenen formeel gevraagd om hun ziens­ wijze te geven op verschillende tussenproducten. Dit is in lijn met het participatiebeleid en de inspraak­ verordening (straks ‘participatieverordening’) van de gemeente Amsterdam. De Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) van het plan-MER heeft begin 2023 ter inzage gelegen. De inspraakreacties en antwoorden en de adviezen van overige adviseurs zijn te vinden in deze documenten: • Nota van Beantwoording zienswijzen en adviezen NRD (Bijlage 2.1) De NRD voor het plan-MER heeft van 22 februari 2023 tot en met 4 april 2023 ter inzage gelegen. De zienswijzen over de NRD zijn van een reactie voorzien in een Nota van Beantwoording (NvB). Deze versie van het PWA ligt nu ter inzage. Het college zal alle zienswijzen zorgvuldig lezen en beantwoorden. Dat kan nog aanleiding geven veranderingen in het PWA aan te brengen. Het college besluit, na wensen en bedenkingen van de gemeenteraad, eind 2024 over de definitieve versie van het PWA.

24

Een belangrijk resultaat van de reflectiefase was het uitvoeren van een plan-MER op stedelijk niveau, op verzoek van deze adviesgroepen, bewoners en belanghebbenden. Normaal gesproken zou dit onderzoek later plaatsvinden, maar er was behoefte aan vergelijkend onderzoek tussen zoekgebieden. Concrete vragen, zorgen en behoeften van bewoners werden opgenomen in de onderzoeksopzet – de zogenaamde Notitie Reikwijdte en Detailniveau (NRD) –, zoals extra onderzoek naar geluidseffecten en aandacht voor nabijheid van volkstuincomplexen. Dit laat zien dat participatie invloed had op het proces. In de NRD is terug te lezen op welke wijze de informatie uit het document Signalen uit de Stad en de expertadviezen zijn opgenomen. Deze documenten zijn beschikbaar op de website van Amsterdam. Dit proces is zorgvuldig opgezet, met transparantie en betrokkenheid van de gemeenschap bij elke stap.

De zienswijzen op het PWA en het plan-MER en de reactie daarop zullen t.z.t. te vinden zijn in de volgende documenten: • NvB zienswijzen en adviezen ontwerp-PWA en plan-MER (Bijlage 2.3) Het PWA ligt in het voorjaar van 2024 8 weken ter inzage. De zienswijzen over het PWA worden van een reactie voorzien in een Nota van Beantwoording (NvB). Dit wordt in de definitieve versie van het PWA bijlage 2.3 (maar die bijlage bestaat bij de ter inzage versie dus nog niet). Hierin is ook de beantwoording van adviezen van de Commissie mer en stadsdelen opgenomen.

Programma Windenergie Amsterdam 2030

2 Waar worden windturbines mogelijk gemaakt? In dit hoofdstuk staan de gebieden die zijn aangewezen voor de mogelijke plaatsing van windturbines binnen de gemeente Amsterdam centraal. In deze gebieden staat de gemeente, onder voorwaarden, positief tegenover plaatsing van één of meer windturbines. De selectie van gebieden is zorgvuldig afgewogen op basis van een groot aantal milieuaspecten, waaronder geluid, veiligheid, natuur en landschap. Daarnaast zijn andere belangen meegewogen, zoals bijvoorbeeld sociale aspecten.

25

Programma Windenergie Amsterdam 2030

2.1 Wat zijn de verwachte milieueffecten? De verwachte milieueffecten van de in de RES 1.0 aangewezen zoekgebieden zijn onderzocht in een milieueffectrapportage (zie bijlage 1.31). Het doel van een milieueffectrapportage is om het milieubelang volwaardig mee te laten wegen in de besluitvorming. Het milieueffectrapport beschrijft de verwachte gevolgen voor het milieu van een te nemen besluit. Bij windturbines zijn de belangrijkste milieuaspecten gezondheid, natuur, landschap en cultureel erfgoed (zie ook tekstkader ‘Wat is een plan-MER en waar is het voor?’). Het plan-MER dat is uitgevoerd in het kader van het PWA wijst uit dat er in theorie voldoende potentie is om bin­ nen de gemeentegrenzen te voldoen aan de ambitie om in 2030 127 MW opgesteld vermogen te realiseren. Het plan-MER geeft een goed beeld van de milieugevolgen van windturbines in de zoekgebieden. Het gaat dan om een onderlinge vergelijking van zoekgebieden. Allereerst is in het plan-MER onderzocht welke harde belemmeringen er in de gemeente zijn voor het plaatsen van windturbines. Het gaat dan bijvoorbeeld om bepaalde afstanden tot hoofdinfrastructuur, vaarwegen en buisleidingen. Daaruit blijkt dat in de zoekgebieden Zeeburgereiland (4B), Amstel III (6B) en Kop Amstelscheg (7) geen windturbines mogelijk zijn. Deze gebieden zijn in het plan-MER daarom niet op milieugevolgen onderzocht en vallen af.

Naast dat er in het basisalternatief in het plan-MER is onderzocht wat de maximale milieueffecten zijn, is in de zogenaamde ‘optimalisatiealternatieven’ onderzocht hoe de negatieve effecten op de thema’s Natuur, Gezondheid, Landschap en Energie geheel of zoveel mogelijk weggenomen kunnen worden door de positionering van mogelijke windturbines in een gebied. Elk optimalisatiealternatief geeft de meest optimale invulling vanuit één van de vier genoemde thema’s weer. Op die manier wordt een beeld verkregen van ‘de hoeken van het speelveld’. Uit het plan-MER blijkt dat geen van de onderzochte zoekgebieden op alle milieuthema’s positief beoordeeld worden. Globaal gezegd, blijkt uit het plan-MER dat de

1 Er zijn meerdere (4) bijlagen die bij de plan MER horen: 1 de nota reikwijdte en detailniveau voor de plan MER, de samenvatting van de plan MER, de plan MER zelf, de technische bijlage van de plan MER.

26

Wat is een plan-MER en waar is het voor? Het doel van een milieueffectrapportage is om het milieubelang volwaardig mee te laten wegen in de besluitvorming. Het milieueffectrapport beschrijft de verwachte gevolgen van het te nemen besluit voor het milieu, zoals gezondheid, natuur, landschap en cultureel erfgoed. Ook staat erin op welke andere realistische manier de doelstelling bereikt kan worden en wat daar de milieugevolgen van zijn, en welke maatregelen er genomen kunnen worden om nadelige effecten te verminderen of weg te nemen. Uit de Omgevingswet volgt dat een plan-MER verplicht is voor programma’s die kaderstellend zijn voor windparken. De gemeenteraad van Amsterdam heeft, ook op basis van de reflectiefase, besloten dat er een plan-MER opgesteld moet worden. In alle lidstaten van de Europese Unie gelden richt­ lijnen voor milieueffectrapportages: een richtlijn voor plannen (de Smb-richtlijn) en een richtlijn voor projecten (de Mer-richtlijn). Deze richtlijnen zijn vertaald naar de eigen wet- en regelgeving van de lidstaten. In Nederland is milieueffectrapportage opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en hoofdstuk 11 van het Omgevingsbesluit (voor­ heen met name in hoofdstuk 7 van de Wet milieu­ beheer en het Besluit milieueffectrapportage).

zoekgebieden meer naar het westelijk deel van de stad beter beoordeeld worden op natuur en gezondheid ten opzichte van de andere zoekgebieden, maar minder qua energieopbrengst (vanwege de hoogtebeperkingen van Schiphol). De noordoostelijke zoekgebieden lijken wat geschikter dan de andere zoekgebieden als gekeken wordt naar de energieopbrengst. In de zuidoostelijke zoekgebieden is een meer gemengd beeld. Op basis van de kwalitatieve beschouwing in het planMER blijkt verder dat in enkele zoekgebieden optima­ lisaties in de opstellingen van het onderzochte basis­ alternatief mogelijk zijn om het effect op een bepaald milieuthema (sterk) te verminderen. In de uitvoerings­ fase is gedetailleerder onderzoek nodig op vergunnin­ genniveau, en zo nodig hoe eventuele nadelige milieu­ gevolgen weggenomen of verminderd moeten worden. Voor een uitgebreidere samenvatting van het plan-MER verwijzen wij naar bijlage 1.2

Programma Windenergie Amsterdam 2030

Haven

HavenZuid

Ring A10 Noord

Science Park

S/Beiland

IJburg Baai

Diemerpark

Diemerscheg

Weesperkarspel

Gaasperplas

Holen­ drecht

Lande­ lijk Noord

IJmeer

1A

1B

3

4A

4C

4D

4E

5A

5B

5C

6A

X1

X2

Geluid Aantal GO met Lden > 42 dB

399

1368

2936

375

2090

7710

960

9

253

4016

9

4557

1289

Aantal GO met Lden > 45 dB

55

167

56

100

460

2417

5

0

0

1461

0

1166

238

Aantal GO met Lden > 47 dB

41

0

9

0

50

176

0

0

0

22

0

807

87

Aantal GO/GWh/jr met Lden > 42 dB

1

76

27

20

24

105

52

0

14

73

0

6

2

Aantal GO/GWh/jr met Lden > 45 dB

0,2

9,3

0,5

5,4

5,3

32,8

0,3

0

0

26,5

0

1,5

0,3

Aantal GO/GWh/jr met Lden > 47 dB

0,12

0

0,08

0

0,58

2,39

0

0

0

0,4

0

1,05

0,11

Aantal OO met Lden > 42 dB

79

3

25

8

6

11

0

7

0

3

0

69

11

Aantal OO met Lden > 45 dB

26

2

20

5

0

9

0

4

0

1

0

50

10

Aantal OO met Lden > 47 dB

15

2

12

5

0

4

0

2

0

0

0

48

6

Aantal OO/GWh/jr met Lden > 42 dB

0,23

0,17

0,23

0,43

0,07

0,15

0

0,19

0

0,05

0

0,09

0,01

Aantal OO/GWh/jr met Lden > 45 dB

0,08

0,11

0,18

0,27

0

0,12

0

0,11

0

0,02

0

0,06

0,01

Aantal OO/GWh/jr met Lden > 47 dB

0,04

0,11

0,11

0,27

0

0,05

0

0,06

0

0

0

0,06

0,01

Afstand tot stiltegebieden

5070

9058

224

3644

570

667

2528

5230

4098

4725

2150

0

0

EH windturbinegeluid

305

239

477

116

346

1008

218

19

44

561

1

833

321

% EH windturbinegeluid

1%

2%

2%

2%

3%

3%

2%

1%

2%

3%

2%

3%

2%

Toename EH Lcum

55

35

160

18

318

684

98

3

26

380

0

396

211

Toename % EH Lcum

2%

3%

10%

2%

210%

58%

13%

2%

25%

53%

4%

18%

33%

8

0

1

0

0

0

0

0

0

0

0

1

0

5878

6241

23k

16k

5207

17k

9286

7325

7046

15k

3762

13k

6289

17

346

207

843

60

237

505

203

383

274

204

17

8

% Stilstand voor 0-uur norm

0,30%

0,70%

2,00%

3,30%

0,80%

2,60%

4,60%

0,90%

3,60%

3,00%

2,00%

1,90%

0,50%

Slagschaduw op OT (u/jr)

231

357

1632

139

52

384

74

299

64

208

106

1682

381 0

Gezondheid

Woningen met GES-score ≥ 7 Slagschaduw SGO binnen 30 min.-contour SGO/GWh/jr binnen 30 min.-contour

Externe veiligheid Bep. kwetsbare gebouwen/locaties

5/104

0/2

0

0

0

0

0/1

0

0

0/7

0/1

0/15

(Zeer) kwetsbare gebouwen/locaties

0

1

2

0

0

0

0

0

0

0

0

1

0

Buisleidingen en hoogspanning

-

-

--

-

0

0

--

-

-

0

0

--

--

Risicovolle installaties

--

0

--

0

0

0

0

0

0

0

0

-

0

Vaarwegen

0

0

0

0

--

--

0

-

0

0

0

0

--

Rijkswegen en spoorwegen

--

-

--

--

0

0

0

-

0

0

--

0

0

Waterkeringen

0

0

-

0

0

0

0

0

0

0

0

-

0

Ecologie - Beschermde gebieden Effecten op Natura 2000

-

-

-

-

--

--

-

-

-

-

-

--

--

NNN en natuurverbindingen

0

--

--

0

--

--

0

--

0

--

--

--

--

Weidevogelgebieden

0

0

--

0

0

0

0

0

0

0

0

--

--

Ganzenfoerageergebieden

0

0

--

0

-

-

0

-

0

0

0

--

--

Ecol. structuur (en passages)

0

--

--

-

0

0

--

--

--

-

-

0

0

Compensatiegebieden

0

0

0

0

0

--

0

0

0

0

0

0

0

Wintervogels - individuen

11k

105

6384

273

749

1019

315

549

216

405

246

54k*

18k*

Wintervogels - relatief

33

6

58

15

9

14

17

15

12

7

13

71

23

Broedvogels - paren/territoria

347

8

678

22

304

317

34

61

23

62

47

2802

657*

Broedvogels - relatief

1

0,44

6

1,2

3,5

4,3

1,8

1,7

1,3

1,1

2,6

3,6

0,9

Vogeltrek

-

0

-

-

--

--

--

-

-

-

-

--

--

Vleermuizen

-

-

--

-

--

--

--

--

-

-

0

--

--

Amsterdamse beleidssoorten

-

-

-

0

0

0

-

-

-

-

0

-

0

Overige zoogdiersoorten

-

0

-

-

0

0

0

-

0

0

0

-

-

Ondergrond

1A

1B

3

4A

4C

4D

4E

5A

5B

5C

6A

X1

X2

Ligging t.o.v. kwaliteit bodem

--

--

0

0

0

0

-

0

0

0

0

--

0

Ligging t.o.v. arch. waarden

--

--

-

0

0

0

0

--

0

0

0

--

-

Ligging t.o.v. oppervlaktewater

0

0

0

0

--

--

0

0

0

--

0

--

--

Ligging t.o.v. waterwingebieden

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

0

Bijzonder Provinciaal Landschap

-

--

--

0

0

-

-

--

-

-

-

--

-

Unesco Werelderfgoed

0

0

-

-

--

--

--

-

-

0

-

--

--

Interferentie

--

--

--

-

-

-

-

--

-

-

-

--

--

Scheggenstructuur

-

--

--

-

-

-

-

--

-

-

-

--

-

Landschappelijke waarden

0

-

--

0

0

0

0

--

-

-

-

--

--

Aansluiting bij structuren

--

+

0

+

-

-

0

-

0

-

+

--

--

Herkenbaarheid van de opstelling

--

+

-

0

-

-

0

-

0

+

0

--

0

Verhouding tot landschap

0

-

--

0

0

0

-

--

-

-

-

--

--

Lichthinder

0

0

-

-

-

-

-

0

-

-

-

--

--

Ecologie - Beschermde soorten

Landschap & Cultuurhistorisch

Recreatie Sport- wandel en uitlaatgebied

0

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

-

Ligging t.o.v. (tuin)parken

0

--

-

-

0

-

--

--

--

--

-

-

-

Ligging t.o.v. waterrecreatie

0

-

0

-

--

--

-

-

-

--

-

-

--

Ligging t.o.v. hoofdgroenstructuur

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14509373/1