2. advies CAWA
Tekst van het document
Bezoekadres Amstel 1
Postbus 202 1000 AE Amsterdam
Ruimte voor creatief talent Commissie Ateliers en (Woon) Werkpanden Amsterdam (CAWA)
Retouradres: Postbus 202, 1000 AE Amsterdam
Burgemeester en Wethouders van de gemeente Amsterdam t.a.v. Touria Meliani, Wethouder voor Kunst en Cultuur Postbus 202 1000 AE Amsterdam
Datum Behandeld door Website
18 januari 2024 M. Wijnhoven, ambtelijk secretaris CAWA, 06-81 935383 m.wijnhoven@amsterdam.nl www.amsterdam.nl/cawa
Onderwerp
CAWA advies concept Amsterdams Atelier- en Broedplaatsenbeleid 2023-2026
Geacht College van Burgemeester en Wethouders, Naar aanleiding van het nieuwe Amsterdamse Atelier- en Broedplaatsenbeleid 2023 – 2026 brengt de Commissie Ateliers (Woon)Werkpanden (CAWA) op verzoek van het College bij deze haar advies uit over dit beleid. Inleiding CAWA heeft deelgenomen aan de georganiseerde bijeenkomsten door Ateliers en Broedplaatsen (voorheen Bureau Broedplaatsen) en heeft daarnaast zelf verdiepingsdagen georganiseerd om het vigerende beleid te analyseren. Daarnaast is er de afgelopen jaren een geïntensiveerde samenwerking ontstaan tussen CAWA, Ateliers en Broedplaatsen en de Wethouder van Cultuur. CAWA is verheugd dat dit heeft geleid tot een voorspoedige totstandkoming van het nieuwe beleid en hierbij gebruik is gemaakt van de kennis en expertise van de commissie. Zo is bijvoorbeeld in nauw overleg besloten tot een onderzoek naar de noodzaak tot het voorgenomen doorstroombeleid aangezien nu niet helder is of de bijkomende onrust onder atelierhouders en handhavingsproblematiek gaat opwegen tegen de eventuele resultaten. CAWA wil haar complimenten overbrengen gezien het overgrote deel van de verfijningen en veranderingen die in het atelier- en broedplaatsen 2023-2026 zijn opgenomen. CAWA kan zich zeker vinden in toegankelijke broedplaatsen waar bottom-up initiatieven uit de buurt de voorkeur krijgen.
Ook is het een goede ontwikkeling dat er een standaard bedrag beschikbaar komt voor de ondersteuning van broedplaatsen voor onder meer programmering, governance en ontwikkeling. Dat er ruimte komt, naast tijdelijke plekken, voor semi-permanente plekken en prioriteit voor diversiteit en inclusie door middel van concrete doelstellingen. En dat er aandacht is voor de invloed van de huurders, nachtcultuur en vrije ruimte. Met andere woorden: niet alleen aandacht voor de stenen maar ook voor de mens.
De gemeente respecteert uw privacy. Hoe wij met uw gegevens omgaan, kunt u lezen op www.amsterdam.nl/privacywzs.
Gemeente Amsterdam
Pagina 2 van 10
Wel heeft het beleid op verschillende onderdelen nog verdere uitwerking nodig en is het voor het slagen van de genoemde intenties belangrijk om zo concreet mogelijke doelstellingen te formuleren. Om hiertoe te komen geeft CAWA het onderstaand advies alsmede een lijst met specifieke aanbevelingen.
BELANGRIJKSTE AANDACHTSPUNTEN 1. Loting In het huidige beleid worden alle portfolio's/reacties van de kandidaten op ateliers en atelierwoningen door de commissie beoordeeld. In het nieuwe beleid is er sprake van loting, waardoor de effectiviteit van de toegepaste beoordeling van CAWA vermindert. Indien er overgeschakeld wordt naar een systeem van loting heeft dit de volgende ongewenste consequenties: ●
●
●
Er kan minder goed een inhoudelijke afweging gemaakt worden tussen alle kunstenaars die hebben gereageerd in relatie tot de ruimte. Verschillende disciplines vragen om verschillende type ruimten en afmetingen. Loting veroorzaakt meer willekeur. Door loting maken huurders in een ateliergebouw, die willen doorschuiven naar een ander atelier binnen hun eigen gemeenschap, kans om buiten de loting te vallen. CAWA vindt dat deze zittende huurders ook meegenomen moeten worden in de selectie. Door loting kunnen de langst wachtende kandidaten benadeeld worden.
Bovenstaande consequenties betekenen dat CAWA niet het optimale maatwerk kan leveren bij het toewijzen van de beschikbare ruimte. Aanbeveling CAWA: a. Loting wordt vanwege de kans op willekeur afgeraden en is bij atelierruimte ook niet nodig. b. Vanwege de soms hoge aantallen aanvragen voor (met name) atelierwoningen is het wel zaak om daar een oplossing voor te vinden. CAWA adviseert om het aantal reacties van ateliers en atelierwoningen daarom te begrenzen tot een maximum van 30 te beoordelen reacties. De ervaring leert dat dit aantal voldoende is om tot een goede afweging te komen.
2. Verruiming criteria De maatschappij is constant in verandering en daarbij past ook een minder verzuilde en meer holistische blik. Het idee dat kunstenaars en creatieven op een eiland zitten en alleen onderling of met hun publiek aansluiting vinden is een achterhaald beeld. Het toelatingsreglement van het atelier- en broedplaatsenbeleid heeft daarom ook een verruiming nodig zodat creatieven die officieel geen professioneel kunstenaar zijn, maar ook geen commercieel ondernemer, toch gebruik kunnen maken van ABA-ruimte in broedplaatsen. De praktijk wijst uit dat er binnen broedplaatsen veel waardevolle initiatieven een plek vinden maar geen gebruik kunnen maken van ABA-ruimtes aangezien ze niet voldoen aan de huidige toelatingscriteria. CAWA signaleert 2
Gemeente Amsterdam
Pagina 3 van 10
dat deze huurders niet alleen voor de broedplaats maar ook voor de buurt en stad een waardevolle rol vervullen. Het broedplaatsenbeleid heeft van oorsprong als doelstelling toe te zien op voldoende (woon)werkruimte voor kunstenaars en creatieven. Als de toelatingscriteria dusdanig worden verruimd dat er ook aanspraak gedaan kan worden op de ruimte door niet-kunstenaars dan is het zaak om te benoemen welke doelgroepen dan bediend worden en hoe de oorspronkelijke doelgroep voldoende bescherming krijgt vanuit het beleid. Aanbevelingen CAWA: a. Sta broedplaatsen toe binnen de afgesproken ABA percentages zelf invulling te geven aan een gedeelte ‘vrije ruimte’. Dit deel is dan vrij invulbaar door de broedplaats, waarbij de criteria CAWA niet van toepassing zijn. Binnen die speelruimte is plek voor makers die geen commerciële praktijk hebben, maar via de bestaande criteria niet in aanmerking komen. Te denken valt aan: sociaal-maatschappelijke initiatieven, ambachtslieden, startende makers zonder professionele praktijk. Zo kunnen de bestaande criteria gehandhaafd blijven en wordt er ruimte geboden tot verruiming naar eigen inzicht van de broedplaats.
3. Verplichte doorstroom = uitstroom In februari 2016 is besloten tot een doorstroomregeling vanuit de gedachte dat startende kunstenaars hierdoor makkelijker een werkruimte zouden kunnen betrekken, maar feitelijk gezien betekent dit een verplichte ‘stoelendans’ ten koste van gevestigde kunstenaars. Vooralsnog krijgt CAWA signalen vanuit het veld die de indruk wekken dat er momenteel voldoende organische doorstroom plaatsvindt zonder forcering. Het type makers dat instroomt betreft daarbij vooral startende makers. CAWA vraagt hierbij aandacht voor een permanente, intergenerationele benadering. Verplichte doorstroom betekent in de praktijk voor de huidige huurders uitstroom. De desbetreffende huurders zitten in het lagere inkomenssegment en uit meerdere onderzoeken blijkt dat verreweg de meeste kunstenaars geen lineair verloop kennen qua toename van inkomsten, zoals dit gebruikelijk is bij de meeste beroepsgroepen, om in de vrije sector te kunnen huren. Daarnaast zijn vrijwel alle ABA-ateliers gevestigd in tijdelijke broedplaatsen. Dit betekent dus dubbelop onzekerheid over de loopduur van een ABA-huurcontract. Een periode van 10 jaar is op papier overzichtelijk, maar in de praktijk onwenselijk gezien de bijkomende kosten en stress die het geforceerd verplaatsen of opdoeken van de maak omgeving van de kunstenaars oplevert.
Idealiter leidt het beleid tot een zo stabiel mogelijke situatie waarin kunstenaars niet alleen een tijdelijke werkplek vinden, maar ook de mogelijkheid hebben zich zo lang mogelijk op één plek te ontplooien zodat hun werk tot wasdom komt en ze in de gelegenheid worden gesteld blijvend hun rol in de metropoolregio te vervullen. Het doorstroombeleid heeft daarnaast vooral negatieve gevolgen voor de lagere inkomensgroepen aangezien het grootste gedeelte van Broedplaatsen aan niet-ABA huurders wordt verhuurd die in principe ongelimiteerd kunnen blijven. 3
Gemeente Amsterdam
Pagina 4 van 10
Tot slot is het wenselijk dat de reeds tot stand gekomen interne verhoudingen en relatie en verankering in de buurt van Broedplaatsen behouden blijven. Bij het constant wisselen van huurders is er geen ruimte om stabiele structuren te verwezenlijken. CAWA is daarom verheugd dat er een onderzoek wordt gestart naar de daadwerkelijke noodzaak van dit beleid aangezien de aanstaande uitvoer daarvan tot grote onrust leidt bij atelierhouders die een ABA ruimte huren. Aanbeveling CAWA: a. Zie af van de voorgenomen doorstroomregeling en probeer een permanente oplossing te vinden voor het voorgenomen doorstroombeleid aangezien dit onnodige extra onrust veroorzaakt binnen de doelgroep en slechts een korte termijn oplossing creëert die ten koste gaat van de gevestigde kunstenaars. b. Indien uit het onderzoek blijkt dat er meer meters nodig zijn dan er beschikbaar komen dan is natuurlijk de enige echte oplossing meer m2 broedplaatsen realiseren. c. Om de druk op ruimte op korte termijn te verminderen: Maak het delen van ateliers in Gemeentelijk Vastgoed en het verhuren aan collectieven/kunstenaarsduo’s mogelijk om zo de grote vraag naar ruimte op te vangen. Nu is dit bij Gemeentelijk Vastgoed alleen maar mogelijk bij de duurdere ateliers. Dit past niet bij de hedendaagse vaak hybride praktijk van de kunstenaar of bij hun beperkte financiële armslag.
4. Woonruimte voor makers Natuurlijk zijn we gelukkig met het feit dat er pogingen worden gedaan om meer woonruimte te realiseren voor kunstenaars en creatieven. De huidige voornemens behoeven nog wel concretere uitwerking als het gaat om de noodzakelijke vergroting van het aanbod met gerichte aandacht voor mogelijke kansen tot het ontwikkelen hiervan. Jaarlijks komen er ongeveer 5 atelierwoningen vrij in Amsterdam. Dat aantal is natuurlijk bij lange na niet toereikend om de gewenste hoeveelheid kunstenaars en creatieven aan Amsterdam te binden. CAWA is daarom overtuigd dat in de komende beleidsperiode nog meer ruimte moet worden gemaakt voor het faciliteren van wonen. Makers zullen na afronding van hun opleiding betaalbare woon- en werkruimte nodig hebben om zich hier te kunnen vestigen, zich te kunnen ontwikkelen en blijvend een bijdrage te kunnen leveren aan de stad. De ambitie zal daarom scherper gedefinieerd moeten worden. CAWA heeft hier ook in de Samenwerkingsafspraken aandacht voor gevraagd. Aanbevelingen CAWA:
a.
Atelierwoningen (woningen met atelierruimte) Verhoog de ijzeren voorraad in ieder geval van het huidige getal van 293 naar 350 individuele woningen. Het daadwerkelijke aantal atelierwoningen ligt namelijk hoger en zo wordt behoud en de gewenste te realiseren groei beter bestendigd. 4
Gemeente Amsterdam
b.
c. d.
e.
f.
g.
h.
i.
Pagina 5 van 10
Het actualiseren van het officiële aantal zal bijdragen aan de realiteitszin en houdbaarheid van de gemaakte afspraken en is dus een belangrijk aandachtspunt. Maak hierbij onderscheid tussen atelierwoningen en kunstenaarswoningen zodat duidelijk is hoe deze verhouding ligt. De prestatieafspraken zijn gemaakt voor atelierwoningen maar deze afspraken dreigen te verwateren door het oneigenlijk toevoegen van (tijdelijke) kunstenaarswoningen aan het totaal. Dit geeft een vertekend beeld van de realiteit waardoor de noodzaak tot het daadwerkelijk vergroten van de beschikbare woonruimte voor kunstenaars onderbelicht blijft. Stem af met woningcorporaties dat de huurprijzen aansluiten bij het inkomensniveau van de kunstenaar. De opbouw van huurprijzen voor atelierwoningen is nu ondoorzichtig. Voor kunstenaars is het essentieel dat huurtoeslag mogelijk is voor het woongedeelte en dat voor het werkgedeelte een maatschappelijke huurprijs moet gelden. Dit is wenselijk gezien de inkomenseis die wordt gesteld aan de kunstenaars. Zorg dat de hoeveelheid atelierwoningen evenredig meegroeit met de groei van de bevolking van Amsterdam, zoals dit nu ook van toepassing is voor de ateliers. Bied zo veel mogelijk atelierwoningen aan in de sociale huur zodat het betaalbaar is voor de doelgroep.
We constateren nu dat middeldure atelierwoningen overgeheveld worden naar vrije sector huur, bijvoorbeeld Lieven De Key/Touwslagerstraat 25. Inventariseer welke atelierwoningen nu onder sociale huur, middeldure huur en vrije sector huur vallen (en welke bij mutatie wellicht ook in de vrije sector huur terechtkomen). Inventariseer de huidige voorraad atelierwoningen. Zijn de huidige bewoners daadwerkelijk (nog) kunstenaars? Zo niet, dan moet de labeling van een atelierwoning verwijderd worden en in ruil een reguliere vergelijkbare woning aan de ijzeren voorraad atelierwoningen toegevoegd. Zie ook g. Verken een mogelijke doorstroomregeling op maat als de bewoner van een atelierwoning bereid is om te vertrekken naar een reguliere woning (zoals Van Groot naar Beter). Praktijkvoorbeeld: Een bewoner heeft moeite met de trappen. Doordat er nu geen doorstroomregeling is, blijft zij huren totdat er mogelijkheden zijn bij WoningNet. Deze regeling zou dan eventueel ook toegepast kunnen worden bij oneigenlijk gebruik indien een bewoner geen kunstenaarspraktijk meer heeft. Om verdere gentrificatie tegen te gaan is het belangrijk expliciet toe te zien op het behoud van woonruimte in de gehele stad.
In de Samenwerkingsafspraken 2020-2023 hebben corporaties de mogelijkheid om te ‘ruilen’ maar dit zou dan wel binnen hetzelfde stadsdeel moeten plaatsvinden (met inachtneming van de metrages en kwaliteit van de desbetreffende ruimte). Biedt vanwege de schaarste van individuele atelierwoningen (voor onbepaalde tijd) deze alleen ter beschikking aan de gerenommeerde kunstenaars en dus niet via een jongerencontract of basistoets. Gebruik hiervoor de aanvullende criteria (nu Toptoets) om instroom van ‘gelegenheidskunstenaars’ te voorkomen. De kans op 'scheefwonen' wordt hiermee verkleind. Reserveer de individuele atelierwoningen uit de ijzeren voorraad dus alleen voor gerenommeerde kunstenaars en bied jongerencontracten voortaan aan voor kunstenaarswoningen in broedplaatsen. Kunstenaarswoningen (woningen zonder atelierruimte) Realiseer minimaal 50 nieuwe kunstenaarswoningen per jaar en niet alleen voor jongeren die door hun jongerencontract vijf jaar later weer op straat komen te staan. 5
Gemeente Amsterdam
Pagina 6 van 10
De tijdelijke woningen met een jongerencontract, zoals de geclusterde sociale huurwoningen. WOW Lieven en Lycka zijn wel natuurlijk voor de korte termijn bruikbaar voor (de meeste) afgestudeerde kunstenaars om een praktijk op te bouwen, maar bieden geen uitzicht op een permanente woning. Zoek dus ook naar alternatieven als deze kunstenaars na 5 jaar deze jongerenwoning weer moeten verlaten. Mogelijkheden tot verdere uitwerking van deze doelstellingen zijn: Beheercoöperaties Dit zijn geclusterde sociale huurwoningen in eigendom van woningbouwcorporaties en in collectief beheer door huurders. Start in de komende beleidsperiode enkele pilots met groepen kunstenaars en creatieve makers en woningbouwcorporaties voor de realisatie van beheercoöperaties , waardoor nieuwe woningen beschikbaar komen. Verschillende woningbouwcorporaties, zoals Rochdale en Stadgenoot, zijn (opnieuw) beheercoöperaties aan het organiseren. Zoals Rochdale dit bij Vreeswijkpad in Zuidoost voor reguliere woningen heeft gerealiseerd. Ateliers en Broedplaatsen kan een ondersteunende rol spelen om groepen kunstenaars te begeleiden bij het opzetten van een beheercoöperatie door actief contact te zoeken met de woningbouwcorporaties die deze beleidsdoelen nastreven. Reeds bestaande voorbeelden zijn Tetterode en het Ramses Shaffy Huis. b.
Ondersteun beheercoöperaties in oprichting die nu uit reguliere woningen bestaan. In deze beheercoöperaties zou door middel van broedplaatsensubsidie een percentage aan atelierwoningen gerealiseerd kunnen worden of zelfstandige werk- en/of presentatieruimte in de plint gerealiseerd kunnen worden. Er zijn verschillende voordelen aan het clusteren van zelfstandige atelierwoningen in een beheercoöperatie, namelijk het beheer ligt bij de kunstenaars en de atelierfunctie wordt beter geborgd, zodat kunstenaarswoningen niet aan de markt kunnen worden onttrokken. Zomerdijkstraat, Wow Lieven en Costa Rica zijn voorbeelden waarbij dit fout is gegaan. Dit was niet gebeurd indien het een beheercoöperatie was geweest. a.
Wooncoöperaties / koopcoöperaties Een wooncoöperatie is een woonvorm waarbij de leden (de bewoners) gezamenlijk verantwoordelijkheid nemen over hun huisvesting. In de koopcoöperatie zijn bewoners gezamenlijk eigenaar van hun eigen wooncomplex, en besturen en beheren dit gezamenlijk. a.
Maak optimaal gebruik van het beleidsdoel van de gemeente Amsterdam op het gebied van wooncoöperaties. Ondersteun de komende beleidsperiode minstens 4 nieuwe groepen die een pand willen realiseren dat zowel een broedplaats als wooncoöperatie is. Haak hierbij aan bij het bestaande tenderprogramma voor wooncoöperaties om het gemeentelijk beleid op het gebied van huisvesting te versterken. Hierdoor kunnen geclusterde sociale huur- en middeldure huurwoningen in eigendom van coöperatie van huurders worden gerealiseerd, zoals Het Nieuwe Bajesdorp. Ateliers en Broedplaatsen kan een faciliterende rol spelen in het ondersteunen van dergelijke initiatieven. Ook kan Ateliers en Broedplaatsen koopcoöperaties in oprichting ondersteunen die hun financiering moeilijk rond krijgen.
6
Gemeente Amsterdam
Pagina 7 van 10
5. Permanente Broedplaatsen Het is in het belang van Amsterdam dat er zo veel mogelijk permanente ateliers en broedplaatsen worden gerealiseerd. Ondanks het feit dat er recentelijk steeds meer semipermanente Broedplaatsen ontstaan (loopduur 10-20 jaar), en het nieuwe beleid daar nog meer richting aan geeft door het ter beschikking stellen van aanmoedigende tegemoetkomingen, ontbreekt nog een gerichtere strategie om tot permanente Broedplaatsen te komen. CAWA adviseert om dit niet op de lange baan te schuiven gezien de steeds verder stijgende vastgoedkosten en de hiermee gepaarde gentrificatie. Voorbeeld ISO: Dit pand was bij aanvang ruim 1 miljoen waard en nu, vijf jaar later, ruim 3 miljoen. Inmiddels heeft de gemeente bijna € 200.000 geïnvesteerd in het gebruiksklaar maken van het pand en nu er verlenging van de huurovereenkomst mogelijk is, moet daar nog minimaal € 200.000 bij. Daarnaast wordt de huurprijs voor de volgende termijn door de pandeigenaar verdubbeld terwijl onduidelijk is of er na de komende huurperiode nog een verlenging komt. Momenteel wordt vrijwel 100% van de financiële ondersteuning geïnvesteerd in tijdelijke oplossingen die in enkele gevallen tot een permanente plek hebben geleid. Een verscherpte doelstelling zou kunnen zijn om 25 % toekomstbestendige investeringen te doen en 75% tijdelijk.
Los van de wenselijkheid zo duurzaam mogelijk te investeren helpt dit broedplaatsen ook om het pand letterlijk te kunnen verduurzamen. Broedplaatsen kunnen bijvoorbeeld door de korte loopduur van contracten ook meestal geen aanspraak maken op subsidies die verduurzamen mogelijk maken. Aanbevelingen CAWA: a. Reserveer een deel van het totaalbedrag dat voor de totstandkoming van Broedplaatsen beschikbaar komt om tot permanente oplossingen te komen. b. Realiseer strategische aankopen vanuit onder meer het broedplaatsenbudget in samenwerking met Gemeentelijk Vastgoed bijvoorbeeld in Nieuw West, Noord en Zuidoost. c. Ondersteun waar mogelijk zelfbeheer nog meer door onder meer het bieden van advies, maar ook door het verkennen van andere financieringsmogelijkheden. We moedigen hiermee een verdere verkenning en uitwerking aan dan alleen de subsidieregeling Sterke Broedplaatsen en het Borgstellingsfonds. Onderzoek bijvoorbeeld of zelfbeheer mogelijk is door middel van een erfpachtcontract op grond en opstal als het pand eigendom is van de gemeente. Het beheer kan dan worden overgedragen aan de broedplaatsbeheerder. Deze hoeft het pand niet aan te kopen en kan bijvoorbeeld het onderhoud zelf uitvoeren.
6. Maatschappelijke invulling en financiering Broedplaatsen Broedplaatsen en hun gebruikers vervullen, naast het bieden van woon- (maar meestal alleen) werkruimte voor kunstenaars en creatieven, ook vaak een publieksfunctie. Meestal ligt deze publieksfunctie in de lijn van de kunsten, maar niet zelden vervult deze ook een specifieke maatschappelijke rol. Ditzelfde principe geldt voor de activiteiten van de gebruikers en (potentiële) huurders. Voorbeelden zijn onder meer broedplaats de Kazerne in Zuidoost en Verdedig Noord in Noord. 7
Gemeente Amsterdam
Pagina 8 van 10
CAWA voorziet dat deze maatschappelijke rol vanuit Broedplaatsen in de toekomst beter gefaciliteerd kan worden als hier ook voldoende middelen voor ter beschikking komen. De huidige afgescheidenheid die binnen de gemeentelijke budgetten bestaat verhindert in dit geval een uitwerking die recht doet aan de praktijk. Broedplaatsen verdienen de financiële mogelijkheid om hun gewenste bijdrage te kunnen leveren aan de sociaal-maatschappelijke cohesie van de stad. Deze overige beleidsdoelen worden momenteel gefinancierd uit de beperkte culturele middelen die op dit moment worden toegekend aan het Broedplaatsenbeleid. Het cultuurbudget is daar in de eerste plaats niet voor bedoeld en qua omvang niet toereikend om tot de creatieve invulling van andere beleidsterreinen te komen. Met een relatief geringe bijdrage vanuit de middelen van overige beleidsterreinen vergroten we de participatiegraad en zelfredzaamheid van verschillende groepen intrinsiek gemotiveerde Amsterdammers. Aanbevelingen CAWA: a. CAWA moedigt over bovenstaande een verkennende dialoog aan met portefeuillehouders van verschillende beleidsterreinen waaronder: jeugd, onderwijs, sport en welzijn, participatie, zorg, armoede en economie. b. De RIMI regeling (Regeling Integraal Maatschappelijk Initiatief) is per 2024 ten einde gekomen. Er loopt nu een onderzoek naar een mogelijk vervolg.
CAWA benadrukt het belang van de continuering van deze beleidsterreinoverstijgende financieringsvorm zodat ook Broedplaatsen gebruik kunnen blijven maken van deze regeling. Tot slot In de bijgevoegde bijlage staan extra aanbevelingen die kunnen bijdragen tot verdere perfectionering van het toekomstige beleid. Door middel van bovenstaande aanbevelingen, en de aanbevelingen in de bijlage, hopen we de benodigde achtergrondinformatie, ervaring en expertise gedeeld te hebben om tot een realistische en toekomstbestendige besluitvorming te komen aangaande het atelier- en broedplaatsenbeleid voor de periode 2023-2026. Mochten er naar aanleiding van dit advies vragen zijn, dan staan de CAWA en ondergetekende uiteraard tot uw beschikking. Hoogachtend,
Isis van der Wel, voorzitter, Commissie Ateliers en (Woon) Werkpanden Amsterdam (CAWA)
8
Gemeente Amsterdam
Pagina 9 van 10
Bijlage: lijst met overige aanbevelingen CAWA
BIJLAGE Lijst met overige aanbevelingen CAWA: a) Huurprijs ABA ruimtes Houd de ABA-huur betaalbaar voor kunstenaars. Maak het onderscheid tussen de huurprijs van een ABA en niet-ABA ruimte groter (realistisch houden qua prijsverschil). Er moet nog wel een significant financieel voordeel blijven bestaan bij een ABA ruimte ten opzichte van een niet ABA ruimte gezien de toelatingseisen. Voorbeeld broedplaats Baggerbeest: voor een atelierruimte van ongeveer 20m2 verschilt de maandelijkse huurprijs maar €50. b) Huurprijs/metrage Doorgaans zien we dat er in broedplaatsen ateliers worden gecreëerd van 20m2 en soms kleiner. Zorg voor een gevarieerd aanbod voor de verschillende type kunstenaars. Nu bestaat een maximum huurprijs per kunstenaar, maar geen minimum metrage. Kwetsbare huurdersgroepen verdienen een betere bescherming tegen ‘ophokplicht’. Ook verdwijnen grote ateliers bij Gemeentelijk Vastgoed doordat een ruimte wordt opgesplitst in meerdere ateliers. Zorg ook hier voor voldoende variatie. c) De huurprijs van ateliers van Gemeentelijk Vastgoed is een maatschappelijke huurprijs en wordt per pand berekend. Hierdoor kan de huurprijs hoog uitvallen als het onderhoud aan een pand duurder is. CAWA adviseert om hier een maximale huurprijs af te spreken zodat deze betaalbaar blijft voor kunstenaars.
d) Loopduur huurcontract individuele huurders CAWA adviseert dat broedplaatsen, net zoals Gemeentelijk Vastgoed, als leidraad nemen dat huurcontracten worden afgesloten voor de periode van 5 jaar. Is de huurtermijn korter dan 5 jaar, wat nu de praktijk is bij een aantal broedplaatsen, dan zou in het huurcontract wel opgenomen moeten worden dat er de intentie is om een huurcontract af te sluiten voor 5 jaar. Dit geeft meer rust voor een potentiële huurder die zich vooral wil focussen op de beroepspraktijk in plaats van een mogelijk vertrek. e) CAWA adviseert om de overgangsregeling te handhaven in de doorstroomregeling. Z0 wordt er recht gedaan aan de jarenlange, vrijwillige inzet van kunstenaars voor specifieke werkpanden. Bij veel van deze panden is er een lange geschiedenis van zorg voor het pand en de artistieke gemeenschap. Met andere woorden, het zijn vaak deze kunstenaars die ervoor hebben gezorgd dat de werkpanden in hun huidige vorm bestaan. Maak het voor CAWA in ieder geval mogelijk om bij behoud van het doorstroombeleid een uitzondering te maken voor een langere huurperiode van ateliers in de ijzeren voorraad in een collectief gebouw (atelier verzamelgebouw), zoals dit bij broedplaatsen ook mogelijk wordt. f)
Wijs de 3Package Deal kandidaten ateliers in broedplaatsen toe en niet ateliers van Gemeentelijk Vastgoed. Dit is meer passend bij hun carrière (talentvolle jonge maker). Er komen jaarlijks zo’n 35-50 ateliers in de ijzeren voorraad beschikbaar en daarom is het 9
Gemeente Amsterdam
Pagina 10 van 10
niet wenselijk dat deze met voorrang aan 3Package Deal kandidaten worden toegewezen. Daarnaast is het reëler dat ze na hun 3Package Deal periode in een broedplaats kunnen blijven huren, terwijl dat bij een atelier in de ijzeren voorraad vaak niet het geval is omdat ze (nog) niet aan de benodigde criteria voldoen. Dit schept verkeerde verwachtingen en veroorzaakt onnodige teleurstelling bij de 3Package Deal kandidaten als blijkt dat ze niet kunnen blijven bij hertoetsing. g) In het nieuwe atelier- en broedplaatsenbeleid wordt onder andere het internationale kunstklimaat in Amsterdam benadrukt, maar de praktijk wijst uit dat internationale exresidenten van de Rijksakademie en de Ateliers niet aan betaalbare woonruimte kunnen komen. Mocht Amsterdam dus daadwerkelijk het internationale kunstklimaat willen stimuleren dan zal er natuurlijk ook meer gerichte aandacht voor woonruimte moeten komen. h) XL Zuidoost Belangrijk aandachtspunt hierbij is dat lokale bottom-up initiatieven/organisaties een samenwerking aangaan met lokale kartrekkers in samenspraak met een expertgroep van insiders/ervaringsdeskundigen. Ten behoeve van het eigenaarschap is een binding met de buurt essentieel. i)
Maak een handleiding voor het opzetten van een broedplaats Het ontwikkelen van een broedplaats is voor zowel de ontwikkelaars als (nieuwe) initiatiefnemers een ingewikkeld proces. Het is daarom van belang om ontwikkelaars en potentiële broedplaats makers goed wegwijs te maken in het proces. Maak een vervolg op het magazine Ruimte Delen waarbij alle aspecten naar voren worden gebracht bij het ontwikkelen van een broedplaats. file:///C:/Users/wijnho001/Downloads/magazine_ruimte_delen_1-1.pdf
j)
Maak een duidelijk onderscheid tussen de verschillende benamingen in het broedplaatsenbeleid, Reglement CAWA en de communicatie naar buiten toe. CAWA kan en wil niet verantwoordelijk worden gehouden voor de inhoud van het beleid dat tot stand is gekomen vanuit Ateliers en Broedplaatsen en de visie van de Wethouder. Daarom is het belangrijk de dingen te benoemen zoals ze zijn. Gebruik de term ABA voor de bepalingen die voortvloeien vanuit het beleid dat door ABA wordt geformuleerd en gebruik alleen CAWA als dit de activiteiten van de commissie betreft.
k) Verander de naam Broedplaatsen naar bijvoorbeeld Cultuurhuizen. Broedplaatsen is een ingeburgerde naam voor Amsterdammers die bekend zijn met het beleid, maar de naam Broedplaatsen dekt echter niet de lading en moet aan nieuwkomers te vaak uitgelegd worden. Daarnaast suggereert de term dat er alleen gebroed wordt terwijl er veel meer gebeurt dan alleen broeden. Tot slot heeft de term broeden iets prematuurs, terwijl dit geen recht doet aan de volwassenheid van de verschillende projecten die binnen de verzamelgebouwen tot stand komen.
10