CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

17. Advies cieMER.pdf

RAAD 12 december 2024, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Uiten van wensen en bedenkingen inzake het voorgenomen collegebesluit over het Programma Windenergie Amsterdam 2030 (PWA) en het PlanMER (VN2024-013643)3.732 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Niet gevonden in dit document.

Programma Windenergie Amsterdam Toetsingsadvies over het milieueffectrapport 10 september 2024 / projectnummer: 3689

Advies over het MER in het kort De gemeente Amsterdam wil de ontwikkeling van 27 megawatt (MW) extra windenergie in de gemeente mogelijk maken. Dat komt volgens gemeente Amsterdam neer op ongeveer vier tot acht windturbines, afhankelijk van de grootte.1 Doel van de gemeente is om in 2030 in totaal 127 MW2 aan opgesteld vermogen gerealiseerd te hebben. Gemeente Amsterdam heeft verschillende zoekgebieden onderzocht voor de ontwikkeling van windparken. Het besluit over de gebieden waarin de extra windturbines ontwikkeld mogen worden, legt de gemeente vast in het Programma Windenergie Amsterdam 2030. Bij dit Programma is een milieueffectrapport (MER) opgesteld.3 De gemeente heeft de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna: de Commissie) gevraagd te adviseren over dit MER. In dit advies spreekt de Commissie zich uit over de juistheid en de volledigheid van het MER.

Wat staat in het MER? De RES-zoekgebieden4 vormen het vertrekpunt van het MER, zie figuur 1. De milieueffecten van de zoekgebieden zijn in het MER eerst individueel beoordeeld. Daarbij is uitgegaan van een maximale invulling per zoekgebied, rekening houdend met ruimtelijke belemmeringen voor de plaatsing van de windturbines. Op basis van deze onderzoeksresultaten zijn in het MER vier thematische alternatieven opgesteld. Het gaat om de alternatieven Energie, Gezondheid, Natuur en Landschap. De alternatieven bestaan uit verschillende combinaties van zoekgebieden. Het alternatief Energie is door de grote afstand tot land relatief gunstig beoordeeld op de aspecten geluid, gezondheid en slagschaduw. Dit geldt ook voor het alternatief Gezondheid, bestaande uit windturbines in het westelijke deel van de haven, en in mindere mate voor het alternatief Natuur, dat in het oostelijk deel van de haven ligt. Voor de turbines in het Havengebied is externe veiligheid een aandachtspunt. In de alternatieven Energie en Landschap zijn windturbines geplaatst in het IJmeer. Hierdoor zijn significant negatieve effecten op dit Natura 2000-gebied niet uit te sluiten. Ook leidt dit tot negatieve effecten op het grote aantal aanwezige beschermde vogels en vleermuizen. De alternatieven Gezondheid en Landschap hebben in het Havengebied ook negatieve effecten op wintervogels.

In het Programma Windenergie Amsterdam 2030 worden, mede op basis van de onderzoeksresultaten uit het MER, het Havengebied, de Diemerscheg, Oeverrand 1

In het Programma Windenergie Amsterdam 2030 is uitgegaan van een minimale tiphoogte van 130 meter en een maximale

2

In de gemeente is reeds 75 MW aan windparken gerealiseerd en er is circa 25 MW aan windparken in voorbereiding.

tiphoogte van 145 meter.

3 4

Bosch & van Rijn. 2024. PlanMER Windenergie t.b.v. Programma Windenergie Amsterdam 2030.

RES staat voor Regionale Energie Strategie. De in het MER onderzochte zoekgebieden zijn: Zoekgebied 1A – Havengebied;

Zoekgebied 1B – Haven Zuid (Brettenzone); Zoekgebied 3 – Ring A10 Noord; Zoekgebied 4A – Sciencepark; Zoekgebied 4B – Zeeburgereiland; Zoekgebied 4C – Strand-/ Buiteneiland; Zoekgebied 4D – IJburg Baai; Zoekgebied 4E – IJburg Diemerpark; Zoekgebied 5A – Diemerscheg; Zoekgebied 5B – Weesperkarspel/Gein; Zoekgebied 5C – Gaasperplas; Zoekgebied 6A – Knooppunt Holendrecht; Zoekgebied 6B – Amstel III; Zoekgebied 7 – Kop Amstelscheg; Extra zoekgebied 1 – Landelijk Noord; Extra zoekgebied 2 – IJmeer.

-1-

Gaasperplas, Weesperkarspel en Knooppunt Holendrecht aangewezen als gebied voor windenergie. Daarbij heeft de Haven prioriteit. De gemeente is daarom voornemens dit gebied aan te wijzen als versnellingsgebied.5

Wat is het advies van de Commissie? De Commissie waardeert de gefaseerde aanpak van het MER, waarin eerst de zoekgebieden individueel en daarna in thematische alternatieven zijn beoordeeld. Het MER heeft een logische opbouw en de uitgevoerde analyses en effectbeoordelingen zijn navolgbaar. Doordat een digitaal MER6 is opgesteld, is informatie gemakkelijk toegankelijk voor belanghebbenden. De Commissie vindt het daarnaast positief dat de gemeente ook sociale aspecten7 heeft meegewogen bij de besluitvorming over het Programma. In het MER is geen voorkeursalternatief beschreven, maar dit wordt duidelijk in het Programma. De gemaakte keuzes zijn daarbij ook vanuit milieu-informatie uit het MER onderbouwd. Het MER geeft op alle punten een goede invulling aan het advies van de Commissie over de Notitie Reikwijdte en Detailniveau.8 Op basis hiervan constateert de Commissie dat het MER de essentiële informatie bevat om een besluit te kunnen nemen over het Programma Windenergie Amsterdam 20309, waarin het milieubelang volwaardig wordt meegenomen. De Commissie heeft ook de zienswijzen op het Programma bekeken. Zij constateert dat het MER volledig en van goede kwaliteit is, maar dat informatie niet altijd goed herkend of gevonden wordt door omwonenden, belanghebbenden en betrokkenen.

Daarom doet de Commissie in onderstaand hoofdstuk een aantal aanbevelingen waarmee de gemeente tegemoet kan komen aan zorgen van en onduidelijkheden voor het publiek. Daarnaast doet de Commissie in onderstaand hoofdstuk een aantal aanbevelingen en geeft ze aandachtspunten mee voor het vervolgproces (concrete initiatieven die volgen uit het Programma Windenergie Amsterdam). Aanleiding MER Het Programma Windenergie Amsterdam 2030 stelt kaders voor plan-MER-plichtige projecten, namelijk ‘windparken’.10 Daarom heeft de gemeente een plan-MER opgesteld. De plan-MER-plicht geldt ook omdat significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden niet op voorhand kunnen worden uitgesloten. Rol van de Commissie De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de gemeenteraad van Amsterdam - besluit over het Programma Windenergie Amsterdam 2030.

5

Het Havengebied wordt mogelijk aangewezen als versnellingsgebied onder de Europese Renewable Energy Directive III

(REDIII). Hierdoor kan een eenvoudigere ruimtelijke procedure worden doorlopen, met als doel om zo de energietransitie te versnellen.

6 7 8 9

Zie PlanMER windenergie gemeente Amsterdam (arcgis.com)

Zie bijlage 4 bij het Programma: Sociale aspecten zoekgebieden Programma Windenergie Amsterdam, 21 december 2023. Advies van de Commissie op de Notitie Reikwijdte en Detailniveau: a3689rd (commissiemer.nl).

Het plan-MER bevat ook de benodigde informatie om een besluit te kunnen nemen over de aanwijzing van het Havengebied als versnellingsgebied, rekening houdend met de aanbeveling van de Commissie om de aard en omvang van de effecten en de effectiviteit van mitigerende maatregelen nog in beeld te brengen in een project-MER. Zie paragraaf 2.4 van dit advies.

10

Categorie C2 van Bijlage V van het Omgevingsbesluit.

-2-

De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. De projectstukken die bij het advies zijn gebruikt staan op de website. Deze zijn te vinden door nummer 3689 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.

Figuur 1: Zoekgebieden voor windenergie uit de RES (bron: MER).

Aandachtspunten plan-MER en vervolg Het plan-MER bevat de informatie die nodig is om het milieubelang volwaardig mee te kunnen wegen bij de besluitvorming over het Programma Windenergie Amsterdam 2030. Wel geeft de Commissie een aantal aanbevelingen mee om het MER en vervolgproces nog beter te maken. Deze aanbevelingen zijn niet essentieel voor de besluitvorming, maar voor een transparanter proces kan de gemeente ervoor kiezen om de aanbevelingen (of onderdelen daarvan) al aan te vullen voorafgaand aan de besluitvorming. In paragraaf 2.6 van dit advies geeft de Commissie daarnaast een aantal aandachtspunten mee voor project-merprocedures die volgen uit het Programma Windenergie Amsterdam 2030.

Effecten van het voorgenomen besluit De milieuonderzoeken in het plan-MER zijn uitgevoerd in twee fasen. Eerst zijn de milieueffecten per zoekgebied in beeld gebracht. Daarna zijn vier thematische alternatieven

-3-

ontwikkeld en beoordeeld, die qua milieueffecten samen de zogeheten ‘hoeken van het speelveld’ in beeld moeten brengen. In het MER is geen voorkeursalternatief beschreven of onderzocht. Het voorgenomen besluit is wel opgenomen in het Programma Windenergie Amsterdam 2030 en bestaat uit een combinatie van zoekgebieden, zie figuur 2. Doordat in het MER de effecten per zoekgebied in beeld zijn gebracht, zijn ook de milieueffecten van het voorgenomen besluit uit het MER af te leiden.

Figuur 2: Aangewezen windenergiegebieden (bron: Programma Windenergie Amsterdam).

Duiding van informatie en kaarten De Commissie waardeert het opstellen van een digitaal MER, waardoor de vele milieuinformatie gemakkelijk toegankelijk is voor omwonenden en andere belanghebbenden. Wel constateert ze, mede op basis van de zienswijzen op het Programma, dat de informatie complex is en dat de digitale kaarten niet altijd eenvoudig te interpreteren zijn door de grote hoeveelheid aan informatie. Zo blijkt uit de zienswijzen dat hinder ter plaatse van volkstuinen en in het recreatiegebied Gaasperplas onduidelijk blijft, terwijl deze informatie wel is opgenomen in de (digitale) kaarten. Duiding van de kaarten is daarom wenselijk in de communicatie met omwonenden en andere belanghebbenden.

-4-

Behalen van de energiedoelstelling Onzekerheden over lopende initiatieven Gemeente Amsterdam wil in 2030 tenminste 127 MW aan opgesteld windvermogen gerealiseerd hebben. Van deze opgave is 75 MW gerealiseerd en 25 MW in voorbereiding. De gemeente gaat op basis daarvan uit van een restopgave van 27 MW. Met de zoekgebieden die worden vastgelegd in het Programma Windenergie Amsterdam 2030 wil de gemeente invulling geven aan deze restopgave. De 25 MW die in voorbereiding is, bestaat uit twee projecten: 9,2 MW bij Rioolwaterzuiveringsinstallatie (RWZI) Westpoortweg en circa 16 MW in Noorder IJplas/Cornelis Douwesterrein. In het MER wordt ervan uitgegaan dat beide projecten gerealiseerd worden. Over de realisatie van Noorder IJplas/Cornelis Douwesterrein bestaat echter nog onzekerheid. Provinciale Staten heeft namelijk nog geen verklaring van geen bedenkingen afgegeven. Hierdoor kan de ontwerp-vergunning voor afwijken van het bestemmingsplan nog niet worden verleend.11 Uit paragraaf 3.1 van het MER is af te leiden dat het maximaal opgesteld vermogen van de aangewezen gebieden circa 175 MW bedraagt. Daarmee is de opgave voor 2030 ruimtelijk te realiseren binnen de aangewezen gebieden, ook als een lopend initiatief niet doorgaat. Dit heeft echter wel consequenties voor de opgave die binnen de aangewezen gebieden moet worden gerealiseerd.

Doordat in het MER alternatieven zijn ontwikkeld met een vermogen van circa 50 MW per alternatief, is aannemelijk dat de worst-case effecten in het MER in beeld zijn. Inhoudelijk heeft de onzekerheid over lopende procedures daarom naar verwachting geen invloed op de besluitvorming over het Programma. De Commissie beveelt aan om in de communicatie met de omgeving duidelijk te zijn over de gevolgen voor de invulling van de aangewezen gebieden als één van de lopende initiatieven niet door kan gaan. Geef aan wanneer hier naar verwachting duidelijkheid over is. Licht toe wat de mogelijke (extra) milieueffecten zijn en welke verschuiving van hinder plaatsvindt als een grotere restopgave moet worden ingevuld binnen de nieuw aangewezen gebieden.

Onzekerheden over beschikbaarheid kleine en middelgrote windturbines In een groot deel van de gemeente is sprake van hoogtebeperkingen vanwege vliegroutes voor luchthaven Schiphol. Hierdoor is de maximale tiphoogte 130 meter (2,8 MW) of 145 meter (3,8 MW), afhankelijk van de ligging van het zoekgebied. Dit is substantieel lager dan gebruikelijk is voor nieuwe windenergieprojecten.12 Onzeker is of voldoende turbinetypes van de juiste afmetingen nog leverbaar zijn tegen de tijd dat initiatieven die volgen uit het Programma Windenergie Amsterdam 2030 worden uitgevoerd. In het MER is hier rekening mee gehouden door qua referentieturbines te kiezen voor turbinetypes die momenteel nog wel leverbaar zijn.13 Daarnaast heeft de gemeente tijdens het startgesprek met de Commissie14 aangegeven dat momenteel verkend wordt of er mogelijkheden zijn om af te wijken van de huidige hoogtebeperkingen van Schiphol. 11 12 13 14

Bron: Noorder IJ-plas - Provincie Noord-Holland.

Hedendaags uitgangspunt zijn turbines met een ashoogte tussen 120 en 160 meter en een tiphoogte van >200 meter.

Voor zover bij de Commissie bekend, is referentieturbine STW-3.0-108 w echter al niet meer commercieel verkrijgbaar.

Op 13 juni 2024 heeft de Commissie een startgesprek gehad met de gemeente Amsterdam. Hier kreeg zij een mondelinge

toelichting op het Programma Windenergie Amsterdam en het plan-MER.

-5-

De Commissie beveelt aan om een gevoeligheidsanalyse uit te voeren, bijvoorbeeld als onderdeel van project-mer-procedures. Verken hierin de gevolgen voor de invulling van de energieopgave als turbinetypes met een tiphoogte van maximaal 130 of 145 meter niet meer beschikbaar zijn.

Opgave na 2030 Het plan-MER focust op het behalen van de energiedoelstelling voor 2030. Een doorkijk naar 2050 wordt niet gemaakt. De Commissie beveelt aan om dit wel te doen, bijvoorbeeld als onderdeel van een programma. Verken daarbij in hoeverre de gemeente zelf een volledig duurzaam energiesysteem wil en kan realiseren en in welke mate de gemeente afhankelijk is van landelijke ontwikkelingen.15 Een dergelijke verkenning helpt bij het tijdig reserveren van ruimte voor een duurzaam energiesysteem en bij de communicatie met de omgeving.16

Havengebied: versnellingsgebied REDIII Het Havengebied wordt mogelijk aangewezen als versnellingsgebied onder de Europese Richtlijn hernieuwbare energie (REDIII).17 Doel van REDIII is om de ruimtelijke procedures voor hernieuwbare energieprojecten te vereenvoudigen om zo de energietransitie te versnellen. Als het gebied wordt aangewezen als versnellingsgebied, geldt in principe geen project-MERplicht en wordt de doorlooptijd van de vergunningenprocedure ingekort. Omdat REDIII nog omgezet moet worden naar Nederlands recht, bestaan nog onduidelijkheden over de inhoudsvereisten aan een plan-MER voor een plan waarin een versnellingsgebied wordt aangewezen. Uit een brief van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (30 mei 2024)18 blijkt dat in ieder geval moet worden aangetoond dat er na mogelijkerwijs extra maatregelen - geen (significant) negatieve effecten optreden. In het plan-MER zijn de milieueffecten per zoekgebied in beeld gebracht en mitigerende maatregelen op generiek niveau.19 Daarbij is nog niet geconcludeerd in hoeverre de negatieve effecten in het Havengebied significant kunnen zijn en in hoeverre (significant) negatieve effecten met maatregelen zijn uit te sluiten.20

15

De gemeente heeft een Routekaart Amsterdam Klimaatneutraal 2050 opgesteld. Daarin, en ook in RES 1.0 van regio Noord-

Holland Zuid, wordt nog niet duidelijk in hoeverre binnen het grondgebied van de gemeente zelf de energie- en

warmtevraag van 2050 kan worden voldaan. Hierdoor is de ruimtevraag voor de periode na 2030 nog onduidelijk. 16

In verschillende zienswijzen op het Programma wordt ter discussie gesteld of en in hoeverre gemeente Amsterdam zelf

invulling moet geven aan haar energievraag. 17

Voor meer informatie, zie Herziene richtlijn hernieuwbare energie (RED III) op de website van het Ministerie van

Buitenlandse Zaken. 18

Zie ook de kamerbrief ‘Versnellingsmogelijkheid energietransitie door middel van Europese richtlijn Hernieuwbare Energie’,

30 mei 2024. 19

Zie hoofdstuk 3 van het plan-MER voor de effectbeoordeling per zoekgebied en paragraaf 5.2 voor de mitigerende

maatregelen. 20

Deze inzichten zijn nodig om de informatie op te kunnen nemen in het plan waarin het versnellingsgebied wordt

aangewezen, conform artikel 15 van REDIII. Op basis van dit artikel gaat het om de volgende informatie: passende regels over doeltreffende mitigerende maatregelen die moeten worden genomen om negatieve milieueffecten die zich kunnen

voordoen te voorkomen of, indien dit niet mogelijk is, aanzienlijk te verminderen én dat passende mitigerende maatregelen worden genomen om ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan het verslechteringsverbod uit de Habitatrichtlijn (en er wordt verwezen naar de KRW).

-6-

Tijdens het startgesprek heeft de gemeente aan de Commissie laten weten dat voor de windturbines in het Havengebied een project-MER wordt opgesteld. De kennisgeving en Notitie Reikwijdte en Detailniveau hierover zijn in voorbereiding. De aard en omvang van de effecten en de effectiviteit van mitigerende maatregelen kunnen hierdoor op project-niveau in beeld worden gebracht in het project-MER. Daarmee is de Commissie van oordeel dat de inhoud en het detailniveau van voorliggend plan-MER ook voor het Havengebied volstaat.

Referentieturbines akoestisch onderzoek plan-MER De milieuonderzoeken zijn gebaseerd op vier klassen van referentieturbinetypes: Haven, Klein, Middel en Groot. De Commissie constateert dat voor het akoestisch onderzoek inconsistente keuzes zijn gemaakt qua jaargemiddelde bronsterkte van de gekozen referentieturbines. Zo is voor Haven gekozen voor een type in het midden van de bandbreedte. Voor Klein en Middel is gekozen voor een turbinetype dat nabij de onderkant van de bandbreedte van de jaargemiddelde bronsterkte ligt. De referentieturbine voor Hoog ligt qua geluidsproductie juist nabij de bovenkant van de bandbreedte. Hiermee zijn de zoekgebieden en alternatieven niet evenwichtig beoordeeld. Voor de transparantie en communicatie beveelt de Commissie aan om toe te lichten waarom gekozen is voor de variatie in bronsterkte van de verschillende referentieturbines binnen de bandbreedte en wat dit voor gevolgen heeft voor de variatie in geluidcontouren. Dit kan bijvoorbeeld met een gevoeligheidsanalyse per klasse.21 Naar verwachting leidt een dergelijke analyse echter niet tot een andere aanwijzing van zoekgebieden in het Programma.22

Inhoudelijke aandachtspunten voor project-MER procedures Uit het Programma volgen concrete initiatieven voor windenergieprojecten. Afhankelijk van de omvang van de projecten geldt een mer-(beoordelings)plicht. Het plan-MER biedt bruikbare basisinformatie die deels hergebruikt kan worden in project-mer(beoordelingen). Verdere aanvulling en actualisatie van deze informatie is nodig, passend bij het detailniveau van de vervolgbesluiten. In de onderstaande paragrafen geeft de Commissie al een aantal aandachtspunten mee die in ieder geval relevant zijn voor de project-mer-procedures, in aanvulling op de algemene eisen aan een project-MER.23 Mogelijk zijn echter nog andere aandachtspunten en onderwerpen van belang. De initiatiefnemer moet hier zelf een inschatting van maken op projectniveau. De Commissie kan ook adviseren over de Notitie Reikwijdte en Detailniveau van deze projecten.

Natuur Het Havengebied ligt op relatief korte afstand van het stikstofgevoelige en overbelaste Natura 2000-gebied Polder Westzaan. De locaties Diemerscheg en Weesperkarspel liggen op relatief korte afstand van de stikstofgevoelige en overbelaste Natura 2000-gebieden Botshol en 21

In het MER is al een gevoeligheidsanalyse opgenomen waarin verschillende klassen met elkaar worden vergeleken. Er is nog

geen vergelijking gemaakt van verschillende typen binnen een klasse, waarbij alleen in de bronsterkte wordt is gevarieerd. 22

Door de gekozen referentieturbines zijn zoekgebieden 1A en 4C relatief ongunstig beoordeeld. Zoekgebied 1A

(Havengebied) is desondanks aangewezen. Zoekgebied 4C (Strand-/ Buiteneiland) is ook vanwege effecten op natuur afgevallen. 23

Zie artikel 11.16 van het Omgevingsbesluit.

-7-

Naardermeer. De Commissie beveelt aan om in de vervolgfase op basis van ervaringsgegevens uit andere projecten de stikstofeffecten in de aanlegfase van de turbines te bepalen. Daarmee kan vroegtijdig worden bepaald of eventueel specifieke maatregelen (zoals emissiearm materieel) moeten worden getroffen om negatieve effecten op Natura 2000 te voorkomen.

Landschap en cultureel erfgoed Het alternatief Landschap in het plan-MER is gebaseerd op twee uitgangspunten. Deze uitgangspunten zijn om de windturbines zo te plaatsen dat (1) ze de bovenlokale landschappelijke structuur ondersteunen en (2) op maaiveldniveau voor wandelaars, fietsers en andere verkeersdeelnemers ruimtelijke oriëntatie verschaffen. Deze uitgangspunten kunnen ook bij het uiteindelijke plaatsingsbesluit en bij de uitwerking op locatieniveau richtinggevend zijn. De Commissie beveelt aan om, met name voor invulling van zoekgebied Diemerscheg, samen te werken met gemeente Diemen. Zo kan gezamenlijk een optimale, samenhangende opstelling van de turbines in de gemeenten Amsterdam en Diemen worden gerealiseerd, die de landschappelijke structuur ondersteunt.24

Geluid In het plan-MER is de geluidsbelasting bepaald op woningen en zogeheten ‘overige objecten’ binnen de gemeente en omliggende gemeenten, zoals gemeente Ronde Venen.25 Voor overige objecten is onder andere de geluidsbelasting op het volkstuinencomplex in het zoekgebied Diemerscheg en recreatieterreinen op kaart getoond. In het akoestisch onderzoek is daarbij bepaald hoe hoog de geluidbelasting is door andere bronnen en hoe groot de toename is als gevolg van de windturbines. Geluidscontouren zijn in het MER op verschillende kaarten weergegeven.26 De onderzoeksresultaten zijn in de tekst echter niet beschreven. Zo is niet duidelijk hoe hoog de geluidbelastingen en mogelijke hinder zijn. Zoals ook uit de zienswijzen blijkt, leidt dit tot onduidelijkheid over wat in het MER is onderzocht en wat de resultaten zijn. In het plan-MER is voor het bepalen van hinder het aantal woningen met een geluidbelasting vanaf 38 dB bepaald. In de geluidtabellen is echter alleen het aantal woningen en de geluidbelasting in klassen boven 42 dB aangegeven, zie bijvoorbeeld tabel 5 in het MER. Hierdoor is niet duidelijk hoeveel woningen zijn belast met een geluidbelasting tussen de 38 en 42 dB. Dit inzicht is ook belangrijk voor de transparantie en de communicatie. De Commissie beveelt aan om in de vervolgfase de effecten van geluid op woningen en overige objecten duidelijker te beschrijven.

Doe dit zowel voor het grondgebied van de gemeente Amsterdam als voor omringende gemeenten.

24

In haar zienswijze op het Programma, benoemt gemeente Diemen deze kans ook en doet ze een handreiking om in het

vervolgproces samen op te trekken. 25 26

Deze gemeente grenst aan het zoekgebied Weesperkarspel/Gein.

Zie Bijlage C van de Technische Bijlage bij het Plan MER en paragraaf 3.2.3 van het (digitale) MER.

-8-

BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie

De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of

onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de

ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit

wordt genomen. Om zich goed op de hoogte te stellen van de situatie, hebben de werkgroep-

leden die niet betrokken zijn geweest bij het advies over de NRD, het gebied bezocht waar milieugevolgen kunnen optreden. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website.

Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: ir. Eric van der Aa dr. Pieter Boot ir. Tilly Fast ir. Erik Koppen prof. ir. Eric Luiten drs. Marieke van Rhijn (voorzitter) Michelle Vanderschuren MSc (secretaris)

Besluit waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Programma Windenergie Amsterdam. Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor projecten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een milieueffectrapport (MER) vereist zijn. Uit Bijlage V van het Omgevingsbesluit onder de Omgevingswet volgt om welke projecten het gaat. Voor deze procedure gaat het in ieder geval om de activiteit categorie C2 “Oprichting, wijziging of uitbreiding van een windpark met 20 of meer windturbines”. Een MER is ook nodig omdat effecten op Natura 2000-gebieden optreden die in een Passende beoordeling moeten worden beschreven. Daarom wordt een plan-MER opgesteld.

Bevoegd gezag besluit Gemeenteraad van Amsterdam. Initiatiefnemer besluit College van burgemeester en wethouders van Amsterdam.

Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken? De Commissie heeft alle zienswijzen en adviezen gelezen die het bevoegd gezag tot en met 25 juli 2024 heeft toegestuurd. Ze heeft ze in haar advies verwerkt, voor zover relevant voor het MER.

Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3689 in te vullen in het zoekvak.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14938090/1