1. Wijzigingsbesluit Omgevingsplan Veegwijziging.pdf
Tekst van het document
66
regeld. Van die grondslag is in Amsterdam gebruik gemaakt (Gemeenteblad 2021 nr. 144493, 10 mei 2021). De bepalingen in deze hemelwaterverordening zijn zodanig opgesteld dat ze zoveel mogelijk al voldoen aan de eisen uit de nieuwe Omgevingswet. De hemelwaterverordening is bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel geworden van het omgevingsplan (zie ook paragraaf 6.2 van deze toelichting). Met inpassing van de regels in paragraaf 4.4.2 vindt daadwerkelijke integratie plaats. De regels zijn in die paragraaf opgenomen als algemene regels, die van toepassing zijn op de in artikel 4.110 aangegeven gebouwen. Ze gelden, ongeacht of sprake is van een vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Wel wordt een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken preventief aan deze regels getoetst (artikel 4.86). Naast deze hemelwaterverordeningde waterbergingseisen in het omgevingsplan bestaat ook de Keurwaterschapsverordening van het Waterschap. Dede waterschappen (voorheen: de Keur is een verordening met daarin). In de waterschapsverordening staan voorschriften voor ruimtelijke ontwikkelingen van meer dan 500 m2 of 1.000 m² (afhankelijk van het waterschap). Daarbij geldt een verplichting tot compensatieberging. De twee verplichtingen staan elkaar niet in de weg. Integendeel, ze zijn complementair aan elkaar.
Door bij ontwikkelingen groter dan 500 m2 of 1.000 m2 te voldoen aan de verplichting uit de hemelwaterverordeningwaterbergingseisen van dit omgevingsplan, wordt deels of in zijn geheel ook voldaan aan de Keur en alleen doorwaterschapsverordening. Door ervoor te zorgen dat er ook waterbergingen worden aangelegd en in stand worden gehouden in gevallen waarin de Keurwaterschapsverordening niet geldt, kan de gemeente het doel uit het Gemeentelijke RioleringsplanOmgevingsprogramma Riolering bereiken. De hemelwaterverordening is bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel geworden van het omgevingsplan (zie ook paragraaf 6.2 van deze toelichting). Met inpassing van de regels in paragraaf 4.4.2 vindt daadwerkelijke integratie plaats. De regels zijn in die paragraaf opgenomen als algemene regels, die van toepassing zijn op de in artikel 4.110 aangegeven gebouwen. Ze gelden, ongeacht of sprake is van een vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Wel wordt een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken preventief aan deze regels getoetst (artikel 4.86). Voor een meer inhoudelijke toelichting op de artikelen wordt kortheidshalve verwezen naar de artikelgewijze toelichting. SSSS Na sectie 10.19 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
10.20 Short stay Short stay is gedefinieerd als ‘het structureel aanbieden van een zelfstandige woning voor tijdelijke bewoning aan een huishouden voor een aaneensluitende periode van tenminste een week en maximaal zes maanden’. Wanneer een bestaande woning in gebruik wordt genomen voor short stay is sprake van een vergunningplichtige vorm van woonruimteonttrekking in de zin van de Huisvestingswet. Tot begin 2014 werden door het college op aanvraag woonruimte onttrekkingsvergunningen ten behoeve van short stay verleend voor een periode van maximaal tien jaar. Eventuele strijdigheid met het ter plaatste geldende bestemmingsplan werd toegestaan met een vergunning op grond van de WABO. In 2014 heeft het college besloten gebruik van woningen ten behoeve van short stay niet meer met vergunningen te faciliteren. Dit vanwege het toenemende gebrek aan reguliere woningen voor regulier gebruik alsmede het gegeven dat dergelijke vergunningen werden misbruikt voor verhuur aan toeristen. Bij vaststelling van de Amsterdamse Aanpak Volkshuisvesting op 19 juli 2023 is nogmaals bevestigd dat geen nieuwe short stay wordt toegestaan. Ondanks dit beleid is er een aantal locaties waar permanente short stay legaal aanwezig is. Deze worden voorzien van een aanduiding 'short stay toegestaan', waarmee kan dit gebruik worden voortgezet. TTTT De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
67
11.2.1 Inleiding In ruimtelijke plannen zoals het bestemmingsplan werd het gebruik gereguleerd vanuit bestemmingen. Per bestemming werd bepaald voor welk gebruik de gronden waren bestemd. Met specifieke gebruiksregels konden daaraan voor wat betreft het gebruik nadere regels worden verbonden. Met het omgevingsplan wordt voor een soortgelijke aanpak gekozen. Centraal begrip daarbij is niet het begrip 'bestemming', maar het begrip 'gebruiksdoel'. Aan gronden en bouwwerken kunnen een of meerdere gebruiksdoelen worden toegekend. Dat gebeurt in hoofdstuk 2, dat locatiegerichte regels bevat waarmee gebruiksdoelen aan locaties worden toegekend. Met deze regels wordt bepaald welke vormen van gebruik waar zijn toegestaan. Daarmee bevat dit hoofdstuk regels over gebruik zoals die voorheen in bestemmingsplannen werden opgenomen. De gebruiksdoelen en de daarop betrekking hebbende regels zijn bepalend voor het gebruik dat is toegestaan. Anders dan bij bestemmingen bevatten de regels over gebruiksdoelen alleen regels over gebruik. Regels over bouwwerken of werkzaamheden en werken, geen bouwwerken zijnde (aanlegactiviteiten) worden in aparte hoofdstukken van dit omgevingsplan geregeld. Bovendien staan binnen de regels over gebruiksdoelen niet het gebruiksdoel zelf centraal, maar het gebruik dat is toegestaan en onder welke voorwaarden dat is toegestaan (de gebruiksactiviteiten).
Tot slot kunnen gebruiksdoelen op een locatie worden gestapeld. Waar meerdere vormen van gebruik zijn toegestaan, worden meerdere gebruiksdoelen aan een locatie toegekend. Het valt te verachtenverwachten dat aan dit hoofdstuk door de jaren heen de nodige artikelen worden toegevoegd. Om te voorkomen dat het toevoegen van een artikel aan het begin van het hoofdstuk leidt tot hernummering van alle erna komende artikelen, is er voor gekozen in afdeling 2.3 per (sub)paragraaf de nodige artikelen te reserveren. UUUU De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
11.2.5.6 Bedrijf (industrie, ambacht, groothandel, opslag en transport) (paragraaf 2.3.6 van de regels) Paragraaf 2.3.6 regelt het gebruiksdoel 'bedrijf'. Geregeld wordt dat daar waar een gebruiksdoel bedrijf geldt, het uitoefenen van een bedrijf als activiteit is toegestaan. Het begrip bedrijf heeft in algemeen spraakgebruik een bredere betekenis dan in deze paragraaf. In het algemeen spraakgebruik (en dus ook in andere afdelingen of hoofdstukken in dit omgevingsplan) wordt onder bedrijf een onderneming of zaak verstaan. Deze afdeling gaat echter alleen over bedrijf in engere zin, namelijk een bedrijf gericht op het bedrijfsmatig produceren, bewerken, verwerken, herstellen, opslaan, distributie en groothandel van goederen. Met deze afbakening van wat onder een bedrijf bedoeld in deze paragraaf (bedrijf in enge zin) wordt verstaan, wordt aangesloten bij de begripsbepaling die doorgaans in Amsterdamse bestemmingsplannen werd gebruikt. In de paragraaf zijn aanvullende regels opgenomen waarmee het uitoefenen van een bedrijf nader kan worden gereguleerd. Voor de meeste van die regels geldt dat ze alleen van toepassing zijn ter plaatse van specifiek aangegeven aanduidingen. In de artikelgewijze toelichting wordt de strekking van de inhoudelijke regels nader toegelicht.
Bedrijvenregeling Behalve dat in de paragraaf wordt bepaald waar de uitoefening van een bedrijf is toegestaan, bevat de paragraaf ook een zogenaamde bedrijvenregeling, opgenomen in subparagraaf 2.3.6.2. Dit onderdeel regelt de vestigings- en uitbreidingsmogelijkheden van bedrijven in verband met het aspect milieuhinder. De regels in deze subparagraaf gelden naast de milieuregels die op verschillende niveaus (Europees, landelijk, provinciaal en gemeentelijk niveau) zijn gesteld. Die regels hebben de bescherming van het milieu als oogmerk. Op basis van de milieuregels moeten bedrijven (en andere milieubelastende activiteiten) alle redelijke maatregelen treffen om gevolgen voor het milieu te voorkomen. Ook als een bedrijf volledig voldoet aan de milieuregels, kan het enige hinder naar de omgeving veroorzaken. Teneinde een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te borgen moet een aanvullende afweging plaatsvinden tussen de toe te laten bedrijfsactiviteiten in relatie tot de gevoelige functies. Met betrekking tot het aspect milieuhinder worden de vestigings- en uitbreidingsmogelijkheden van bedrijven in dit omgevingsplan geregeld via de systematiek van milieuhindercategorieën, zoals die voorheen was vastgelegd in de brochure Bedrijven en milieuzonering van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Hoewel de VNG deze brochure inmiddels heeft
68
ingetrokken, blijft Amsterdam deze de systematiek als uitgangspunt gebruiken. De Brochure blijkt in de praktijk een goed werkend instrument dat in de afgelopen decennia zijn nut heeft bewezen. Indien nodig, zal de gemeente de Lijst van bedrijfsactiviteiten (opgenomen in Bijlage IVBijlage VI) actualiseren of bijwerken. Onderdeel van de regeling is de Lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in Bijlage IVBijlage VI. Hierin zijn bedrijfsactiviteiten opgesomd en is de potentiële milieubelasting met betrekking tot de milieuhinderaspecten geluid, geur, gevaar en stof bepaald. De potentiële milieubelasting wordt uitgedrukt in een milieuhindercategorie. De milieuhindercategorieën worden ingedeeld in hoofdcategorieën en in een aantal subcategorieën en lopen op naarmate de milieuhinder toeneemt. Per gebied wordt een maximum milieuhindercategorie bepaald. Van bedrijven die in die aangewezen (of in een lagere) milieuhindercategorie vallen wordt verondersteld dat ze qua milieugevolgen passen in dat gebied. Hierbij wordt ervan uitgegaan dat bedrijven voldoen aan de milieuregelgeving. De meeste milieuregels zijn in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) en in hoofdstuk 10 vanhoofdstuk 9 van dit omgevingsplan te vinden. Voor gemengde gebieden is er een afwijkende systematiek. Hiervoor is een korte opsomming van bedrijfsactiviteiten opgesteld die daar inpasbaar zijn.
Uitwerking bedrijvenregeling in dit omgevingsplan Bedrijven die vallen in de voor een gebied aangewezen of een lagere milieuhindercategorie zijn toegelaten in dat gebied (zie artikel 2.83). Ter plaatse van de aanduiding 'functiemenging' zijn bedrijven toegestaan die zijn opgesomd in artikel 2.84. Met een maatwerkvoorschrift kunnen ook andere bedrijven toegestaan worden die weliswaar in een hogere milieuhindercategorie vallen, maar die vergelijkbare milieu-emissie hebben als de rechtstreeks toegestane bedrijven (zie artikel 2.85). Hetzelfde geldt voor bedrijven die niet in de Lijst van bedrijfsactiviteiten voorkomen of die niet in de opsomming bij functiemening zijn benoemd. Bedrijven die voor het wijzigen van het omgevingsplan waarmee paragraaf 2.3.6 op hun locatie ging gelden reeds legaal aanwezig waren, maar die niet passen in de nieuwe maximale milieuhindercategorie dan wel niet bij functiemenging zijn opgesomd, kunnen expliciet toegestaan worden. Hiervoor is een afzonderlijk regeling opgenomen in artikel 2.86 (eerbiedigende werking). Nadere toelichting op de Lijst van bedrijfsactiviteiten De Lijst van bedrijfsactiviteiten zoals opgenomen in bijlage VI bij dit Omgevingsplan is gebaseerd op de Richtafstandenlijsten van milieubelastende activiteiten die als bijlage 1 bij Bedrijven en milieuzonering, editie 2009.
Ten aanzien van die lijst is een aantal aanpassingen doorgevoerd. Ten eerste bevat de lijst in bijlage IV alleenbijlage VI alleen die activiteiten die als 'bedrijf' kunnen worden aangemerkt als bedoeld in deze paragraaf. Activiteiten die onder een ander gebruiksdoel vallen (bv. horeca, onderwijs, zakelijke dienstverlening etc.) komen niet meer terug in de lijst. Voor die activiteiten die niet onder het begrip bedrijf vallen, geldt de bedrijvenregeling niet en wordt de systematiek van milieuhindercategorieën niet gebruikt om te sturen op de vestigingsmogelijkheden. Dat kan anders opgelost worden; of met een aparte vergunningplicht (horeca) of met een toets bij het toelaten van de activiteit op een locatie. Het feit dat een activiteit op de Lijst in bijlage IV voorkomtbijlage VI voorkomt vormt weliswaar een indicatie dat die activiteit een bedrijf in de zin van deze paragraaf is, maar dat hoeft niet in alle gevallen zo te zijn. Of een activiteit op een locatie als een bedrijf valt te kwalificeren wordt bepaald aan de hand van de begripsbepaling zoals opgenomen in artikel 2.80. Bij sommige activiteiten is het mogelijk dat zowel productie- als kantoorwerkzaamheden plaats vinden. De kantoorwerkzaamheden vallen in principe onder het gebruiksdoel Zakelijk en administratieve dienstverlening (dat is gereguleerd door paragraaf 2.3.3).
Onder voorwaarden is het gebruikt van ondergeschikt kantoorruimte bij bedrijven toegestaan (zoals geregeld in artikel 3.19). Het hoofdkantoor van een groot productiebedrijf dat niet ondergeschikt is aan dat productiebedrijf of op een andere locatie is gevestigd is aldus geen bedrijf als bedoeld in deze paragraaf. Ten tweede is informatie uit de Richtafstandenlijst van de VNG die voor de toepassing van de bedrijvenregeling in dit omgevingsplan niet relevant is, niet overgenomen. Zo zijn de zogenaamde SBI-codes voor de omschrijving van bedrijfsactiviteiten geschrapt. De Standaard Bedrijfsindeling (SBI) is een indeling van economische activiteiten die het Centraal Bureau voor Statistiek heeft ontwikkeld om bedrijfseenheden in te delen naar hun hoofdactiviteit. De SBI-indeling was de basis voor de Richtafstandenlijst van de VNG. Sinds de laatste actualisatie van de Richtafstandenlijst in 2009 is de SBI-indeling meerdere keren gewijzigd. Omdat de SBI-codes uit de Richtafstandenlijst niet meer corresponderen met de codes die het CBS en de Kamer van Koophandel gebruiken, hebben de verouderde codes geen toegevoegde waarde meer en zijn dus niet overgenomen in de
69
Lijst van bedrijfsactiviteiten. De indeling van activiteiten volgt grotendeels wel de indeling van de SBI-2008. Ook de indices voor verkeer, visueel, bodem en lucht komen op de lijst van de bedrijfsactiviteiten niet terug. Deze indices werden in het verleden (in Amsterdam noch landelijk) niet toegepast. Tot slot is overige informatie uit de Richtafstandenlijst (zoals welke activiteiten geluidzoneringplichtig zijn, op welke activiteiten het Besluit externe veiligheid inrichting van toepassing was, welke activiteiten in het algemeen continue worden uitgevoerd, etc.) niet overgenomen. Met betrekking tot de richtafstanden ten aanzien van de verschillende milieuaspecten wordt het volgende opgemerkt. De hoogste afstand bepaalt de milieuhindercategorie die aan een activiteit wordt toegekend. Voor de toelating van bedrijfsactiviteiten is de milieuhindercategorie bepalend. Het zou daarom mogelijk zijn om alleen de milieuhindercategorie te vermelden op de lijst. De richtafstanden per milieuaspect geven echter waardevolle informatie voor het geval dat een activiteit in een hogere categorie valt dan ter plaatse toegelaten. In die situatie wordt duidelijk welk milieuaspect(en) maatgevend is (zijn) en waar het treffen van eventuele maatregelen nodig kan zijn. Daarom is die informatie behouden. De richtafstanden zijn bovendien bruikbaar als hulpmiddel in de volgende situaties.
Ten eerste kunnen ze gebruikt worden om te bepalen bedrijven uit welke milieuhindercategorie op een bepaalde locatie aanvaardbaar zijn (gelet op de afstand tot bestaande woningen). Ten tweede kunnen ze ook gebruikt worden om te bepalen op welke afstand van bestaande bedrijven (of bedrijventerreinen) nieuwe woningen aanvaardbaar zijn. De afstanden in de lijst zijn indicatief van karakter; de concrete bedrijfsvoering van bedrijven kan aanleiding geven om een kleinere of grotere afstand aan te houden. De richtafstanden op de lijst zijn geschikt om het woon- en leefklimaat passend bij een rustige woonwijk te behalen. Indien er sprake is van een gemengd gebied met meer 'stedelijk karakter' is het ook aanvaardbaar om de afstanden te 'halveren'. Daarbij wordt de afstand behorend bij één milieuhindercategorie lager aangehouden. Onderstaande tabel geeft de relatie tussen milieuhindercategorieën en richtafstanden tot gebiedstypen rustige woonwijk en gemengd gebied weer. Relatie milieuhindercategorieën en richtafstanden Milieuhindercategorie
Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk
Richtafstand tot omgevingstype gemengd gebied
1
10
0
2
30
10
3.1
50
30
3.2
100
50
4.1
200
100
4.2
300
200
5.1
500
300
5.2
700
500
5.3
1000
700
6
1500
1000
VVVV De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
70
11.3.3.1 Inleiding Hoofdstuk 3 bevat over verschillende onderwerpen algemene regels die betrekking hebben op gebruik. In afdeling 3.2 zijn algemene regels van ruimtelijke aard over gebruik van gronden en bouwwerken opgenomen. Deze regels gaan over onderwerpen waarover onder oud recht veelal regels werden opgenomen in ruimtelijke besluiten zoals bestemmingsplannen, maar bestemmingoverstijgend waren. Dergelijke regels werden veelal in algemene regels in hoofdstuk 3 van bestemmingsplannen opgenomen, maar ook vaak per afzonderlijke bestemming. Dergelijke regels zijn ook gebruiksdoel-overstijgend zijn. Ze hebben betrekking op meerdere vormen van gebruik. In het omgevingsplan wordt er daarom voor gekozen om deze regels op te nemen in de vorm van algemene, overal geldende regels. Ze zijn van toepassing op meerdere vormen van ruimtelijk gebruik.
Het gaat om de volgende onderwerpen: • Inrichten en gebruik van bij een hoofdgebouw behorend erf en erfbebouwing (paragraaf 3.2.2 van de regels) • Parkeernormering voor auto’s en normering voor fietsstalling (paragraaf 3.2.3 van de regels) • Ondergeschikt kantoorgebruik (paragraaf 3.2.4 van de regels) • Ondergeschikte detailhandel (paragraaf 3.2.5 van de regels) • Het wijzigen van het gebruik als niet-geluidgevoelig gebouw naar een gebruik als geluidgevoelig gebouw (paragraaf 3.2.6 van de regels) • Huisvesting in verband met mantelzorg (paragraaf 3.2.7 van de regels) • Het wijzigen van een buisleiding met gevaarlijke stoffen, de druk of de vervoerde stof (paragraaf 3.2.8) • Wijzigen gebruik van ambachtelijke bedrijven (paragraaf 3.2.9 van de regels) • Beperkingen voor beperkt kwetsbare en kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico (paragraaf 3.2.10 van de regels) • Beperkingen voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties in een beperkingengebied vuurwerk (paragraaf 3.2.11 van de regels) • Beperkingen voor zeer kwetsbare, kwetsbare en beperkt gebouwen en kwetsbare en beperkt kwetsbare locaties in een beperkingengebied ontplofbare stoffen (paragraaf 3.2.12 van de regels) • Het uitoefenen van ondergeschikte horeca-activiteiten (paragraaf 3.2.13 van de regels) • Beschikbaar stellen van vergader Hospitaverhuur
en congresfaciliteiten aan derdeninwoning (paragraaf 3.2.14 van de regels)
Deze regels zijn niet op één specifiek gebruiksdoel vast te pinnen. Ze hebben betrekking op uiteenlopende gebruiksdoelen, en zijn dan ook veelal binnen heel Amsterdam van toepassing. Voorrangsbepalingen Veel van de onderwerpen, geregeld in afdeling 3.2, werden ook geregeld in onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen. Die regels zijn, evenals de regels in afdeling 3.2, onderdeel van het omgevingsplan. Deze regels kunnen inhoudelijk tegenstrijd zijn. Waar dat mogelijk het geval is, wordt gewerkt met een zogenoemde voorrangsregel. Die bepaalt dan dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' de regels in de betreffende (sub)paragraaf buiten toepassing blijven voor zover het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan regels over hetzelfde onderwerp bevat. In dat geval zijn de regels in dat tijdelijk deel van toepassing. In bijlage I is opgenomen dat onder een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan worden verstaan de ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel zijn van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke.
Het werkingsgebied van dit soort bepalingen is beperkt tot die gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’. Daarmee wordt ook in de viewer inzichtelijk waar dit artikel van toepassing is, en waar niet. Met het door de tijd heen vervangen en laten vervallen van ruimtelijke plannen, zal dat werkingsgebied, dat eerst heel Amsterdam is, geleidelijk aan steeds kleiner worden. WWWW
71
Het volgende opschrift wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
11.3.3.15 Hospitaverhuur en inwoning (paragraaf 3.2.14 van de regels) [gereserveerd] XXXX Na sectie 11.3.3 wordt een sectie ingevoegd, luidende:
11.3.4 Inrichtingsplannen (afdeling 3.3 van de regels) In afdeling 3.3 wordt de mogelijkheid geboden om in regels te bepalen dat de inrichting van een bepaald terrein moet plaatsvinden conform een inrichtingsplan, dat als bijlage aan de betreffende regel wordt gekoppeld. Een inrichtingsplan kan allerlei inrichtingsvereisten bevatten die zich moeilijk laten vatten in juridische regels. In die gevallen kan een inrichtingsplan als bijlage aan de regels in deze afdeling worden verbonden. De betreffende regel bepaalt in dat geval dat de inrichting van het betreffende terrein dient te voldoen aan het inrichtingsplan. De inrichting van terreinen conform een inrichtingsplan kan ook op andere wijze zijn geborgd dan via de regels in deze afdeling. De regels in deze afdeling zijn aanvullend op regels over de inrichting van terreinen die elders in dit omgevingsplan zijn gesteld. Gedacht kan worden aan regels over het beschikbaar hebben van parkeerplaatsen op eigen terrein, het gebruik van het eigen erf, of regels over bouwwerken. Die gelden naast regels verplichtingen die voortvloeien uit een inrichtingsplan. YYYY De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
11.4.2.2.8 Toets aan ruimtelijke regels over bouwwerken, mogelijkheid om van die regels af te wijken (subparagraaf 4.2.4.2 van de regels) Zoals hiervoor is vermeld, wordt een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken beoordeeld aan de hand van een de beoordelingsregels, opgenomen in paragraaf 4.2.4 van het omgevingsplan. Onderdeel van die beoordeling is een toets aan de ruimtelijke regels over bouwwerken (artikel 4.16). Daar waar het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan nog niet is vervangen, wordt getoetst aan de daarin opgenomen ruimtelijke regels. Daar waar dat bestemmingsplan al wel is vervangen, wordt getoetst aan de ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals opgenomen in hoofdstuk 5. Ook wordt getoetst of het beoogd gebruik gelet op artikel 2.3 is toegestaan. Deze algemene ruimtelijke regels hebben betrekking op bouwwerken, ongeacht of voor een bouwwerk de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken van toepassing is. Bij bouwwerken waarvoor de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet van toepassing is, is het de initiatiefnemer zelf die ervoor zorg moet dragen dat aan deze algemene regels wordt voldaan. Er vindt vooraf immers geen toets plaats door het bevoegd gezag.
Bij bouwwerken waarvoor de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wel geldt, vindt er (net als onder de toenmalige Wabo) een (preventieve) toets aan de ruimtelijke regels over bouwwerken plaats. Dat wordt geregeld met artikel 4.16. De daarin opgenomen beoordelingsregel houdt in dat de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen wordt verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met artikel 5.62.3. Daarin is in het eerste lid bepaald dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met de in hoofdstuk 5 opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken. Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' in afwijking van het eerste lid geldt dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met afdeling 5.3 of met het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken. Daarmee bepaalt artikel 5.6 kort gezegd dat een bouwwerk moet voldoen aan algemene ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals die voorheen in bestemmingsplannen werden gesteld.
In artikel 2.3 is bepaald dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking
72
hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3. Voor de situatie dat het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan nog niet is vervangen, of dat er een TAM-IMRO-plan geldt, is een soortgelijke bepaling opgenomen. In artikel 5.6 is in het eerste lid bepaald dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met de in hoofdstuk 5 opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken. Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' in afwijking van het eerste lid geldt dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd en in stand gehouden op een wijze die in overeenstemming is met afdeling 5.3 of met het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken. Daarmee bepaalt artikel 5.6 kort gezegd dat een bouwwerk moet voldoen aan algemene ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals die voorheen in bestemmingsplannen werden gesteld. Als een initiatief in strijd is met artikel 5.6, dan moet de vergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken op grond van 4.16 worden geweigerd. In die gevallen zou medewerking alleen kunnen worden verleend met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit.
Een dergelijke afwijkvergunning is vergelijkbaar met de buitenplanse afwijkmogelijkheid die er ook onder de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht was. De afwijkmogelijkheid op grond van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht had betrekking op: • in het bestemmingsplan of de beheersverordening aangewezen gevallen (de zogenoemde binnenplanse afwijkmogelijkheid) • bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen (de zogenoemde kruimelgevallen, waarop de reguliere procedure van toepassing was) • overige gevallen (waarop de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing was)
De Omgevingswet maakt dit onderscheid niet meer, maar laat wel ruimte aan gemeenten om zelf in het omgevingsplan te voorzien in afwijkmogelijkheden. In het omgevingsplan voor Amsterdam is daarvoor gekozen. Die mogelijkheid is opgenomen in subsubparagraaf 4.2.4.2.2 van het omgevingsplan. Op de inhoudelijke keuzes die daarbij zijn gemaakt, wordt in paragraaf 11.4.2.3.2.2 van deze toelichting ingegaan. Voor de systematiek is van belang dat de mogelijkheid om af te wijken van de ruimtelijke regels over bouwwerken is gekoppeld aan de beoordeling van een aanvraag om een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Onder de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht bestond er voor zowel de activiteit bouwen van een bouwwerk (artikel 2.1, eerste lid, onder a Wabo) als voor de activiteit afwijken van het bestemmingsplan (artikel 2.1, eerste lid, onder c Wabo) een afzonderlijke vergunningplicht. In het omgevingsplan is ervoor gekozen dat niet te doen. De afweging of in afwijking van de ruimtelijke regels over bouwwerken medewerking kan worden verleend, wordt gemaakt in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
Om die reden zijn ook de bouwactiviteiten die op grond van artikel 4.12 van het omgevingsplan in beginsel zijn vrijgesteld van de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, maar die in strijd zijn met ruimtelijke regels over bouwwerken, alsnog vergunningplichtig gemaakt (artikel 4.14). Op grond van de beoordelingsregel, zoals opgenomen in artikel 4.16, zou de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken juist vanwege die strijd met ruimtelijke regels over bouwwerken geweigerd moeten worden. In artikel 4.19 is echter bepaald dat de omgevingsvergunning in afwijking van artikel 4.16, eerste lid, toch kan worden verleend voor de aangegeven bouwwerken. De afwijkmogelijkheid loopt dus mee binnen de aanvraag om een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Artikel 4.20 bevat de inhoudelijke beoordelingsregels aan de hand waarvan wordt bekeken of de vergunning inderdaad in afwijking van artikel 4.16, eerste lid, kan worden verleend. In paragraaf 11.4.2.3.2.2 van deze toelichting wordt meer inhoudelijk op de betreffende artikelen ingegaan. ZZZZ De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
73
11.4.2.2.10 Samenvatting van het stelsel voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken, opgenomen in het omgevingsplan Hoewel het bouwvergunningstelsel met de ‘knip’ tussen de bouwtechnische en ruimtelijke bouwactiviteit, en opname van een vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken in het omgevingsplan, aanzienlijk is gewijzigd ten opzichte van de situatie onder oud recht, zijn veel elementen behouden. Voor een initiatiefnemer die een bouwwerk wil gaan realiseren betekent het nieuwe stelsel op hoofdlijnen dat de hierna volgende route moet worden afgelegd. De betreffende route is in bijlage 1 in een stroomschema opgenomen. Uitgangspunt is dat er voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken een vergunningplicht geldt. Dat is bepaald in artikel 4.7. Daarnaast moet de initiatiefnemer de regels voor de technische bouwactiviteit, zoals opgenomen in het Besluit bouwwerken leefomgeving, volgen. Het onderstaande heeft alleen betrekking op de ruimtelijke bouwactiviteit, zoals gereguleerd door middel van het omgevingsplan: de omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Op de in artikel 4.7 van het omgevingsplan opgenomen vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken gelden uitzonderingen.
Voor wat betreft de uitzonderingen op de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken moet een initiatiefnemer eerst kijken in artikel 2.29 en 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving of een voorgenomen bouwactiviteit vrijgesteld is van regels in het omgevingsplan. Is dat het geval, dan geldt dat bouwactiviteit ongeacht wat het omgevingsplan daarover bepaalt, mag worden uitgevoerd. Er gelden echter uitzonderingen: • is het te realiseren bouwwerk opgenomen in artikel 2.29 Besluit bouwwerken leefomgeving, dan is het bouwwerk in beginsel zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken toegestaan. • is echter één van de uitzonderingen, genoemd in artikel 2.30 Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing, dan gelden alsnog de regels uit het omgevingsplan.
Als het te realiseren bouwwerk niet is opgenomen in artikel 2.29 Besluit bouwwerken leefomgeving, of als dat wel het geval is, maar één van de uitzonderingen van artikel 2.30 Besluit bouwwerken leefomgeving is van toepassing, dan moet worden bekeken of op grond van het omgevingsplan een vergunningplicht geldt of niet. Daarvoor wordt gekeken in paragraaf 4.2.3. Artikel 4.12 geeft gevallen aan waarvoor de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet geldt. • Valt het te realiseren bouwwerk niet onder artikel 4.12, dan geldt de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. • Valt het te realiseren bouwwerk wel onder artikel 4.12, dan geldt in beginsel dat de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet van toepassing is. Hierop gelden op grond van artikel 4.13 echter uitzonderingen. Als dat artikel van toepassing is geldt alsnog de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken.
Valt het te realiseren bouwwerk onder de reikwijdte van artikel 4.12, en is geen van de uitzondering van artikel 4.13 van toepassing, dan geldt er geen vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Dat betekent nog niet dat het bouwwerk zondermeer mag worden gerealiseerd. Nog altijd moet worden voldaan aan de ruimtelijke regels over bouwwerken. Dat bepaalt artikel 5.6. Om elk misverstand te voorkomen, is dit expliciet opgenomen in artikel 4.12, tweede lid. Artikel 4.14 bepaalt vervolgens dat bij strijd met de ruimtelijke regels over bouwwerken artikel 4.12 niet van toepassing is. In dat geval geldt de vergunningplicht van artikel 4.7 wel. Om te kijken of het bouwplan voldoet aan ruimtelijke regels over bouwwerken, kan voor gebouwen in het achtererfgebied en erfafscheidingen het beste eerst gekeken worden in afdeling 5.3. In die afdeling is in artikel 5.8 voor in beginsel heel Amsterdam bepaald binnen welke randvoorwaarden gebouwen in het achtererfgebied en erfafscheidingen zijn toegestaan. Ook hierop geldt echter weer een aantal uitzonderingen (artikel 5.10 tot en met 5.13).
• Valt het te realiseren bouwwerk onder artikel 4.12, en is artikel 4.13 niet van toepassing, én valt het bouwwerk onder artikel 5.8, en zijn de uitzonderingen van artikel 5.10 tot en met 5.13 niet van toepassing, dan mag het bouwwerk zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit worden gerealiseerd.
74
•
Valt het te realiseren bouwwerk onder artikel 4.12, en is artikel 4.13 niet van toepassing, maar valt het bouwwerk niet onder artikel 5.8, of is één van de uitzonderingen van artikel 5.10 tot en met 5.13 van toepassing, dan mag het bouwwerk alsnog zonder omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit worden gerealiseerd als het past binnen de overige ruimtelijke regels over bouwwerken, gesteld in afdeling 5.45.5 tot en met 5.8 of in een nog geldend ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.
Valt het te realiseren bouwwerk onder artikel 4.12, en is artikel 4.13 niet van toepassing, maar is het bouwwerk in strijd de ruimtelijke regels over bouwwerken, bedoeld in artikel 5.6, dan geldt alsnog de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Dat bepaalt artikel 4.14. Mogelijk dat de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ondanks strijd met de ruimtelijke regels over bouwwerken toch kan worden verleend met toepassing van een binnenplanse afwijkmogelijkheid, opgenomen in subsubparagraaf 4.2.4.2.2. Is dat niet mogelijk, dan kan medewerking alleen worden verleend met een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. AAAAA De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
11.4.2.3.2.1 Toets aan ruimtelijke regels over bouwwerken (subsubparagraaf 4.2.4.2.1 van de regels) Net als op grond van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht het geval was bij de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, is voorzien in een preventieve toets aan de ruimtelijke regels over bouwwerken. Dat wordt geregeld met artikel 4.16. De daarin opgenomen beoordelingsregel houdt in dat de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen wordt verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met artikel 2.3 en artikel 5.6. In artikel 2.3 is bepaald dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3. Voor de situatie dat het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan nog niet is vervangen, of dat er een TAM-IMRO-plan geldt, is een soortgelijke bepaling opgenomen. Net als op grond van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht het geval was bij de omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk, is voorzien in een preventieve toets aan de ruimtelijke regels over bouwwerken. Dat wordt geregeld met In artikel 4.16.
De daarin opgenomen beoordelingsregel houdt in dat de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken alleen wordt verleend als de omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet in strijd is met artikel 5.6. Daarin is in het eerste lid bepaald dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd, en in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met de in hoofdstuk 5 opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken. Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' in afwijking van het eerste lid geldt dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd, en in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met afdeling 5.3 of met het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken. Daarmee bepaalt artikel 5.6 kort gezegd dat een bouwwerk moet voldoen aan algemene ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals die voorheen in bestemmingsplannen werden gesteld. Gebruik van bouwwerken Zoals aangegeven in paragraaf 11.4.2.2.4 heeft de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken niet alleen betrekking op het bouwen van een bouwwerk, maar ook op het in het in stand houden en gebruiken van dat te bouwen bouwwerk.
Met deze nieuwe omschrijving wordt expliciet gemaakt dat deze vergunningplicht niet alleen ziet op een toestemming om het bouwwerk te mogen bouwen, maar eveneens ziet op het in stand mogen houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk in overeenstemming met de opgave in de vergunningaanvraag. De regels over gebruik waaraan de vergunning wordt getoetst, zijn de regels zoals opgenomen in hoofdstuk 2 en hoofdstuk 3. Waar het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan of daarmee vergelijkbaar besluit nog niet is vervallen, dient te worden getoetst aan de daarin opgenomen regels over gebruik. Ook is het mogelijk dat eerder omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit
75
is verleend, die erin voorziet dat mag worden afgeweken van de regels over gebruik. Een dergelijke afwijkvergunning kan ook zijn verleend op grond van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Om ervoor te zorgen dat aan die afzonderlijke kaders wordt getoetst, is in hoofdstuk 5 ook een artikel opgenomen dat gaat over het gebruik van bouwwerken. Artikel 5.14 bepaalt dat bouwwerken uitsluitend mogen worden gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met: a. een ter plaatse geldend gebruiksdoel als bedoeld in artikel 2.3, eerste lid; b. de ter plaatse geldende bestemming, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid; c. een verleende omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit om af te wijken van de regels over gebruik, bedoeld in artikel 2.3; d. een verleende omgevingsvergunning om af te wijken, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Met de toets op passendheid van het beoogd gebruik wordt een voortzetting gegeven aan de praktijk waarin wordt beoordeeld of het voorgenomen gebruik van het bouwwerk voldoet aan de in het omgevingsplan gestelde regels over het gebruik van bouwwerken.
De in de rechtspraak ontwikkelde lijn kan hierbij worden voortgezet dat bij de toetsing van een bouwplan aan het omgevingsplan niet alleen wordt bezien of het bouwwerk in overeenstemming met het geldende gebruiksdoel kan worden gebruikt, maar ook of het bouwwerk met het oog op het daarbinnen toegestane gebruik wordt opgericht. Dit houdt in dat een bouwplan in strijd met het gebruiksdoel moet worden geoordeeld als redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere vormen van gebruik dan waarin gegeven de ter plaatse geldende gebruiksdoelen is voorzien. BBBBB De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
11.4.2.3.9 Beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico (subparagraaf 4.2.4.9 van de regels) In subparagraaf 4.2.4.9 zijn beoordelingsregels opgenomen met betrekking tot de beoordeling van beperkt kwetsbare gebouwen in een beperkingengebied plaatsgebonden risico. Met deze subparagraaf wordt uitvoering gegeven aan enkele instructieregels uit paragraaf 5.1.2.2 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. Deze subparagraaf ziet erop dat binnen een ‘beperkingengebied externe veiligheid’ beperkt kwetsbare gebouwen niet zonder meer gebouwd kunnen worden. Artikel 4.67 bepaalt dat deze subparagraaf alleen van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor zover de aanvraag betrekking heeft op een beperkt kwetsbaar gebouw ter plaatse van de aanduiding ‘beperkingengebied plaatsgebonden risico’ en het beperkt kwetsbaar gebouw geen functionele binding heeft met de activiteit waarvoor de aanduiding ‘beperkingengebied plaatsgebonden risico’ is opgenomen. De regeling geldt alleen ten aanzien van beperkt kwetsbare gebouwen. Het bouwen van zeer kwetsbare en kwetsbare gebouwen is uiteraard ook niet toegestaan. Binnen het beperkingengebied worden immers geen gebruiksdoelen toegelaten die zeer kwetsbare of kwetsbare gebouwen kunnen bevatten.
Ten aanzien van kwetsbare gebouwen is hiernaast nog een expliciet verbod opgenomen in hoofdstuk 3 aangezien sommige gebruiksdoelen (met name bedrijf of kantoor) zo wel beperkt kwetsbare als kwetsbare gebouwen kunnen bevatten. Op grond van de samenhang van de artikelen op grond van de samenhang van de artikelen 4.16, 5.14 en 2.3 is het bouwen van zeer kwetsbare en kwetsbare gebouwen niet toegestaan. Wat een beperkt kwetsbaar gebouw is, volgt uit de wet. Beperkt kwetsbare gebouwen zijn in bijlage VI bij het Besluit kwaliteit leefomgeving aangewezen. Gelet op artikel 1.1, tweede lid, van dit omgevingsplan is die begripsbepaling van toepassing. De beschermende regeling in deze subsubparagraaf hoeft alleen te gelden daar waar het plaatsgebonden risico 1 op de 1.000.000 per jaar of hoger is. Het plaatsgebonden risico is de kans op het overlijden van een onbeschermd en continu aanwezig persoon buiten de begrenzing van de locatie waar een activiteit wordt verricht als rechtstreeks gevolg van een ongewoon voorval veroorzaakt door die activiteit (artikel 5.6Besluit kwaliteit leefomgeving ).
76
Er geldt een standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico van een aangewezen risicoactiviteit van 1 op de 1.000.000 per jaar voor beperkt kwetsbare gebouwen. Hiermee wordt in een omgevingsplan rekening gehouden (artikel 5.11, eerste lid Besluit kwaliteit leefomgeving ). De term ‘rekening houden’ betekent in de systematiek van het Besluit kwaliteit leefomgeving dat van de standaardwaarde gemotiveerd afgeweken kan worden. De activiteiten waarvoor een plaatsgebonden risico geldt zijn in bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving aangewezen. De gebieden waar het plaatsgebonden risico 1 op de 1.000.000 per jaar of hoger is , worden in dit omgevingsplan aangewezen met de aanduiding 'beperkingengebied plaatsgebonden risico’. In onderdeel a is bepaald dat deze afdeling alleen daar van toepassing is. Daarbuiten geldt deze afdeling dus niet. Deze paragraaf geldt uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘beperkingengebied plaatsgebonden risico’. De aanduiding ‘beperkingengebied plaatsgebonden risico’ wordt gekoppeld aan locaties waar het plaatsgebonden risico van een aangewezen risicoactiviteit 1 op de 1.000.000 per jaar of hoger is. Het Besluit kwaliteit leefomgeving verplicht er niet toe om het plaatsgebonden risico in het omgevingsplan aan te wijzen.
Omwille van de zichtbaarheid en rechtszekerheid worden de locaties waar het plaatsgebonden risico 1 op de 1.000.000 per jaar of hoger is in dit omgevingsplan als ‘beperkingengebied plaatsgebonden risico’ aangewezen. Dit was ook gebruikelijk is conform de praktijk in voormalige bestemmingsplannen. Met de standaardwaarde voor het plaatsgebonden risico wordt in de eerste instantie rekening gehouden door geen bouwmogelijkheden voor beperkt kwetsbare gebouwen op te nemen binnen het beperkingengebied plaatsgebonden risico. In voorkomende gevallen is het wel mogelijk om een nieuw beperkt kwetsbaar gebouw te bouwen mits er een zorgvuldige belangenafweging plaats vindt. CCCCC De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
11.4.3.1 Vergunningplichtige sloopactiviteiten ter plaatse van beschermd stads- of dorpsgezicht Paragraaf 4.3.1 reguleert de omgevingsplanactiviteit slopen binnen een beschermd gezicht voor zover het bouwwerken betreft binnen een gemeentelijk aangewezen beschermd stads- of dorpsgezichtgezicht. Onder een omgevingsplanactiviteit slopen wordt verstaan een omgevingsplanactiviteit bestaande uit het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk. Voor de activiteit slopen was op grond van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht in een aantal gevallen een omgevingsvergunning verplicht (artikel 2.1 en artikel 2.2 Wabo). Dit betrof: • het slopen van een bouwwerk in gevallen waarin dat in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit was bepaald (artikel 2.1 lid 1 onder g Wabo); • het slopen van een bouwwerk in een rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht (artikel 2.1 lid 1 onder h Wabo); en • het slopen van een bouwwerk binnen een gemeentelijk of provinciaal aangewezen stads- of dorpsgezicht, mits deze sloopactiviteit in de verordening als vergunningplichtig was aangemerkt (artikel 2.2 lid 1 onder c Wabo).
Voor gemeentelijk beschermde stads- of dorpsgezichten bevatte de Erfgoedverordening een vergunningplicht voor het geheel of gedeeltelijk afbreken van een bouwwerk. Deze vergunningplicht wordt met paragraaf 4.3.1 overgenomen. Daarbij wordt het toepassingsbereik uitgebreid tot ook rijksbeschermde gezichten. Daarnaast kunnen ook onder oud recht vastgestelde bestemmingsplannen die betrekking hebben op beschermde gezichten sloopvergunningsregelingen bevatten. Al deze regelingen zijn of worden op termijn vervangen met het omgevingsplan. De vergunningplicht voor het slopen van een bouwwerk in gevallen waarin dat in een bestemmingsplan, beheersverordening of voorbereidingsbesluit is bepaald blijft vooralsnog van toepassing op grond van die afzonderlijke in het betreffende
77
plan opgenomen regeling. De regelingen zijn immers inclusief sloopvergunningplicht opgegaan in het omgevingsplan. DDDDD De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
11.5.1 Inleiding In hoofdstuk 5 zijn ruimtelijke regels over bouwwerken opgenomen. Voor een groot deel gaat het ruimtelijke regels over bouwwerken zoals die onder oud recht in bestemmingsplannen werden opgenomen. Het gaat om locatiegerichte regels, die bepalen wat waar gebouwd mag worden. Deze regels bepalen waar gebouwd mag worden, hoe hoog gebouwd mag worden, etcetera. Deze regels komen met name terecht in afdeling 5.45.5 tot en met afdeling 5.8. Daarnaast bevat dit hoofdstuk regels over bouwwerken die in beginsel overal gelden. Het gaat om regels die onder de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht waren opgenomen in artikel 2, Bijlage II Bor. Voor deze bouwwerken was onder oud recht geen omgevingsvergunning nog voor de activiteit bouwen, maar ook als sprake was van strijd met het geldende bestemmingsplan was er geen omgevingsvergunning nodig om af te wijken van het bestemmingsplan. Diezelfde systematiek is ook in dit omgevingsplan gevolgd, zie meer uitgebreid paragraaf 11.4.2.2 van deze toelichting. De regels over bouwwerken die in beginsel overal zijn toegestaan zijn opgenomen in afdeling 5.3. Binnen de ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals opgenomen in dit hoofdstuk, zijn bouwwerken in principe aanvaardbaar. Dat betekent echter niet dat ze zondermeer mogen worden gerealiseerd en in gebruik genomen.
Voor het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk geldt immers een vergunningplicht. Die is geregeld in artikel 4.7. Er is voor een vergunningplicht voor de omgevingsplanactiviteit bouwwerken gekozen omdat een vergunningplicht het mogelijk maakt het concrete bouwvoornemen op een aantal aspecten te toetsen die zich niet laten vangen in vooraf, op planniveau vast te stellen concrete en objectieve normen. Meer toelichting daarop is te lezen in paragraaf 11.4.2.2.4. Een van de aspecten waarop een vergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt beoordeeld, is passendheid binnen de ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals opgenomen in dit hoofdstuk (artikel 4.16). EEEEE De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
11.5.5 Locatiegerichte ruimtelijke regels over bouwwerken (afdelingen 5.45.5 tot en met 5.8 van de regels) De afdelingen 5.45.5 tot en met 5.8 bevatten locatiegerichte ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals die onder oud recht in bestemmingsplannen werden opgenomen. Ze bepalen waar gebouwd mag worden, in welke omvang, welke bouwhoogte is toegestaan, en de mogelijkheid aanvullende bouwregels te stellen. Artikel 5.2 bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' afdeling 5.5 tot en met afdeling 5.8 niet van toepassing zijn. Daar gelden de ruimtelijke regels over bouwwerken zoals die zijn opgenomen in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan. Er is de volgende onderverdeling gemaakt. Gebruik van bouwwerken (afdeling 5.4 ) Welk gebruiksdoel op een locatie geldt, en welk gebruik daar is toegestaan, wordt geregeld in de hoofdstuk 2. De vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken heeft betrekking op het bouwen van een bouwwerken, en op het in stand houden én gebruik ervan. Om die reden is in afdeling 5.4 een bepaling opgenomen die kort gezegd regelt dat bouwwerken uitsluitend mogen worden gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met ruimtelijke regels over gebruik. Deze afdeling is vervallen.
78
Gebouwen (afdeling 5.5 ) Afdeling 5.5 bevat ruimtelijke regels over gebouwen. Wat onder een gebouw wordt verstaan is bepaald in bijlage I van de Omgevingswet. Het betreft een bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. In deze afdeling worden eerst enkele hoofdregels gesteld. Zo wordt bepaald waar gebouwen mogen komen. Het gaat daarbij om zowel bovengrondse als ondergrondse gebouwen. De afdeling bevat tevens regels die bepalen wat de maximum bouwhoogte is. Aanvullend kunnen regels van toepassing zijn over bijvoorbeeld de goothoogte, de minimale hoogte van de eerste bouwlaag, het bebouwd oppervlakte dat is toegestaan, etcetera. Bouwwerken geen gebouwen zijnde (afdeling 5.6 ) Afdeling 5.6 bevat regels over bouwwerken geen gebouw zijnde. Op grond van bijlage I van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt daaronder verstaan een bouwwerk of gedeelte daarvan, voor zover dat geen gebouw of onderdeel daarvan is. Als uitgangspunt is bepaald dat de maximum bouwhoogte van een bouwwerk geen gebouw zijnde 1 meter bedraagt. Daarop kunnen allerlei locatiespecifieke uitzonderingen van toepassing zijn. Bijzondere bouwwerken (afdeling 5.7 ) Afdeling 5.7 bevat regels over bijzondere bouwwerken, zoals windturbines en tribunes.
Het bijzondere zit hem er bijvoorbeeld in dat ze kunnen kwalificeren als gebouw, maar dat dit niet altijd het geval is. Ze zijn daarmee moeilijk te plaatsen. Daarvoor is deze afdeling bedoelt. Overige regels over bouwwerken (afdeling 5.8 ) Afdeling 5.8 biedt ruimte voor allerlei overige regels over bouwwerken. Het gaat veelal om locatiegerichte regels met maatwerk die betrekking hebben op specifieke gebouwen. FFFFF De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
11.6.4 Afdeling 6.4 Beschermingszone ondergrondse hoogspanningsverbindingen Deze afdeling bevat regels, gesteld met het oog op het belang van de bruikbaarheid van de bovengrondse hoogspanningsverbindingen. In Amsterdam liggen veel ondergrondse hoogspanningskabelverbindingen. Deze zijn raadpleegbaar op de HoogspanningsNet Netkaart: https://webkaart.hoogspanningsnet.com/index2.php#12/52.3319/5.0151. De meeste kabelverbindingen hebben een spanning van 50 kV. In het omgevingsplan wordt hiervoor geen beschermingsregeling getroffen. Het aanleggen en beschermen van deze leidingen wordt geregeld door de Verordening Werken in de Openbare Ruimte Amsterdam (Wior) en de Wet informatie-uitwisseling bovengrondse en ondergrondse netten en netwerken (Wibon). De zwaardere ondergrondse kabelverbindingen met een hoogspanning van 150 kV is wel een regeling opgenomen in het omgevingsplan om het gebruik en de bescherming daarvan te borgen. Voor de ondergrondse hoogspanningsverbindingen met een hoogspanning van 150 kV geldt weliswaar geen instructieregel, maar ook bij deze ondergrondse hoogspanningsverbindingen is van belang dat de bruikbaarheid daarvan beschermd wordt, zodat het netwerk veilig en doelmatig kan functioneren.
Daar waar in paragraaf 2.3.16 is bepaald waar deze ondergrondse hoogspanningsverbindingen zijn toegelaten, bevat deze afdeling regels ter bescherming van het belang van het doelmatig en veilig functioneren van de verbinding. Hierbij is een vergunningplicht in het leven geroepen die van toepassing is op aanlegactiviteiten die het belang van het doelmatig en veilig functioneren van de ondergrondse hoogspanningsver-
79
bindingen van 150 kV kunnen schaden. In de artikelen die hierop volgen worden achtereenvolgens de uitzonderingen op de vergunningplicht aangegeven, de beoordelingsregels gegeven op basis waarvan de vergunning al dan niet kan worden verleend, de aanvraagvereisten gesteld en de mogelijkheid tot het verbinden van voorschriften geboden. GGGGG De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:
11.8 Hoofdstuk 8 Kostenverhaal Afdeling 13.6 van de Omgevingswet bevat regels over kostenverhaal bij bouwactiviteiten en activiteiten vanwege gebruikswijzigingen. Kostenverhaal is verplicht voor kosten die zijn gemaakt voor werken, werkzaamheden en maatregelen in verband met (bouw)activiteiten. Kostenverhaal is niet aan de orde bij gronden die de gemeente, de provincie of de Staat in eigendom heeft of in erfpacht uitgeeft. Dan kunnen de hier bedoelde kostensoorten worden verrekend via de gronduitgifte of een aanpassing van de erfpachtcanon. Voor de overige gronden (vol eigendom) bevat afdeling 13.6 van de Omgevingswet de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald. In dit omgevingsplan worden deze uitgewerkt voor een aangewezen kostenverhaalsgebied. Hoewel de regels geen instructieregels zijn, is er voor de overzichtelijkheid voor gekozen in dit hoofdstuk ook een toelichting op te nemen over de wijze waarmee in dit omgevingsplan met kostenverhaal wordt omgegaan. Voor een meer uitgebreide toelichting op de regels over kostenverhaal, wordt verwezen naar de Memorie van Toelichting bij de Aanvullingswet grondeigendom Omgevingswet (Kamerstuk 35133, nr. 3).
Kostenverhaalsgebied en kostenverhaalsbijdrage Als in het omgevingsplan nieuwe bouw- of gebruiksmogelijkheden worden opgenomen wordt bepaald of gelijktijdig regels voor kostenverhaal moeten worden opgenomen. Als dit het geval is dan wordt een kostenverhaalsgebied aangewezen in het omgevingsplan. Een kostenverhaalsgebied is het gebied waarbinnen een gebiedsontwikkeling plaatsvindt, waar nieuwe activiteiten en werkzaamheden zijn voorzien waarvan de kosten worden verhaald. Er zijn twee typen gebieden: een kostenverhaalsgebied met tijdvak voor integrale gebiedsontwikkeling (art. 13.14 Omgevingswet) en een kostenverhaalsgebied zonder tijdvak voor organische gebiedsontwikkeling (art. 13.15 Omgevingswet). Na opname van een kostenverhaalsgebied in het omgevingsplan moet voor aangewezen bouw- en gebruiksactiviteiten een kostenverhaalsbijdrage worden betaald. De bijdrage wordt bepaald op basis van de regels voor een kostenverhaalsgebied. Aangewezen activiteit en verbod activiteit uit te voeren. Bij het opnemen van nieuwe bouw- of gebruiksmogelijkheden in het omgevingsplan wordt gelijktijdig bepaald of een kostenverhaalsgebied moet worden aangewezen. Het schema hieronder laat zien in welke gevallen er een plicht tot kostenverhaal is. Allereerst moet de vraag beantwoord worden of sprake is van een bouw- of gebruiksactiviteit waarvoor kostenverhaal verplicht is (art. 13.11 Omgevingswet).
In artikel 8.13 Omgevingsbesluit zijn deze activiteiten limitatief aangewezen. Bijvoorbeeld de bouw van een woning of transformatie van gebouwen naar een andere functie, zoals een kantoor- of een winkelfunctie.
80
In sommige gevallen zijn de te verhalen kosten gering. Deze gevallen zijn opgesomd in art. 8.14 Omgevingsbesluit. Het bestuursorgaan kan besluiten in die gevallen geen kosten te verhalen (art. 13.11 Omgevingswet). Als de activiteit niet onder deze uitzondering valt is kostenverhaal verplicht. Aanwijzing kostenverhaalsgebieden in het omgevingsplan en privaatrechtelijke overeenkomsten Een kostenverhaalsbijdrage kan voldaan worden via afspraken die worden vastgelegd in een privaatrechtelijke overeenkomst of op basis van de regels voor een kostenverhaalsgebied in het omgevingsplan. Het schema hieronder laat stapsgewijs zien wanneer een overeenkomst kan worden afgesloten en wanneer een kostenverhaalsgebied moet worden aangewezen in het omgevingsplan. Als kostenverhaal verplicht is wordt bij voorkeur een privaatrechtelijke anterieure overeenkomst afgesloten met een initiatiefnemer (art. 13.13 Omgevingswet). Deze moet zijn afgesloten voordat het omgevingsplan wordt vastgesteld. Voor aanvang van een activiteit wordt vervolgens de verschuldigde kostenverhaalsbijdrage betaald op basis van de afgesloten anterieure overeenkomst. Wanneer het niet lukt om een overeenkomst te sluiten (of niet voor alle percelen in een kostenverhaalsgebied) moet het kostenverhaal in dit omgevingsplan worden geregeld door het aanwijzen van een kostenverhaalsgebied.
Dit vindt plaats tegelijk met het mogelijk maken van de aangewezen activiteit in het omgevingsplan (artikel. 13.14 en 13.15 Omgevingswet). Het berekenen van een kostenverhaalsbijdrage op basis van dit omgevingsplan is dus alleen mogelijk als eerst een kostenverhaalsgebied is aangewezen (art. 13.18 Omgevingswet). Hierop zijn twee uitzonderingen. Een kostenverhaalsbijdrage kan ook worden opgelegd op basis van een exploitatieplan dat op basis van de Wet ruimtelijke ordening is vastgesteld. Deze is op basis van het overgangsrecht onderdeel van het omgevingsplan. Een tweede uitzondering vormt het geval dat wordt afgeweken van het omgevingsplan. Kostenverhaal kan ook plaatsvinden via de omgevingsvergunning voor een buitenplanse afwijkactiviteit (art. 13.14 lid 3 Omgevingswet).
81
Exploitatieplannen Wet ruimtelijke ordening Voor inwerkingtreding van de Omgevingswet was het verhalen van kosten geregeld in de Wet ruimtelijke ordening. Als de kosten niet anderszins werden verzekerd moest voor een aangewezen bouwplan een exploitatieplan worden vastgesteld gelijktijdig met het bestemmingsplan. Op basis van het overgangsrecht Invoeringswet Ow zijn deze vastgestelde exploitatieplannen onderdeel van het tijdelijk omgevingsplan van rechtswege. Zij vormen een toetsingskader voor een kostenverhaalsbijdrage, totdat voor het betreffende gebied nieuwe regels voor een kostenverhaalsgebied zijn opgenomen in het omgevingsplan. Berekening en betaling kostenverhaalsbijdrage In artikel 13.12 Omgevingswet is opgenomen dat het verboden is een activiteit uit te voeren totdat het kostenverhaal is voldaan. Als een anterieure overeenkomst is afgesloten wordt voor aanvang van een activiteit de verschuldigde kostenverhaalsbijdrage betaald op basis van de afgesloten anterieure overeenkomst. Als een kostenverhaalsgebied is aangewezen in dit omgevingsplan (of een exploitatieplan Wro van toepassing is), moet een initiatiefnemer die een aangewezen activiteit verricht een beschikking kostenverhaalsbijdrage aanvragen (artikel 13.18 Ow). De kostenverhaalsbijdrage wordt berekend op basis van de regels voor het betreffende kostenverhaalsgebied die zijn opgenomen in dit omgevingsplan.