CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

1. Wijzigingsbesluit Omgevingsplan Veegwijziging.pdf

RAAD 21 januari 2026, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het Wijzigingsbesluit Omgevingsplan gemeente Amsterdam: Veegwijziging (VN2025-015285)46.745 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 6

11 alinea's met “wijzigingsbesluit”: 1 3 5 8 9 840 869 1431 1500 1564 1565

Na het voldoen van de bijdrage mag met een activiteit worden gestart (art. 13.12 Omgevingswet). Het blijft mogelijk om na het aanwijzen van een kostenverhaalsgebied een privaatrechtelijke posterieure overeenkomst te sluiten. Er is dan echter geen sprake meer van contractsvrijheid zoals bij de anterieure overeenkomst. De kostenverhaalsbijdrage in een posterieure overeenkomst moet berekend worden op basis van de regels die in het omgevingsplan zijn opgenomen. Als een posterieure overeenkomst is afgesloten is het aanvragen van een beschikking kostenverhaalsbijdrage niet meer nodig. De verschuldigde kostenverhaalsbijdrage wordt betaald op basis van de afgesloten posterieure overeenkomst. Opzet hoofdstuk In hoofdstuk 8 worden per betreffend gebied de regels over kostenverhaal uit de Omgevingswet uitgewerkt voor aangewezen kostenverhaalsgebieden met en zonder tijdvak. Per kostenverhaalsgebied worden regels gegeven voor het berekenen van de kostenverhaalsbijdrage. Tot slot worden per kostenverhaalsgebied regels opgenomen voor de eindafrekening. Afdeling 8.1 bevat aanvraagvereisten die van toepassing zijn op een aanvraag van een beschikking ten behoeve van het betalen van een kostenverhaalsbijdrage als bedoeld in art. 13.18 Omgevingswet (Ow).

82

Afdeling 8.2 is gereserveerd om per kostenverhaalsgebied met tijdvak regels te geven. Dit zijn kostenverhaalsgebieden voor integrale gebiedsontwikkelingen met een tijdvak voor de verwachte uitvoering. De regeling in het omgevingsplan is gebaseerd op de eisen die worden gesteld in afdeling 13.6 van de Ow. Afdeling 8.3 is gereserveerd om per kostenverhaalsgebied zonder tijdvak regels te geven. Dit zijn kostenverhaalsgebieden voor mogelijke organische gebiedsontwikkelingen waarvan de verwachte uitvoering niet bekend is. De regeling in het omgevingsplan is gebaseerd op de eisen die worden gesteld in afdeling 13.6 van de Ow. HHHHH De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

11.22.2 Afdeling 22.1 Afdeling 22.1, zoals dat is gaan gelden op het moment van inwerkingtreding van de Omgevingswet, betreft een algemeen deel, dat bestond uit een voorrangsbepaling (artikel 22.1) en twee overgangsrechtelijke bepalingen met betrekking tot cultureel erfgoed (artikel 22.2 en 22.3). Deze artikelen hebben betrekking op de toepassing van regels in hoofdstuk 22. Omdat die regels niet allemaal komen te vervallen, houden de betreffende regels deels betekenis. Artikel 22.1 en artikel 22.2 worden in aangepaste vorm gehandhaafd. Artikel 22.3 komt onder vervanging van regels elders in het omgevingsplan te vervallen. IIIII De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.3 Vangnetbepaling strijdig gebruik Artikel 2.3 regelt in samenhang met de regels in afdeling 2.3 welk gebruik op welke locatie is toegestaan. Met het artikel wordt de basis gelegd voor een voortzetting van de systematiek zoals die ook onder oud recht bestond. Die hield in dat in bestemmingsplannen werd bepaald welke bestemming op een locatie gold, waarbij in de bestemmingsomschrijving werd bepaald welk gebruik daar was beoogd, en waarbij tevens specifieke gebruiksregels over dat gebruik konden worden gesteld. Daarboven hing als het ware artikel 2.1, eerste lid, onder c van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, dat een verbod bevatte om gronden en bouwwerken te gebruiken in strijd met die ruimtelijke regelingen. Die 'vangnetfunctie' wordt nu overgenomen door dit artikel. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een onder afdeling 2.3 aan een locatie gegeven gebruiksdoel of gebruiksdoelen en de daarop betrekking hebbende regels over gebruik, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3. In afdeling 2.3 wordt geregeld waar welk gebruiksdoel geldt. Aan een locatie kunnen meerdere gebruiksdoelen kunnen zijn gegeven. Met betrekking tot het gebruiksdoel worden ook regels gesteld over het gebruik.

Hetzelfde geldt voor de regels over gebruik die zijn gesteld in afdeling 3.2. Ook die regels moeten op grond van dit eerste lid in acht worden genomen. Overigens geldt dit ook voor regels elders gesteld in dit omgevingsplan, die in ruimere zin ook betrekking hebben op het gebruik van gronden en bouwwerken, zoals bijvoorbeeld de regels over milieubelastende activiteiten, zoals gesteld in hoofdstuk 9. Tweede lid: Het tweede lid is van overgangsrechtelijke aard, en regelt hetzelfde als het eerste lid voor gebieden waar het onder oud recht vastgesteld ruimtelijk plan nog niet is komen te vervallen. Bepaald wordt dat het ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan aan een locatie gegeven bestemming, of op een wijze die in strijd is met de daarop betrekking hebbende regels over gebruik. In bijlage I is opgenomen dat onder een ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan worden verstaan ruimtelijke besluiten, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, die bij wijze van

83

overgangsrecht als tijdelijk deel onderdeel is van dit omgevingsplan, totdat deze bij wijzigingsbesluit voor een locatie zijn komen te vervallen. Het gaat om bestemmingsplannen, wijzigingsplannen, uitwerkingsplannen, exploitatieplannen en dergelijke. Die ruimtelijke plannen bevatten zelf per bestemming regels over gebruik. Daar waar een ruimtelijk besluit nog van toepassing zijn, wordt de vraag welk gebruik wel of niet is toegestaan beantwoord aan de hand van de daarin opgenomen regels. Het tweede lid regelt dit. Het werkingsgebied van dit artikel is beperkt tot die gebieden ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’. Derde lid: Het derde lid bepaalt dat, in afwijking van het eerste lid, daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in dat TAM-omgevingsplan opgenomen regels over gebruik van gronden en bouwwerken. Het derde lid is alleen van toepassing op de situatie dat bij het vaststellen van het TAM-omgevingsplan tevens is besloten dat daarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen.

In bijlage I is opgenomen dat onder een TAM-omgevingsplan wordt verstaan een wijzigingsbesluit van dit omgevingsplan, dat is gepubliceerd met toepassing van de IMRO-standaarden, bedoeld in artikel 11.1 lid 2 van het Besluit elektronische publicaties. In paragraaf 6.4 wordt meer uitgebreid ingegaan op het TAM-omgevingsplan. Een TAM-omgevingsplan, dat in juridisch opzicht een integraal onderdeel is van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam, bevat over het algemeen zelf ruimtelijke regels over gebruik van gronden en bouwwerken. Zolang de desbetreffende regels niet met toepassing van STOP-TP technisch zijn geïntegreerd in het Omgevingsplan gemeente Amsterdam, zijn deze regels mede bepalend voor de vraag welk gebruik wel of niet is toegestaan. Vierde lid: Het vierde lid bepaalt dat, in aanvulling op het tweede lid, daar waar een TAM-omgevingsplan is vastgesteld en in werking is getreden, zonder dat daarbij het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan is vervallen, het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met de in dat TAM-omgevingsplan opgenomen regels over gebruik van gronden en bouwwerken. In de meeste gevallen zal een TAM-omgevingsplan voor het besluitgebied ervan in de plaats komen van het ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan.

Het is echter ook mogelijk dat met een TAMomgevingsplan alleen aanvullende regels worden gegeven. In dat geval moeten ook de regels van het onder oud recht vastgesteld ruimtelijk plan van toepassing blijven. Het vierde lid voorziet daarin. Dit vierde lid is daarom aanvullend op het tweede lid. Dat betekent dat het tweede lid van toepassing blijft. Vijfde lid: In bestemmingsplannen werd veelal in de bestemmingsomschrijving aangegeven dat gronden mede waren bedoeld voor bepaalde bijbehorende voorzieningen, zoals groenvoorzieningen en waterpartijen, nutsvoorzieningen, en eventueel voor het gebruiksdoel benodigde ontsluitingsinfrastructuur. Hoewel dergelijke bijbehorende voorzieningen moeten vanzelfsprekend moeten worden geacht in overeenstemming te zijn met alle gebruiksdoelen, is in het derde lid expliciet bepaald dat dit een gebruik betreft dat in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel. Een soortgelijke bepaling met betrekking tot een nog geldende bestemming is niet nodig, omdat dit in bestemmingsplannen geregeld is in de bestemmingsomschrijvingen. Zesde lid: Het zesde lid bepaalt dat in bepaalde gevallen het eerste, tweede en derde lid niet van toepassing zijn. Onderdeel a: Artikel 4.19 bevat mogelijkheden om in bepaalde gevallen bij omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken af te wijken van regels over bouwwerken.

In een aantal gevallen

84

gaat het om afwijkingen die ertoe leiden dat niet alleen het bouwvlak wordt overschreden, maar ook de begrenzing van een gebruiksdoel. Hoewel een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ook betrekking heeft op het beoogde gebruik, kan de indruk ontstaan dat het bouwwerk dat dan wordt toegestaan weliswaar is vergund, maar dat het gebruik ervan in strijd is met artikel 2.3, eerste, tweede en derde lid. Dat is uiteraard niet beoogd. Onderdeel a maakt dit duidelijk. Onderdeel b: Artikel 5.8 bepaalt dat bijbehorende bouwwerken binnen de daar aangegeven beperkingen, zijn toegestaan. Daarop kunnen bepaalde uitzonderingen van toepassing zijn (artikel 5.10 tot en met 5.13). Zijn die uitzonderingen niet van toepassing, dan mag het bijbehorend bouwwerk er komen. Deze regeling, opgenomen in afdeling 5.3, is overgekomen vanuit bijlage II van het toenmalige Bor. Onder bijbehorend bouwwerk wordt op grond van het Besluit bouwwerken leefomgeving verstaan een uitbreiding van een hoofdgebouw of functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar wel of niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak. Artikel 5.8 kan betrekking hebben op de uitbreiding van een woongebouw. Het gebruik van het bijbehorend bouwwerk is dan wonen.

Het is mogelijk dat een bijbehorend bouwwerk wordt gerealiseerd in een gebied waar het nog geldende bestemmingsplan niet is vervangen. En dat op de plek waar het bijbehorend bouwwerk komt, een bestemming Tuin geldt. Het gebruik van een bijbehorend bouwwerk ten behoeve van wonen is dan mogelijk in strijd met de geldende bestemming. Onder oud recht was dat geen probleem, want het toenmalig Bor ging voor het bestemmingsplan. Strijd met het bestemmingsplan leverde dus geen probleem op. Nu is dat anders, omdat er geen hiërarchie zit tussen afdeling 5.3 en artikel 2.3. Dat maakt dat in bepaalde gevallen het bouwwerk op grond van afdeling 5.3 is toegestaan, maar dat er sprake is van strijdig gebruik. Dat gevolg is niet beoogd. onderdeel b regelt daarom dat het eerste, tweede en derde lid niet van toepassing zijn op een bijbehorend bouwwerk dat op grond van afdeling 5.3 is toegestaan. Zevende lid:

JJJJJ De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.89 Beperkende regel over waar datacenters zijn toegestaan Artikel 2.89 bevat een beperkende regel over waar datacenters zijn toegestaan. Datacentra vragen veel ruimte en energie. Gelet hierop bevat paragraaf 5.1.7.7 van het Besluit kwaliteit leefomgeving een verbod voor gemeenten om hyperscale datacentra (datacentra met een bebouwd vloeroppervlakte van meer dan 10 ha en een elektrisch aansluitvermogen van 70 MW of meer) toe te laten. Ook de provincie Noord-Holland stelt voorwaarden aan het toelaten van datacenters in de Omgevingsverordening NH2022 in de vorm van instructieregels aan de gemeenten (zie artikelen 6.32a tot en met 6.32d). In aanvulling hierop voert de gemeente ook een restrictief vestigingsbeleid, zoals opgenomen in het vestigingsbeleid Datacenters gemeente Amsterdam 2020-2030 (vastgesteld door de gemeenteraad op 17 december 2020). Het beleid van de gemeente wordt naar verwachting in de loop van 2024 wordt herzien.

Eerste lid: Gelet op de provinciale instructieregels en het gemeentelijk beleid mogen datacenters niet overal waar bedrijven zijn toegestaan zich vestigen, maar alleen op nader aangewezen locaties die voldoen aan de criteria van het beleid.

Tweede lid:

85

Om te voorkomen dat toegestane bestaande datacenters in capaciteit uitbreiden kan het aansluitvermogen met dit lid worden beperkt. Het aansluitvermogen wordt uitgedrukt in megavoltampère, een eenheid die wordt gebruikt om het schijnbaar vermogen van een elektrisch wisselspanningcircuit aan te duiden. De waarden zijn weergegeven op de bij deze regel behorende digitale kaart. Ook is het mogelijk om de omvang van een datacenter te beperken. Met artikel 2.82, eerste lid, kan worden voorzien in een beperking van de maximum bruto-vloeroppervlakte van een bedrijf.

Derde lid: De provinciale instructieregels en het gemeentelijke beleid stellen voorwaarden aan de vestiging van datacenters. Bij het toelaten van datacenters (door middel van wijziging van het omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit) wordt eraan getoetst. Om de naleving van die voorwaarden tijdens de gebruiksfase van het datacenter te kunnen borgen is in het derde lid het bevoegdheid opgenomen om eisen te stellen aan de daar genoemde onderwerpen. Deze onderwerpen zijn afgeleid van de provinciale en gemeentelijke voorwaarden. Deze zijn in de omgevingsverordening en het gemeentelijke beleid nader toegelicht. KKKKK De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.188 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water', toegestaan gebruik Artikel 2.188 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water', en over het daar toegestaan gebruik. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' bedoeld zijn voor waterberging, waterhuishouding en watervoorzieningen, waaronder in ieder geval worden begrepen sloten, vijvers, vaarten, kanalen, grachten, plassen, waterwegen en overige waterpartijen. Met dit gebruiksdoel wordt een vervolg gegeven aan een werkwijze die ook in bestemmingsplannen onder de voorheen geldende Wet ruimtelijke ordening werd gehanteerd met waterbestemmingen.

Tweede lid: In waterbestemmingen werd voorheen veelal ruimte gelaten voor allerlei voorzieningen, bouwwerken en andere werken. Dit wordt in het tweede lid gecontinueerd. Het tweede lid bepaalt dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: water' in elk geval bedoeld zijn voor het realiseren, in stand houden en gebruiken van de daar aangegeven voorzieningen, bouwwerken en andere werken. Het gaat om voorzieningen, bouwwerken en andere werken die over het algemeen passend zijn binnen groenvoorzieningen zoals bruggen, beschoeiingen, (aanleg)steigers, en daarmee vergelijkbare werken en bouwwerken en overige naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken, maar ook groenvoorzieningen van ondergeschikte omvang, nutsvoorzieningen, ondergrondse infrastructurele voorzieningen en waterstaatkundige werken. Daarbij wordt in de aanhef van het tweede lid wel het voorbehoud gemaakt dat elders in dit omgevingsplan een bepaling is opgenomen op grond waarvan in specifieke gevallen een bepaalde voorziening, een bepaald bouwwerk of ander werk, niet is toegestaan. Daarmee wordt ruimte gelaten voor locatiespecifieke maatwerkregels. Derde lid: Het derde lid maakt expliciet dat het tweede lid niet betekent dat die het realiseren, in stand houden en gebruiken van daarin genoemde voorzieningen, bouwwerken, en andere werken, zondermeer zijn toegestaantoestaat.

Er kunnen aanvullende regels van toepassing kunnen zijn, bij voorbeeld in de vorm van een vergunningplicht. Gedacht kan worden aan de regels voor het oprichten, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zoals die zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van dit omgevingsplan, en die onverkort van toepassing zijn op het realiseren van de in het tweede lid genoemde bouwwerken. Voor zover het oprichten, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk niet ver-

86

gunningvrij is, dan moet de bouwaanvraag ook worden getoetst op de vraag of het beoogde gebruik in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 2.3. Dat volgt uit artikel 4.16 in samenhang gelezen met artikel 5.14. Oftewel, een bouwaanvraag voor een vergunningplichtig bouwwerk wordt getoetst aan het gebruiksdoel zoals vastgelegd in dit artikel 2.188. In wezen is dit niet anders dan onder oud recht, waarbij de bouwvergunning wanneer die op grond van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nodig was, werd geweigerd wanneer die in strijd was met de geldende bestemming. Vierde lid: Het vierde lid tot slot bepaalt dat gronden en bouwwerken ter plaatse van de functie 'water' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is. LLLLL De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.195 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer', toegestaan gebruik Artikel 2.195 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer', en over het daar toegestaan gebruik. Eerste lid: Het eerste lid bepaalt dat locaties ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' bedoeld zijn voor het realiseren, in stand houden en gebruiken van wegen, OV-stations, spoorwegen, metrolijnen, trambanen, woonerven, publiek toegankelijke parkeergarages en publiek toegankelijke parkeerterreinen, overige parkeergelegenheid in de openbare ruimte, voet- en fietspaden, publiek toegankelijke fietsparkeergarages en publiek toegankelijke fietsparkeerterreinen, en pleinen. Met dit gebruiksdoel wordt een vervolg gegeven aan een werkwijze die ook in bestemmingsplannen onder de voorheen geldende Wet ruimtelijke ordening werd gehanteerd met bestemmingen Verkeer. In bestemmingsplannen werd daarbij vaak onderscheid gemaakt tussen verschillende verkeersbestemmingen, waarbij de ene bijvoorbeeld wel wegen of spoorwegen toestond, en de andere niet. Dit onderscheid is in dit omgevingsplan niet gemaakt. In subparagraaf 2.3.14.2 zijn regels opgenomen die specifiek bepalen waar bepaalde specifieke vormen van verkeer, zoals wegen en spoorwegen, wel en niet zijn toegestaan.

Tweede lid: In verkeersbestemmingen werd voorheen veelal ruimte gelaten voor allerlei voorzieningen, bouwwerken en andere werken. Dit wordt in het tweede lid gecontinueerd. Het tweede lid bepaalt dat de gronden ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: verkeer' in elk gevalmede bedoeld zijn voor het realiseren, in stand houden en gebruiken van de daar aangegeven voorzieningen, bouwwerken en andere werken. Het gaat om bruggen en duikers, de tot de wegen of paden behorende bermen, taluds en zijkanten, waterstaatkundige en civieltechnische (kunst)werken, alsmede de aan de wegen liggende parkeerplaatsen en ondergrondse infrastructurele voorzieningen, beschoeiingen, (aanleg)steigers, en daarmee vergelijkbare ondergeschikte werken en bouwwerken en overige naar aard en omvang ondergeschikte werken en bouwwerken, groenvoorzieningen en watervoorzieningen van ondergeschikte omvang en nutsvoorzieningen. Daarbij wordt in de aanhef van het tweede lid wel het voorbehoud gemaakt dat elders in dit omgevingsplan een bepaling is opgenomen op grond waarvan in specifieke gevallen een bepaalde voorziening, een bepaald bouwwerk of ander werk, niet is toegestaan. Daarmee wordt ruimte gelaten voor locatiespecifieke maatwerkregels.

Derde lid: Het derde lid maakt expliciet dat het tweede lid niet betekent dat die het realiseren, in stand houden en gebruiken van daarin genoemde voorzieningen, bouwwerken, en andere werken, zondermeer zijn toegestaantoestaat. Er kunnen aanvullende regels van toepassing kunnen zijn, bij voorbeeld in de vorm van een vergunningplicht. Gedacht kan worden aan de regels voor het oprichten, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zoals die zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van dit omgevings-

87

plan, en die onverkort van toepassing zijn op het realiseren van de in het tweede lid genoemde bouwwerken. Voor zover het oprichten, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk niet vergunningvrij is, dan moet de bouwaanvraag ook worden getoetst op de vraag of het beoogde gebruik in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 2.3. Dat volgt uit artikel 4.16 in samenhang gelezen met artikel 5.14. Oftewel, een bouwaanvraag voor een vergunningplichtig bouwwerk wordt getoetst aan het gebruiksdoel zoals vastgelegd in dit artikel 2.208. In wezen is dit niet anders dan onder oud recht, waarbij de bouwvergunning wanneer die op grond van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nodig was, werd geweigerd wanneer die in strijd was met de geldende bestemming. Vierde lid: Het vierde lid tot slot bepaalt dat gronden en bouwwerken ter plaatse van de functie 'water' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is. MMMMM De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 2.208 Gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen', toegestaan gebruik Artikel 2.208 bevat regels over het gebruiksdoel ter plaatse van de aanduiding 'gebruiksdoel: groen', en over het daar toegestaan gebruik. Eerste lid: In het eerste lid wordt bepaald dat locaties ter plaatse van de functie 'groen' bedoeld zijn voor groenvoorzieningen in de open lucht, waaronder in ieder geval worden begrepen (bos)parken, plantsoenen en open speelplekken, met de daarbij behorende waterpartijen. Met dit gebruiksdoel wordt een vervolg gegeven aan een werkwijze die ook in bestemmingsplannen onder de voorheen geldende Wet ruimtelijke ordening werd gehanteerd met groenbestemmingen. Voor de gronden met een bestemming 'Groen' werd veelal in de bestemmingsomschrijving opgenomen dat die waren bedoeld voor groenvoorzieningen. Groenvoorzieningen werden dan in veel gevallen omschreven als groenvoorzieningen in de open lucht, waaronder in ieder geval werden begrepen (bos)parken, plantsoenen en open speelplekken, met de daarbij behorende waterpartijen. Deze omschrijving is als gebruiksdoel voor de gronden met de functie 'groen' overgenomen. Tweede lid: In groenbestemmingen werd voorheen veelal ruimte gelaten voor allerlei voorzieningen, bouwwerken en andere werken. Dit wordt in het tweede lid gecontinueerd.

Het tweede lid bepaalt dat de gronden ter plaatse van de functie ‘groen’ mede bedoeld zijn voor het realiseren, in stand houden en gebruiken van de daar aangegeven voorzieningen, bouwwerken en andere werken. Het gaat om voorzieningen, bouwwerken en andere werken die over het algemeen passend zijn binnen groenvoorzieningen zoals (bos)parken, plantsoenen en open speelplekken, die het gebruik daarvan ondersteunen, of die over het algemeen geen afbreuk aan die groenvoorzieningen en het gebruik ervan. Daarbij wordt in de aanhef van het tweede lid wel het voorbehoud gemaakt dat elders in dit omgevingsplan een bepaling is opgenomen op grond waarvan in specifieke gevallen een bepaalde voorziening, een bepaald bouwwerk of ander werk, niet is toegestaan. Daarmee wordt ruimte gelaten voor locatiespecifieke maatwerkregels. Denkbaar is bijvoorbeeld dat in bepaalde parken het uitbreiden van verhardingen niet gewenst is. In dergelijke gevallen kan een beperkende maatwerkregel worden opgenomen die aan die gebieden wordt verbonden. Bij voorkeur worden dergelijke beperkingen, voor zover die specifiek betrekking hebben op gronden met de functie 'groen' en op de daarop betrekking hebbende regels, in dit regelonderdeel opgenomen.

Derde lid: Het derde lid maakt expliciet dat het tweede lid niet betekent dat die het realiseren, in stand houden en gebruiken van daarin genoemde voorzieningen, bouwwerken, en andere werken, zondermeer zijn toegestaantoestaat. Er kunnen aanvullende regels van toepassing kunnen zijn, bij voorbeeld in de vorm van een vergunningplicht. Gedacht kan worden aan de regels voor het oprichten, in stand

88

houden en gebruiken van bouwwerken, zoals die zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van dit omgevingsplan, en die onverkort van toepassing zijn op het realiseren van de in het tweede lid genoemde bouwwerken. Voor zover het oprichten, in stand houden en gebruiken van een bouwwerk niet vergunningvrij is, dan moet de bouwaanvraag ook worden getoetst op de vraag of het beoogde gebruik in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 2.3. Dat volgt uit artikel 4.16 in samenhang gelezen met artikel 5.14. Oftewel, een bouwaanvraag voor een vergunningplichtig bouwwerk wordt getoetst aan het gebruiksdoel zoals vastgelegd in dit artikel 2.208. In wezen is dit niet anders dan onder oud recht, waarbij de bouwvergunning wanneer die op grond van de toenmalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht nodig was, werd geweigerd wanneer die in strijd was met de geldende bestemming. Vierde lid: Het vierde lid tot slot bepaalt dat gronden en bouwwerken ter plaatse van de functie 'groen' mogen worden gebruikt op een wijze die gelet op de inrichting passend is. NNNNN De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.1 Toepassingsbereik Artikel 3.1 bepaalt dat de regels in dit hoofdstuk gaan over het gebruik van gronden en bouwwerken, en over de inrichting van terreinen. OOOOO De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.9 Regels bij het binnenplans wijzigen van bestaand gebruik In artikel 3.9 zijn de regels opgenomen met betrekking tot het benodigd aantal parkeerplaatsen bij het wijzigen van bestaand gebruik. Het gaat om wijziging van bestaand gebruik die binnen de regels van het omgevingsplan is toegestaan. Op grond van artikel 2.3 in samenhang met de regels onder afdeling 2.3 wordt per locatie bepaalt welke gebruik van gronden en bouwwerken is toegestaan. In heel veel gevallen zullen er op één locatie meerdere gebruiksdoelen gelden, en zijn dus meerdere vormen van gebruik toegestaan. Bijvoorbeeld dat op een locatie zowel wonen, zakelijke en administratieve dienstverlening als maatschappelijke dienstverlening zijn toegestaan. Wanneer op een locatie verschillende vormen van gebruik zijn toegestaan, dan maakt dit een wijziging van gebruik binnen de regels van het omgevingsplan mogelijk. Wel kunnen er aan een wijziging van planologisch gebruik in zijn algemeenheid beperkingen of voorwaarden worden gesteld. Dit gebeurt in artikel 3.9. Eerste lid: In het eerste lid is een verbod opgenomen het bestaand gebruik te wijzigen naar een andere vorm van gebruik, wanneer het aantal feitelijk beschikbare parkeerplaatsen op eigen terrein niet in overeenstemming is of wordt gebracht met de voor het nieuwe gebruik geldende parkeernorm. Deze regel geldt in aanvulling op artikel 2.3.

Dat houdt in dat het vereiste in dat artikel in elk geval blijft gelden: het moet gaan om passend gebruik. Bij een wijziging van bestaand gebruik naar nieuw gebruik, waarbij beide gelet op artikel artikel 2.3 zijn toegestaan, moet dus worden voldaan aan de geldende parkeernorm. Wat die gelden parkeernorm is, volgt uit artikel 3.7. Tweede lid: In het tweede lid wordt het toepassingsbereik van deze voorwaarde beperkt, namelijk tot die wijzigingen van planologisch gebruik die in de Nota parkeren als transformatie wordt gezien. Gelet op de Nota parkeren hoeft bij een binnenplanse wijziging van gebruik alleen te worden voldaan aan de gestelde normen wanneer sprake is van wat in de nota ‘transformatie’ wordt genoemd. Van transformatie zoals bedoeld in de Nota parkeren is alleen sprake wanneer sprake is vanbij een van de volgende gebruikswijzigingen:

89

a. b. c.

van wonen naar een andere vorm van gebruik dan wonen van zakelijke en administratieve dienstverlening naar een andere vorm van gebruik dan zakelijke en administratieve dienstverlening (in de nota ‘kantoor’ genoemd) van een vorm van gebruik, niet zijnde wonen of zakelijke en administratieve dienstverlening, naar wonen of zakelijke en administratieve dienstverlening.

In het tweede lid is daarom bepaald dat de voorwaarde, zoals die is opgenomen in het eerste lid, alleen van toepassing is op deze drie gevallen van wijziging van planologisch gebruik. In andere gevallen is wijziging van gebruik toegestaan zonder dat de parkeernormen daarbij een rol spelen. Uiteraard moet het nieuwe gebruik, gelet op het bepaalde in artikel 2.3, wel passend zijn. Om een voorbeeld te geven: wanneer het omgevingsplan op een locatie zowel een restaurant als detailhandel toestaat, dan kan wijziging van een restaurant naar detailhandel plaatsvinden, zonder dat het aantal parkeerplaatsen met het nieuwe gebruik in overeenstemming behoeft te worden gebracht. De afweging dat dit passend is, is reeds gemaakt bij het besluit waarmee beide vormen van gebruik op ditde locatie zijn toegestaan. Wanneer het omgevingsplan op dezelfde locatie ook zakelijke en administratieve dienstverlening zou toestaan, dan moet bij een omzetting van restaurant naar zakelijke dienstverlening wél aan de parkeernormering voor zakelijke dienstverlening voldaan worden. PPPPP De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 3.32 Bepalen van gezamenlijk geluid Artikel 3.32 bepaalt dat bij de toepassing van artikel 3.29 het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen wordt bepaald en in de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 3.26, vastgelegd. Deze verplichting is analoog aan de verplichting zoals die is opgenomen in artikel 5.78ad van het Besluit kwaliteit leefomgeving, zij het dat op grond van artikel 3.29 het gezamenlijk geluid niet in het omgevingsplan moet worden vastgelegd, maar in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken. Het artikel beoogt (in navolging van artikel 5.78ad van het Besluit kwaliteit leefomgeving) dezelfde werking als artikel 3.39 van het Besluit kwaliteit leefomgeving. In de begripsbepaling van bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving wordt voor de uitleg van het begrip gezamenlijk geluid ook verwezen naar artikel 3.39 van dat besluit. Vanwege artikel 1.1, tweede lid, van dit omgevingsplan is die begripsbepaling ook van toepassing op dit omgevingsplan. Het gezamenlijk geluid is het geluid door geluidbronsoorten en andere activiteiten tegelijk, energetisch opgeteld zonder correctie voor de verschillen in hinderlijkheid.

Kenmerkend is dat het geluid door bronsoorten en andere geluidbronnen – anders dan bij cumulatie, bedoeld in artikel 3.31 – wordt opgeteld zonder daarbij te corrigeren voor verschillen in hinderlijkheid. Het gezamenlijke geluid wordt alleen toegepast bij het bepalen van geluidwerende maatregelen waarbij verschillen in hinderlijkheid niet relevant zijn. Verder wordt in artikel 3.39 van het Besluit kwaliteit leefomgeving tevens aangegeven welke geluidbronsoorten bij het bepalen van het gecumuleerde geluid in ieder geval worden betrokken (derde lid) en dat op het bepalen van het gezamenlijk geluid de bij ministeriële regeling gestelde regels van toepassing zijn (vierde lid). Voor meer informatie over het bepalen en beoordelen van de aanvaardbaarheid van het gecumuleerde geluid wordt verwezen naar de toelichting op artikel 3.39 van het Besluit kwaliteit leefomgeving en de daarin opgenomen toelichting op het begrip 'gezamenlijk geluid' (Staatsblad 2020, nr. 557). Als artikel 3.29 wordt toegepast, besluit het bevoegd gezag om een nieuw geluidgevoelig gebouw toe te laten op een locatie waar het geluid hoger is dan de standaardwaarde voor de betreffende geluidbronsoort.

Artikel 5.78ad van het Besluit kwaliteit leefomgeving bepaalt dan dat als het toe te laten geluidgevoelige gebouw door meerdere geluidbronsoorten of geluidbronnen wordt belast, de waarde van het gezamenlijk geluid bij het nemen van dat besluit moet worden bepaald en in het omgevingsplan worden vastgelegd. De wetgever gaat ervan uit dat het geluid wordt bepaald bij het toelaten van het betreffende gebouw in het omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het bepalen van dat geluid kan ook worden verschoven naar een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplan (zie Staatsblad 2020 557, p. 356). De Omgevingswet biedt de mogelijk om het toelaten en het toetsen aan standaard- en grenswaarden door te schuiven naar het moment waarop een omgevingsvergunning voor bouwen wordt aangevraagd. In voorliggend omgevingsplan

90

is het doorschuiven van dat toetsmoment als uitgangspunt genomen dat de finale beoordeling plaatsvindt bij wijziging van het omgevingsplan. Is dat niet goed mogelijk, dan kan dat finale toetsmoment worden doorgeschoven. Het is dan ook inin dat geval in het kader van de vergunningaanvraag dat definitief over een mogelijke toepassing van artikel 3.29 wordt besloten. Dat is ook het eerste moment dat het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen kan worden bepaald en vastgelegd. Het is om die reden dat in artikel 3.32 is bepaald dat het gezamenlijk geluid op de gevel van geluidgevoelige gebouwen niet in het omgevingsplan, maar in de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken wordt vastgelegd. De waarde van dat gezamenlijk geluid is nodig voor het toepassen van de regels van het Besluit bouwwerken leefomgeving met betrekking tot de geluidwering van het nieuwe geluidgevoelige gebouw. In artikel artikel 4.103, eerste lid, van het Besluit bouwwerken leefomgeving wordt verwezen naar het gezamenlijk geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw. Bij de toepassing van artikel 4.103 Van het Besluit bouwwerken leefomgeving hoeft geen onderzoek te worden gedaan naar het geluid op de gevel van het geluidgevoelige gebouw dat maatgevend is voor de geluidwering van het gebouw.

De waarde van het gezamenlijke geluid wordt al bepaald bij het toelaten van het betreffende gebouw in het omgevingsplan of een buitenplanse omgevingsplanactiviteit of, als de bepaling is doorgeschoven, bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor een binnenplanse omgevingsplanactiviteit (Staatsblad 2020 557, p. 357). Bij de meeste nieuwe geluidgevoelige gebouwen moet de geluidwering leiden tot het voldoen aan een binnenwaarde van 33 dB. QQQQQ Na sectie ' Hospitaverhuur en inwoning' wordt een sectie ingevoegd, luidende:

Artikel 3.53 Toepassingsbereik Dit artikel bepaalt dat deze afdeling gaat over de inrichting van terreinen waarvoor op grond van de bepalingen in deze afdeling een inrichtingsplan van toepassing is. Een inrichtingsplan kan allerlei inrichtingsvereisten bevatten die zich moeilijk laten vatten in juridische regels. In die gevallen kan een inrichtingsplan als bijlage aan de regels in deze afdeling worden verbonden. De betreffende regel bepaalt in dat geval dat de inrichting van het betreffende terrein dient te voldoen aan het inrichtingsplan. De inrichting van terreinen conform een inrichtingsplan kan ook op andere wijze zijn geborgd dan via de regels in deze afdeling. Het tweede lid bepaalt dat deze afdeling aanvullend is op regels over de inrichting van terreinen die elders in dit omgevingsplan zijn gesteld. Gedacht kan worden aan regels over het beschikbaar hebben van parkeerplaatsen op eigen terrein, het gebruik van het eigen erf, of regels over bouwwerken. Die gelden naast regels verplichtingen die voortvloeien uit een inrichtingsplan. RRRRR De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.10 Toepassingsbereik Met dit artikel wordt het toepassingsbereik van paragraaf 4.2.3 bepaalt. Het eerste lid bepaalt dat in deze paragraaf bouwwerken worden aangewezen waarop de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, niet van toepassing is. Dat die vergunningplicht voor de elders in deze paragraaf aan te wijzen bouwwerken niet geldt, betekent echter niet dat die bouwwerken zijn toegestaan. Of een bouwwerk is toegestaan, en binnen welke ruimtelijke voorwaarden, wordt bepaald in artikel 5.6. Het tweede lid maakt duidelijk dat op bouwwerken waarop de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, niet van toepassing is, artikel 5.6 onverkort van toepassing is. Het tweede lid heeft heeft vooral een signaalfunctie. Een regel van gelijke strekking is ten overvloede ook opgenomen in artikel 4.12, tweede lid. Ook blijft artikel 2.3, dat het gebruik van bouwwerken regelt, onverkort van toepassing. SSSSS De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

91

Artikel 4.12 Uitzondering op de vergunningplicht omgevingsplanactiviteit bouwwerken, ruimtelijke regels over bouwwerken onverkort van toepassing Dit artikel 4.12 komt grotendeels in de plaats van artikel 22.27 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. De inhoud daarvan is ongewijzigd. Wel zijn er aanvullingen op gedaan. Eerste lid: In het eerste lid zijn bouwwerken aangewezen waarvoor de vergunningplicht, bedoeld in artikel 4.7, niet van toepassing is. Met deze categorie van bouwwerken wordt artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, met enkele ondergeschikte aanpassingen en een aanvulling van erf- en perceelafscheiding (hoger dan een meter maar niet hoger dan twee meter), voortgezet. Onderdeel h zondert van de binnenplanse vergunningplicht uit buisleidingen anders dan buisleidingen waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is. Hierdoor ontstaat een vergelijkbare samenhang tussen dit artikelonderdeel van de bruidsschat en het genoemde artikelonderdeel uit het Besluit bouwwerken leefomgeving als de samenhang tussen de onderdelen in de artikelen 2 en 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht.

In onderdeel i zijn ten opzichte van artikel 3, bijlage II van het voormalige Besluit omgevingsrecht enkele voorwaarden geschrapt (geen verandering van de draagconstructie of (sub)brandcompartimentering), aangezien die om bouwtechnische redenen gesteld werden en geen invloed hebben op de ruimtelijke kwaliteit van het bouwen zoals die door een omgevingsplan wordt gereguleerd. In onderdeel i is ten opzichte van artikel 22.27, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan, als vereiste toegevoegd dat de bouwhoogte niet mag toenemen. Onderdeel j is ten opzichte van artikel 22.27, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan, toegevoegd. Het bepaalt dat ook tuinhuizen, kassen en bergingen op volkstuinparken voor wat betreft de omgevingsplanactiviteit bouwwerken vergunningvrij zijn. Uiteraard mits voldaan wordt aan de ruimtelijke regels over bouwwerken, gesteld in hoofdstuk 5 (zie het tweede lid). Onderdeel k is ten opzichte van artikel 22.27, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan, toegevoegd.

Het bepaalt dat gewoon onderhoud in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument, voor wat betreft de omgevingsplanactiviteit bouwwerken vergunningvrij is, voor zover detaillering, profilering en vormgeving van het bouwwerk niet worden gewijzigd. Gewoon onderhoud aan monumenten wordt hiermee voor wat betreft de omgevingsplanactiviteit bouwwerken gelijkgesteld aan gewoon onderhoud aan bouwwerken die geen monument zijn. Artikel 2.29 van het Besluit bouwwerken leefomgeving zondert gewoon onderhoud, voor zover detaillering, profilering en vormgeving van het bouwwerk niet worden gewijzigd, uit van regels over bouwwerken in het omgevingsplan. Artikel 2.30 van het Besluit bouwwerken leefomgeving bevat daarop weer een uitzondering voor monumenten. Dat maakt gewoon onderhoud aan monumenten een vergunningplichtige omgevingsplanactiviteit bouwwerken, tenzij het omgevingsplan die vergunningplicht laat vervallen. Het eerste lid voorziet hierin. Die uitzondering bestond onder oud recht niet, en is ook ongewenst. Bescherming van de monumentale waarde van waarde gaat niet over de band van de omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken, maar via een vergunningplicht voor activiteiten in, aan, op of bij monumenten.

Voor wat betreft gemeentelijke en provinciale monumenten zijn daartoe regels opgenomen in hoofdstuk 10. Voor Rijksmonumenten is dat geregeld in de Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving. Tweede lid: Dat de vergunningplicht uit artikel 4.7 niet van toepassing is, betekent niet dat de betreffende bouwwerken zondermeer zijn toegestaan. Ook zonder vergunningplicht zal voldaan moeten worden aan de algemene regels over bouwwerken, zoals elders gesteld in dit omgevingsplan. De overige ruimtelijke regels over bouwwerken blijven onverminderd van kracht. Dat betekent dat een bouwwerk onverminderd aan de materiële regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken van het bouwwerk moet voldoen. Het tweede lid maakt dit met een verwijziging naar artikel 5.6 duidelijk. Concreet betekent dit dat het bouwwerk ook passend moet zijn binnen de regels, gesteld in afdeling 5.5 tot

92

en met afdeling 5.8 of, voor zover de ruimtelijke regels tijdelijk deel omgevingsplan nog niet zijn komen te vervallen, binnen de daarin gestelde regels. Als aan de ruimtelijke regels over bouwwerken niet wordt voldaan, verbindt artikel 4.14 daaraan de consequentie dat alsnog de vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken geldt. Onderdeel van de regels in het tijdelijk deel kan ook een bepaling zijn dat daarvan bij omgevingsvergunning van kan worden afgeweken. Deze binnenplanse vergunningplichten kunnen bijvoorbeeld op grond van artikel 3.6, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet ruimtelijke ordening, in een van het tijdelijk deel uitmakend bestemmingsplan zijn opgenomen. Ook deze binnenplanse vergunningplichten blijven onverminderd van kracht, met als gevolg dat er toch een binnenplanse vergunning nodig kan zijn voor de betrokken bouwwerken. Als zo’n binnenplanse vergunning niet kan worden verleend of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik daarvan, niet voldoet aan andere in het omgevingsplan gestelde materiële regels, is sprake van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. In dat geval is er voor het bouwwerk een buitenplanse vergunning nodig op grond artikel 5.1, eerste lid, onder a, van de Omgevingswet.

Net als bij de werking van artikel 3 van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, zijn de betrokken bouwwerken dus alleen maar vergunningvrij als aan alle overige regels over het bouwen, in stand houden en gebruiken uit dit omgevingsplan wordt voldaan. Als op grond van die andere regels een vergunning nodig is, of als het bouwwerk of het voorgenomen gebruik in strijd is met andere regels uit dit omgevingsplan, moet toch een vergunning worden aangevraagd. TTTTT De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.13 Vanwege cultureel erfgoed geldende beperking op artikel 4.12, vergunningplicht artikel 4.7 van toepassing Dit artikel 4.13 komt in de plaats van artikel 22.28 zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. Het artikel is inhoudelijk ongewijzigd overgenomen, zij het dat het toepassingsbereik van het derde lid is verruimd naar ook gemeentelijk beschermde stads- en dorpsgezichten. Dit artikel bevat uitzonderingen en aanvullende randvoorwaarden voor de in artikel 4.12 aangewezen gevallen. Gevolg is dat, als uitzondering op de uitzondering, de vergunningplicht toch blijft gelden voor die gevallen (als niet aan de aanvullende randvoorwaarden wordt voldaan). Deze systematiek is overgenomen uit de artikelen 4a en 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht. De vergunningvrije mogelijkheden zijn in het kader van de bescherming van cultureel erfgoed beperkt in geval van (voor)beschermde monumenten en archeologische monumenten en rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten.

Eerste en tweede lid: Het eerste bevat een beperking voor de in artikel 4.12, eerste lid, genoemde bouwwerken voor zover de activiteit in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument. Van die beperking is uitgezonderd gewoon onderhoud aan monumenten, zoals bedoeld in artikel 4.12, eerste lid, onder ki, voor zover het betreft inpandige aanpassingen. Voor inpandige aanpassingen aan monumenten die vanwege het monumentale belang een beoordeling op aanvaardbaarheid behoeven, gelden afzonderlijke vergunningplichten, waarbij die beoordeling centraal staat. Een daarop aanvullende vergunningplicht voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voegt daaraan niets toe. Het tweede lid bevat een beperking voor de in artikel 4.12 genoemde bouwwerken voor zover de activiteit bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument.

Voor de regulering van (bouw)activiteiten in de omgeving van – bij – (voor)beschermde monumenten is in ieder geval relevant de instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 1°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving, dat de aantasting van de omgeving van deze monumenten moet worden voorkomen voor zover deze daardoor zouden worden ontsierd of beschadigd. Voor omgevingsplanactiviteiten in, aan, op of bij (voor)beschermde monumenten of archeologische monumen-

93

ten zal het daarbij vooral draaien om de vraag of de activiteit van invloed kan zijn op de monumentale waarden. Het gevolg van de beperking is dat de betreffende activiteit niet vergunningvrij is. In het kader van de vergunningaanvraag kan de beoordeling plaatsvinden. Derde lid: In het derde lid is om dezelfde redenen een beperking op artikel 4.12 opgenomen voor omgevingsplanactiviteiten bouwwerken die worden verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functieaanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht of gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven. Alleen de onder a tot en met d aangegeven gevallen zijn daar vergunningvrij. De mogelijkheden om binnen een rijks- of gemeentelijk beschermd stads- of dorpsgezicht meer omgevingsplanactiviteiten vergunningvrij te maken, worden enerzijds specifiek begrensd door het niveau van bescherming dat ten tijde van de aanwijzing als beschermd gezicht op grond van de Monumentenwet 1988 of de instructie op grond van artikel 2.34, vierde lid, van de Omgevingswet voldoende beschermend werd geacht. Anderzijds vormt de generieke instructieregel in artikel 5.130, tweede lid, onder d, onder 2°, van het Besluit kwaliteit leefomgeving in algemene zin een ondergrens.

Deze instructieregel bepaalt dat aantasting van het karakter van beschermde stads- en dorpsgezichten (ongeacht op welk overheidsniveau deze zijn beschermd) moet worden voorkomen. Hoewel in de artikelsgewijze toelichting bij artikel 5.130 van het Besluit kwaliteit leefomgeving is opgemerkt dat het tweede lid, onder d, onder 2°, zich in eerste instantie richt op stads- en dorpsgezichten (en cultuurlandschappen) die op initiatief van de gemeente zelf worden beschermd, is de bepaling uitdrukkelijk ook van toepassing op rijksbeschermde stads- en dorpsgezichten. Dit is ook nodig, omdat veel aanwijzingen als rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht inmiddels zo’n vijftig jaar oud zijn en de meeste nog op het oude stelsel zijn geënt, waarin van rechtswege een bouwvergunningplicht gold. Daardoor zijn die als instructie aangemerkte oude aanwijzingen in de praktijk niet altijd leesbaar als een actuele en gedetailleerde instructie als bedoeld in artikel 2.34 van de Omgevingswet. De instructieregel in artikel 5.130, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving verplicht de gemeente in zo’n geval de karakteristieken van het beschermde gezicht aanvullend te analyseren en te betrekken bij de vraag of er ruimte is voor aanvullende vergunningvrije omgevingsplanactiviteiten.

In het licht van het voorgaande wordt ook nog gewezen op het – ook rechtstreeks de gemeenten bindende – verdrag van Granada. Op basis van artikel 4 van dat verdrag moet het beschermingsregime zo ingericht worden dat het bevoegd gezag ter voorkoming van ontsiering, vernieling of afbraak van beschermd cultureel erfgoed in een passende controle en goedkeuringsprocedure in kennis wordt gesteld van alle plannen tot het slopen of wijzigen (“afbraak of verandering”) van een (voor)beschermd monument of aantasting van de omgeving van zo’n monument, of waardoor een beschermd gezicht of cultuurlandschap geheel dan wel gedeeltelijk wordt aangetast als gevolg van de sloop van bestaande gebouwen, de bouw van nieuwe gebouwen, of belangrijke veranderingen waardoor het karakter van het gezicht of cultuurlandschap zou worden aangetast. Artikel 14, eerste lid, van dit verdrag vraagt verder in de verschillende stadia van besluitvorming te zorgen voor passende structuren voor informatie, overleg en samenwerking tussen de centrale overheid, de regionale en lokale overheden, culturele instellingen en verenigingen en het publiek (participatie). In de meeste gevallen zal een preventieve toets aan het omgevingsplan in de vorm van een vergunningplicht met het oog op bovenstaande overwegingen wenselijk blijven.

De hoeveelheid activiteiten in, aan, op en bij beschermde monumenten en archeologische monumenten en in beschermde stads- en dorpsgezichten die in een gebied vergunningvrij zullen kunnen worden na aanpassing van het omgevingsplan zal naar verwachting dus ook niet veel afwijken van de mogelijkheden die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet landelijk in het voormalige Besluit omgevingsrecht waren opgenomen. Vierde en vijfde lid: Het vierde en vijfde lid moeten worden gelezen in samenhang met elkaar. Het vierde lid is een voortzetting van artikel 5, vierde lid, van bijlage II bij het voormalige Besluit omgevingsrecht, waarbij op basis van de jurisprudentie één wijziging is aangebracht. Het vierde lid verklaart als hoofdregel de op grond van artikel 4.12, aanhef en onder a en b, bestaande mogelijkheden om een bijbehorend bouwwerk of een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf te bouwen zonder de vereiste omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit buiten toepassing, als er op de locatie van het bouwwerk op grond regels in het tijdelijk deel omgevingsplan regels gelden over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit.

94

In het vijfde lid is hierop weer een uitzondering gemaakt. In navolging van artikel 22.28, vierde lid, onder b, zoals dat bij wijze van bruidsschat onderdeel was geworden van dit omgevingsplan, is op basis van de jurisprudentie aan de regeling in dit omgevingsplan een vijfde lid opgenomen. Dit lid leidt ertoe dat de vergunningvrije bouwmogelijkheden voor een bijbehorend bouwwerk en een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf op grond van artikel 4.12, aanhef en onder a en b, van dit omgevingsplan in een groter aantal gevallen van toepassing blijven, ook al gelden er op de locatie van het bouwwerk op grond regels in het tijdelijk deel omgevingsplan regels over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit. Het vijfde lid regelt namelijk dat die vergunningvrije bouwmogelijkheden in dat geval ook van toepassing blijven als dat ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan een verbod bevat om zonder omgevingsvergunning grondwerkzaamheden te verrichten die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit en daarop regels over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.

Op het moment dat sprake is van een dergelijk verbod (een aanlegvergunningplicht) met daarop betrekking hebbende regels over het verrichten van archeologisch onderzoek, is er geen reden om de desbetreffende vergunningvrije gevallen uit artikel 4.12 te beperken. In dat geval is de bescherming van de archeologische waarden op de locatie voldoende verzekerd door middel van die aanlegvergunningplicht. Dit vijfde lid is een uitvloeisel van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State met nummer ECLI:NL:RVS:2014:2066. Bij deze uitspraak heeft de Afdeling kort samengevat geoordeeld dat het bestaan van een vergunningplicht voor een bouwactiviteit een eventuele vergunningplicht voor het uitvoeren van grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit onverlet laat. Om die reden is het niet langer meer nodig om de bescherming van archeologische waarden die gevolgen kunnen ondervinden van grondwerkzaamheden in het kader van een bouwactiviteit, te laten plaatsvinden via regels die betrekking hebben op die bouwactiviteit. Het zijn twee zelfstandige kaders. In de voormalige planologische regelingen die onderdeel uitmaken van het tijdelijke deel van het omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is dit uiteraard nog niet tot uitdrukking gebracht. Om die reden gebeurt dit nu in het vijfde lid.

Het vierde en vijfde lid hebben uitsluitend betrekking op locaties ter plaatse van de aanduiding ‘ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen’. Daar waar het voorheen geldende ruimtelijk plan is vervangen door nieuwe regels is, wanneer daartoe vanwege mogelijk te verwachten archeologische waarden aanleiding toe bestaat, op grond van afdeling 6.2 een aanlegvergunningplicht opgenomen. Die vergunningplicht ziet op het borgen van de bescherming van archeologische waarden. Een beperking van artikel 4.12 is in dat geval niet nodig. In artikel 22.28, vierde lid, onder a, zoals dat bij wijze van bruidsschat onderdeel was geworden van dit omgevingsplan, was ook de al onder het Besluit omgevingsrecht bestaande uitzondering op de in het vierde lid opgenomen hoofdregel opgenomen dat deze niet geldt als de oppervlakte van het bouwwerk minder dan 50 m2 bedraagt. Deze uitzondering is niet overgenomen. De reden is dat er binnen Amsterdam gebieden zijn waar de verwachting op mogelijk aanwezige archeologische waarden zo groot is dat ook bij grondwerkzaamheden met een oppervlak kleiner dan 50 m2 een aanleiding bestaat tot het doen van archeologisch onderzoek. UUUUU De volgende sectie wordt op de aangegeven wijze gewijzigd:

Artikel 4.16 Beoordelingsregel met betrekking tot ruimtelijke regels over bouwwerken Artikel 4.16 komt in de plaats van artikel 22.29, eerste lid, aanhef en onder a, zoals dat bij wijze van Bruidsschat bij inwerkingtreding van de Omgevingswet onderdeel was geworden van dit omgevingsplan. De redactie is enigszins aangepast. Artikel 4.16 is een voortzetting van artikel 2.10, eerste lid, onder c, van de voormalige Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Op grond van artikel 4.16 wordt de vergunning geweigerd als het bouwplan in strijd is met de regels die in dit hoofdstukomgevingsplan zijn gesteld over het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken. Het artikel regelt de beoordeling van aanvragen om een omgevingsvergunningen voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken voor wat betreft de toets aan ruimtelijke regels over bouwwerken. Eerste lid:

95

Het eerste lid bepaalt dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als de activiteit niet in strijd is met de regels over bouwwerken en het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zoals gesteld in artikel 2.3 en artikel 5.6. In artikel 2.3 is bepaald dat het verboden is gronden of bouwwerken te gebruiken op een wijze die niet in overeenstemming is met een aan een locatie gegeven gebruiksdoel en de daarop betrekking hebbende regels, of op een wijze die in strijd is met de regels over gebruik, bedoeld in hoofdstuk 3. Voor de situatie dat het onder oud recht vastgestelde bestemmingsplan nog niet is vervangen, of dat er een TAM-IMRO-plan geldt, is een soortgelijke bepaling opgenomen. Het eerste lid bepaalt dat de omgevingsvergunning alleen wordt verleend als de activiteit in strijd is met de regels over bouwwerken en het bouwen, in stand houden en gebruiken van bouwwerken, zoals gesteld in In artikel 5.6. Daarin is in het eerste lid bepaald dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd, in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met de in hoofdstuk 5 opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken.

Het tweede lid bepaalt dat ter plaatse van de aanduiding 'ruimtelijke regels tijdelijk deel nog niet vervallen' in afwijking van het eerste lid geldt dat een bouwwerk uitsluitend mag worden gebouwd, en in stand gehouden en gebruikt op een wijze die in overeenstemming is met afdeling 5.3 of met het ter plaatse geldende ruimtelijk plan tijdelijk deel omgevingsplan opgenomen ruimtelijke regels over bouwwerken. Daarmee bepaalt artikel 5.6 kort gezegd dat een bouwwerk moet voldoen aan algemene ruimtelijke regels over bouwwerken, zoals die voorheen in bestemmingsplannen werden gesteld. Onderdeel van de ruimtelijke regels over bouwwerken is artikel 5.14 dat bepaalt dat het gebruik van een bouwwerk in overeenstemming dient te zijn met het ter plaatse geldend gebruiksdoel, de ter plaatse nog geldende bestemming, een verleende buitenplanse omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit om af te wijken van het gebruiksdoel of de nog geldende bestemming, of een onder oud recht verleende afwijkvergunning, bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c toenmalige Wabo. Doordat ook op toelaatbaar gebruik getoetst wordt, wordt invulling gegeven aan het feit dat de in artikel 4.7 bedoelde vergunningplicht betrekking heeft op een activiteit inhoudende het bouwen van een bouwwerk, maar ook op het in het in stand houden en gebruiken van dat te bouwen bouwwerk.

Hiermee wordt aangesloten op de rechtspraktijk van voor de Omgevingswet dat een toets van een bouwaanvraag niet alleen betrekking heeft op regels over het bouwen van bouwwerken, maar ook of het voorgenomen gebruik van het bouwwerk niet in strijd is met de hiervoor in het omgevingsplan gestelde regels. Als aannemelijk is dat een bouwactiviteit ten dienste staat van een met het bestemmingsplan strijdig gebruik, was dit immers in de rechtspraktijk een reden om de vergunning voor een bouwactiviteit mede aan te merken als aanvraag voor een afwijking van het bestemmingsplan (op grond van artikel 2.10, tweede lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht) en te weigeren als de vergunning niet met toepassing van artikel 2.12 van genoemde wet kan worden verleend. Als de opgave in de vergunningaanvraag over het voorgenomen gebruik geen aanleiding is geweest om de vergunning te weigeren, mag het bouwwerk in overeenstemming met die opgave worden gebruikt. Artikel 5.14 brengt mee dat de bouwvergunning uitsluitend kan worden verleend voor een gebruik dat dat niet in strijd is met het bepaalde in artikel 2.3 van dit omgevingsplan. Zoals ook aangegeven bij de toelichting op artikel 4.7 is van belang dat de vergunningplicht ziet op de combinatie van het bouwen, in stand houden en gebruiken van het te bouwen bouwwerk.

Er ontstaat met de nieuwe omschrijving dus geen zelfstandige vergunningplicht voor latere gebruiksveranderingen in het betrokken bouwwerk. Zolang voor een later tot stand te brengen ander gebruik op grond van hoofdstuk 3 van het omgevingsplan geen afzonderlijke vergunningplicht in het leven is geroepen en het nieuwe gebruik in overeenstemming is met de regels voor het gebruik van bouwwerken uit het omgevingsplan, is er een binnenplanse noch buitenplanse vergunning voor die gebruikswijziging nodig. Dit betekent tevens dat wanneer er sprake is van een gebruik van een bouwwerk dat niet in overeenstemming is artikel 2.3, dat artikel het artikel is waarop gehandhaafd wordt. In de beoordelingsregels die verder in deze paragraaf zijn opgenomen, kan wel een verwijzing staan naar elders in dit omgevingsplan gestelde regels. Daarmee wordt die elders gestelde regels van toepassing op de beoordeling. Verder is de verwijzing bij wijze van uitzondering naar regels over het gebruik van bouwwerken komen te vervallen. Die regels zijn opgenomen in hoofdstuk 3 van dit omgevingsplan, waarmee de uitzondering overbodig is geworden. Middels de verwijziging naar artikel 2.3 wordt de vergunningaanvraag voor een omgevingsplanactiviteit bouwwerken ook op toelaatbaar gebruik getoetst.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16477654/1