CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

04. Toelichting.pdf

RAAD 3 april 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7, Kop van Cruquius (VN2025-001602)38.930 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 5

14 alinea's met “luchtkwaliteit”: 12 340 343 344 347 348 349 351 353 354 356 358 636 637

of het gebouw een dusdanige geringe omvang heeft dat de beoogde menging vanuit beheersoogpunt niet wenselijk is. In 2020 is het Actieplan Middeldure huur herijkt. Onder meer voortvloeiend uit een intentieovereenkomst van februari 2020 met de leden van IVBN (Vereniging van Institutionele Beleggers Vastgoed, Nederland), Vastgoed Belang (Vereniging van particuliere beleggers in vastgoed) en de NEPROM (Nederlandse Vereniging van Projectontwikkeling Maatschappijen) om de productie van nieuwe en het behoud van bestaande betaalbare woningen te verbeteren. Onderdeel van de herijking is ook de geconstateerde maatschappelijke ontwikkeling waarin koopwoningen steeds vaker worden gekocht om te verhuren. Hierdoor zijn er voor gewone huizenkopers minder woningen beschikbaar. Het college (2020) vindt dit een slechte ontwikkeling en wil daarom een zelfbewoningsplicht instellen voor alle nieuwbouw koopwoningen in Amsterdam. Daartoe zijn met collegebesluiten d.d. 2 juni 2020 gemeentelijke beleidsregels vastgesteld, bestaande uit: Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent beleidsaanpassingen volgend uit de intentieverklaring tussen de bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgesteld) 29

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7 gemeente, beleggers en ontwikkelaars over betaalbare woningen (bekend gemaakt Gemeenteblad Nr. 144760, d.d. 9 juni 2020). Deze beleidsregel ziet onder meer toe op verlenging van de zogenaamde "uitpondtermijn" voor nieuw gerealiseerde private sociale huurwoningen en private sociale huurwoningen die als gevolg van transformatie worden gerealiseerd (uitpondtermijn van 25 jaar in plaats van 15 jaar). Ook ziet de beleidsregel toe op de Spelregels voor woningbouwprogrammering en het Stedelijk kader voor particuliere transformaties. Volgens deze beleidsregel gelden er onder meer aanvullingen op de eerdere '40-40-20'-regels, namelijk: 1. indien de reguliere sociale huurwoningen in een transformatieproject door corporaties worden afgenomen dan gelden, in plaats van de reguliere programmatische verdeling van 40-40-20, de volgende programmatische voorwaarden: a. minimaal 30% sociale huurwoningen, b. minimaal 40% middensegment en c. partijen hebben de vrijheid om zelf een corporatie te kiezen waaraan de sociale woningen verkocht worden 2. Indien aantoonbaar geen corporatie gevonden wordt die de sociale huurwoningen gaat afnemen,dan kan er gekozen worden voor een alternatieve programmatische verdeling (naar 0-80-20 of 0-100-0) onder voorwaarde dat er door de gemeente aan te wijzen maatschappelijke beroepsgroepen gehuisvest worden. 3.

Bij projecten kleiner dan 30 woningen kan afgeweken worden van het stedelijke uitgangspunt 40-40-20 bij particuliere transformaties indien het gebouw een dusdanige geringe omvang heeft dat de beoogde menging vanuit beheers oogpunt niet wenselijk is. Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam houdende regels omtrent herijkte voorwaarden voor middeldure huur (25 jaar) en beleidsuitgangspunten voor eeuwig durende middeldure huur (bekend gemaakt Gemeenteblad Nr. 144761, d.d. 9 juni 2020). Deze beleidsregels bevat onder meer de uitgangspunten voor eeuwigdurende middeldure huurwoningen, als aanvulling op de middeldure huurwoningen met een verhuurperiode van 25 jaar. Beleidsregel van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam voor nieuwbouw koopwoningen voor eigenaar-bewoners (Beleidsregels nieuwbouw koopwoningen voor eigenaar-bewoners Amsterdam) (bekend gemaakt Gemeenteblad Nr.171535, d.d. 7 juli 2020). Deze beleidsregel ziet onder meer toe op een zelfbewoningsplicht voor alle nieuwbouw koopwoningen in Amsterdam. Consequenties voor dit plan Met het plan wordt woningbouw mogelijk gemaakt van circa 463 woningen, waarvan 52 in de sociale sector.

Aangezien de planvorming al enkele jaren loopt en er al eind 2016 / begin 2017 afspraken zijn gemaakt over het woningbouwprogramma, is in dit bestemmingsplan niet voorzien in de 40-40-20 regeling (40% sociaal, 40% middencategorie en 20% duur) voor nieuwe woningbouwontwikkelingen. Conform spelregel 3, zijn er reeds contractuele afspraken gemaakt welke zijn vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst en anterieure overeenkomst. Op grond van het voorgaande is het voorliggende bestemmingsplan in lijn met de geldende stedelijke kaders opgesteld. De woningbouwafspraken waren al gemaakt voordat deze regeling in werking trad.

30 eld)

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgest

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

3.4.3

Huisvestingsverordening 2020

Met ingang van 1 januari 2020 geldt de Huisvestingsverordening 2020. Hierin zijn regels opgenomen over de samenstelling van de woonruimtevoorraad. Onderscheid bestaat tussen zelfstandige woonruimte, onzelfstandige woonruimte en bedrijfsmatig gebruik van een deel van de woonruimte, bijvoorbeeld ten behoeve van bed & breakfast. Sturen op de samenstelling van de woonruimtevoorraad is primair van belang omdat het woningaanbod dient aan te sluiten op de vraag en behoefte van huishoudens van verschillende samenstellingen aan woonruimte. Tussen de wijze van bewoning en/of het gebruik van te onderscheiden typen woonruimte bestaan verschillen. Bewoning door een gezinshuishouden is bijvoorbeeld anders dan het gebruik van een woonruimte met een gemeenschappelijke ruimte, die voor het overige verkamerd wordt verhuurd aan een aantal eenpersoonshuishoudens. De verschillende typen bewoning hebben naar hun aard één meer of minder intense ruimtelijke uitstraling. Voor het gedeeltelijk gebruik van woonruimte ten behoeve van bed & breakfast geldt dat dit meer effect op de omgeving heeft dan bewoning zonder dit nevengebruik.

Wanneer de rechthebbende een zelfstandige woonruimte verkamerd wil verhuren (ook wel omzetting genoemd), of in de woonruimte een bed & breakfast wil exploiteren, dan is op grond van de Huisvestingsverordening 2020 een omzettingsvergunning nodig voor verkamering respectievelijk onttrekkingsvergunning ten behoeve van bed & breakfast nodig. Wanneer verlening van de gevraagde vergunning, die een wijziging in de woonruimtevoorraad teweeg brengt, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders leidt tot een aantasting van de leefbaarheid ter plaatse, bijvoorbeeld omdat de concentratie van verkamerde woningen ter plaatse te groot wordt geoordeeld, kan de op grond van de Huisvestingsverordening benodigde vergunning om die reden worden geweigerd. Datzelfde kan zich voordoen bij een concentratie van bed & breakfast exploitatie. Met ingang van 1 april 2020 gaat op grond van de Huisvestingsverordening 2020 voor omzetting en onttrekking ten behoeve van bed & breakfast een quotumstelsel gelden. Dit betekent dat er verdeeld over 99 wijken in de stad is vastgesteld hoeveel omzettingsvergunningen voor kamergewijze verhuur alsmede hoeveel onttrekkingsvergunningen ten behoeve van bed & breakfast er maximaal kunnen worden verleend. Bij het bepalen van die quota is de aanvaardbaarheid voor het woon- en leefklimaat betrokken.

In geval van omzetting (verkamering) zijn naast het maximale aantal te verlenen vergunningen in het Huisvestingsbeleid stringente regels vastgelegd die toezien op een nadere spreiding van verkamerde verhuur binnen buurten en wijken, en te grote concentraties binnen een buurt of wijk worden voorkomen. Ook geldt de eis dat een kamer niet door meer dan één volwassene mag worden bewoond. Het samenstel van voorwaarden vormen een nadere borging van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De afdeling Verkeer en Openbare ruimte van de gemeente heeft beoordeeld dat bij deze regeling geen sprake zal zijn van zodanige toename van de parkeerdruk of behoefte aan fietsparkeerplekken dat dit vanuit ruimtelijk oogpunt niet aanvaardbaar zou zijn. Het exploiteren van een bed & breakfast, waarvoor een onttrekkingsvergunning noodzakelijk is, kan overlast, drukte, afvalproblematiek en lokale overheersing van toeristenwinkels binnen het winkelaanbod met zich meebrengen. Omwonenden van een bed & breakfast worden het hele jaar door geconfronteerd met arriverende en vertrekkende gasten (rolkoffers) en mogelijk overlast van toeristen in hun directe woonomgeving vanwege een ander dag-nachtritme. Met de wijkquota is nadrukkelijk ook een ruimtelijke sturing beoogd over de 99 wijken in de stad en niet alleen de bescherming van de woningvoorraad.

De onttrekkingsvergunningen ten behoeve van bed & breakfast zullen voor maximaal acht jaar worden afgegeven. De wijkquota zorgen ervoor dat de extra druk die van omzetting van een zelfstandige naar meerdere onzelfstandige woonruimten (verkamering) alsmede gebruik van woonruimte ten behoeve van bed & breakfast uitgaat op het woon- en leefklimaat niet onevenredig zal zijn. Aldus beschermt het in de huisvestingsregels vastgelegde afwegingskader voor omzetting en onttrekking ten behoeve van bed & breakfast het belang van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voldoende. Een nadere ruimtelijke afweging voegt hieraan niets toe. bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgesteld) 31

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

De regels over woonruimtevoorraad als vastgelegd in de Huisvestingsverordening 2020 hebben betrekking op de bestaande woonruimtevoorraad. Wanneer in geval van nieuwbouw of transformatie direct voor kamerverhuur wordt opgericht of woonruimte wordt vergund en gerealiseerd met het oog op exploitatie als bed & breakfast, is dit toegestaan zonder omzettingsrespectievelijk onttrekkingsvergunning ten behoeve van bed & breakfast. In dat geval worden de ontwikkelingen niet in mindering gebracht op de op basis van de Huisvestingsverordening vastgelegde wijkquota. Hierdoor neemt de grip op de samenstelling van de woonruimtevoorraad en sturing op leefbaarheid af. Door in de regels van het bestemmingsplan alleen de zelfstandige woonruimte als rechtstreeks recht toe te staan, wordt dit tegengegaan. Realiseren van onzelfstandige woonruimte en woonruimte met faciliteiten voor bed & breakfast zijn geen directe rechten. De binnenplanse afwijkingsbevoegdheid kan niet worden gebruikt gelijktijdig met een omgevingsvergunning om een woongebouw op te richten of een gebouw te transformeren naar woonruimte. Dat volgt uit de voorwaarde dat de vergunningen slechts worden verleend indien de daarvoor benodigde vergunning op grond van de Huisvestingswet en/of verordening is verleend. Dit impliceert immers dat een dergelijke vergunning is vereist.

Die vergunning is niet vereist, wanneer reeds eerder de juridisch-planologische toestemming voor een andere gebruik van de woning dan als zelfstandige woonruimte bestond. De binnenplanse afwijkingsbevoegdheid kan daarom uitsluitend worden ingezet nadat eerst een zelfstandige woonruimte is opgericht. Na oprichting behoort de woonruimte tot de bestaande voorraad. Wanneer de wens bestaat deze verkamerd te verhuren of een bed & breakfast te gaan exploiteren, is vervolgens een vergunning op grond van de Huisvestingwet en/of -verordening nodig. Deze vergunning wordt verleend als aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan, waaronder een toets aan het beschikbare quotum. De ontwikkeling wordt op het quotum in mindering gebracht. Het woon- en leefklimaat is als hierboven uiteengezet in dit afwegingskader voldoende geborgd. De omgevingsvergunning voor afwijken kan daarom volgen op de omzettingsvergunning of onttrekkingsvergunning ten behoeve van bed & breakfast. De binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voorziet er tevens is dat de afwijkvergunning en de onttrekkingsvergunning voor bed & breakfast voor wat betreft de geldigheidsduur worden gelijkgeschakeld. De situatie kan voordoen dat een aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend waarbij toestemming wordt gevraagd om direct bij oprichting of direct bij omzetting onzelfstandige woonruimten, of bed & breakfastfaciliteiten te realiseren.

Als gezegd is dan geen vergunning op grond van de Huisvestingswet- of verordening benodigd en kan als gevolg daarvan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid niet worden gebruikt. Dan kan wel buitenplans vergunning worden verleend. Wel is het noodzakelijk om het al dan niet verlenen van de gevraagde (buitenplanse) afwijkvergunning in het kader van de toets aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat af te stemmen op de overige ontwikkeling van verkamering respectievelijk bed & breakfast in de betreffende buurt of wijk. Short stay Het gebruik van woningen ten behoeve van short stay is niet toegestaan. Short stay is het tijdelijk gebruik van een woonruimte ten behoeve van ‘kort wonen’. Het tijdelijke gebruik betreft een periode van minimaal zeven nachten en maximaal zes maanden, en is geen wonen in de gewone betekenis van het woord. Dit was tot 2016 een methode om in Amsterdam expats te faciliteren. Het beleid hieromtrent was ingezet vanuit Huisvestingsregels. Tot aan vastgelegde maxima in buurten kon een onttrekkingsvergunning voor tien jaar worden verleend ten behoeve van short staygebruik. Short stay wordt niet meer gezien als wenselijke vorm van gebruik van woonruimte. Consequenties voor dit plan De opgenomen gebruiksregels en daarbij behorende begripsbepalingen zijn afgestemd op het (nieuwe) huisvestingsbeleid.

In dit bestemmingsplan zijn gelet op het gestelde ten aanzien van short stay zijn hierover dan ook geen regels opgenomen.

32 eld)

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgest

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

3.4.4

Ruimte voor de economie van morgen

Amsterdam staat nu met de nieuwe groeistrategie Koers 2025 aan de vooravond van een nieuwe stedelijke groeispurt. De komst van meer woningen en inwoners biedt kansen voor het versterken van Amsterdam als aantrekkelijke (internationale) vestigingsplaats. Naast woningen en voorzieningen zoals internationale scholen heeft Amsterdam ook ruimte nodig om nieuwe economische groei te faciliteren. Koers 2025 wijst daarbij in algemene zin op kansen in stadsstraten, op multimodale knooppunten, gemengde woon-werkwijken, de haven en bedrijventerreinen. De opgave is om bij de nieuwe groei van Amsterdam aan te sluiten bij de vestigingsbehoefte van de groeiende kennis- en innovatie economie. Deze vraagt om specifieke gemengde stedelijke werkmilieus. De economische potentie van nieuwe wijken en de mate waarin economische menging succesvol kan zijn, is afhankelijk van de netwerkverbondenheid, dichtheid, de aanwezigheid van economische dynamiek, bereikbaarheid voor werknemers en logistiek en de woon-werkbalans. Hieronder een onderscheid tussen diverse werkmilieus. Het plangebied is aangemerkt als productieve wijk.

Afbeelding 3.4 Kansenkaart 'Ruimte voor de economie van Morgen' Productieve wijken Productieve wijken zijn woon-werkwijken waarbij de economische mix voornamelijk bestaat uit bedrijfsruimte die geïntegreerd wordt in het woonmilieu. Integratie van bedrijven in woonwijken is nodig om ondernemerschap voor de stad behouden, omdat veel binnenstedelijke bedrijventerreinen de komende jaren worden omgezet naar woningen. Integratie van bedrijven in woonwijken is overigens niet nieuw. Het grootste deel van Amsterdam tot en met de gordel van de negentiende eeuw, is gebouwd zonder een sterke fysieke scheiding tussen werken en wonen. Nieuwe productieve wijken keren terug naar dit principe, waarin ruimte is voor bestaande bedrijvigheid zoals ambachten, lokale productie, maar ook nieuwe opkomende productiemethoden zoals 3D-printers en ander vormen van kleinschalige smart-industry. Consequenties voor dit plan Er worden in dit plangebied bedrijfsruimten mogelijk gemaakt op de begane grond. Het betreffen creatieve bedrijven én andere kleinschalige bedrijvigheid.

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgesteld) 33

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

3.4.5

Bedrijvenstrategie (2020)

Op 15 april 2020 heeft het college de "Bedrijvenstrategie 2020-2030: Amsterdam duurzaam productief" vastgesteld. Amsterdam staat bekend om haar ondernemerschap en bedrijvigheid. De logistiek en (maak) industrie zijn de machinekamer van de economie in de regio. De ruimte voor deze bedrijven is echter aan verandering onderhevig, mede omdat in de stad veel woningen nodig zijn. Nieuwe stedelijke wijken zijn gepland op bedrijventerreinen zoals Cruquius. Deze terreinen worden ook wel transformatiegebieden genoemd. Met deze transformaties neemt het aanbod aan traditionele vestigingslocaties voor bedrijven af, terwijl de vraag naar bedrijfsruimte juist toeneemt door onder andere nieuwe economie en toepassingen voor de circulaire economie en de energietransitie. Dit vormt de aanleiding voor de bedrijvenstrategie. Met de transformatie van bedrijventerreinen zullen zonder aanvullende maatregelen diverse vormen van ambacht, maakindustrie en reparatie uit de stad verdwijnen. Doel van de strategie is om binnen de bredere ontwikkeling van stad voldoende ruimte te creëren en te behouden voor bedrijven, zodat Amsterdam een diverse economie houdt met een inclusieve arbeidsmarkt, en duurzaam aantrekkelijk is voor ondernemers.

Uit de analyse van de bedrijvenstrategie 'Amsterdam duurzaam productief' blijkt dat Amsterdam met de vraagverwachting en 'business as usual' beleid rond 2026 geen bedrijvenkavels meer uit te geven heeft. Richting 2040 loopt het ruimtetekort op tot minimaal 150 hectare. In lijn met de Omgevingsvisie en 'compacte stad' principe, worden geen nieuwe plannen gemaakt voor uitleglocaties. Wel zijn er aanknopingspunten voor ruimtewinst, waaronder het mengen van bedrijvigheid en wonen. Zowel vanuit de vraag (hoog aandeel mengbare bedrijven) als het aanbod biedt het integreren van bedrijvigheid in gemengde woon-werkwijken mogelijkheden om ruimte te bieden aan stedelijke bedrijvigheid. Tot 2030 is ruim 600.000 m² bvo bedrijfsruimte voorzien in de bedrijventerreinen die naar productieve en creatieve wijken zullen transformeren. Consequenties voor dit plan Er worden in dit plangebied bedrijfsruimten mogelijk gemaakt op de begane grond. Het betreffen creatieve bedrijven én andere kleinschalige bedrijvigheid. Daarmee wordt de bedrijvigheid in het plangebied behouden. 3.4.6

Nota Parkeernormen Auto (juni 2017)

De Nota Parkeernormen Auto stelt de nieuwe parkeernormen voor auto's vast voor nieuwbouw en transformatieprojecten in de stad. De gemeente wil de stad bereikbaar en leefbaar houden met voldoende en aantrekkelijke openbare ruimte en meer ruimte voor de fietser en voetganger. Met de verwachte groei van de stad (woningen, kantoren etc.) is het noodzakelijk dat Amsterdam grenzen stelt aan het aantal geparkeerde auto's in de openbare ruimte. De nieuwe parkeernormering levert een bijdrage aan de regulering van het aantal geparkeerde auto's op straat. De belangrijkste wijzigingen ten opzichte van het oude beleid zijn: De verplichte minimumparkeernorm voor sociale woningbouw komt te vervallen. De verplichte minimumparkeernorm voor vrije sectorwoningen wordt lager. Waar in het oude beleid een minimumverplichting geldt van 0,6 tot 1 parkeerplaats per woning is het voorstel dit terug te brengen naar 0,3 tot 0,6 parkeerplaats per woning. Er komt in de hele stad een maximumparkeernorm van 1 parkeerplaats per woning. Nu geldt in grote delen van de stad geen maximumparkeernorm. De verplichte minimumparkeernorm voor kantoren komt te vervallen. Consequenties voor dit plan De plannen die in voorliggend bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt voldoen aan het parkeerbeleid. De onderbouwing hiervan is opgenomen in paragraaf 5.5.2.

34 eld)

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgest

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

3.4.7

Nota Parkeernormen Fiets en Scooter (maart 2018)

De Nota Parkeernormen Fiets en Scooter (vastgesteld 14 maart 2018) verplicht nieuwe niet-woonfuncties zoals kantoren, horeca, onderwijsinstellingen en uitgaansgelegenheden om voldoende en goede parkeervoorzieningen voor de fiets op eigen terrein te realiseren. De parkeervoorzieningen zijn bestemd voor de eigen werknemers en bezoekers die langer dan 1,5 uur willen parkeren. Voor scooters zijn er richtlijnen opgenomen. Of dat ook bindend beleid wordt hangt af van hoe de omvang van het scooterverkeer zich de komende 2 jaar ontwikkelt. De sterke groei van het fietsverkeer en het toenemende scootergebruik leiden tot steeds meer geparkeerde fietsen en scooters in de openbare ruimte. Met de Nota Parkeernormen Fiets en Scooter worden parkeervoorzieningen voor fiets en scooter op nieuwe locaties van o.a. kantoren, onderwijs, horeca- en uitgaansgelegenheden op eigen terrein ingevuld. Dat draagt bij de kwaliteit van de openbare ruimte, een rustiger straatbeeld en meer ruimte voor voetgangers, groen en verblijfsplekken. Consequenties voor dit plan De plannen die in voorliggend bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt voldoen aan het parkeerbeleid voor fiets en scooter. De onderbouwing hiervan is opgenomen in paragraaf 5.5.3.

3.4.8 Agenda duurzaamheid (2015), Agenda Groen (2015) en Routekaart Klimaatneutraal 2050 (vastgesteld 2020) De gemeente Amsterdam wil de verduurzaming van de hoofdstad versnellen. Dit staat in de Agenda Duurzaamheid, de agenda voor duurzame energie, schone lucht, een circulaire economie en een klimaatbestendige stad. De Agenda Duurzaamheid is vastgesteld door de Gemeenteraad van Amsterdam op 11 maart 2015. 'In het coalitieakkoord 'Amsterdam is van iedereen' (mei 2018) is afgesproken dat de gemeente Amsterdam door het sterk vergroenen van de openbare ruimte de stad aantrekkelijker maakt om in te wonen, werken en verblijven. De groene ruimte speelt een belangrijke rol bij het klimaatbestendig maken van de stad. Buien worden steeds extremer en temperaturen hoger. Een effectieve manier om regenwater op te vangen en de temperatuur te beperken, is door het oppervlakte aan groen te vergroten. Daarnaast kan groen bijdragen aan meer biodiversiteit in de stad. Dit is onder andere meer concreet opgenomen de Agenda Groen (2015-2018). Het duurzaamheidsbeleid zoals dat in meerdere beleidsdocumenten en programma's in de loop der tijd is uiteengezet wordt en is verder uitgewerkt, onder andere in de Routekaart Klimaatneutraal 2050.

Consequenties voor dit plan Het plan sluit aan bij de duurzaamheidsambities van de stad Amsterdam, door onder andere gebruik te maken van duurzame energie en de realisatie van extra groen. 3.4.9

Detailhandelsbeleid 2018-2022

Op 20 december 2017 heeft gemeenteraad het detailhandelsbeleid Amsterdam 2018-2022 vastgesteld. Het beleid richt zich op 'sterke winkelgebieden in een groeiende stad', waar de bewoners hun dagelijkse boodschappen op redelijke afstand van de woning kunnen doen en er meerdere interessante winkelgebieden zijn om te winkelen, ook buiten de binnenstad. De inzet is niet gericht op losstaande winkels, maar op clustering van het winkelaanbod in winkelgebieden. Winkels in dagelijkse artikelen worden in stadsstraten geclusterd rondom supermarkt(en). In de straten die een belangrijke verbindende functie hebben tussen delen van de stad, de stadsstraten, worden winkels geclusterd zodat er een duidelijk boodschappencentrum is en winkels niet overal verspreid zitten. Buiten het winkelcluster in de stadsstraat, is er een mix aan functies zoals dienstverlenende bedrijven, horeca, kantoren naast winkels toegestaan. Consequenties voor dit plan Dit bestemmingsplan maakt geen zelfstandige detailhandel mogelijk.

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgesteld) 35

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

3.4.10 Erfgoed voor de stad (juni 2016) Amsterdam is permanent in verandering en ontwikkeling. Erfgoed is een bron van inspiratie en een drijvende kracht bij die ontwikkeling: monumentale gebouwen en archeologische vindplaatsen, maar ook tradities en verhalen bepalen de identiteit en de kwaliteit van de bestaande stad. Omgekeerd dankt erfgoed haar voortbestaan aan verandering en groei. Actuele ontwikkelingen in de economie en het verkeer, in het wonen, de culturele sector, het onderwijs en het sociale domein zijn bepalend voor de toekomst van zowel het materiële als het immateriële erfgoed. Nieuwkomers en zittende bewoners, jonge starters en gevestigde (internationale) bedrijven zoeken steeds opnieuw passende ruimte in de stad. En zorgen voor een vitale mix van wonen, werken en recreëren in de bijzondere buurten en monumentale gebouwcomplexen van Amsterdam. In de Erfgoedagenda worden de hoofdlijnen, aandachtspunten en acties voor de komende jaren uiteengezet. Rode draad is het optimaal inzetten van erfgoed bij de transformatie en groei van de stad. Consequenties voor dit plan Binnen het plangebied bevindt zich een behoudenswaardig object, namelijk de Villa. De bestaande ruimtelijke kwaliteiten en cultuurhistorische waarden, bepalend voor de identiteit van een gebied, vragen erom te worden ingezet als bron van inspiratie bij ontwikkeling en transformatie.

In dit kader zal De Werkmeester worden gerestaureerd, worden verplaatst naar het plein aan het water en ruimte bieden aan een horecagelegenheid.

3.5

Stadsdeelbeleid Oost

3.5.1

Horeca- en terrassenbeleid

Het horeca- en terrassenbeleid is uitgewerkt in de Horecanota stadsdeel Oost 2012. Het stadsdeel zet in op een gerichte toename van horeca, waarbij kwaliteit van groter belang is dan kwantiteit. Horeca moet passen bij een buurt en de bewoners. In het horecabeleid is daarom ook aandacht voor maatschappelijk verantwoord horecabeleid en handhaving. Hieronder worden de voor dit bestemmingsplan relevante hoofdpunten van het beleid kort samengevat: Het stadsdeel zet in op kwalitatief hoogwaardige horeca; Het stadsdeel ziet horeca als onderdeel van een strategie om de levendigheid van buurten te vergroten. Bovendien ziet men in horeca de potentie om buurten te verbinden; Het is geen doel om het horeca aanbod sterk uit te breiden. Het stadsdeel wil nieuwe horecagelegenheden zoveel mogelijk clusteren in de gebieden in Oost waar al verschillende horeca en detailhandel is gevestigd om zo de aantrekkelijkheid van deze gebieden en de sector te versterken. Consequenties voor dit plan Het bestemmingsplan maakt nieuwbouw van woningen mogelijk, waarbij op de begane grond ook andere functies mogelijk zijn, zoals kleinschalige bedrijvigheid, creatieve bedrijvigheid, maatschappelijke voorzieningen en dienstverlening. In het plangebied is horeca voorzien in de Villa (ca. 470 m2 bvo).

Gezien de omvang zal de horeca een lokaal verzorgingsgebied hebben: gericht op de nieuwe functies (wonen en bedrijven) in het plangebied. Deze horeca kan de levendigheid van buurt vergroten. Horeca categorie I, III en IV op deze locatie met een menging van wonen en werken, is passend in het gebied. horeca I: een bedrijf of inrichting gericht op de verkoop van al dan niet voor consumptie ter plaatse bereide kleine etenswaren, het verstrekken van alcoholvrije dranken en/of het verstrekken van consumptie-ijs, zoals een cafetaria, snackbar, shoarmazaken, lunchroom, koffie-theehuis of ijssalon. horeca III: een bedrijf of inrichting gericht op het verstrekken van sterke alcoholische dranken, zoals een café of bar; horeca IV: een bedrijf of inrichting gericht op het verstrekken van ter plaatse bereide maaltijden, inclusief (alcoholische) dranken, zoals een restaurant, eetcafé of bistro. Bij de horeca zal een terras gerealiseerd worden. Hierdoor zal de levendigheid van het gebied vergroot 36 eld)

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgest

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7 worden. Ondergeschikte horeca wordt mede mogelijk gemaakt binnen het plangebied. Ondergeschikte horeca is ondersteunende horeca bij een andere hoofdfunctie van de begane grond het gebouw. De ontwikkelingen die het bestemmingsplan mogelijk maakt, sluiten aan bij het horeca- en terrassenbeleid. Weliswaar is het Cruquiusgebied nu nog geen cluster van horecagelegenheden, maar gezien de kwaliteit van de locatie is het wel een goede locatie voor een toevoeging van horeca. Zeker met het oog op de toename van het aantal bewoners in dit gebied.

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgesteld) 37

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

Hoofdstuk 4

M ilieuaspecten

In dit hoofdstuk worden de relevantie milieuaspecten beschreven. De omgevingsaspecten komen in hoofdstuk 5 aan bod.

4.1

Algemene beoordeling milieueffecten (m.e.r.)

Doel van de voorgenomen ontwikkeling is het realiseren van nieuwbouw voor woningen en commerciële functies en de herontwikkeling van bestaande karakteristieke panden tot woningbouw. In het kader van het voorbereiden van het bestemmingsplan voor deze ontwikkeling dient te worden beoordeeld of voor dit project een mer(beoordelings)plicht geldt. 4.1.1

Kader

Op grond van hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.) is het noodzakelijk om ten behoeve van een bestemmingsplan dat kaderstellend is voor, of een besluit neemt over, projecten met belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu een milieueffectrapportage te doorlopen. Bijlage C van het Besluit m.e.r. geeft de aard van de projecten en de omvang waarvoor een milieueffectrapportage dient te worden opgesteld. Van projecten genoemd in bijlage D Besluit m.e.r. moet per geval worden gekeken of zij tot negatieve effecten voor het milieu kunnen leiden. Hierbij geldt sinds de aanpassing van het Besluit m.e.r. per 1 april 2011 de omvang als richtwaarde en niet als absolute drempelwaarde. Daarom is voor in kolom 1 van bijlage C en D genoemde activiteiten altijd de toets noodzakelijk of sprake is van een project met belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Deze toets dient in dat geval plaats te vinden aan de hand van de criteria van Bijlage III, van de EU-richtlijn m.e.r. De hoofdcriteria waaraan moet worden getoetst zijn: kenmerken van de projecten, plaats van de projecten en kenmerken van het potentiële effect. Het mag duidelijk zijn dat wanneer een project ruim beneden de omvang uit de bijlage van het Besluit m.e.r. blijft, deze beoordeling beknopt kan zijn.

Als de activiteiten die met het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt in kolom 1 van onderdeel D staan, dan bestaat de m.e.r.-beoordelingsplicht er uit dat het bevoegd gezag moet beoordelen of de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Blijkt uit deze beoordeling dat de betreffende activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen hebben, dan moet de m.e.r.-procedure (m.e.r.) worden doorlopen en moet een milieueffectrapportage (MER) worden opgesteld. 4.1.2

Plangebied

Het proces van transformatie van Cruquius is al langere tijd gaande. Vanwege de realisatie van het totale woningbouwprogramma van het Cruquiusgebied voor nieuwbouw van meer dan 2.000 woningen werd in 2018 geconcludeerd dat dit wat aard en omvang betreft, op basis van activiteit 11.2 van de D-lijst van het Besluit Milieueffectrapportage, m.e.r.-beoordelingsplichtig was. In 2018 is voor op dat moment opgestarte en voorziene bestemmingsplanprocedures voor deelgebieden in de omgeving van voorliggend plangebied een mer-beoordeling gemaakt. Dit middels een aanmeldingsnotitie waarmee de initiatiefnemer (op dat moment een ontwikkelaar) aan het bevoegd gezag had aangegeven dat zij voornemens was een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit te willen gaan uitvoeren. Daarvoor werd in de aanmeldingsnotitie gemotiveerd of er al dan niet belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu verwacht werden (Bijlage 8 Aanmeldingsnotitie mer-beoordeling Cruquiusgebied). Op basis van die aanmeldingsnotitie kon het bevoegd gezag vervolgens het besluit nemen of al dan niet een m.e.r.-procedure moest worden doorlopen. Op dat moment werd mede op basis van de vastgestelde spelregels en spelregelkaart ontwikkelingen voorzien in het gehele Cruquius-gebied, waaronder ook voorliggend plangebied.

Hierbij zijn onder meer aannamen gedaan voor op dat moment nog niet concrete ontwikkelingen waarbij in totaal werd uitgegaan van maximaal 244.862 m2 bvo wonen en 93.128 m2 bvo bedrijfsfunctie/werken. In de m.e.r.-beoordeling voor het gehele Cruquiusgebied is geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieukundige effecten niet spelen en dat geen Milieueffectrapportage moet worden opgesteld en geen mer-procedure voor dit gebied moet worden doorlopen. Het bekende huidige programma, bestaande uit het sindsdien reeds gerealiseerde programma en de bestuurlijk vastgestelde nog toekomstige ontwikkelingen, bedraagt naar het zich nu laat aanzien 217.887 m2 bvo wonen en 70.903 m2 bvo bedrijfsfunctie/werken. 38 eld)

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgest

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

Hiermee past de huidige ontwikkeling van voorliggend bestemmingsplan voor deelgebied 7 binnen het totaalprogramma dat in 2018 is beoordeeld op de vraag of een MER moest worden opgesteld en een m.e.r.-procedure moest worden doorlopen. De aard en omvang van het transformatie van Cruquius is nadien niet gewijzigd. In dat opzicht is de mer-beoordeling voor het Cruquiusgebied nog actueel. En inmiddels is een deel van de in 2018 beoordeelde ontwikkeling van Cruquius gerealiseerd of in aanbouw. Dit betekent dat de omvang in programma dat de komende jaren nog wordt gerealiseerd op Cruquius, ten opzichte van in de in 2018 beoordeelde omvang, op moment van opstellen van voorliggend bestemmingsplan, minder is dan destijds is beoordeeld. De conclusie is dan ook dat voor het voorliggende bestemmingsplan geen m.e.r.-procedure moet worden doorlopen en dat geen milieueffectrapportage (MER) moet worden opgesteld. 4.1.3

Conclusie

Voor het gehele te transformeren Cruquiusgebied is een m.e.r.-beoordeling opgesteld (Bijlage 8 Aanmeldingsnotitie mer-beoordeling Cruquiusgebied). Samengevat kan geconcludeerd worden dat er geen belangrijke nadelige milieuhygiënische effecten zijn. Er hoeft daarom geen m.e.r.-procedure voor de transformatie van het Cruquiusgebied te worden doorlopen.

4.2

Milieuzonering bedrijven

4.2.1

Kader

Bedrijven zijn milieubelastende bestemmingen die hinder ten opzichte van milieugevoelige bestemmingen (waaronder wonen) kunnen veroorzaken. Om deze hindersituaties te voorkomen dient bij een bestemmingsplan(wijziging) waarin milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen in elkaars nabijheid mogelijk worden gemaakt in principe uit te worden gegaan van scheiding van functies. Daartoe zijn in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009; hierna te noemen: VNG-brochure) richtafstanden opgesteld. Deze afstanden geven voor verschillende functies aan op welke afstand geen hinder is te verwachten. De meer fijne afstemming voor de voorkoming van milieuhinder vindt vervolgens plaats in het kader van de Wet milieubeheer. De VNG-brochure vormt geen wettelijk kader. De in de publicatie opgenomen afstanden betreffen richtafstanden, waar gemotiveerd kan worden afgeweken. Wel is uit vaste jurisprudentie gebleken dat de Raad van State in het kader van “goede ruimtelijke ordening” toetst aan de richtafstanden uit de VNG-publicatie en bij het afwijken hiervan aan de onderliggende motivering. Deze richtafstanden in de VNG-brochure zijn naast de factoren aard en omvang van het bedrijf mede afhankelijk van de omgeving. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor andere gebieden, zoals drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden.

Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Om gevoelige bestemmingen in het plangebied toe te kunnen staan, moet niet alleen rekening worden gehouden met de milieuhinder veroorzaakt door reeds bestaande bedrijven, maar ook met de te verwachten milieuhinder van de nieuwe toegestane functies in het plangebied. Cruquius, deelgebied 7 krijgt een gemengde functie (gemengd gebied), zonder fysieke scheiding van wonen en andere, mogelijk hinder veroorzakende functies. Een indicatie van richtafstanden bij verschillende bedrijfstypes is weergegeven in onderstaande tabel. Milieucategor Rustige ie woonwijk

Gemengd gebied

1

10 m

0m

2

30 m

10 m

3.1

50 m

30 m

3.2

100 m

50 m

4.1

200 m

100 m

4.2

300 m

200 m

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgesteld) 39

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

5.1

500 m

300 m

5.2

700 m

500 m

5.3

1.000 m

700 m

6

1.500 m

1.000 m

Tabel 4.1 Richtafstanden bedrijven rustige woonwijk / gemengd gebied Kwalificatie gebied De omgeving van het plangebied en het plangebied zelf, is aan te merken als 'gemengd gebied'. Daarom kunnen de richtafstanden met 1 afstandsstap verlaagd worden zonder dat dit ten koste gaat van een goed woon- en leefklimaat. In gebieden met functiemenging, zoals binnensteden, kunnen sommige soorten bedrijven aan- of inpandig aan woningen grenzen. Ook kan gekeken worden naar de specifieke situatie bij een bedrijf: als een bedrijf afwijkt van het 'gemiddelde' bedrijf uit de VNG-handreiking, of als het bedrijf al beperkt wordt door bestaande woningen in de buurt, kan een andere afstand worden aangehouden. Een afwijkende afstand wordt onderbouwd met onderzoek dat aantoont dat met die afstand een goed woonen leefklimaat behouden blijft. Functiemenging Binnen de gebieden met de bestemming 'Gemengd' kunnen milieubelastende en milieugevoelige functies op vrij korte afstand gesitueerd worden. De richtafstanden die behoren bij de 'Staat van Bedrijfsactiviteiten' uit de VNG-brochure zijn echter niet toepasbaar. De bij de regels opgenomen Staat van bedrijfsactiviteiten voor gebieden met functiemenging hanteert geen richtafstanden, maar de categorieën A, B en C die aangeven onder welke omstandigheden activiteiten inpasbaar zijn. Hieronder volgt een beschrijving van de categorieën.

categorie A Activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen - in gebieden met functiemenging - kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend. categorie B Activiteiten die in gebieden met functiemenging kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. categorie C De activiteiten uit categorie B waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. Voor de bestemming 'Gemengd' is een functiemengingslijst opgenomen met de categorieën A en B. Dit zijn hoofdzakelijk ambachtelijke bedrijven. Categorie C is niet opgenomen vanwege de extra verkeersaantrekkende werking. 4.2.2

Plangebied

Dit bestemmingsplan maakt de vestiging van gevoelige functies in de nabijheid van bestaande bedrijven op het (voormalig) industriegebied Cruquius mogelijk. In het Cruquiusgebied zijn nabij het plangebied op basis van het bestemmingsplan 'Cruquius' bedrijven toegestaan met een maximale milieucategorie 4.1. Daarnaast staat het bestemmingsplan binnen het plangebied creatieve bedrijvigheid toe. In het uitgevoerde onderzoek Bedrijven en milieuzonering (Bijlage 9 Bedrijven en milieuzonering) is onderzocht of er ter plaatse van de geplande woningbouw en de woningbouw in de omgeving sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of de omliggende bedrijven niet onevenredig in hun bedrijfsvoering worden geschaad. Effecten creatieve bedrijvigheid en horeca in plangebied op woningbouw 40 eld)

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgest

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

Voor de toegelaten bedrijven in het plangebied wordt de systematiek van functiemenging toegepast. De Lijst van toegelaten bedrijven is als bijlage bij de regels gevoegd. Zoals uit de rapportage "Ontwikkeling Kop van Cruquius (deelgebied 7) in Amsterdam Milieuzonering van het adviesbureau LBP Sight (Bijlage 9 Bedrijven en milieuzonering) is op te maken vallen functies als kleinschalige bedrijvigheid, creatieve functies en de horeca van dit plan onder categorie A van de Staat van bedrijfsactiviteiten voor functiemenging van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). Wat betekent dat deze activiteiten als weinig milieubelastend worden aangemerkt voor hun omgeving en dat deze activiteiten aanpandig aan woningen uitgevoerd kunnen worden. Hierbij zijn de eisen uit het Bouwbesluit voor scheiden tussen wonen en bedrijven toereikend. Voorts concludeert het adviesbureau LBP Sight specifiek voor horeca dat het projecteren van appartementen boven horecagelegenheden aandacht vraagt aan de te realiseren geluidsisolatie tussen de horecavoorziening en de erboven gelegen woningen. Dit geldt zowel voor de luchtgeluidsisolatiewaarden als de contactgeluidsisolatiewaarden. Voorts geeft LBP Sight aan dat het projecteren van terrassen bij horeca gelegenheden nabij woningen in een gemengd gebied passend is.

Waarbij wordt opgemerkt dat bij de aangrenzende realisatie extra aandacht besteed dient te worden aan de optredende geluidbelasting ter plaatse van de gevels van de woningen en hoe die geluidbelasting zich verhoudt tot een goed woon- en leefklimaat in de woningen. Dit is voor een initiatiefnemer voor nieuwbouw een aandachtspunt voor het moment van opstellen van een concreet bouwplan voor deze locatie. De nieuwe niet-woonfuncties in het plangebied zijn toelaatbaar. Ten aanzien van de bestaande bedrijven heeft het bestemmen van deze functies geen belemmerende werking, omdat de omliggende bedrijven geen gevoelige bestemmingen betreffen en daarom geen speciale bescherming genieten. Effecten woningbouw in plangebied op omliggende bedrijven Op basis van het geldende bestemmingsplan 'Cruquius' hebben nog enkele bedrijven in de omgeving van het plangebied de bestemming Bedrijf, waarbij bedrijven tot categorie 4.1 zijn toegestaan. Enkele bedrijven hebben via een maatbestemming een hogere categorie toegekend gekregen. Bij bedrijven met categorie 4.1 geldt op basis van gemengd gebied een richtafstand van 100 m tot gevoelige functies. Bij categorie 5.2 geldt een afstand van 500 meter en bij categorie 4.2 geldt 200 m.

De volgende bedrijfsbestemmingen / bedrijven zijn relevant: Bedrijfsverzamelgebouw Cruquiuskwartier Kapteijn Metaal Recycling Afvalpunt Cruquiusweg (oost) Daarnaast zijn er ook aan de overzijde van het water bestaande bedrijven gelegen.

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgesteld) 41

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

Afbeelding 4.1 Bestaande bedrijven omgeving plangebied De nieuwe woningen liggen op voldoende afstand van de bestaande bedrijvigheid. Alleen bij het bedrijfsverzamelgebouw Cruquiuskwartier is de woningbouw binnen de richtafstand gelegen en is woningbouw zonder nadere afweging en/of maatregelen niet zonder meer mogelijk. Uit het onderzoek (Bijlage 9 Bedrijven en milieuzonering) blijkt dat de feitelijke bedrijvigheid niet wordt belemmerd. Deze heeft een lagere milieucategorie dan maximaal volgens het bestemmingsplan toelaatbaar is. De (voormalige) bedrijvigheid op het oostelijk deel van het Cruquiusgebied is reeds verdwenen of verdwijnt op korte termijn. Er zijn hier bestemmingsplannen voor woningbouw in procedure of in voorbereiding. Voor de locaties met een bedrijfsbestemming waar categorie 4.1 bedrijven zijn toegestaan en die ook in de toekomst zullen blijven bestaan en waarvoor geldt dat nu woningbouw wordt mogelijk gemaakt binnen de richtafstand van 100 m, dient een nadere afweging te worden gemaakt. Uit het onderzoek (zie bijlage 9) is op te maken dat het bij voorliggend bestemmingsplan gaat om de locatie van het Bedrijfsverzamelgebouw Cruquiuskwartier (Cruquiusweg 109-111). In de huidige situatie wordt de bedrijvigheid op deze locatie aangemerkt als (milieu)categorie 1.

Bij toekomstige ontwikkelingen in dit transformatiegebied dient evenwel rekening te worden gehouden met planmaximalisatie, dat wil zeggen met het gegeven dat hier bedrijvigheid van (milieu)categorie 4.1 is toegestaan. Van belang hierbij is op te merken dat het een richtafstand betreft, waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Geluid is bij de bedrijfsactiviteiten vaak de bepalende factor voor de aan te houden afstand. Met akoestisch onderzoek kan worden aangetoond of een kortere afstand acceptabel is. Daarbij kan veelal door toepassing van technische (geluid)maatregelen aanwezige nadelige effecten (grotendeels) worden weggenomen. Met maatwerk kan een goede ruimtelijke ordening worden gewaarborgd. Bij de analyse over de milieu-planologische inpasbaarheid wordt gebruik gemaakt van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering als hulpmiddel. Die publicatie ziet in beginsel toe op het scheiden van hinderveroorzakende en hindergevoelige functies. Daartoe bevat die publicatie onder andere richtafstanden en stappenschema's bij het projecteren van gevoelige bestemmingen binnen de richtafstanden. Dit laatste is in voorliggende situatie het geval. Dit brengt met zich mee dat nadere afwegingen dienen te worden gemaakt, waarbij mede is gekeken naar het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm). Dit om de volgende reden: In het Abm staan milieuregels waar inrichtingen aan moeten voldoen.

Dit geldt onder meer voor de activiteiten op de locatie van het bestaande bedrijfsverzamelgebouw 42 eld)

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgest

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7 Cruquiuskwartier. De grenswaarden van het Abm die inrichtingen in acht moeten nemen gelden voor geluid op de gevel van gevoelige gebouwen. En indien de inrichting op een gezoneerd industrieterrein ligt, geldt dat voor wat betreft het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau ook op 50 m van de inrichting. Het bestemmingsplan projecteert nieuwe woningen nabij een bestaand bedrijfsverzamelgebouw op een afstand van minimaal circa 10 meter (Candido). Voor het bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7, Kop van Cruquius is de vraag aan de orde in hoeverre het Cruquiuskwartier in de nieuw beoogde situatie van het bestemmingsplan kan voldoen aan de grenswaarden van artikel 2.17 van het Abm. Deze regels uit het Abm zijn vertaald in artikel 3.2.1 van de regels van dit bestemmingsplan. De redenering daarbij is als volgt: Op grond van het Abm dienen inrichtingen bij het uitvoeren van hun activiteiten voor geluid de maximale grenswaarden in acht te nemen op gevels van woningen. Om te voorkomen dat bestaande bedrijven in hun bedrijfsvoering worden beperkt als gevolg van het, ten opzichte van de bestaande situatie, dichterbij projecteren van nieuwe woningen, is in artikel 3.2.1 van de planregels het volgende bepaald: woningen moeten zijn voorzien van dove gevels, tenzij voldaan wordt aan de grenswaarden die in de regels zijn opgenomen.

En aanvullend, dat het ook mogelijk is om andere geluidsmaatregelen te treffen. Uit de berekeningen in het aanvullend akoestisch onderzoek naar het Bedrijfsverzamelgebouw Cruquiuskwartier in relatie tot de beoogde woningbouw (Bijlage 11 Hoofdlijnen aanvullend akoestisch onderzoek industrielawaai) blijkt dat grotendeels voldaan kan worden aan de grenswaarden uit het Abm en dus de regels in artikel 3.2.1. van dit bestemmingsplan. De berekeningen zijn gebaseerd op actuele situatie waarbij voor gebouw 2 en 3 geluidreducerende maatregelen zijn doorgevoerd. In de rapportage van het akoestisch onderzoek is voor het bedrijfsverzamelgebouw Cruquiuskwartier, onderscheid gemaakt in vier te onderscheiden gebouwdelen, namelijk: gebouw 1: Cruquiusweg 109 A t/m H gebouw 2: Cruquiusweg 109 K t/m T gebouw 3: Cruquiusweg 111 A t/m H gebouw 4: Cruquiusweg 111 K t/m T Elk van deze gebouwdelen heeft een eigen VvE. Om het geluid van het bedrijfsverzamelgebouw Cruquiuskwartier te reduceren zijn afspraken gemaakt met de VvE's om bij gebouw 2 en 3 aanpassingen te doen aan de installaties op het dak. De volgende modificaties zijn afgesproken: aanpassen van de technische installatie gebouw 3 plaatsen geluidscherm op het dak van gebouw 3 (hoogte ca. 3,5 meter) plaatsen geluidscherm op het dak van gebouw 2 (hoogte ca. 3,5 meter) In het akoestisch onderzoek is rekening gehouden met deze maatregelen.

Deze maatregelen zullen geborgd worden via een maatwerkvoorschrift voor gebouw(deel) 2 en 3. Uit de rekenresultaten per gebouw blijkt dat de actuele geluidbelasting van elk gebouw op het plan gebied van de Kop van Cruquius kan voldoen aan de grenswaarde in planregel 3.2.1. Uitgezonderd zijn enkele woningen op de bovenste verdiepingen van Houtsma-Zuid en Candido. Op onderstaande afbeelding is een grafisch overzicht gegeven op welke plaatsen voldaan kan worden en op welke plaatsen sprake is van een bijzondere maatregel (dove gevel).

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgesteld) 43

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

Afbeelding 4.2: Dove gevels Houtsma-Zuid Candido (rode bolletjes) 4.2.3

Conclusie

Met het wijzigen van de huidige bestemming 'Bedrijf - 3' die van toepassing is op de planlocatie naar de bestemming 'Gemengd' waarmee wonen, (creatieve) bedrijven, horeca, maatschappelijke functies en dienstverlening worden mogelijk gemaakt, voorziet het plan met het treffen van maatregelen (installaties bedrijvigheid), dove gevel, geluidluwe gevel en aanvaardbaar binnenklimaat) in een aanvaardbaar woonen leefklimaat. De planontwikkeling leidt niet tot onevenredige beperkingen van de planologische mogelijkheden voor de aanwezige bedrijven in de omgeving.

4.3

Luchtkwaliteit

4.3.1

Kader

Wet luchtkwaliteit Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen over luchtkwaliteitseisen opgenomen in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2 Wm). Hiermee is het Besluit luchtkwaliteit 2005 vervallen. Omdat titel 5.2 handelt over luchtkwaliteit staat deze ook wel bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Specifieke onderdelen van de wet zijn uitgewerkt in amvb's en ministeriële regelingen. De nieuwe wetgeving kent een dubbele doelstelling: De overheid wil een belangrijke impuls geven aan het treffen van maatregelen zodat in ons land de Europese normen worden gehaald; De overheid wil er ook voor zorgen dat er meer mogelijkheden zijn om projecten door te laten gaan. Dat was nodig om dat in het verleden veel plannen door de rechter werden stilgelegd vanwege het niet halen van de normen. Een belangrijk verschil met het vervallen besluit luchtkwaliteit 2005 is dat de nieuwe regelgeving geen directe en harde koppeling meer kent tussen besluiten en grenswaarden. Deze is vervangen door een meer flexibele toetsing of koppeling tussen (ruimtelijke) besluiten en de gevolgen voor de luchtkwaliteit. Een van de elementen daarvan is dat projecten die 'niet in betekenende mate bijdragen' aan de concentraties, niet meer afzonderlijk getoetst hoeven te worden aan de grenswaarden voor de buitenlucht.

Voor projecten die wel in betekenende mate bijdragen aan de concentratie is het nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) relevant. 44 eld)

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgest

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7

Een bestemmingsplan is in overeenstemming met de Wet milieubeheer als het bestemmingsplan niet leidt tot een overschrijding of een verdere overschrijding van de normen. AMvB en Regeling niet in betekende mate (NIBM) De Wet luchtkwaliteit maakt onderscheid tussen grote en kleine ruimtelijke projecten. Een project is klein als het slechts in geringe mate (ofwel niet in betekenende mate) leidt tot een verslechtering van de luchtkwaliteit. De grens ligt bij een verslechtering van maximaal 3% van de grenswaarden voor de luchtkwaliteit. Een verslechtering van maximaal 3% komt overeen met een nieuwbouwproject van 1.500 woningen. Grotere projecten daarentegen kunnen worden opgenomen in het NSL-programma, mits ook overtuigend wordt aangetoond dat de effecten van dat project worden weggenomen door de maatregelen van het NSL. De AMvB en Regeling “niet in betekenende mate” bevatten criteria waarmee kan worden bepaald of een project van een bepaalde omvang wel of niet als “in betekenende mate” moet worden beschouwd. Deze AMvB is gelijktijdig met het NSL in werking getreden. NIBM projecten kunnen zonder toetsing aan de grenswaarden voor het aspect luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Ook als het bevoegd gezag op een andere wijze, bijvoorbeeld door berekeningen, aannemelijk kan maken dat het geplande project NIBM bijdraagt, kan toetsing van de luchtkwaliteit achterwege blijven.

Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam Op 1 maart 2006 is de gemeenteraad akkoord gegaan met het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam 2005. Dit actieplan kent als doel het oplossen van de bestaande knelpunten ten aanzien van de luchtkwaliteit in de stad. De drie centrale uitgangspunten van dit actieplan zijn: Het beschermen van de gezondheid van mensen staat centraal. Amsterdam houdt vast aan het concentratiebeleid ten aanzien van het hoofdnet auto. Amsterdam houdt vast aan het beleid met betrekking tot de compacte stad. Het Actieplan Luchtkwaliteit Amsterdam vloeit voort uit de verplichting die is opgenomen in het landelijke Besluit luchtkwaliteit (2005). Ingegeven door aspecten van de volksgezondheid stelt dit besluit, op grond van een Europese richtlijn, voor verschillende stoffen normen voor maximale concentraties in de buitenlucht. Burgemeester en Wethouders moeten op grond van het Besluit luchtkwaliteit jaarlijks de stedelijke luchtkwaliteit inventariseren. Indien daaruit blijkt dat er sprake is van knelpunten, hetgeen in Amsterdam het geval is, moeten Burgemeester en wethouders op grond van het Besluit luchtkwaliteit een actieplan opstellen dat gericht is op het aanpakken van de geïdentificeerde knelpunten. Dit actieplan is vastgesteld door het College op 24 januari 2006.

Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit Amsterdam Het college stelt voor aan de raad om een aanvullend toetsingskader bij de Structuurvisie vast te stellen. In de Structuurvisie staan de ruimtelijke ambities van de gemeente tot 2040. De 'richtlijn gevoelige bestemmingen' en het 'afwegingskader verkeerstromen in relatie tot gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit' zijn in de Structuurvisie benoemd als onderwerpen waarvoor een aanvullend toetsingskader zal worden vastgesteld. Met deze raadsvoordracht wordt daaraan voldaan. Het effect is dat de richtlijn en het afwegingskader stadsbrede werking krijgen waardoor in heel Amsterdam bij nieuwbouw of het opnieuw in gebruik nemen van 'gevoelige bestemmingen' (zoals ziekenhuizen, scholen en kinderdagverblijven) in de buurt van drukke verkeersstromen eerst advies van GGD moet worden gevraagd. Het college heeft ingestemd met het 'afwegingskader verkeersstromen in relatie tot de gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit'. Het afwegingskader hoort bij de in 2010 vastgestelde 'richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit'. De richtlijn en het afwegingskader zorgen ervoor dat in de zones langs wegen waar een slechte luchtkwaliteit heerst niet zomaar nieuwe bebouwing en nieuw gebruik voor kwetsbare groepen ontstaan. 4.3.2

Plangebied

In het kader van een nieuw bouwplan dient beoordeeld te worden of er voldaan wordt aan de wettelijke luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer (Wm). Daartoe is een luchtkwaliteitsonderzoek uitgevoerd voor het de herontwikkeling van het gehele Cruquiusgebied (Bijlage 14 Luchtkwaliteit). In het rapport is aangegeven dat het Cruquiusgebied niet onder het NSL valt en gezien de aard en bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgesteld) 45

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7 omvang van de totale ontwikkelingen in het gebied is geen toetsing uitgevoerd aan het NIBM-criterium.

Afbeelding 4.3 Onderzoeksgebied luchtkwaliteit Uit metingen en berekeningen van het LML en PBL (onder andere de Grootschalige Concentraties Nederland (GCN)) en het NSL blijkt dat in Nederland alleen nog lokaal sprake is van een (dreigende) overschrijding van de grenswaarde voor de stoffen NO2 en fijn stof (PM10). De grenswaarden voor overige luchtverontreinigende stoffen worden reeds geruime tijd en nagenoeg overal in Nederland gerespecteerd. (Zeer) fijn stof en NO2 zijn daarmee de meest relevante stoffen in het kader van de beoordeling van de gevolgen voor de luchtkwaliteit. In het onderzoek is de gedetailleerde analyse van de luchtkwaliteit derhalve beperkt tot (zeer) fijn stof en NO2. De gehanteerde grenswaarden per stof zijn samengevat in onderstaande tabel.

Tabel 4.2 Grenswaarden luchtkwaliteit Resultaten Bij het bepalen van de concentraties in het onderzoeksgebied zijn zowel de bijdragen van wegverkeer, scheepvaartverkeer als bedrijfsgebonden emissies betrokken. Door de bijdrage van deze bronnen op te tellen bij de ter plaatse heersende achtergrondconcentraties, wordt inzicht gegeven in de totale concentratie niveaus in het onderzoeksgebied. In het onderzoek zijn de gevolgen voor de luchtkwaliteit, die samenhangen met de voorgenoemde herontwikkeling in kaart gebracht. Hiertoe zijn de concentraties luchtverontreinigende stoffen berekend op die locaties waar de gevolgen voor de luchtkwaliteit maximaal zijn en de hoogste concentraties luchtverontreinigende stoffen te verwachten zijn. De berekeningen zijn uitgevoerd voor het jaar 2017. In het onderzoek is uitgegaan van de ingebruikname van het Cruquiusgebied in 2017. Omdat de ingebruikname van de herontwikkeling in de praktijk gefaseerd zal plaatsvinden, vormen de berekende concentraties luchtverontreinigende stoffen in voorliggend onderzoek een overschatting van de werkelijk 46 eld)

bestemmingsplan "Cruquius deelgebied 7" (vastgest

bestemmingsplan Cruquius deelgebied 7 te verwachten concentraties (worstcase). Uit de berekeningen volgt dat zelfs bij de gehanteerde worstcase benadering, de grenswaarden voor (zeer) fijn stof en NO2 niet worden overschreden op die locaties waar de gevolgen voor de luchtkwaliteit vanwege de beoogde ontwikkeling het grootst zijn. 4.3.3

Conclusie

Naar aanleiding van de rekenresultaten geldt dat er op basis van artikel 5.16 lid 1 onder a van de Wet milieubeheer ten aanzien van de luchtkwaliteitseisen geen knelpunt bestaat voor de verdere bestemmingsplanprocedure.

4.4

Geluidhinder

4.4.1

Kader

In de Wet geluidhinder (Wgh) zijn sinds het eind van de jaren '70 de wetten en regels voor het bestrijden en voorkomen van geluidhinder ten gevolge van wegverkeer, railverkeer en industrie vastgelegd. Hierin staat bijvoorbeeld wanneer de geluidbelasting moet worden getoetst. Daarnaast is vastgelegd welke geluidbelasting in deze situaties is toegestaan. Wanneer een overschrijding van de norm wordt geconstateerd bij de toetsing, moeten er maatregelen worden getroffen om de geluidbelasting terug te brengen. De akoestische berekeningen moeten voldoen aan de regels die zijn vastgelegd in Reken- en Meetvoorschriften. Indien een bestemmingsplan nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk maakt, dient akoestisch onderzoek verricht te worden. Bestaande wegen, die niet zijn aangewezen als woonerf of 30 km-zone, hebben een wettelijke geluidzone. Indien binnen deze zone nieuwe geluidsgevoelige functies mogelijk worden gemaakt, dient met een akoestisch onderzoek aangetoond te worden dat er voldaan wordt aan de hoogst toelaatbare waarde van de Wgh. Hetzelfde geldt voor nieuwe geluidgevoelige functies in de geluidzone van een industrieterrein. Indien uit onderzoek blijkt dat de hoogst toelaatbare waarde van 48 dB respectievelijk 50 dB(A) op de gevel wordt overschreden, zal er een hogere waarde vastgesteld moeten worden.

Het ontwerpbesluit tot vaststelling van een hogere waarde dient gelijktijdig met het ontwerpbestemmingsplan ter inzage gelegd te worden. Voor scheepvaartlawaai bestaan in Nederland geen wettelijke normen en is er geen wettelijke berekeningsmethode voor de geluidbelasting door de varende schepen. Over het algemeen ervaren mensen scheepvaartlawaai als minder hinderlijk dan industrie- of wegverkeerslawaai, maar hinderlijker dan bijvoorbeeld spoorweglawaai. Geluidbeleid Het actuele Amsterdams geluidsbeleid is opgenomen in het 'Amsterdams geluidbeleid 2016' (Gewijzigde versie vastgesteld op 17 oktober 2023). Het Amsterdams geluidbeleid wordt toegepast bij de ontwikkeling van woningen en andere geluidgevoelige objecten op locaties met een hoge(re) geluidbelasting. De essentie is dat woningen waarvoor een hogere grenswaarde wordt vastgesteld in principe een stille zijde moeten hebben. Wanneer van dat uitgangspunt wordt afgeweken, wordt in het hogere grenswaarden besluit een motivatie opgenomen. Hoe groter de overschrijding, hoe uitgebreider de motivatie. Bij de vaststelling van een hogere waarde wordt rekening gehouden met de samenloop (cumulatie) van de geluidbelasting van verschillende bronnen.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15362929/1