CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

04. Toelichting.pdf

RAAD 10 juli 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel. (VN2025-007322)40.713 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 5 van 5

3 alinea's met “opening”: 141 428 575

vervolgstappen/onderzoek nodig is ten aanzien van: 1. vleermuizen: indien de bebouwing in het plangebied wordt gesloopt dient soortgericht onderzoek naar vleermuizen plaats te vinden naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen in deze bebouwing. Indien de werkzaamheden niet trillingvrij en zonder extreem geluid (bijvoorbeeld heien) uitgevoerd kunnen worden dient soortgericht onderzoek plaats te vinden naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen in gebouwen en bomen rond het plangebied die zelf niet gesloopt en gekapt worden. 2. controle op aanwezige nesten bij werkzaamheden in broedseizoen (globaal maart t/m juli) Conclusie verkennend onderzoek / consequenties Het verkennend onderzoek is aanleiding voor nader onderzoek naar vleermuizen en stikstofdepositie. Nader onderzoek heeft plaatsgevonden. De resultaten zijn hierna beschreven. Soortbescherming, nader onderzoek In de periode mei - september 2021 heeft nader veldonderzoek plaatsgevonden gericht op zomer- en/of kraamverblijven en paarverblijven van gewone dwergvleermuis, ruige dwergvleermuis, kleine dwergvleermuis, laatvlieger en meervleermuis. De resultaten van het onderzoek zijn weergegeven in de rapportage "Cruquiuseiland deelgebied 8, 1.3 meerwerk - vleermuisonderzoek; Referentie 125147/22-000.309; Witteveen + Bos; 11 januari 2022".

Hieruit is het volgende op te maken: Kraam- en zomerverblijfplaatsen Binnen het plangebied en de aanliggende woningen en bomen zijn geen aanwijzingen voor kraam- en zomerverblijfplaatsen voor vleermuizen. Voor deze functies zijn geen verdere maatregelen of een ontheffingsaanvraag nodig. Paarverblijfplaatsen In of rondom het plangebied is voor zowel de gewone- als ruige dwergvleermuis één paarverblijfplaats aanwezig. Het kan niet uitgesloten worden dat de zuidzijde van het werfgebouw (gebouw in deelgebied Gemeente Amsterdam

blz. 88

8.3 dat grenst aan de Nieuwe Vaart) als paarverblijfplaats functioneert. Daarom wordt de worst-case-methode toegepast, waarbij aangenomen wordt dat het slopen van het werfgebouw resulteert in vernietiging van deze paarverblijfplaatsen. Dit is een overtreding van de verboden van de Wet natuurbescherming (Wnb) (zie bijlage I). Het is verboden om voortplantingsplaatsen te beschadigen of te vernietigen (artikel 3.5, HR IV, verbod 4). Voor de uitvoer van dergelijk werkzaamheden dient een ontheffing in het kader van de Wnb soortenbescherming te worden aangevraagd en dient het aangetast/vernietigd verblijf passend te worden gecompenseerd. Hiervoor dient een Activiteitenplan te worden opgesteld. Dit in het kader van het omgevingsvergunningproces. Dat proces is aan de orde nadat voorliggend bestemmingsplan is vastgesteld. Een ontheffing in het kader van de Wnb is in de fase van het bestemmingsplanproces dus nog niet aan de orde. Met het oog op de uitvoerbaarheid van het voorliggende bestemmingsplan geldt het volgende: Soortbescherming, afweging en conclusie bestemmingsplan Bij sloop van een gebouw in deelgebied 8.3 (werflocatie) zal rekening moeten worden gehouden met het opstellen van een Activiteitenplan en aanvraag Wet natuurbescherming. Deze conclusie voor die fase, vormt voor wat betreft de uitvoerbaarheidvraag van het voorliggende bestemmingsplan geen belemmering.

Dit omdat het een paarverblijf van ruige en gewone dwergvleermuis betreft en een winterverblijf van gewone dwergvleermuizen. Uit de rapportage van het onderzoek is op te maken dat dit allen verblijfplaatsen zijn waar vervangende verblijfplaatsen voor te realiseren zijn waarvan bekend is dat deze doeltreffend zijn. En dat in dit geval derhalve mitigerende- en compenserende maatregelen genomen kunnen worden op grond waarvan de ontheffing op de Wnb verleend kan worden in de fase waarin het uitvoeren van de betreffende sloopactiviteiten aan de orde is. Geconcludeerd wordt dat het bestemmingsplan voor het natuuraspect 'soortbescherming' uitvoerbaar is. Gebiedsbescherming, verkennend onderzoek De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden liggen op ruime van het plangebied. In verkennende beoordelingen (ook wel 'voortoets' genoemd) van de vraag of een plan mogelijk negatieve effecten kan veroorzaken wordt doorgaans onderscheid gemaakt in een 19-tal verschillende storingsfactoren. Dit is afhankelijk van Natura 2000-gebied en activiteit. Het gaat hierbij bijvoorbeeld om oppervlakteverlies, versnippering, verontreiniging, verstoring door geluid, optische verstoring, etc..

De dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden en delen van het NNN bevinden zich op voldoende afstand van het plangebied om dergelijke effecten op voorhand uit te sluiten, met uitzondering van mogelijk effect van stikstofdepositie. Dit laatste is te bepalen middels een AERIUS-berekening. In april 2022 is door het bureau IDDS een AERIUS-berekening uitgevoerd. De rapportage is een bijlage bij dit bestemmingsplan (Stikstof onderzoek Deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel; IDDS; Kenmerk A1303-07/SBO/rap1; Datum 16 februari 2023). Uit de rapportage, opgesteld tijdens de voorbereiding van het bestemmingsplan, is op te maken dat de depositie in Natura 2000 gebieden 0,00 mol/ha/jr is en dat er geen effecten zijn op beschermde natuurgebieden. Ervaring leert dat onderzoek met een actuelere versie van de Aerius Calculator die conclusie in voorkomend geval niet anders maakt. Conclusie gebiedsbescherming: Het aspect gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.

bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)

blz. 89

5.5

Schiphol - Luchthavenindelingsbesluit

5.5.1

Kader

Het Luchthavenindelingbesluit Schiphol (hierna: LIB) is in november 2002 in werking getreden, aangepast in 2014 en geconsolideerd in 2018. Het is een besluit op basis van de Luchtvaartwet. Het LIB regelt voor welk gebied rondom de luchthaven beperkingen gelden ten behoeve van de veiligheid en geluidsbelasting. Voor bepaalde gebieden rondom Schiphol is een 'beperkingengebied' aangewezen. Binnen dat gebied gelden beperkingen ten aanzien van maximale bouwhoogten, vogelaantrekkende functies en toegestane functies. Het LIB geeft regels voor het gebruik en de bestemming van de grond in deze gebieden. Op basis van het LIB kan de rijksoverheid beperkingen opleggen aan bouwinitiatieven in zones rondom de luchthaven Schiphol. Primaire doelen zijn: Voorkomen dat het gebruik van de grond en de bebouwing op en rond Schiphol een gevaar zou kunnen vormen voor de veiligheid van het luchtverkeer; beperken van het aantal nieuwe en bestaande door vliegtuiggeluid gehinderde bewoners en gebruikers. 5.5.2

Situatie plangebied

Het plangebied is gelegen binnen het beperkingengebied ten aanzien van maximale bouwhoogten. Op grond van het LIB geldt hier een maximum bouw toetshoogte van 146 meter en maximum radar toetshoogte van 76 meter, gemeten vanaf het peil van Schiphol (-4,0 meter NAP). Het bestemmingsplan ziet toe op nieuwbouw van maximaal 23,5 meter ten opzichte van omliggend maaiveld. De maaiveldhoogte bedraagt hier afgerond circa NAP + 1 meter (bron: stedenbouwkundig matenplan 'Cruquiusbuurt' met peilhoogtes d.d. 9-5-2019). 5.5.3

Conclusie

Het bestemmingsplan maakt geen bouwhoogtes mogelijk die de maximum hoogtes vanuit het LIB overschrijden. Het Luchthavenindelingsbesluit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.

Gemeente Amsterdam

blz. 90

bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)

blz. 91

Hoofdstuk 6 6.1

Juridische planbeschrijving

Algemeen

Het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding en de regels (zogenaamde planregels). De regels zijn gerelateerd aan de verbeelding, zodat kaart en regels ten alle tijden in onderlinge samenhang dienen te worden bezien en toegepast. Verbeelding De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor toepassing van de regels alsmede de functie van visualisering van de bestemmingen. Op de verbeelding hebben alle gronden binnen het plangebied een bestemming gekregen. Binnen een bestemming kunnen nadere aanduidingen zijn aangegeven. Deze aanduidingen hebben slechts juridische betekenis indien, en voor zover, deze in de regels daaraan wordt gegeven. Soms heeft een aanduiding juridisch gezien geen enkele betekenis en is uitsluitend op de verbeelding aangegeven ten behoeve van de leesbaarheid van de kaart (bijvoorbeeld topografische gegevens). De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers en overheid bindende deel van het bestemmingsplan. Regels De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het regelen van het gebruik van de gronden, bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing, regelingen betreffende het gebruik van aanwezige en/of op te richten bouwwerken. De regels zijn onderverdeeld in meerdere hoofdstukken. Per hoofdstuk zullen de diverse bepalingen artikelsgewijs worden besproken.

Toelichting De toelichting heeft géén bindende werking; de toelichting maakt juridisch ook geen onderdeel uit van het bestemmingsplan, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het plan en ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Door de grote flexibiliteit, of beter vrijheid in de regels, kan de rechtszekerheid van belanghebbenden in het gedrang komen. In de toelichting dienen derhalve duidelijk de beleidsintenties te worden aangegeven met betrekking tot het toekomstig grondgebruik. De toelichting heeft echter géén rechtstreeks burgers bindende werking. Van de verschillende bestemmingen wordt kort toegelicht van de gebruiks- en bouwmogelijkheden zijn.

6.2

Planvorm

Dit bestemmingsplan Het bestemmingsplan is ontwikkelgericht. Dit wil zeggen dat de huidige gebruiks- en bouwregels in dit deel van de gemeente worden vervangen door nieuwe bestemmingsplanregels om de nieuwbouw, nieuwe functies en de aanleg van voorzieningen voor een nieuw woon- en werkgebied mogelijk te maken. Voorafgaand aan het opstellen van het voorliggend bestemmingsplan zijn de stedenbouwkundige kaders bepaald waarbinnen de toekomstige ontwikkelingen zich in ieder geval moeten afspelen. Hiervoor wordt onder meer verwezen naar paragraaf 2.2, 3.5.8, 4.2, 4.3 en 5.3.1. De kaders zijn, voor zover ruimtelijk relevant, vertaald naar een in hoofdopzet globale verbeelding, met nadere detaillering voor het borgen van bepaalde ruimtelijk gerelateerde belangen. Aan de verbeelding zijn regels gekoppeld die de gestelde kaders vastleggen en waarmee wordt gezorgd voor een goede middenweg tussen flexibiliteit voor gebruikers, gemeente en ontwikkelaar(s) enerzijds en voldoende

Gemeente Amsterdam

blz. 92

rechtszekerheid voor omwonenden en andere belanghebbenden anderzijds. Planvorm en sturing De afgelopen jaren is de tendens voor gebiedsontwikkeling in Nederland meer en meer verschoven van aanbodgericht ontwikkelen naar vraaggericht ontwikkelen. Deze verandering in wijze van ontwikkelen vraagt om een planvorm met kaders waarbinnen veranderingen in marktvraag, gedurende de planhorizon van een bestemmingsplan (10 jaar) kunnen worden gefaciliteerd. Als bestemmingsplanopzet voor de herontwikkeling van het plangebied is daarom gekozen voor een relatief globaal eindplan zonder uitwerkingsverplichting. Dit om een geleidelijk verlopende gebiedsontwikkeling op gang te brengen. Met het vaststellen van een relatief globaal eindplan wordt op voorhand het eindbeeld (welke functies zijn toegestaan in welke gebieden, wat is het maximum programma, waar komt de hoofdontsluiting, welke elementen dienen te worden behouden, etc.) alleen in grote lijnen vastgelegd en zal het uiteindelijke resultaat (exacte situering en grootte van een woning op een kavel, de exacte hoogte in meters, de exacte ligging van een weg, voet- of fietspad, etc.) mede bepaald gaan worden door het verloop van de marktvraag in de tijd. Sturing op het eindbeeld vindt daarbij niet alleen plaats via de regels van het bestemmingsplan, maar ook via het sturen bij uitgifte/tendering.

Onder meer op basis van de spelregels en spelregelkaart van 2012 (zie paragraaf 2.2.2) worden voor de bouwblokken zogeheten bouwenveloppen opgesteld. Deze worden via openbare tenders op de markt van ontwikkelaars en beleggers aangeboden. In die bouwenveloppen worden meer gedetailleerde bouwregels uitgewerkt. Bij het opstellen van deze bouwregels wordt onder meer aandacht besteed aan de uitstraling van de bouwblokken, maar ook de integrale uitwerking van duurzaamheidsaspecten zoals bijvoorbeeld zonnepanelen. De bouwenveloppen zijn een van de voorwaarden voor gunning in aanbesteding. Voorbeelden van gebouwontwerp gerelateerde aspecten waarop via de bouwenveloppen in meer detail wordt gestuurd dan via de regels van voorliggend globaal bestemmingsplan zijn onder andere: hoogte van de plint; diepte van balkons; afstand tussen voorgevelrooilijn en inpandige (fiets)parkeervoorzieningen; situering voorgevels / inspringingen op bouwlagen / terugligging van bepaalde delen van bouwlagen ten opzichte van de voorgevel rooilijn; snedes / openingen tussen gebouwen / delen van gebouwen; situering plein in relatie tot ligging rooilijnen; floor space index; dakvorm; etc.

Ontwikkeling versus beheer Omdat de realisatie van het totale gebied meerdere jaren in beslag kan nemen en gebouwontwerpen in de fase van het opstellen van het bestemmingsplan nog niet zijn afgerond of zijn gemaakt, is het in beginsel wenselijk om, ter voorkoming van onnodige starheid, enige globaliteit in de bestemmingsregels op te nemen. In voorliggend bestemmingsplan is dit doorgevoerd met het intekenen van ruime bouwvlakken op de verbeelding. Gebouwen dienen binnen bouwvlakken te worden gerealiseerd en er zijn maxima toegekend aan de toegestane bouwhoogte in deze bouwvlakken. De omvang van de nieuwbouw wordt daarbij ook bepaald door de totale omvang van het gebruik in de regels nader te bepalen. Sturing op het eindbeeld vindt daarbij niet alleen plaats via de regels van het bestemmingsplan, maar ook via het sturen bij uitgifte/tendering. Dit laatste geldt ook voor de beoogde woningbouwcategorieën. Zoals in paragraaf 2.2.3 onder "Voorkeurscenario (vastgesteld door Dagelijks Bestuur d.d. 15 december 2020)" is uiteengezet, ziet het voorkeursscenario toe op een verdeling van circa 35% sociale huurwoningen en circa 65% woningen in het middensegment, dus een verhouding van '35-65-0'. Op deze voorkeur wordt gestuurd via het 'instrument' van de uitgifte/tendering zodat rekening kan worden gehouden met voortschrijdend inzicht in de woningbouwmarkt.

bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)

blz. 93

6.3

De bestemmingen

Waar de overige paragrafen van deze plantoelichting de achtergronden van het bestemmingsplan belichten, geeft deze paragraaf een toelichting op de planregeling, te weten de planregels en de verbeelding. Uitgelegd wordt wat de bedoeling en strekking is van de verschillende onderdelen van de regels en de verbeelding. Daartoe worden in deze paragraaf de regels per artikel toegelicht. Aangezien alle onderdelen van de (digitale) verbeelding verbonden zijn met één of meer regels, wordt daarbij ook de verbeelding toegelicht. De regels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: Hoofdstuk 1: inleidende regels; met daarin definities en de wijze van meten en berekenen. Hoofdstuk 2: bestemmingsregels; die het hart van ieder bestemmingsplan vormen. Ze zijn opgebouwd uit een bestemmingsomschrijving, waarin een omschrijving wordt gegeven van de aan de grond toegekende functies. De hoofdfuncties worden als eerste genoemd. Verder kunnen in de bestemmingsomschrijving ook impliciet bij de bestemming behorende functies worden genoemd ("met de daarbij behorende"), bijvoorbeeld erf, paden, toegangswegen etc. Per bestemming worden bouwregels gegeven, waarin voor alle bouwwerk en de van toepassing zijnde bouwbepalingen worden geregeld. Waar nodig worden specifieke gebruiksregels gegeven. Daarin kunnen aanvullingen of afwijkingen van de algemene gebruiksregels worden gegeven.

Hoofdstuk 3: algemene regels; deze hebben betrekking op in beginsel alle voorafgaande regels. Hierbij gaat het onder meer om de anti-dubbeltelbepaling, algemene gebruiksregels, algemene bouwregels algemene afwijkingsbevoegdheid. Hoofdstuk 4: overgang- en slotregels. De regels in hoofdstuk 1 en de algemene regels in hoofdstuk 3 gelden voor het bestemmingsplan als geheel. Zij werken door in de diverse bestemmingen. Hoofdstuk 1 bevat een tweetal artikelen. In artikel 1 wordt een aantal in de regels en/of op de verbeelding voorkomende begrippen ter wille van de duidelijkheid en rechtszekerheid voorzien van een definitie. Artikel 2 geeft een uitleg van de wijze waarop de begrenzing van de verschillende bestemmingen, de bouwhoogte van bouwwerken en de oppervlakte van bouwwerken wordt gemeten. Hieronder volgt per opgenomen artikel een toelichting. Daar waar het betreffende artikel vanwege de erin opgenomen regeling dit vraagt zal uitgebreid worden ingegaan op die regeling. Voor de overige artikelen wordt volstaan met een meer beperkte uitleg. Artikel 1 Begrippen Artikel 1 geeft, in alfabetische volgorde, een omschrijving van een aantal begrippen dat in de regels wordt gebruikt. Hiermee wordt formeel vastgelegd wat wel en niet onder het betreffende begrip moet worden verstaan.

Dit artikel is dus primair bedoeld om begrippen duidelijk te begrenzen en niet om de gedachten achter de gebruikte termen uit te leggen. Daarvoor is juist deze toelichting bedoeld. In deze toelichting worden gehanteerde begrippen waar nodig uitgelegd. Artikel 3 Gemengd Nieuwbouw en sloop-herbouw / behoud De bestemming Gemengd is toegekend aan de gronden van de locatie "Drenthkavel" (deelgebied 8.2). Op deze gronden wordt een combinatie van nieuwbouw en sloop-herbouw-herbestemmen voorgestaan (zie paragraaf 2.2.3). De bestemming Gemengd laat zowel sloop-herbouw en nieuwbouw toe in het op

Gemeente Amsterdam

blz. 94

de verbeelding aangegeven bouwvlak. Het bouwvlak is deels afgestemd op de bestaande bebouwing en deels nieuw. Daarmee wordt een deel van de bestaande bebouwing wegbestemd. En ter plaatse van een deel van de bestaande bebouwing is sloop-herbouw toegestaan. Buiten het bouwvlak zijn in beperkte mate aan de hoofdbebouwing ondergeschikte bouwdelen toegestaan (balkons e.d.) en bouwwerken geen gebouwen zijnde. Woonruimte in de bestemming Gemengd Wonen is binnen de bestemming Gemengd toegestaan voorzover dat niet specifiek in het juridische deel is uitgesloten. Dat is onder meer het geval voor de locatie van de beoogde nieuwe multifunctionele hal die op de verbeelding is aangegeven met de aanduiding 'wonen uitgesloten'. Navolgend een toelichting op enkele specifieke afwegingen voor de juridische regeling van het wonen in de bestemming Gemengd, namelijk over: On)zelfstandige woonruimte, verkamering (kamerverhuur) en bed & breakfast; Short stay; Milieugerelateerde regels. Nadere toelichting: (On)zelfstandige woonruimte, verkamering (kamerverhuur) en bed & breakfast Regelgeving / regulering op het gebied van wonen betreft verschillende instrumenten. Een van de instrumenten is een Amsterdamse vergunningstelsel voor 'kamersgewijze verhuur' en 'bed&breakfast' op basis van de gemeentelijke Huisvestingsverordening. Een ander instrument is het bestemmingsplan.

Het navolgende is de toelichting op de gekozen wijze van bestemmen voor wat betreft het gebruik van woningen voor kamerverhuur en bed&breakfast in voorliggend bestemmingsplan. Dit op basis van de op het moment van voorliggend bestemmingsplan geldende regelgeving (momentopname): Met ingang van 1 januari 2020 geldt de Huisvestingsverordening 2020. Hierin zijn regels opgenomen over de samenstelling van de woonruimte voorraad. Onderscheid bestaat tussen zelfstandige woonruimte, onzelfstandige woonruimte en bedrijfsmatig gebruik van een deel van de woonruimte, bijvoorbeeld ten behoeve van bed & breakfast. Sturen op de samenstelling van de woonruimte voorraad is primair van belang omdat het woningaanbod dient aan te sluiten op de vraag en behoefte van huishoudens van verschillende samenstellingen aan woonruimte. Tussen de wijze van bewoning en/of het gebruik van te onderscheiden typen woonruimte bestaan verschillen. Bewoning door een gezinshuishouden is bijvoorbeeld anders dan het gebruik van een woonruimte met een gemeenschappelijke ruimte, die voor het overige verkamerd wordt verhuurd aan een aantal eenpersoonshuishoudens. De verschillende typen bewoning hebben naar hun aard een meer of minder intense ruimtelijke uitstraling.

Voor het gedeeltelijk gebruik van woonruimte ten behoeve van bed & breakfast geldt dat dit meer effect op de omgeving heeft dan bewoning zonder dit nevengebruik. Wanneer de rechthebbende een bestaande zelfstandige woonruimte verkamerd wil verhuren (ook wel omzetting genoemd), of in de woonruimte een bed & breakfast wil exploiteren, dan is op grond van de Huisvestingsverordening 2020 een omzettingsvergunning nodig voor verkamering respectievelijk onttrekkingsvergunning ten behoeve van bed & breakfast nodig. Wanneer verlening van de gevraagde vergunning, die een wijziging in de woonruimtevoorraad teweeg brengt, naar het oordeel van het college van burgemeester en wethouders leidt tot een aantasting van de leefbaarheid ter plaatse, bijvoorbeeld omdat de concentratie van verkamerde woningen ter plaatse te groot wordt geoordeeld, kan de op grond van de Huisvestingsverordening benodigde vergunning om die reden worden geweigerd. Datzelfde kan zich voordoen bij een concentratie van bed & breakfast exploitatie. Met ingang van 1 april 2020 geldt op grond van de Huisvestingsverordening 2020 voor omzetting en

bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)

blz. 95

onttrekking ten behoeve van bed & breakfast een quotumstelsel. Dit betekent dat er verdeeld over 99 wijken in de stad is vastgesteld hoeveel omzettingsvergunningen voor kamergewijze verhuur alsmede hoeveel onttrekkingsvergunningen ten behoeve van bed & breakfast er maximaal kunnen worden verleend. Bij het bepalen van die quota is de aanvaardbaarheid voor het woon- en leefklimaat betrokken. In geval van omzetting (verkamering / kamerverhuur) zijn naast het maximale aantal te verlenen vergunningen in het Huisvestingsbeleid (zoals dat geldt op moment van opstellen van voorliggend bestemmingsplan) stringente regels vastgelegd die toezien op een nadere spreiding van verkamerde verhuur binnen buurten en wijken, en te grote concentraties binnen een buurt of wijk worden voorkomen. Ook geldt de eis dat een kamer niet door meer dan één volwassene mag worden bewoond. Het samenstel van voorwaarden vormen een nadere borging van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. De afdeling Verkeer en Openbare ruimte van de gemeente heeft voor het opstellen van het beleid beoordeeld dat bij deze regeling geen sprake zal zijn van zodanige toename van de parkeerdruk of behoefte aan fietsparkeerplekken dat dit vanuit ruimtelijk oogpunt niet aanvaardbaar zou zijn.

Het exploiteren van een bed & breakfast, waarvoor een onttrekkingsvergunning noodzakelijk is, kan overlast, drukte, afvalproblematiek en lokale overheersing van toeristenwinkels binnen het winkelaanbod met zich meebrengen. Omwonenden van een bed & breakfast worden het hele jaar door geconfronteerd met arriverende en vertrekkende gasten (rolkoffers) en mogelijk overlast van toeristen in hun directe woonomgeving vanwege een ander dag-nachtritme. Met de wijkquota is nadrukkelijk ook een ruimtelijke sturing beoogd over de 99 wijken in de stad en niet alleen de bescherming van de woningvoorraad. De onttrekkingsvergunningen ten behoeve van bed & breakfast zullen voor maximaal acht jaar worden afgegeven. De wijkquota zorgen ervoor dat de extra druk die van omzetting van een zelfstandige naar meerdere onzelfstandige woonruimten (verkamering) alsmede gebruik van woonruimte ten behoeve van bed & breakfast uitgaat op het woon- en leefklimaat niet onevenredig zal zijn. Aldus beschermt het in de huisvestingsregels vastgelegde afwegingskader voor omzetting en onttrekking ten behoeve van bed & breakfast het belang van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voldoende. Een nadere ruimtelijke afweging voegt hieraan niets toe. De regels over woonruimte voorraad als vastgelegd in de Huisvestingsverordening 2020 hebben betrekking op de bestaande woonruimte voorraad.

Voorliggend bestemmingsplan maakt nieuwbouw van woningen mogelijk. De Huisvestingsverordening 2020 heeft geen directe betrekking op nieuwe woningen waarmee de bestaande woonruimte wordt uitgebreid. Dat pas aan de orde als de nieuw te bouwen woningen gerealiseerd zijn en het daarna dus bestaande woningen zijn. Wanneer in geval van nieuwbouw of transformatie direct voor kamerverhuur wordt opgericht of woonruimte wordt vergund en gerealiseerd met het oog op exploitatie als bed & breakfast, is dit toegestaan zonder omzettingsrespectievelijk onttrekkingsvergunning ten behoeve van bed & breakfast. In dat geval worden de ontwikkelingen niet in mindering gebracht op de op basis van de Huisvestingsverordening vastgelegde wijkquota. Hierdoor neemt de grip op de samenstelling van de woonruimte voorraad en sturing op leefbaarheid af. Door in de regels van het bestemmingsplan dat nieuwe woningen mogelijk maakt alleen de zelfstandige woonruimte als rechtstreeks recht toe te staan, wordt dit tegengegaan. Hiervoor is in voorliggend bestemmingsplan gekozen. Realiseren van onzelfstandige woonruimte en woonruimte met faciliteiten voor bed & breakfast zijn geen directe rechten in voorliggend bestemmingsplan. Wel zijn er afwijkingsbevoegdheden opgenomen.

De binnenplanse afwijkingsbevoegdheid kan echter niet worden gebruikt gelijktijdig met een omgevingsvergunning om een woongebouw op te richten of een gebouw te transformeren naar woonruimte. Dat volgt uit de voorwaarde voor de afwijkingsbevoegdheid dat de vergunningen slechts worden verleend indien de daarvoor benodigde vergunning op grond van de Huisvestingswet en/of verordening is verleend. Dit impliceert immers dat een dergelijke vergunning is vereist. Die vergunning is niet vereist, wanneer reeds eerder de juridisch-planologische toestemming voor een andere gebruik van de woning dan als zelfstandige woonruimte bestond. De binnenplanse Gemeente Amsterdam

blz. 96

afwijkingsbevoegdheid kan daarom uitsluitend worden ingezet nadat eerst een zelfstandige woonruimte is opgericht. Na oprichting behoort de woonruimte tot de bestaande voorraad. Wanneer daarna de wens bestaat deze verkamerd te verhuren of een bed & breakfast te gaan exploiteren, is vervolgens een vergunning op grond van de Huisvestingwet en/of -verordening nodig. Deze omzettings- of ontrekkingsvergunning op grond van de Huisvestingsverordening wordt verleend als aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan, waaronder een toets aan het beschikbare quotum. De ontwikkeling wordt op het quotum in mindering gebracht. Het woon- en leefklimaat is als hierboven uiteengezet in dit afwegingskader voldoende geborgd. De omgevingsvergunning voor afwijken van het bestemmingsplan voor onzelfstandige woonruimte of bed & breakfast kan daarom volgen op de omzettingsvergunning voor kamerverhuur of onttrekkingsvergunning ten behoeve van bed & breakfast. De binnenplanse afwijkingsbevoegdheid voorziet er tevens in dat de afwijkvergunning en de onttrekkingsvergunning voor bed & breakfast voor wat betreft de geldigheidsduur worden gelijkgeschakeld. De situatie kan voordoen dat een aanvraag omgevingsvergunning wordt ingediend waarbij toestemming wordt gevraagd om direct bij oprichting of direct bij omzetting onzelfstandige woonruimten, of bed & breakfastfaciliteiten te realiseren.

Als gezegd is dan geen vergunning op grond van de Huisvestingswetof verordening benodigd en kan als gevolg daarvan de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid niet worden gebruikt. Dan kan wel buitenplans vergunning worden verleend. Wel is het noodzakelijk om het al dan niet verlenen van de gevraagde (buitenplanse) afwijkvergunning in het kader van de toets aan een aanvaardbaar woon- en leefklimaat af te stemmen op de overige ontwikkeling van verkamering respectievelijk bed & breakfast in de betreffende buurt of wijk. Short stay Het gebruik van woningen ten behoeve van short stay is niet toegestaan. Short stay is het tijdelijk gebruik van een woonruimte ten behoeve van 'kort wonen'. Het tijdelijke gebruik betreft een periode van minimaal zeven nachten en maximaal zes maanden, en is geen wonen in de gewone betekenis van het woord. Dit was tot 2016 een methode om in Amsterdam expats te faciliteren. Het beleid hieromtrent was ingezet vanuit Huisvestingsregels. Tot aan vastgelegde maxima in buurten kon een onttrekkingsvergunning voor tien jaar worden verleend ten behoeve van short staygebruik. Short stay wordt niet meer gezien als wenselijke vorm van gebruik van woonruimte. In het bestemmingsplan zijn er dan ook geen regels over short stay opgenomen.

Milieugerelateerde regels Het bestemmingsplangebied ligt in een omgeving dat in milieuplanologisch opzicht aangemerkt wordt als 'gemengd gebied'. Dit betekent dat hindergevoelige functies en hinderveroorzakende functies zich in elkaars nabijheid bevinden en zoals uit de paragrafen 4.2.2 en 4.3.2 is op te maken, speelt het aspect geluid in deze omgeving om meerdere redenen een rol. Zowel de afweging van de consequenties van de regels van de Wet geluidhinder, als de afweging over vraag in hoeverre bestaande bedrijven in hun bedrijfsvoering worden belemmerd door de projectie van een nieuwe woonbestemming verlangt een beschermende regeling. Hiervoor wordt verwezen naar de paragrafen 4.2.2 en 4.3.2. De regels die zijn opgenomen naar aanleiding van de afwegingen over de Wet geluidhinder zijn opgenomen in de algemene regels (in dit geval artikel 9.1 Geluidzone industrie). De regels die zijn opgenomen naar aanleiding van de afweging over het aspect 'milieuzonering' zijn opgenomen in de bouwregels van de betreffende bestemmingen Gemengd en Wonen (Voorwaardelijke verplichting - bouwregels geluid). Bedrijf en broedplaats in de bestemming Gemengd Verwezen wordt naar paragraaf 4.2.2 onder 'Juridische planbeschrijving' onder 'Nieuwe bedrijvigheid en activiteiten in plangebied'. Culturele voorzieningen, Maatschappelijke dienstverlening en Zakelijke dienstverlening in de bestemming Gemengd

bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)

blz. 97

Culturele voorzieningen maatschappelijke dienstverlening betreft meerdere te onderscheiden functies. In de begripsbepalingen is aangegeven welke functies hier onder vallen. Dit in aansluiting op hetgeen In paragraaf 2.2.3 onder "Nadere concretisering Programma / functies Drenthhal (deelgebied 8.2) Participatie" van deze toelichting is aangegeven. Specifiek e bouwregels Karakteristiek en Dakvorm Zoals in paragraaf 2.2.3 onder "Nadere concretisering Ruimtelijke kader - Drenthhal (deelgebied 8.2)" is aangegeven, is om cultuurhistorische redenen aanleiding voor een deel van de bebouwing voorgeschreven dat uitsluitend een sheddak als kapvorm is toegestaan. Dit is de karakteristieke dakvorm van het bestaande gebouw. Het deel van het gebouw waarvoor dat geldt is op de verbeelding aangegeven met de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1'. Grondwaterneutraal bouwen Zoals in de paragrafen 3.5.11 en 5.2 is aangegeven, wordt kelderbouw op voorhand niet uitgesloten, maar geldt daarvoor om geohydrologische redenen wel specifiek Amsterdams beleid. Dit is aanleiding om voor de bouwregels voor kelders aan te sluiten bij de regels van het paraplu bestemmingsplan Grondwaterneutrale kelders. Verwezen wordt naar paragraaf 5.2.2 en 1.4). Daaruit is onder andere op te maken dat kelders om geohydrologische redenen niet direct mogelijk worden gemaakt, maar indirect.

Omdat kelderbouw indirect wordt toegestaan via toetsing van uitsluitend op geohydrologie gerichte maatregelen, is om die reden het toegestane gebruik van een kelder in de specifieke gebruiksregels op voorhand al wel geregeld voor de situatie waarin gebruik is gemaakt van de indirecte bouwmogelijkheid. En wat dat betreft geldt dat in de specifieke gebruiksregels van de bestemming Gemengd is bepaald dat gebruik van een kelder uitsluitend is toegestaan voor (fiets)parkeren, bergruimte voor wonen en technische ruimte. Maximale bouwhoogte en bouwlagen Voor wat de bouwhoogte geldt dat duurzaamheidsambities zijn meegewogen in het bepalen van de maximale toegestane bouwhoogte (zie paragraaf 2.2.3). De medeweging heeft er toegeleid dat de maximale bouwhoogte ten opzichte van het ontwerp bestemmingsplan naar boven is bijgesteld. Dit om houtbouw mogelijk te maken. Houtbouw brengt constructief gezien enige overhoogte met zich mee ten opzichte van conventionele bouw. Om te voorkomen dat hierdoor onbedoeld extra bouwlagen mogelijk worden gemaakt, is aanvullend ook het aantal bouwlagen vastgelegd. Voor de ontwerpers en initiatiefnemers voor bouwplannen is belangrijk aandachtspunt dat van die maximale bouwhoogte niet kan worden afgeweken. Het op de verbeelding aangegeven bouwhoogtemaximum geldt als absoluut maximum.

Er is immers bij het bepalen van de maximale bouwhoogte al enige flexibititeit opgenomen ten opzichte van het ontwerp bestemmingsplan. Het nogmaals afwijken daarvan zou een stapeling met zich meebrengen en dat is nadrukkelijk niet de doelstelling. Artikel 4 Wonen Sloop en nieuwbouw De bestemming Wonen is toegekend aan de gronden van de locatie "Werfkavel" (deelgebied 8.3). Op deze gronden wordt sloop van alle bestaande bebouwing voorgestaan om die te vervangen door nieuwbouw van woningen (zie paragraaf 2.2.3). Met de bestemming Wonen wordt het huidige gebruik van de locatie wegbestemd. De bestemming Wonen ziet toe op de nieuwe situatie. Gebruiksregels Voor een toelichting op enkele specifieke afwegingen voor de juridische regeling van het wonen wordt Gemeente Amsterdam

blz. 98

verwezen naar hetgeen hiervoor bij de toelichting op de bestemming Gemengd is aangegeven over: On)zelfstandige woonruimte, verkamering (kamerverhuur) en bed & breakfast; Short stay; Milieugerelateerde regels. Specifiek e bouwregels Voor een toelichting op enkele specifieke afwegingen voor de juridische regeling van bouwen wordt verwezen naar hetgeen hiervoor bij de toelichting op de bestemming Gemengd is aangegeven over: Grondwaterneutraal bouwen. Maximale bouwhoogte en bouwlagen. Artikel 5 Waterstaat - Waterkering Met het op 13 april 2013 vastgestelde bestemmingsplan Cruquius (zie paragraaf 1.4) is aan het noordelijk deel van voorliggend plangebied de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering toegekend. Het betreft bestaande een verholen waterkering. Het is geen doelstelling die te wijzigen (zie ook paragraaf 5.2.2). De bestaande regeling van het bestemmingsplan Cruquius wordt daarom overgenomen in voorliggend bestemmingsplan. Artikel 6 Antidubbeltelregel Deze bepaling vormt evenals de overgangsbepaling een van de "standaardregels" die het Bro als verplicht op te nemen bepaling in een bestemmingsplan voorschrijft en komt dus geheel overeen met de tekst uit het Bro. Het moet verhinderen dat bouwpercelen, die slechts voor een bepaald deel mogen worden bebouwd, later alsnog kunnen worden volgebouwd.

Nadat een eerste bouwwerk is gerealiseerd, moet deze bepaling voorkomen dat het overgebleven open terrein opnieuw als het totale bouwperceel kan worden beschouwd. Artikel 7 Algemene bouwregels Dit artikel bevat de algemene regels voor de parkeernormering. Dit met een dynamische beleidsverwijzing (zie ook paragraaf 3.5.8). Voorts maakt het artikel bepaalde, kleine overschrijdingen van bestemmingsvlakgrenzen en bebouwingsregels mogelijk zonder een afwijkingsprocedure (toegelaten overschriidingen). In het verleden waren voor zulke geringe overschrijdingen wel (toen nog ontheffings)procedures nodig. Maar in de praktijk bleken de in dit artikel opgesomde overschrijdingen altijd een ontheffing te krijgen. Daarom zijn ze in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakt "bij wijze van recht". Dat komt de helderheid vooraf ten goede en kan de proceduredruk verminderen. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In dit artikel is, in aanvulling op het algemene gebruiksverbod in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), benadrukt wat als strijdig gebruik binnen de bestemmingen wordt beschouwd. Artikel 9 Algemene aanduidingsregels Het plangebied is volgens het geldende bestemmingsplan Cruquius (zie paragraaf 1.4) onderdeel van een gezoneerd industrieterrein.

Met voorliggend bestemmingsplan wordt de bestemming aangepast waardoor het plangebied zelf geen onderdeel meer is van het gezoneerde industrieterrein en het in de geluidzone rond het industrieterrein Cruquius komt te liggen. Dit door aan alle gronden van het plangebied de aanduiding "Geluidzone - industrieterrein" toe te kennen. In de regels is onder meer een bepaling opgenomen over geluidluwe zijden bij woningen. Dit op basis van het Amsterdamse

bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)

blz. 99

geluidbeleid (zie ook paragraaf 4.3.1).Voor nieuwe gevoelige bestemmingen binnen een geluidzone van een industrieterrein geldt op grond van de Wet geluidhinder een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde en een maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) etmaalwaarde. Artikel 10 Overgangsrecht In dit artikel zijn overgangsregels opgenomen, die evenals de anti-dubbeltelregel behoren tot de standaardregels uit het Bro. Artikel 11 Slotregel De slotregel ten slotte geeft de officiële benaming van dit bestemmingsplan weer alsmede de datum van vaststelling door de gemeenteraad.

Gemeente Amsterdam

blz. 100

bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15784581/1