04. Toelichting.pdf
Tekst van het document
Met voorliggend bestemmingsplan wordt de bestemming aangepast waardoor het plangebied zelf geen onderdeel meer is van het gezoneerde industrieterrein en het in de geluidzone rond het industrieterrein Cruquius komt te liggen. Voor nieuwe gevoelige bestemmingen
bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)
blz. 65
binnen een geluidzone van een industrieterrein geldt een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde en een maximale ontheffingswaarde van 55 dB(A) etmaalwaarde. Uit het akoestisch onderzoek is het volgende op te maken: De voorkeurgrenswaarde van 50 dB(A) wordt bij circa 68% van de gevels overschreden. Daarvan wordt bij circa 3/4 ook de maximale waarde overschreden waar nog een hogere waarde voor kan worden vastgesteld (55 dB(A)). Bij een groot deel van de gevels is de gecumuleerde gevelbelasting hoger dan de waarde in het Amsterdamse geluidbeleid aanvaardbaar wordt geacht, te weten (55+3 =) 58 dB(A). Volgens het Amsterdamse geluidbeleid voor het vaststellen van hogere waarden geldt dan dat er of niet kan worden gebouwd of dat er oplossingen kunnen worden gezocht met dove gevels. Voor dit plan voor woningbouw, waarvan op voorhand bekend is dat het een geluidbelaste locatie is, wordt voor dit laatste geopteerd. Alvorens een hogere waarde kan worden vastgesteld, dient op grond van de Wet geluidhinder eerst onderzocht te worden of met maatregelen het geluid op de gevel verlaagd kan worden tot onder de voorkeursgrenswaarde.
Indien dat niet het geval is, dan is de consequentie dat: een hogere waarde besluit nodig is voor die delen van de gevel waar de gevelbelasting tussen de 50 en 55 dB(A) ligt; in het bestemmingsplan moet worden geborgd dat de geveldelen die een hogere geluidbelasting hebben dan 55 dB(A), als 'dove gevel' worden uitgevoerd. Afweging maatregelen In de rapportage van het akoestisch onderzoek is een aantal maatregelvarianten te onderscheiden. Dit vanuit de optiek van de Wet geluidhinder en het Amsterdamse geluidbeleid over het vaststellen van hogere waarden. Daarin dient eerst onderzocht te worden welke maatregelen er toe kunnen leiden dat de geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde, waarbij de volgende volgorde wordt gehanteerd: 1. bron maatregelen; 2. overdracht maatregelen en 3. ontvanger maatregelen. Dit is voor voorliggende situatie vertaald naar de volgende variantenstudie: 1. Variantonderzoek / maatregelpakket 1: a. Bronmaatregel: Grootste bijdrage aan geluidsniveau in het geluid in het plangebied is het geluid van het bedrijf Kapteijn (Zeeburgerpad 112-114). Onderzoek effect beëindiging activiteiten Kapteijn op deze locatie. 2. Variantonderzoek / maatregelpakket 2: overdracht maatregel a. Geluidscherm: Grootste bijdrage aan geluidsniveau in het geluid in het plangebied is het geluid van het bedrijf Kapteijn (Zeeburgerpad 112-114).
Onderzoek effect geluidscherm bij Kapteijn die nodig zou zijn als Kapteijn de Wet milieubeheer in acht zou nemen = voldoen aan grenswaarden Activiteitenbesluit op 50 meter van de inrichting. Een geluidscherm van 10,5 meter hoog aan de noordzijde zou daar in kunnen voorzien (waarneemhoogte van 5 meter). 3. Variantonderzoek / maatregelpakket 3: overdracht maatregel bij de ontvanger / in het plangebied zelf. Dit betreft maatregelen in overdrachtsgebied bij de gevel van de woningen. Uit de vergelijking van de rekenresultaten van de situatie zonder bron-, of overdrachtsmaatregelen en de situatie met het maatregelpakket variant 1 is op te maken dat het beëindigen van de activiteiten op de locatie Kapteijn effectief is doordat het aantal woningen met een gevelbelasting hoger dan de voorkeurgrenswaarde afneemt. Daarmee is nog niet gezegd, dat de maatregel ook (financieel) doelmatig en uitvoerbaar is. En daarbij geldt dat in het geval de bedrijfsactiviteiten op de locatie Kapteijn worden beëindigd, er voor een enkele woning waarschijnlijk nog rekening moet worden gehouden met de
Gemeente Amsterdam
blz. 66
voorwaarde van het bouwen met dove gevel (rood gekleurde deel van westgevel Drenthlocatie zoals aangegeven in figuur 5.2 van het akoestisch rapport) en het treffen van maatregelen (geel gekleurde delen zoals aangegeven in figuur 5.2 van het akoestisch rapport) om te voldoen aan vereiste van ten minste één geluidluwe zijde. Dit vanwege het geluid van de overige geluidsbronnen in het zonebeheergeluidsmodel aan de west- en oostzijde van het plangebied. Maatregelenpakket variant 2 is minder effectief dan variant 1, maar reduceert het aantal woningen met dove gevel en maatregelen ten behoeve van vereiste van geluidluwe zijde wel. Daarmee staat nog niet vast dat de maatregel ook (financieel) doelmatig en uitvoerbaar is. Daarbij geldt dat in het geval dat er een geluidscherm van 10,5 meter op de noordgrens van de locatie Kapteijn kan worden gerealiseerd, voor een aantal woningen nog rekening moet worden gehouden met de voorwaarde van het bouwen met dove gevel (rood gekleurde delen in figuur 5.3 van het akoestisch rapport) en het treffen van maatregelen om te voldoen aan vereiste van ten minste één geluidluwe zijde (geel gekleurde delen in figuur 5.3 van het akoestisch rapport). Dit betreft: In ieder geval de bovenste bouwlagen. Een scherm van 10,5 meter op de noordgrens van de locatie Kapteijn is daarvoor niet hoog genoeg.
Westzijde en zuidzijde van Drenthkavel en de zuidzijde en oost- en westzijde van de Werfkavel vanwege geluid van de overige geluidsbronnen in het zone beheer geluidsmodel aan de west- en oostzijde van het plangebied. Overleg en afstemming over mogelijkheden voor het treffen van bronmaatregelen In de periode december 2021 - juni 2022 is overleg opgestart met Kapteijn. Dit om in gezamenlijkheid de mogelijkheden voor bedrijfsverplaatsing of een geluidscherm te bespreken. Dit laatste voor het geval dat een eventuele bedrijfsverplaatsing om welke reden dan ook, niet zeker is of in het geheel niet aan de orde gaat zijn. Daarmee is de conclusie dat eventuele bronmaatregelen of overdrachtmaatregel in de vorm van een geluidscherm, onzeker zijn wat uitvoerbaarheid betreft. En dat betekent dat van die maatregelen voor dit bestemmingsplan niet mag worden uitgegaan. In dat geval resteert de keuze om hier geen woningen te realiseren of het om te kiezen voor maatregelen variant 3 (maatregelen aan de gevel van de nieuwe woningen). Voor dit bestemmingsplan wordt voor dit laatste gekozen (voor motivering: zie paragraaf 4.2.2 onder "Nadere afweging voorzien in ambitie van woningbouwproductie door bouw van woningen zonder geluidluwe buitenruimte versus niet voorzien in ambitie van woningbouwproductie door keuze voor geen woningbouw op deze locatie").
Situatie zonder treffen van bronmaatregelen De berekende gevelbelastingen voor de situatie dat er geen bronmaatregelen zijn getroffen, zijn weergegeven in de rapportage van het akoestisch onderzoek. Daaruit is op te maken dat de gevelbelasting bij de beoogde nieuwbouw in die situatie tussen de 68 dB(A) en 48 dB(A) ligt. Om in die situatie bij de te openen delen in de gevel te voldoen aan de voorkeurgrenswaarde, zal de beoogde reductie van het "geluidwerend balkon" dan minimaal (68 -50=) 18 dB(A) moeten bedragen. Uit de rapportage van het akoestisch onderzoek is op te maken dat er technische mogelijkheden zijn (zie hierna) om bij een dergelijk hoge gevelbelasting te kunnen voldoen aan: eisen die de Wet geluidhinder stelt aan het projecteren van nieuwbouw in een zone van een gezoneerd industrieterrein. eisen die in het Amsterdamse geluidbeleid gesteld worden aan bouwen van woningen met dove gevels. eisen die in het Bouwbesluit worden gesteld. De technische eisen voor bouwen op deze locatie zijn, gezien de hoogte van de gevelbelasting, op deze locatie zeer veel omvattend. Op onderstaande afbeelding (afkomstig uit bijlage V-5 van de rapportage van het akoestisch onderzoek) is een voorbeeld weergegeven van maatregelen voor gevels met een
bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)
blz. 67
gevelbelasting van maximaal 68 dB(A).
Onderzoek uitvoerbaarheid bouwtechnische mogelijkheden gevelmaatregelen Uit de rapportage van het akoestisch onderzoek is op te maken dat voor het bestemmingsplan en toekomstige concrete bouwplannen onderscheid is te maken in: Situatie " gevelbelasting tussen 63 dB(A) en 68 dB(A)": Uit hoofdstuk 7 van bijlage V-5 is op te maken dat met een uitgekiend pallet aan ontwerpmaatregelen, geluidreductie mogelijk is tot maximaal 21 dB(A). Indien in dat pakket niet gekozen wordt voor geluiddempende roosters van 3,3 m2, maar van een vrije ruimte van 1 m2, dan is geluidreductie mogelijk tot maximaal 13 dB(A). Het in bijlage V-5 genoemde pakket aan maatregelen zouden in dat geval dus kunnen volstaan in de situatie dat de geluidbelasting op de gevel en geluidwerend balkon maximaal (50+13 =) 63 dB(A) is. Voor deze gevels geldt dat geen hogere waarden kunnen worden vastgesteld. Gevels mogen geen te openen delen hebben, met uitzondering van open delen (voor het spuien) en te openen delen in "geluidwerende balkons" (verglaasde balkons, loggia's en serres of vergelijkbare voorzieningen). Dit betekent het volgende voor de betreffende woningen met een dergelijke gevelbelasting: 1.
Voor de delen van de gevel van de betreffende woning die niet achter een "geluidwerend balkon" liggen, geldt dat de buitenmuur een geluidwering moet hebben van minimaal (68-35=) 33 dB(A) tot (63-35=) 28 dB(A) om te voldoen aan de vereiste maximale binnenwaarde van 35 dB(A). Dat geldt in deze situatie dus voor de delen van de gevels en de niet te openen ramen die geen "geluidwerend balkon (verglaasd balkon, loggia of serre) zijn; 2. Voor de delen van de gevel van de betreffende woning die zich achter een "geluidwerend balkon" bevinden, worden de vereisten mede bepaald door spuiventilatie-eisen. Vanwege de hoogte van de geluidbelasting (63 tot 68 dB(A)), moet bij het concretiseren van een bouwplan, naar verwachting, rekening worden gehouden met: a. Oppervlakte eisen aan woonkamer/keuken, slaapkamer, verdiepingshoogte, balkongrootte; b.
Verglaasd balkon (deels teruggelegen, deels uitstekend) voorzien van volgende elementen: rondom een dicht (glas) balkonhek van 1,2 m hoog en; achterlangs het balkonhek wegvouwbare verdiepingshoge glaspanelen met kierdichtingsprofielen ertussen, voor maximaal 50% van het geveloppervlak te openen, en; Het deel van het balkon dat terug ligt voorzien van: Geluidabsorberend plafond; Geluidabsorberende zijwanden; Twee deuren in de achterliggende balkongevel (in plaats van één) bij een achterliggende woonkamer/keuken en een deur bij de achterliggende slaapkamer die op het balkon uit komt; Twee ventilatiestroken van bijvoorbeeld 100 mm breed (een geheel aan de onderzijde en een geheel aan de bovenzijde); Geluiddempend gevelrooster van 3,3 m2 aan de relatief minst belaste zijde van het balkon.
Gemeente Amsterdam
blz. 68
c. Verglaasde balkons, serres en loggia's, moeten geheel buiten de thermische schil van de woning liggen. 3. Voor woningen op de bovenste bouwlaag, waar zo mogelijk geen geluidsabsorberend plafond kan worden aangebracht, kan overwogen worden om te voorzien in een geluidluwe zijde door middel van een patio in de woning. Situatie "gevelbelasting tussen 63 dB(A) en 55 dB(A)": Voor deze gevels geldt dat geen hogere waarden kunnen worden vastgesteld. Gevels mogen geen te openen delen hebben, met uitzondering van open delen (voor het spuien) en te openen delen in "geluidwerende balkons" (verglaasde balkons, loggia's en serres of vergelijkbare voorzieningen). Dit betekent het volgende voor de betreffende woningen met een dergelijke gevelbelasting: 1. Voor de delen van de gevel van de betreffende woning die niet achter een 'geluidwerend balkon' liggen, geldt dat de buitenmuur een geluidwering moet hebben van minimaal (63-35=) 28 dB(A) tot (55-35=) 20 dB(A) om te voldoen aan de vereiste maximale binnenwaarde van 35 dB(A). Dat geldt in deze situatie dus voor de delen van de gevels en de niet te openen ramen die geen "geluidwerend balkon (verglaasd balkon, loggia of serre) zijn; 2. Voor de delen van de gevel van de betreffende woning die zich achter een "geluidwerend balkon" bevinden, worden de vereisten mede bepaald door spuiventilatie-eisen.
Vanwege de hoogte van de geluidbelasting (55 tot 63 dB(A)), moet bij het concretiseren van een bouwplan, naar verwachting, rekening worden gehouden met: a. Oppervlakte eisen aan woonkamer/keuken, slaapkamer, verdiepingshoogte, balkongrootte; b. Verglaasd balkon (deels teruggelegen, deels uitstekend) voorzien van volgende elementen: rondom een dicht (glas) balkonhek van 1,2 m hoog en; achterlangs het balkonhek wegvouwbare verdiepingshoge glaspanelen met kierdichtingsprofielen ertussen, voor maximaal 50% van het geveloppervlak te openen, en; Het deel van het balkon dat terug ligt voorzien van: Geluidabsorberend plafond; Geluidabsorberende zijwanden;Twee deuren in de achterliggende balkongevel (in plaats van één) bij een achterliggende woonkamer/keuken en een deur bij de achterliggende slaapkamer die op het balkon uit komt; Twee ventilatiestroken van bijvoorbeeld 100 mm breed (een geheel aan de onderzijde en een geheel aan de bovenzijde); Vrije opening van 1,0 m2. c. Verglaasde balkons, serres en loggia's, moeten geheel buiten de thermische schil van de woning liggen. 3. Voor woningen op de bovenste bouwlaag, waar zo mogelijk geen geluidsabsorberend plafond kan worden aangebracht, kan overwogen worden om te voorzien in een geluidluwe zijde door middel van een patio in de woning.
Situatie "gevelbelasting tussen 55 dB(A) en 50 dB(A)": Voor deze gevels kan een hogere waarden worden vastgesteld tot maximaal 55 dB(A). Op grond van het Amsterdamse geluidbeleid geldt voor het vaststellen van een hogere waarde besluit de eis dat deze woningen ten minste één geluidluwe zijde moeten hebben. Bij eenzijdig georiënteerde woningen (woningen met één gevel) zijn maatregelen nodig die er voor zorgen dat de geluidbelasting ter plaatse van te openen delen maximaal 50 dB(A) bedraagt. Afhankelijk van de locatie, kan het zijn dat: 1. daarvoor maatregelen nodig zijn zoals die hiervoor bij "dove gevels" zijn beschreven (verglaasd balkon, serre of loggia). 2. minder vergaande maatregelen nodig zijn zoals hiervoor bij "dove gevels" zijn beschreven (bijvoorbeeld een effectieve borstwering op balkon of galerij of coulissenscherm). Dit is afhankelijk van de hoogte van geluidbelasting, in welke bouwlaag de woning ligt. Dit verlangt bij het concretiseren van de bouwplannen derhalve onderzoek. Situatie "gevelbelasting =< 50 dB(A)": de Wet geluidhinder stelt in dit geval geen specifieke eisen aan de betreffende woningen. Conclusies onderzoek Wet geluidhinder Op grond van toetsing aan de Wet geluidhinder en het Amsterdamse geluidbeleid wordt het volgende
bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)
blz. 69
geconcludeerd: Aan het primaire streven om geluidgevoelige objecten te realiseren met een belasting die niet hoger is dan de voorkeursgrenswaarde, wordt niet voldaan. Bij een groot deel van de gevels is de gecumuleerde gevelbelasting hoger dan de waarde van (55+3 =) 58 dB(A) die volgens het Amsterdamse geluidbeleid in dit geval aanvaardbaar wordt geacht. Volgens het Amsterdamse geluidbeleid voor het vaststellen van hogere waarden geldt dan dat er of niet kan worden gebouwd of dat er oplossingen kunnen worden gezocht met dove gevels. Voor dit plan voor woningbouw, waarvan op voorhand bekend is dat het een geluidbelaste locatie is, wordt aan dit laatste de voorkeur gegeven. Zoals in het Amsterdamse geluidbeleid is aangegeven, voorziet een buitenruimte bij woningen volgens het Bouwbesluit 2012 in de fundamentele menselijke behoefte om in contact te kunnen staan met de omgeving. Wanneer de stille zijde naast ramen en deuren ook een buitenruimte kent, zoals een balkon, is deze bij voorkeur stil, zodat bewoners daar 'stil' kunnen verblijven. Aan deze voork eur wordt niet overal voldaan. Het Amsterdams geluidbeleid biedt de basis en het gereedschap voor het maken van een evenwichtige afweging van belangen. In het beleid zijn mogelijke maatregelen beschreven die kunnen worden genomen om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te bereiken. Deze maatregelen zijn niet uitputtend bedoeld.
Andere oplossingen zijn mogelijk mits aangetoond wordt dat het doel, rustig slapen met open raam, wordt behaald. Hier kan met het treffen van passende gevelmaatregel aan worden voldaan. Aan het overgrote deel van de gevels zullen geluidreducerende maatregelen moeten worden getroffen. Ondanks de hoge geluidbelasting aan alle zijden van de beoogde nieuwbouw wordt het technisch gezien, mogelijk geacht om te kunnen voldoen aan: 1. eisen die de Wet geluidhinder stelt aan het projecteren van nieuwbouw in een zone van een gezoneerd industrieterrein, namelijk het bouwen van woningen met dove gevels. 2. eisen die in het Amsterdamse geluidbeleid gesteld worden aan bouwen van woningen met dove gevels, namelijk het voorzien in een geluidluwe zijde. Dit betreft de gevel, maar niet de buitenruimte. 3. eisen die in het Bouwbesluit worden gesteld, namelijk het kunnen voldoen aan spuiventilatie eisen. Voor een aantal geveldelen zal een hogere waarde besluit moeten worden genomen. Een overzicht van de hogere waarden is hieronder weergegeven. In het bestemmingsplan moet worden geborgd dat woningen moeten worden voorzien van een dove gevel en op grond van het Amsterdamse geluidbeleid, ook een geluidluwe zijde. Overzicht Hogere waarden Wet geluidhinder - industrielawaai Op navolgende afbeelding zijn de gevels weergegeven met consequenties gebaseerd op toetsing aan de Wet geluidhinder.
Dit betreft de situatie zonder het treffen van maatregelen. Hierin is wat consequenties betreft, onderscheid gemaakt in: Geveldelen waar de gevelbelasting hoger is dan 55 dB(A): Die geveldelen dienen als "dove gevel in de zin van de Wet geluidhinder" te worden uitgevoerd (gevel zonder te openen delen en met voldoende geluidwering). Dit al dan niet in combinatie met een onderbreking in de vorm van verglaasde balkons, loggia's en serres of vergelijkbare voorzieningen (hierna: "geluidwerend balkon") die er voor zorgen dat de belasting op de gevel achter het "geluidwerend balkon" maximaal 50 dB(A) bedraagt. In dat geval is bij dat deel van de gevel (dus ter plaatse van het geluidwerende balkon) sprake van een "dove gevel in de zin van het Amsterdamse geluidbeleid". Geveldelen waar de gevelbelasting hoger is dan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A) en lager dan 55 dB(A): Voor deze geveldelen kan een hogere waarde worden vastgesteld tot maximaal 55 dB(A). In navolgende tabel is het overzicht gegeven van de vast te stellen hogere waarden. Hierbij is voor enkele geveldelen de keuze gemaakt om voor het gehele geveldeel de hoogst optredende geluidbelasting als Gemeente Amsterdam
blz. 70
hogere waarde vast te stellen. Dit omdat er in de fase van de bestemmingsplanprocedure nog geen concreet bouwplan beschikbaar is. Voor de situering van de in de tabel 1 aangegeven te onderscheiden geveldelen wordt verwezen naar voorgaande afbeelding. Die afbeelding komt overeen met de op de verbeelding weergegeven bouwvlakken. En wat dat betreft, komt de op de afbeelding weergegeven vlak van "8.2 Drenth" overeen met het deel van het bouwvlak van de bestemming Gemengd waaraan de aanduiding "maximum aantal bouwlagen" is toegekend. Het vlak van "8.3 Werf - gebouw 1" komt overeen met het meest westelijke bouwvlak van de twee op de verbeelding aangegeven bouwvlakken op de gronden met de bestemming Wonen. Het vlak van "8.3 Werf - gebouw 2" komt overeen met het meest oostelijke bouwvlak van de twee bouwvlakken die op verbeelding zijn opgenomen op gronden met de bestemming Wonen. De geveldelen waarvoor de betreffende hogere waarde wordt vastgesteld, zijn afgeleid uit bijlage V-2 van het akoestisch rapport. Dit door de betreffende gevel in aanzicht te aanschouwen en de afstanden te meten vanuit het meest linker deel van het gevelaanzicht. Volledigheidshalve wordt hierbij opgemerkt dat bouwlaag 1 de begane grond betreft, bouwlaag 2 de 1e verdieping betreft, etc..
bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)
blz. 71
Gemeente Amsterdam
blz. 72
bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)
blz. 73
Afweging hogere waarden - wonen op geluidbelaste locatie Voor het vaststellen van hogere waarden moet worden afgewogen of er sprake is van een aanvaardbare Gemeente Amsterdam
blz. 74
geluidbelasting. Wat dat betreft is in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 onder meer aangegeven dat de stad op groei mikt, maar ook dat groei en verdichten van de bestaande stad geen doel op zich is. Specifiek over geluid is in de Omgevingsvisie aangegeven dat geluid bij een levendige bruisende stad hoort, maar ook dat te veel geluid leidt tot hinder, slaapverstoring en bij langdurige belasting tot ernstige gezondheidsklachten. Voorts wordt verwezen naar het Amsterdamse geluidbeleid. Daarin is onder meer aangegeven dat, ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk moeten blijven. Een hogere waarde kan niet altijd vermeden worden en zelfs een stille zijde is niet altijd mogelijk, maar wel blijft de bescherming van het woon- en leefklimaat van belang. Bij het ontwerpen van een bouwplan dient dat al te worden meegenomen. Als dat redelijkerwijs niet haalbaar is, is een goede motivering van groot belang, des te meer naarmate de geluidbelasting hoger is. De keuze voor woningbouw op deze locatie, verlangt een afweging tussen het belang van het nu op deze locatie willen bijdragen aan het voorzien in een actuele woonbehoefte versus het belang van het hebben van een goed woon- en leefklimaat van de toekomstige bewoners van de beoogde nieuwbouw.
Voor motivering: zie paragraaf 4.2.2 onder "Nadere afweging voorzien in ambitie van woningbouwproductie door bouw van woningen zonder geluidluwe buitenruimte versus niet voorzien in ambitie van woningbouwproductie door keuze voor geen woningbouw op deze locatie".
4.4
Luchtkwaliteit
4.4.1
Kader
Wet milieubeheer, NSL en AMvB NIBM In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient bij het opstellen van een bestemmingsplan uit oogpunt van de bescherming van de volksgezondheid rekening te worden gehouden met luchtkwaliteit. Vanuit een oogpunt van goede ruimtelijke ordening kunnen belemmeringen bestaan om een project te realiseren op een locatie waar de luchtkwaliteit slecht is. Ook een verslechtering van de luchtkwaliteit op bestaande locaties kan bezwaarlijk zijn. Luchtkwaliteitsaspecten zijn verankerd in de Wet milieubeheer (hoofdstuk 5, titel 5.2) en betreffen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit, waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waarvan de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. De wet voorziet onder meer in het rijksprogramma het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL), het begrip "in betekenende mate" (ibm) en gebiedssaldering.
De kern van de wet wordt gevormd door een programmatische aanpak om de grenswaarden zo snel als redelijkerwijs mogelijk is, te halen en door de introductie van het begrip "in betekenende mate". Projecten die 'niet in betekenende mate' (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden, aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit en maximaal toegestane verslechtering van 1,2 ìg/m³. Besluit gevoelige bestemmingen Op grond van het Besluit gevoelige bestemmingen genieten nieuwe 'gevoelige bestemmingen' zijnde basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarigen, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis extra bescherming. Volgens deze AmvB geldt er een onderzoekszone van 50 meter bij provinciale wegen en 300 meter bij rijkswegen. Het totaal aantal mensen dat hoort bij een ‘gevoelige bestemming' mag volgens de AmvB binnen de onderzoekszones niet toenemen als de grenswaarden voor PM10 of NO2 (dreigen te) worden overschreden. Op zo'n plek mag in die omstandigheid bijvoorbeeld een nieuwe school zich niet vestigen. bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)
blz. 75
Beleidskader - Amsterdam Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit (2010) In januari 2010 is de 'Amsterdamse Richtlijn gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit' van kracht geworden. Daarin wordt gesteld dat in Amsterdam, onafhankelijk van het wel of niet overschrijden van de normen (zie hiervoor onder 'Besluit gevoelige bestemmingen'), geen gevoelige bestemmingen worden gebouwd binnen 300 meter van de rand van een snelweg of in de eerstelijns bebouwing binnen 50 meter van een provinciale weg/drukke stadsweg. Daarbij gaat het om wegen waar meer dan 10.000 voertuigen per etmaal rijden. Hetzelfde geldt voor het uitbreiden van een bestaande gevoelige bestemming met 10% of meer van de capaciteit. De GGD adviseert in deze gevallen over de locatie en mogelijke maatregelen. Voor de omschrijving van een gevoelige bestemming wordt aangesloten bij het (landelijke) Besluit gevoelige bestemmingen luchtkwaliteit, namelijk gebouwen geheel of gedeeltelijk bestemd of in gebruik ten behoeve van basisonderwijs, voortgezet onderwijs of overig onderwijs aan minderjarige, kinderopvang, verzorgingstehuis, verpleegtehuis of bejaardentehuis. 4.4.2
Situatie plangebied
Omgevingsituatie - grenswaarden Er liggen geen provinciale wegen of rijkswegen nabij het plangebied. Voor toetsing aan de grenswaarden van de Wet milieubeheer is in de monitoringstool uit het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) geraadpleegd. De monitoringstool geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM2.5 en PM10) in het plangebied tussen 2020 en 2030. De monitoringstool kent scenario's zonder en met lokale maatregelen die er voor moeten zorgen dat op termijn overal aan de grenswaarden wordt voldaan. De monitoringstool maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in de peiljaren 2020 en 2030 in en rond het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu tegen schadelijke gevolgen van luchtverontreiniging. In deze peiljaren bedraagt de concentratie NO2 en PM10 op de omringende wegen minder dan 35 microgram/m³ en bedraagt de concentratie PM2,5 minder dan 20 microgram/m3. Het aantal overschrijdingsdagen voor PM10 is minder dan 35 dagen per jaar. De jaargemiddelde grenswaarden voor NO2 en PM10 van 40 microgram/m3 en 25 microgram/m3 voor PM2,5 worden dan ook niet overschreden. Gerelateerd aan de grenswaarden van de Wet Milieubeheer, wordt een onaanvaardbare luchtkwaliteit in en nabij het plangebied dan ook niet verwacht.
Invloed van het plan op de omgeving Op grond van het huidige wettelijke kader is een voorgenomen ontwikkeling vanuit het oogpunt van luchtkwaliteit inpasbaar, indien in ieder geval aan één van de volgende voorwaarden wordt voldaan: 1. Er worden geen grenswaarden voor de luchtkwaliteit overschreden; 2. Er treedt geen verslechtering van de luchtkwaliteit op, of er vindt per saldo een verbetering van de luchtkwaliteit plaats door compenserende maatregelen; 3. De voorgenomen ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de luchtverontreiniging (NIBM); 4. De voorgenomen ontwikkeling is onderdeel van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Voorliggend bestemmingsplan maakt nieuwbouw mogelijk van sociale huurwoningen, middeldure huurwoningen en ruimte dat voor verschillende doeleinden kan worden gebruikt. Met behulp van publicatie van de CROW over verkeerskencijfers en de zogenaamde NIBM-rekentool (voor eenieder beschikbaar op de website Gemeente Amsterdam
blz. 76
https://www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/luchtkwaliteit/slag/hulpmiddelen/nibm-tool/) is inzichtelijk te maken in hoeverre aan de kaders voor luchtkwaliteit wordt voldaan. De ervaring leert dat de theoretische CROW-kengetallen hoger zijn dan de praktijksituatie in Amsterdam. In Amsterdam vindt bezoek van functies als buurthuis, maatschappelijke voorziening en culturele voorziening door bewoners van Amsterdam zelf, relatief gezien weinig met de auto plaats. Dit mede vanwege de sturing via het regime van betaald parkeren. Om die reden zijn de kengetallen van de CROW gecorrigeerd door uit te gaan van de verhouding tussen de parkeerkengetallen van de CROW en de parkeernormen die voor voorliggend bestemmingsplan worden gehanteerd. Daarbij is uitgegaan van de maximale parkeernorm, waarbij het voor bijvoorbeeld de functie 'wonen' aannemelijk is dat het een overschatting' van het aantal motorvoertuigbewegingen oplevert (maximum parkeernorm van 1, terwijl het aannemelijk is dat er voor sociale huurwoningen en middenhuur geen parkeerplaatsen / parkeerkelders worden gerealiseerd). De redenatie daarbij is dat indien bij overschatting voldaan wordt aan de wettelijke kaders, dat ook het geval is in de situatie dat het daadwerkelijke aantal motorvoertuigen lager is. 'Navolgend het resultaat van de berekening:
Uit de berekening is op te maken dat het de voorgenomen ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Dit betekent dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.5
Externe veiligheid
4.5.1
Inleiding
Wat is externe veiligheid? Bij externe veiligheid gaat het om het binnen aanvaardbare grenzen houden van risico's voor de omgeving voor het gebruik, de opslag en de productie van gevaarlijke stoffen (inrichtingen), het transport van gevaarlijke stoffen (openbare wegen, water- en spoorwegen, buisleidingen) en het gebruik van luchthavens en het gebruik van windmolens. De regelgeving voor dit bestemmingsplan (situatie 2021) voor externe veiligheid kent twee grootheden waaraan getoetst wordt bij het nemen van een besluit: het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen, indien hij onafgebroken en onbeschermd op bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)
blz. 77
die plaats zou verblijven. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep mensen van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Deze begrippen vullen elkaar aan; met het PR wordt de aan te houden afstand geëvalueerd tussen de risicovolle activiteit en kwetsbare functies, terwijl met het GR wordt beoordeeld of er een groot aantal slachtoffers kan vallen als gevolg van een ongeval. Voor het PR worden risiconormen gesteld in de vorm van grenswaarden waaraan getoetst moet worden bij vaststelling van bestemmingsplannen (situatie 2021). Voor het GR geldt geen norm; het bevoegd gezag moet afwegen of de gevolgen van een ongeval al dan niet aanvaardbaar zijn. Er is wel een oriëntatiewaarde vastgesteld die weergeeft wat de algehele politiek-maatschappelijke opvatting is over de aanvaardbaarheid van een kans op een ramp met een groep slachtoffers. Naast de kans op een ongeval moet ook het mogelijk effect van een ongeval worden betrokken in besluitvorming. Het bevoegd gezag dient een toename van het groepsrisico en overschrijding van de oriëntatiewaarde (OW) te verantwoorden, waarbij in ieder geval de mogelijkheden voor hulpverlening en rampbestrijding betrokken worden. De regionale brandweer / Veiligheidsregio dient in gelegenheid te worden gesteld om over deze aspecten advies uit te brengen. 4.5.2
Wet- en regelgeving (situatie 2021)
Voorliggende bestemmingsplan is gemaakt onder de werking van de wet- en regelgeving zoals die geldt tijdens de voorbereiding van dit bestemmingsplan. Hierin wordt onderscheid gemaakt in: Risicovolle inrichtingen: De externe veiligheidsregelgeving voor inrichtingen ligt vast in het Besluit Externe Veiligheid voor Inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling Externe Veiligheid Inrichtingen (Revi). Vervoer gevaarlijke stoffen over de weg, per spoorweg en binnenwateren: Voor het transport van gevaarlijke stoffen via weg, water en spoor heeft het Rijk normen vastgesteld. Deze staan in het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet. Buisleidingen: Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd (vanaf 16 bar en met een uitwendige diameter groter dan 50 mm), is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. 4.5.3
Situatie plangebied
Om te bepalen in hoeverre het aspect "Externe Veiligheid" een rol speelt voor dit bestemmingsplan is gekeken naar de Risicokaart (www.Risicokaart.nl). De Risicokaart is openbaar toegankelijke informatie en het opstellen en beheren ervan is een wettelijke verplichting op basis van de Wet veiligheidsregio's en Wet milieubeheer. De kaart is in beheer van de twaalf provincies. Uit de Risicokaart is voor wat betreft het Plaatsgebonden risico op te maken dat het plangebied niet in een zogenaamde 10-6 risico-contour ligt (N.B. 10-6 is de grenswaarde voor plaatsgebonden risico). De afstand tot het spoor bedraagt meer dan 900 meter en de afstand tot het Amsterdam - Rijnkanaal bedraagt meer dan 400 meter. Voor wat betreft het Groepsrisico geldt dat het plangebied niet in een invloedsgebied ligt van een Bevi-inrichting, transportroute gevaarlijke stoffen of buisleiding.
Gemeente Amsterdam
blz. 78
Afbeelding: Uitsnede Risicokaart Conclusie Het aspect "Externe veiligheid" is geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
4.6
Bodemkwaliteit
4.6.1
Kader
Bij het toekennen van een (gevoelige) bestemming aan gronden is het van belang om te weten wat de kwaliteit van de bodem is. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt is of geschikt is te maken voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Daarom moet voorafgaand aan de vaststelling van het bestemmingsplan onderzoek worden gedaan naar de bodemkwaliteit in het plangebied. Bij een geconstateerde verontreiniging moet in verband met de uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan tevens in kaart worden gebracht welke saneringsmaatregelen nodig zijn om het beoogde gebruik van de gronden te kunnen realiseren. 4.6.2
Situatie plangebied
Onderzoeken bodem milieuhygiëne / -kwaliteit In 2021 is verkennend bodem- en verhardingsonderzoek en nader asbestonderzoek uitgevoerd naar het onbebouwde deel van het plangebied. De resultaten zijn weergegeven in de rapportage "Verkennend bodem- en verhardingsonderzoek en nader asbestonderzoek ter plaatse van Cruquius deelgebied 8.2 en 8.3 te Amsterdam; Projectnummer 21HB0420-A1; Datum 5 november 2021; HB Adviesbureau ". Uit de rapportage is onder meer het volgende op te maken: Grond: in de boven- en ondergrond zijn verontreinigingen aangetroffen. Over die situatie wordt in de rapportage geconcludeerd dat vanwege het immobiele karakter van de verontreinigende stoffen en het te verwachten heterogene karakter van de verontreiniging een nader bodemonderzoek niet zinvol wordt geacht. De verontreinigingen zijn in onderhavig onderzoek niet afgeperkt. Verwacht wordt dat middels het uitgevoerde bodemonderzoek een gemiddeld beeld van de bodemkwaliteit is gepresenteerd. Op basis van de analyseresultaten wordt ingeschat dat er zeer waarschijnlijk op de
bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)
blz. 79
locatie meer dan 25 m³ sterk verontreinigde grond aanwezig is en dus sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging. Hierbij wordt uitgegaan dat de verontreiniging is ontstaan voor 1987. Grondwater: in het grondwater is verontreiniging aangetroffen. Over die situatie wordt in de rapportage geconcludeerd dat verontreiniging als voldoende afgeperkt wordt beschouwd en dat aanvullend onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. Asbest: in het onderzoeksgebied is asbest aangetroffen in de vorm van plaatmaterialen (fractie > 20 mm). De mate van die verontreiniging wordt gekwalificeerd als "niet sterk verontreinigd". Ter plaatse van de overige grond en het puin is analytisch asbest aangetoond. De grens voor nader onderzoek wordt daar niet overschreden. In de rapportage wordt geconcludeerd dat de hypothese “verdacht” met het onderhavig onderzoek wordt bevestigd. Het uitvoeren van aanvullend onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Aangezien op de locatie sterke verontreinigingen aanwezig zijn, zijn ten behoeve van de voorgenomen herinrichtingswerkzaamheden zowel financieel als procedureel belemmerende factoren aanwezig. Hiervoor wordt in de rapportage het volgende geconcludeerd en geadviseerd: Voor het "huidige bodemgebruik" van de locatie (bedrijfslocatie met een verharding) zijn geen onaanvaardbare ecologische-, humane- of verspreidingsrisico’s aanwezig.
Voor wat betreft het "toekomstig bodemgebruik" wordt het volgende geconcludeerd: 1. Voor toekomstig bodemgebruik “wonen met tuin” is sprake van een onaanvaardbaar humaan risico voor de stof lood (als gevolg van direct contact met de grond). Geadviseerd wordt om ter plaatse van de sterke grondverontreinigingen met lood een gesloten verharding (of bebouwing), dan wel een leeflaag “schone” grond aan te brengen. 2. Voor toekomstig bodemgebruik “ander groen, bebouwing, infrastructuur en industrie” zijn geen onaanvaardbare ecologische-, humane- of verspreidingsrisico’s aanwezig (er treedt in ditgeval geen contact op met de sterk met lood verontreinigde grond). In de rapportage worden aanbevelingen gedaan over het geschikt maken van de bodem en voor het uitvoeren van de bouwwerkzaamheden, waaronder: het uitvoeren van bodemonderzoek voor de sloop- c.q. grondwerkzaamheden ter plaatse van de bestaande, thans (moment van onderzoek) nog in gebruik zijnde, bebouwing; opstellen van saneringsplan c.q.
plan van aanpak voor werkzaamheden in het grondwater aan de westzijde van de Cruquiusweg 86; als men ter plaatse van de sterke grondverontreiniging graafwerkzaamheden en derhalve een sanerende actie zal gaan uitvoeren, een BUS-melding (Besluit Uniforme Saneringen) opstellen en ter goedkeuring overleggen aan het bevoegd gezag; (graaf)werkzaamheden in sterk verontreinigde grond onder milieukundige begeleiding (BRL 6000) en door een gecertificeerde aannemer (BRL 7000) uit te laten voeren; bij het werken met verontreinigde grond, wegfundatie en/of grondwater arbeidshygiënische maatregelen te treffen; tijdens de uitvoering van de voorgenomen werkzaamheden alert te zijn op afwijkende bodemlagen; bij de herinrichtingswerkzaamheden rekening te houden met de aangetoonde bodemkwaliteit (zie hiervoor bij de bullet over "toekomstig bodemgebruik"). Afweging en conclusie Uit het verkennende bodem- en verhardingsonderzoek en nader asbestonderzoek is op te maken dat de bodem, afhankelijk van de daadwerkelijke inrichting, al dan niet moet worden gesaneerd. Sanering is bijvoorbeeld aan de orde in het geval van ontwikkeling van wonen met tuinen of openbare ruimte met speelplaatsen. Sanering vindt dan plaats voorafgaand aan en met het oog op de bouw en herinrichting.
Bij het saneren wordt rekening gehouden met de adviezen en aanbevelingen van verkennend bodem- en verhardingsonderzoek en nader asbestonderzoek. De ontwikkelopgave wordt getenderd. Daarvoor maakt de gemeente de keuze om de locatie zelf te saneren, dan wel om dat toe te delen aan de
Gemeente Amsterdam
blz. 80
ontwikkelende partij. Onderzoek niet gesprongen explosieven 2e WO In 2013 is voor Cruquius deelgebied 1 en 2 historisch bronnenonderzoek verricht naar de kans op de aanwezigheid van explosieven uit de tweede wereldoorlog in en rondom die deelgebieden (Bijlage bij deze toelichting: Quick scan NGE perceel Cruquiusweg/Zeeburgerkade; Ingenieursbureau Amsterdam; 12 december 2013). Voorliggend plangebied is onderdeel van de onderzochte omgeving. Uit het onderzoek naar deze omgeving is op te maken dat er geen historisch feitenmateriaal is gevonden die wijst op de aanwezigheid van niet gesprongen explosieven (NGE) uit de tweede wereldoorlog. Conclusie Het aspect "explosieven" vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan.
bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)
blz. 81
Hoofdstuk 5 5.1
Omgevingsaspecten
Verkeer
Verkeereffecten Zoals eerder in deze toelichting al is beschreven, heeft de gemeente in 2012 spelregels vastgesteld om de transformatie van het Cruquiusgebied mogelijk te maken. Deze transformatie van Cruquius verloopt via afzonderlijke (postzegel)bestemmingsplannen. Om de ruimtelijke samenhang tussen deze plannen te borgen en de verkeerseffecten te kunnen doorgronden is in 2016 een verkeersonderzoek uitgevoerd voor het totaalgebied (Bijlage bij deze toelichting: Verkeersonderzoek Cruquiusgebied; Rapportnummer O-160318; 14 december 2016). Het ging hierbij om de vraag in hoeverre bepaalde verkeersmaatregelen in het wegennet van en naar Cruquius noodzakelijk werden geacht voor een in uiterlijk 2027 voorzien en aanwezig totaalprogramma in Cruquius. Er is onderzoek gedaan naar: De regelbaarheid van bestaande geregelde kruispunten. Hiervoor werd voor het kruispunt Zeeburgerdijk met de Zuiderzeeweg geconcludeerd dat het kruispunt alleen regelbaar blijft als er een profielwijziging plaatsvindt. Voor de twee geregelde kruispunten waarbij de Zeeburgerdijk kruist met de Panamalaan en met de Molukkenweg werd geconcludeerd dat deze kruisingen de prognoses voor 2027 voldoende kunnen verwerken. Noodzaak tot regelen van de ongeregelde kruispunten Panamalaan-Zeeburgerpad, Veelaan-Zeeburgerpad, Th.K. van Lohuizenlaan - Zeeburgerpad en Th.K. van Lohuizenlaan Zeeburgerdijk.
Hiervoor werd geconcludeerd dat deze kruisingen het verwachte verkeer bij het Cruquiusgebied voldoende kunnen verwerken en dat daarvoor geen verkeersregelinstallaties nodig zijn. In het verkeerskundig onderzoek uit 2016 is rekening gehouden met scenario's ten aanzien van de verwachtingen over het totale toekomstige programma in Cruquius in 2027. In het 'worst-case' scenario van destijds, waarin een aanname werd gedaan voor op dat moment nog niet concrete ontwikkelingen, werd uitgegaan van maximaal 244.862 m2 bvo wonen en 93.128 m2 bvo bedrijfsfunctie/werken. Het bekende huidige programma, bestaande uit het sinds 2016 reeds gerealiseerde programma en de bestuurlijk vastgestelde nog toekomstige ontwikkelingen, bedraagt naar het zich nu laat aanzien 217.887 m2 bvo wonen en 70.903 m2 bvo bedrijfsfunctie/werken. Hiermee past de huidige ontwikkeling van voorliggend bestemmingsplan binnen het totaalprogramma dat in 2016 verkeerskundig is onderzocht. Dit betekent dat de conclusies van het verkeersonderzoek uit 2016 voor dit bestemmingsplan nog steeds actueel zijn en dat voor het kunnen realiseren van de ontwikkeling van voorliggend plangebied dus geen specifieke verkeerskundige maatregelen op de wegen van en naar Cruquius noodzakelijk zijn. Parkeren Voor het aspect parkeren wordt verwezen naar paragraaf 3.5.8.
Gemeente Amsterdam
blz. 82
5.2
Water
5.2.1
Kader
Op grond van artikel 3.1.6, lid 1 onder b van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moet in de toelichting bij het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen over de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. In deze waterparagraaf is het resultaat weergegeven van de watertoets waarbij ingegaan wordt op het waterbeleid, de bestaande waterhuishoudkundige situatie, een beoordeling van de effecten op de bestaande waterhuishoudkundige situatie en de maatregelen die genomen (moeten) worden voor het waarborgen van een goede waterhuishouding. 5.2.2
Situatie plangebied
De waterhuishoudkundige situatie van het plangebied is beschreven in de rapportage "Waterparagraaf Cruquius deelgebied 8 te Amsterdam; Aveco de Bondt BV; referentie 213174_AdB_RAP_0001_v2.0; 14 januari 2022". De rapportage is een bijlage bij deze toelichting. Hieruit is onder meer het volgende op te maken: Waterveiligheid De Cruquiusweg is een verholen kering, voor werkzaamheden in de Cruquiusweg is een vergunning benodigd. Voor wijzigingen aan de kademuur grenzend aan de Nieuwe Vaart is een vergunning benodigd. Over eventuele mogelijkheden voor aanpassingen aan de kade heeft overleg plaatsgevonden met Waternet. Door Waternet is het volgende opgemerkt: Deze locatie bevindt zich in het Hoogwaterbemalingsgebied (HWBG). Het HWBG is extreem belangrijk voor de afvoer in een situatie waarbij er sprake is van hoogwater en veel neerslag. Een relatief krap boezemsysteem en klimaatverandering speelt hierbij tevens een rol. Het HWBG wordt hiertoe goed beschermd vanuit de Keur van het waterschap. Concreet komt het erop neer dat er (minimaal) geen enkele verslechtering van het afvoersysteem wordt toegestaan. Dit neemt met zich mee dat de kade minimaal op de huidige locatie moet worden gerealiseerd. Geconcludeerd wordt dat verlegging van de kade ten koste van het water geen optie is. Extra water is wel een optie.
Watercompensatie In geval van afname onverhard oppervlak is in bepaalde situaties watercompensatie nodig. Voor beide kavels geldt dat in de huidige situatie de kavels 100% verhard zijn. Voor de toekomstige plannen is geen watercompensatie benodigd. Riolering en drainage Er zijn in de fase van het bestemmingsplan nog geen plannen voor rioleringstelsel uitgewerkt. In de Cruquiusweg zijn verscheidene leidingen aanwezig. Wanneer gegraven moet worden om op bestaande kabels of leidingen aan te sluiten wordt er gegraven in een verholen kering, dit mag niet zonder vergunning. Grondwater Er is onderzoek verricht naar het aspect water, waaronder ook het effect van kelders op de grondwaterstromen (geohydrologisch onderzoek). Dit laatste mede om de volgende reden:
bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)
blz. 83
Op grond van de spelregels uit 2012 gelden er ruimtelijk gerelateerde regels voor het voorzien in de parkeerbehoefte. Zo dient de parkeerbehoefte voor het toekomstige programma gerealiseerd te worden op eigen terrein, maar is onderlinge uitruil tussen bouwvelden toegestaan. Bezoekersparkeren ten behoeve van bedrijven dient op eigen terrein gerealiseerd te worden. Bezoekersparkeren ten behoeve van wonen mag in openbare ruimte gerealiseerd worden. Dit betekent dat afhankelijk van het definitieve bouwplan en programma er meerdere mogelijkheden zijn voor de parkeeroplossing. Voor bezoekersparkeren voor woningen en voorzieningen geldt dat in de openbare ruimte van de 'snedes' in het plangebied ruimte wordt gecreëerd waar ook geparkeerd kan worden. Voor wat betreft het voorzien in de parkeerbehoefte voor eventuele bewonersparkeren en/of eventueel parkeren voor personeel en eigenaren van de niet-woonfuncties gelden echter andere spelregels. Daarvoor is kelderbouw in het plangebied een mogelijkheid. Kelderbouw is voorts een mogelijkheid voor bijvoorbeeld situering van bergingen en/of technische installaties. Omdat op voorhand kelderbouw als een van de mogelijke oplossingen wordt aangemerkt om te kunnen voorzien in een parkeerbehoefte en/of realisatie van bergingen en/of technische installatieruimten, vindt in het kader van voorliggend bestemmingsplan geohydrologisch onderzoek plaats.
Dit om inzicht te krijgen op mogelijke effecten van kelderbouw in dit gebied en om inzicht te krijgen in hoeverre dan rekening moet worden gehouden met het treffen van maatregelen voor realisatie van grondwaterneutrale kelder(s). Uit de rapportage van het onderzoek (Bijlage bij deze toelichting: Waterparagraaf Cruquius deelgebied 8 te Amsterdam; Aveco de Bondt BV; 14 januari 2022) is onder meer het volgende op te maken: Kelders dienen grondwaterneutraal aangelegd te worden. Op basis van eerste berekeningen blijkt dat aan de noordzijde van de kelders opstuwing plaatsvindt. Hier zullen maatregelen getroffen dienen te worden om te voldoen aan de wetgeving. Op basis van inschattingen en uitgangspunten is de ontwateringsdiepte ten opzichte van de representatieve hoogste grondwaterstand (RHG) ‘veelal acceptabel’. De ontwateringsdiepte is 0,7 tot 0,8 m bij een maaiveldniveau van NAP +1,1 m. In overleg met Waternet dient afgestemd te worden of dit voldoende is of dat andere maatregelen benodigd zijn. Uit het onderzoek is op te maken dat kelderbouw mogelijk is, maar dat in de bouwfase bepaald moet worden welke technische maatregelen er nodig zijn voor het dan beoogde specieke ondergronds bouwwerk om voor dat bouwwerk te voldoen aan het gemeentelijk beleid over grondwaterneutraal bouwen.
Ter waarborging van de uitvoering van dat nader onderzoek in die fase, is in voorliggend bestemmingsplan de regeling opgenomen die met dat doel ook eerder al in het parapluplan Grondwaterneutrale kelders (zie paragraaf 1.4) was opgenomen. Aanvullend aandachtspunt Nieuwe Vaart: Het bestemmingsplan grenst aan de De Nieuwe Vaart. Zoals uit bijlage 11 bij het bestemmingsplan 'Zeeburgerpad reparatie' met identificatienummer NL.IMRO.0363.M1516BPSTD-VG02 is op te maken (bijlage 11 in dat bestemmingsplan betreft het rapport "Uitgangspunten verbeteren waterafvoerroute naar gemaal Zeeburg; Tauw i.o.v. Waternet; Projectnummer 4720743; datum 5 september 2011"), is de Nieuwe Vaart onderdeel van een waterstelsel waarvoor gezocht wordt naar het oplossen van de hydraulische kenmerken en meer ruimte te creëren in de boezem. Voorliggend bestemmingsplan maakt geen obstakels mogelijk in de Nieuwe Vaart.
Gemeente Amsterdam
blz. 84
5.3
Archeologie en cultuurhistorie
5.3.1
Archeologie
Kaders - Wetgeving Door ondertekening van het verdrag van Malta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van het cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In het overgangsrecht van de Erfgoedwet is in artikel 9.1 geregeld dat de onderdelen van de Monumentenwet 1998 die overgaan naar de nieuwe Omgevingswet toch van kracht blijven tot de inwerkingtreding daarvan, zodat er geen lacunes in de bescherming ontstaan. Het gaat onder meer om de bescherming van archeologie in ruimtelijke besluiten (artikelen 38 tot en met 43 van de Monumentenwet 1988). Belangrijke onderwerpen van het overgangsrecht zijn: Instandhoudingsplicht: met de invoering van de Omgevingswet wordt wettelijk verankerd dat monumenteigenaren de plicht hebben om hun monument in stand te houden. Tot de Omgevingswet wordt ingevoerd, is de instandhoudingsplicht verankerd in het overgangsrecht van de Erfgoedwet. De bepalingen over archeologische monumentenzorg. Het gaat onder meer om: 1. het meewegen van het archeologische belang bij het opstellen van bestemmingsplannen; 2. de mogelijkheid om voorschriften te verbinden aan de omgevingsvergunning ter bescherming van archeologie; 3.
de mogelijkheid van de Minister van OCW om bij (dreigende) schade aan archeologische monumenten na een toevalsvondst voorschriften te stellen aan de uitvoering de werkzaamheden of die stil te leggen; 4. de mogelijkheid van het bevoegd gezag of de Minister van OCW om toegang tot een terrein af te dwingen om archeologisch onderzoek te kunnen doen. Situatie plangebied Voorliggend bestemmingsplan herziet een deel van het bestemmingsplan Cruquius dat in 2013 is vastgesteld (zie paragraaf 1.4). In november 2011 is voor dat bestemmingsplan een archeologisch bureauonderzoek uitgevoerd. Uit dat bestemmingsplan was op te maken dat in het overgrote deel van het Cruquiusgebied een lage of geen archeologische verwachting geldt waarvoor was bepaald dat verder archeologisch onderzoek niet noodzakelijk is. En voorts was aan het gebied van, en voor een relatief klein deel ook aansluitend aan, de huidige Nieuwe Vaart ("Zone C Nieuwe Vaart") een lage verwachting toebedeeld. En op grond van die verwachting was voor dat betreffende gebied bepaald dat voor bodemingrepen in de waterbodem die kleiner zijn dan 10.000 m2 geen archeologisch veldonderzoek hoeft te worden uitgevoerd.
In het proces van de afstemming met M&A over voorliggend bestemmingsplan is nadien op basis van bouw/omgevingsdossier "SU24112 1999 oprichting", tekeningen G2142.A0/1280-101, 102 en 103 door M&A geconcludeerd dat de desbetreffende begrenzing herzien moet worden. En dat betekent dat voor het gehele deelgebied 8 een negatieve archeologische verwachting geldt vanwege de hoge mate van verstoring. Uitzondering van archeologisch veldonderzoek geldt bij alle bodemingrepen. Dit brengt met zich mee dat in het voorliggende bestemmingsplan geen beschermingsregime is opgenomen. Consequenties en conclusie Het aspect 'archeologie' vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit bestemmingsplan.
bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)
blz. 85
5.3.2
Cultuurhistorie
Kaders Om een stabiele en meer structurele basis te geven aan de borging van cultuurhistorie in de ruimtelijke ordening, is in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen dat gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen niet alleen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden onder de grond, maar ook met waarden boven de grond. Dat betekent dat gemeenten een analyse moeten maken van de cultuurhistorie in een bestemmingsplangebied en daar conclusies aan moeten verbinden voor het bestemmingsplan. Met navolgende paragraaf wordt daar invulling aan gegeven. Situatie plangebied Voorliggend bestemmingsplan herziet een deel van het bestemmingsplan Cruquius dat in 2013 is vastgesteld (zie paragraaf 1.4). In december 2012 is voor dat bestemmingsplan een cultuurhistorische verkenning uitgevoerd. De rapportage van dit onderzoek (Cultuurhistorische verkenning Cruquiusweg e.o.'; C 12-046; December 2012; BMA) is opgenomen als bijlage bij het voorliggende bestemmingsplan. In de Cultuurhistorische verkenning is aangegeven dat de omgeving van het plangebied een boeiend stedenbouwkundig en architectonisch ensemble vormt, waarin de negentiende-eeuwse ontwikkeling van de haven en de stadsvernieuwing tot een verrassende synthese zijn gekomen.
De resterende structuren en gebouwen van de veemarkt en het abattoir getuigen van een omwenteling in de voedselvoorziening van de destijds spectaculair groeiende Europese steden. Het plangebied bevat geen gebouwen met de status van gemeentelijk of rijksmonument. Specifiek e ruimtelijke afweging, gerelateerd aan cultuurhistorie Voor voorliggend bestemmingsplan geldt dat specifieke afwegingen zijn gemaakt over cultuurhistorie in het plangebied. Hiervoor wordt verwezen naar paragraaf 2.2.3 onder "Nadere concretisering Ruimtelijke kader - Drenthhal (deelgebied 8.2)".
5.4
Natuur
5.4.1
Kader
Wet natuurbescherming Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming (Wnb) van kracht. Deze wet heeft drie wetten vervangen, namelijk de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Soortbescherming De Wet natuurbescherming bevat verbodsbepalingen met betrekking tot het aantasten, verontrusten of verstoren van beschermde dier- en plantensoorten, hun nesten, holen en andere voortplantings- of vaste rust- en verblijfsplaatsen. De beschermde soorten zijn onderverdeeld in soorten van de Habitatrichtlijn, soorten van de Vogelrichtlijn en Nationale soorten. Voor bestemmingsplan voor ontwikkelingen in een gebied of de sloop van gebouwen dient een natuurscan te worden uitgevoerd om de soorten en gebiedsstatus in kaart te brengen. Gebiedsbescherming
Gemeente Amsterdam
blz. 86
In de Wet natuurbescherming zijn gebieden aangewezen die onderdeel uitmaken van de Europese ecologische hoofdstructuur, ook wel Natura 2000-gebieden genoemd. Indien een ruimtelijke ontwikkeling plaatsvindt in of in de nabijheid van een Natura 2000 gebied, moet worden onderzocht of het bestemmingsplan voor de ontwikkeling significante gevolgen kan hebben op de beschermde habitats in de natuurgebieden. Ecologische Hoofdstructuur, landelijk en provinciaal beleid Voor heel Nederland zijn natuurgebieden met verbindingszones vastgelegd. Dit Nationaal Natuurnetwerk (NNN), voormalig Ecologische Hoofdstructuur (EHS), een belangrijk middel om de hoofddoelstelling van het natuurbeleid te bereiken: natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als essentiële bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving. Het NNN moet er onder meer toe bijdragen dat afspraken over het behoud en het herstel van biodiversiteit worden nagekomen. De verbindingen zijn grensoverschrijdend. Hoofdgroenstructuur, Amsterdams beleid Onderdeel van het Amsterdamse groenbeleid is de hoofdgroenstructuur van Amsterdam. Deze was ondermeer opgenomen in de Structuurvisie Amsterdam 2040 (vastgesteld in 2011). Op 8 juli 2021 heeft de gemeenteraad de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 vastgesteld. Het is de leidraad voor inrichting en ontwikkeling van de fysieke leefomgeving.
De omgevingsvisie geeft richting en vervangt de Structuurvisie Amsterdam 2040 uit 2011. Hierop zijn twee uitzonderingen die integraal waren opgenomen in de structuurvisie, waaronder de Hoofdgroenstructuur. Deze blijven van kracht tot vervangend beleid is vastgesteld. Cruquius is geen onderdeel van de hoofdgroenstructuur zoals die is vastgelegd in de Structuurvisie Amsterdam 2040. 5.4.2
Situatie plangebied
Soortbescherming, verkennend onderzoek In de periode maart-mei 2021 is door het adviesbureau Witteveen+Bos verkennend natuuronderzoek uitgevoerd voor de te onderscheiden deelgebied 8.2 en 8.3. De resultaten van deze quick scans zijn per deelgebied in een rapportage beschreven. De rapportages zijn een bijlage bij voorliggende toelichting (rapportage 'Bestemmingsplan Cruquius Deelgebied 8.2 Quickscan natuur; Witteveen+Bos; Definitief; Referentie 125147/21-012.650; Datum 18 augustus 2021' en rapportage 'Bestemmingsplan Cruquius Deelgebied 8.3 Quickscan natuur; Witteveen+Bos; Concept 01; Referentie 125147/21-012.649; Datum 18 augustus 2021)'. Voor de volledige beschrijving van de resultaten wordt verwezen naar de rapportages in de bijlagen. Hieruit is onder meer het navolgende op te maken voor de deelgebieden 8.2 en 8.3. Uit de quickscan natuur t.b.v. Cruquiusgebied deelgebied 8.2 blijkt dat: er geen negatieve effecten optreden (geen maatregelen/vervolgstappen nodig) ten aanzien van: 1. beschermde zones die deel uitmaken van Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland, de Ecologische structuur en de Hoofdgroenstructuur van Amsterdam, met dien verstande dat volledigheidshalve geadviseerd wordt om ter ondersteuning nader onderzoek te verrichten naar het aspect 'stikstofdepositie; 2. beschermde (niet-vrijgestelde) grondgebonden zoogdieren, reptielen, amfibieën, ongewervelden en flora.
er wel mogelijk (al dan niet te mitigeren) effecten optreden ten aanzien van: 1. algemene broedvogels; 2. vleermuizen. er geen rekening hoeft te worden gehouden met de risicosoorten.
bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)
blz. 87
vervolgstappen/onderzoek nodig is ten aanzien van: 1. vleermuizen: indien de Drenthhal in het plangebied gesloopt wordt dient er soortgericht onderzoek naar vleermuizen plaats te vinden naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen in de Drenthhal. Indien de werkzaamheden niet trillingvrij en zonder extreem geluid (bijvoorbeeld heien) uitgevoerd kunnen worden dient soortgericht onderzoek plaats te vinden naar de aanwezigheid van verblijfplaatsen in gebouwen en bomen rond het plangebied die zelf niet gesloopt en gekapt worden; 2. controle op aanwezige nesten bij werkzaamheden in broedseizoen (globaal maart t/m juli); Uit de quickscan natuur t.b.v. Cruquiusgebied deelgebied 8.3 blijkt dat: er geen negatieve effecten optreden (geen maatregelen/vervolgstappen nodig) ten aanzien van: 1. beschermde zones die deel uitmaken van Natura 2000, Natuurnetwerk Nederland, de Ecologische structuur en de Hoofdgroenstructuur van Amsterdam, met dien verstande dat volledigheidshalve geadviseerd wordt om ter ondersteuning nader onderzoek te verrichten naar het aspect 'stikstofdepositie'. 2. beschermde (niet-vrijgestelde) grondgebonden zoogdieren, reptielen, amfibieën, ongewervelden en flora. er wel mogelijk (al dan niet te mitigeren) effecten optreden ten aanzien van: 1. algemene broedvogels; 2. vleermuizen. er geen rekening hoeft te worden gehouden met de risicosoorten.