CConstaterende datAmsterdam
Koppel je AI →
Document · PDF

04. Toelichting.pdf

RAAD 10 juli 2025, gemeente AmsterdamBij agendapunt: Vaststellen van het bestemmingsplan Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel. (VN2025-007322)40.713 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 5

Niet gevonden in dit document.

Afweging / consequenties voor voorliggend bestemmingsplan Het Afwegingskader ziet primair op kelders kleiner dan 300 m2; daarvoor voorziet dit beleidskader in mogelijke standaardmaatregelen waarmee de grondwaterneutraliteit kan worden aangetoond. Voor grotere kelders (denk aan parkeerkelders of grote opslagkelders onder bedrijfsgebouwen) moet de grondwaterneutraliteit worden aangetoond door middel van een geohydrologisch rapport; het gaat hierbij om maatwerk. Voor voorliggend bestemmingsplan vindt verkennend geohydrologisch onderzoek plaats. Indien daaruit volgt dat bepaalde voorwaarden in acht moeten worden genomen, dan wordt e.e.a. in voorliggend bestemmingsplan geborgd met passende regeling. Daarvoor wordt verwezen naar de waterparagraaf (paragraaf 5.2). 3.5.12 Omgevingsprogramma Riolering 2022 - 2027 (2022) De gemeente Amsterdam heeft de wettelijke verantwoordelijkheid (zorgplicht) voor een aantal watertaken. De ambitie voor de taken op het gebied van stedelijk afvalwater, hemelwater en grondwater is vastgelegd in de Omgevingsvisie Amsterdam 2050, vastgesteld op 8 juli 2021. Deze ambitie is in het Omgevingsprogramma Riolering 2022 – 2027 (OPR) verder uitgewerkt, dat op 15 februari 2022 door het college van burgemeester en wethouders (onder voorbehoud van wensen en bedenkingen van de gemeenteraad) is vastgesteld.

Dit programma vervangt het Gemeentelijk Rioleringsplan 2016-2021 (GRP). Strengere norm hemelwaterberging Gemeente Amsterdam

blz. 46

Conform het OPR moet de capaciteit voor hemelwaterberging op publiek terrein minimaal 70 mm/uur zijn door bijv. hergebruik van hemelwater of verwerking op de eigen kavel. De norm is daarbij in het OPR van 60 mm naar 70 mm verhoogd, op basis van het KNMI Klimaatsignaal '21. Omdat in het OPR de norm voor hemelwaterberging is verhoogd (ten opzichte van het GRP 2016-2021 en de Hemelwaterverordening Amsterdam) is nog een aanpassing van de Hemelwaterverordening Amsterdam noodzakelijk. Hiermee zal de norm voor de regenwaterbestendigheid van de particuliere ruimte bij nieuwbouw gelijk worden getrokken met de aangescherpte norm voor de regenbestendigheid van de publieke ruimte in het OPR. Ontwateringsdiepte In het OPR wordt ook ingezet op zorg dragen voor een ontwateringsdiepte die is afgestemd op de benodigde functies in het gebied, zoals wonen, transport en groen ten behoeve van een klimaatbestendige stad. Hierbij is een ontwateringdiepte van minimaal 90 cm de norm. De ontwateringsdiepte is het verschil tussen het maaiveldniveau en de gemiddeld hoogste grondwaterstand. Zowel het maaiveldniveau als de grondwaterstand kunnen binnen een relatief korte afstand toch variëren. Vandaar dat de ontwateringsdiepte in praktijk ook van locatie tot locatie kan verschillen. Voldoende ontwateringsdiepte is essentieel voor stedelijke functies zoals bebouwing, wegen, bomen en hemelwaterinfiltratie.

Een belangrijk aspect daarbij is het voorkomen van (grond)wateroverlast, nu en in de toekomst anticiperend op klimaatverandering. Een ontwateringsdiepte van 90 cm wordt daarbij gezien als duurzame norm voor een robuuste maaiveldhoogte.

bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)

blz. 47

Hoofdstuk 4 4.1

Milieueffect

4.1.1

Kader

Milieuaspecten

Het instrument milieueffectrapportage (m.e.r.) is ontwikkeld om het milieubelang een volwaardige plaats in bepaalde plan- en besluitvormingsprocessen te geven. Enerzijds maakt het opstellen van een milieueffectrapport (MER) de initiatiefnemer bewust van de milieugevolgen en anderzijds kan de overheid diverse milieugevolgen in samenhang met elkaar en op een voor de burger transparante wijze bij de besluitvorming betrekken. In de Wet milieubeheer (art 7.2) en het Besluit milieueffectrapportage (art 2 lid 5) is verankerd dat er een beoordeling moet worden gemaakt of een m.e.r.-procedure doorlopen moet worden als een plan of besluit (bijvoorbeeld een bestemmingsplan) wordt opgesteld voor één of meerdere activiteiten met mogelijk belangrijke negatieve effecten op het milieu. Activiteiten waarvoor dat het geval is, worden genoemd in de bijlage onderdeel C en D van het Besluit mer. In onderdeel C staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het doorlopen van een m.e.r.-procedure en dus het opstellen van een MER verplicht is. In onderdeel D staan activiteiten, gevallen, plannen en besluiten waarvoor het maken van een m.e.r.-beoordeling verplicht is.

Als de activiteiten die met het bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt in kolom 1 van onderdeel D staan, dan bestaat de m.e.r.-beoordelingsplicht er uit dat het bevoegd gezag moet beoordelen of de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. Blijkt uit deze beoordeling dat de betreffende activiteiten belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen hebben, dan moet de m.e.r.-procedure (m.e.r.) worden doorlopen en moet een milieueffectrapportage (MER) worden opgesteld. 4.1.2

Proces en gemaakte afwegingen

Het proces van transformatie van Cruquius is al langere tijd gaande. Vanwege de realisatie van het totale woningbouwprogramma van het Cruquiusgebied voor nieuwbouw van meer dan 2.000 woningen werd in 2018 geconcludeerd dat dit wat aard en omvang betreft, op basis van activiteit 11.2 van de D-lijst van het Besluit Milieueffectrapportage, m.e.r.-beoordelingsplichtig was. In 2018 is voor op dat moment opgestarte en voorziene bestemmingsplanprocedures voor deelgebieden in de omgeving van voorliggend plangebied een mer-beoordeling gemaakt. Dit middels een aanmeldingsnotitie waarmee de initiatiefnemer (op dat moment een ontwikkelaar) aan het bevoegd gezag had aangegeven dat zij voornemens was een m.e.r.-beoordelingsplichtige activiteit te willen gaan uitvoeren. Daarvoor werd in de aanmeldingsnotitie gemotiveerd of er al dan niet belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu verwacht werden (Bijlage bij deze toelichting: Aanmeldingsnotitie Transformatie Cruquiusgebied; i.o.v. Amvest; Ingenieursbureau Amsterdam; Kenmerk 23637; Versie 5; 15 mei 2018). Op basis van die aanmeldingsnotitie kon het bevoegd gezag vervolgens het besluit nemen of al dan niet een m.e.r.-procedure moest worden doorlopen. Op dat moment werd mede op basis van de vastgestelde spelregels en spelregelkaart ontwikkelingen voorzien in het gehele Cruquius-gebied, waaronder ook voorliggend plangebied.

Hierbij zijn onder meer aannamen gedaan voor op dat moment nog niet concrete ontwikkelingen waarbij in totaal werd uitgegaan van maximaal 244.862 m2 bvo wonen en 93.128 m2 bvo bedrijfsfunctie/werken. In de m.e.r.-beoordeling voor het gehele Cruquiusgebied is geconcludeerd dat belangrijke nadelige milieukundige effecten niet spelen en dat geen Milieueffectrapportage moet worden opgesteld en geen mer-procedure voor dit gebied moet worden doorlopen. Het bekende huidige programma, bestaande uit het sindsdien reeds gerealiseerde programma en de bestuurlijk vastgestelde nog toekomstige ontwikkelingen, bedraagt naar het zich nu laat aanzien 217.887 m2 bvo wonen en 70.903 m2 bvo bedrijfsfunctie/werken. Hiermee past de huidige ontwikkeling van voorliggend bestemmingsplan voor deelgebied 8 binnen het totaalprogramma dat in 2018 is beoordeeld op de vraag of een MER moest worden opgesteld en een m.e.r.-procedure moest worden

Gemeente Amsterdam

blz. 48

doorlopen. De aard en omvang van het transformatie van Cruquius is nadien niet gewijzigd. In dat opzicht is de mer-beoordeling voor het Cruquiusgebied nog actueel. En inmiddels is een deel van de in 2018 beoordeelde ontwikkeling van Cruquius gerealiseerd of in aanbouw. Dit betekent dat de omvang in programma dat de komende jaren nog wordt gerealiseerd op Cruquius, ten opzichte van in de in 2018 beoordeelde omvang, op moment van opstellen van voorliggend bestemmingsplan, minder is dan destijds is beoordeeld. De conclusie is dan ook dat voor het voorliggende bestemmingsplan geen m.e.r.-procedure moet worden doorlopen en dat geen milieueffectrapportage (MER) moet worden opgesteld.

4.2

Milieuzonering - milieuplanologische inpasbaarheid

4.2.1

Kader

Met het oog op een goede ruimtelijke ordening is het deelaspect 'milieuzonering' het toepassen van het ruimtelijke ordeningsprincipe dat zich richt op functiescheiding van milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld een bedrijfsfunctie) en milieu-planologisch gevoelige functies (bijvoorbeeld wonen). In planvorming wordt hierin onderscheid gemaakt in: het bestemmen / projecteren van nieuwe situaties / nieuwe ontwikkelingen; het (opnieuw) bestemmen van bestaande situaties. Milieuzonering bij bestemmen / projecteren van nieuwe situaties / nieuwe ontwikkelingen Een nieuwe situatie / nieuwe ontwikkeling betreft een plan dat nog niet eerder als zodanig is bestemd in een bestemmingsplan of vergund met een omgevingsvergunning. Het maken van een afweging over het waar nodig en mogelijk scheiden van milieubelastende activiteiten en milieugevoelige functies bij nieuwe ontwikkelingen / in nieuwe situaties dient twee doelen: Het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; Het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen. Met deze doelstelling wordt bij het plannen van een nieuwe functie om redenen van goede ruimtelijke ordening gekeken naar de omgeving waarin de nieuwe functie wordt ingepast.

Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? De VNG-publicatie Handreiking Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) is een hulpmiddel bij het beantwoorden van deze vragen. Milieuzonering beperkt zich hierin tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. Kenmerkend voor deze milieuaspecten is dat de milieubelasting afneemt naarmate de afstand van/tot de bron toeneemt. De VNG-publicatie bevat een tweetal richtafstandlijsten waarin een groot aantal niet-woonactiviteiten (zoals productie, handel en dienstverlenende activiteiten, onderwijs, sport en recreatie, etc.) zijn vertaald naar een milieucategorie met bijbehorende indicatieve richtafstanden. De activiteiten en bijbehorende categorieën zijn weergegeven in de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009) en in voorkomend geval (afhankelijk van de wijze van bestemmen) ook in de bijlage bij de regels van een bestemmingsplan. Volledigheidshalve wordt hierbij opgemerkt dat milieuaspecten die in het kader van "milieuzonering" aan de hand van richtafstanden van de VNG handreiking worden beschouwd, in dit bestemmingsplan ook op grond van andere kaders worden beschouwd. Dat betreft onder meer het aspect "geluid" waarvoor voor toetsing aan wettelijke kaders (Wet geluidhinder) verwezen wordt naar paragraaf 4.3.

bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)

blz. 49

Milieuzonering bij het (opnieuw) bestemmen van bestaande situaties Het ordeningsprincipe van milieuzonering zoals hiervoor geschetst (functiescheiding middels het aanhouden van bepaalde afstanden), is bedoeld voor planvorming voor "nieuwe situaties / nieuwe ontwikkelingen". Het is niet bedoeld voor het beoordelen van “bestaande situaties” waarbij bestaande / gevestigde milieubelastende activiteiten en bestaande milieugevoelige functies op minder dan de indicatieve richtafstand van elkaar staan en opnieuw worden bestemd. De afstand tussen een bestaand bedrijf en een bestaande woning ligt immers in die situaties al vast. Milieuregels voor bestaande situaties zijn onder meer vastgelegd in de Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit. Het Activiteitenbesluit is op 1 januari 2008 in werking getreden. Hierin zijn algemeen geldende milieuregels opgenomen voor bedrijven die worden aangemerkt als inrichting in de zin van de Wet milieubeheer. De regels van het bestemmingsplan gelden naast de milieuregels van de Wet milieubeheer (Wm) en het Activiteitenbesluit (Abm). De regels van de Wm en Abm hebben de bescherming van het milieu als oogmerk. Op basis van de milieuregels moeten bedrijven (en andere milieubelastende activiteiten) alle redelijke maatregelen treffen om gevolgen voor het milieu te voorkomen.

Plansituatie - planvorming Voorliggend bestemmingsplan ziet toe op een combinatie van het bestemmen / projecteren van nieuwe hindergevoelige functies nabij bestaande bedrijven en het bestemmen / projecteren van nieuwe potentiele hinderveroorzakende functies nabij bestaande hindergevoelige functies. In navolgende paragrafen wordt de plansituatie nader onderzocht aan de hand van het hulpmiddel "VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering". 4.2.2

Plangebied - gebiedskarakteristiek en inpassing nieuwe functies

Bestaand omgevingstype / bestaande gebiedskarakteristiek Het gebied Cruquius waar voorliggend bestemmingsplangebied onderdeel van is, wordt getransformeerd van een gezoneerd industrieterrein tot woon-werkgebied. Dit onder meer in navolging van de vastgestelde spelregels (zie ook paragraaf 2.2.2). Met voorliggend bestemmingsplan wordt onder andere nieuwe woningen mogelijk gemaakt en krijgt een bestaande bedrijfshal een bredere gemengde bestemming. In de omgeving van het plangebied zijn bedrijven en andere geluidveroorzakende bronnen aanwezig of in aanbouw. Ook is in de omliggende bestemmingsplangebieden van de reeds tot woon-werkgebied getransformeerde gebied van Cruquius veelal bedrijvigheid en voorzieningen toegestaan in de plinten van de nieuwbouw. Gelet hierop wordt de omgeving van het plangebied aangemerkt als een gemengd gebied. Primaire beoordeling inpasbaarheid nieuwe woonfunctie in bestaande omgeving Het plangebied ligt in de bestaande situatie nabij meerdere locaties met een niet-woonfunctie. Uit toetsing van de plansituatie aan de indicatieve richtafstanden van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering wordt het volgende geconcludeerd over het projecteren van een nieuwe woonfunctie nabij de betreffende bedrijven: Lakfa Verffabriek. Dit bedrijf is gevestigd aan het Zeeburgerpad 116 en betreft een verffabriek.

Op basis van de VNG brochure kan een dergelijk bedrijf worden ingedeeld in categorie 3.2. De hierbij behorende indicatieve richtafstand van de VNG-publicatie bedraagt 100 meter vanwege het aspect "geluid" en het aspect "geur". Vanwege de ligging in gemengd gebied kan dit met 1 afstandsstap worden teruggebracht naar 50 meter. De afstand tot de Werfkavel bedraagt circa 28 meter. Dit betekent dat de beoogde woningbouw binnen de richtafstand ligt en dat nader onderzoek naar het woon- en leefklimaat aan de orde is (zie hierna). Nader onderzoek vindt plaats voor het aspect

Gemeente Amsterdam

blz. 50

"geluid". Voor het aspect "geur" gelden voor het bedrijf de regels van het Activiteitenbesluit. Voor bedrijven is het algemene uitgangspunt van artikel 2.7a lid 1 Activiteitenbesluit het voorkomen van geurhinder. Is dit niet mogelijk dan moet het bedrijf de geurhinder tot een aanvaardbaar niveau beperken. Voor de locatie Zeeburgerpad 116 geldt dat het bedrijf in de bestaande situatie op grond van het Activiteitenbesluit rekening dient te houden met een hindergevoelig object die dichterbij ligt dan het plangebied, namelijk de woonboot die ter plaatse van het bedrijf een ligplaats heeft. Het bestemmingsplangebied van voorliggend bestemmingsplan ligt op grotere afstand. Dit betekent dat het projecteren van nieuwe geurgevoelige bestemmingen in deelgebied 8.2 en 8.3 niet extra belemmerend is voor het bedrijf. Kapteijn Metaal Recycling. Dit bedrijf is gevestigd aan het Zeeburgerpad 112-114 en is in het bestemmingsplan Zeeburgerpad bestemd als bedrijf van categorie 3.2 gericht op het verkleinen en bewerken alsmede het verwerken van ferro- en nonferrometalen. De hierbij behorende indicatieve richtafstand van de VNG-publicatie bedraagt 100 meter vanwege geluid. Vanwege de ligging in gemengd gebied kan dit met 1 afstandsstap worden teruggebracht naar 50 meter. Afstand tussen plangebied en bedrijfsperceel: circa 26 meter.

Dit betekent dat de beoogde woningbouw binnen de richtafstand ligt en dat nader onderzoek naar het woon- en leefklimaat aan de orde is (zie hierna). Ook stof en trilling is een aandachtspunt. Voor Kapteijn Metaal Recycling geldt dat in de bestaande situatie op grond van de algemene zorgplicht van het Activiteitenbesluit rekening dient te houden met hindergevoelige objecten die dichterbij liggen dan het plangebied, namelijk de woonboten die direct ten zuiden van het bedrijf liggen. Die boten liggen op minimaal 18 meter. Het bestemmingsplangebied van voorliggend bestemmingsplan ligt op grotere afstand. Dit betekent dat het projecteren van nieuwe gevoelige bestemmingen in deelgebied 8.2 en 8.3 niet extra belemmerend is voor het bedrijf voor de aspect stof en trilling. Machine- en motorenfabriek Kleijer. Dit bedrijf is gevestigd aan het Zeeburgerpad 102 en is in het bestemmingsplan Zeeburgerpad bestemd als bedrijf van categorie 4.1 zijnde een 'machine- en apparatenfabriek inclusief reparatie en een constructiewerkplaats in de open lucht met een productieoppervlak van minder dan 2.000 m2' . De hierbij behorende indicatieve richtafstand van de VNG-publicatie bedraagt 200 meter vanwege geluid. Vanwege de ligging in gemengd gebied kan dit met 1 afstandsstap worden teruggebracht naar 100 meter. Afstand tussen plangebied en bedrijfsperceel: circa 82 meter.

Dit betekent dat de beoogde woningbouw binnen de richtafstand ligt en dat nader onderzoek naar het woon- en leefklimaat aan de orde is (zie hierna). De Openbare werkplaats aan de Cruquiusweg 78. Het plangebied grenst aan dit perceel. De locatie mag volgens het bestemmingsplan Cruquius gebruikt worden door bedrijven in de milieucategorie 1, 2 en 3 en 4.1. Dit betekent dat de beoogde woningbouw binnen de richtafstand ligt en dat nader onderzoek naar het woon- en leefklimaat aan de orde is (zie hierna). Basisschool De Kleine Kapitein, buitenschoolse opvang (BSO) en kinderdagverblijf (KDV) aan de Cruquiusweg 88-90. Een basisschool is in de VNG-publicatie aangemerkt als categorie 2. De hierbij behorende indicatieve richtafstand van de VNG-publicatie bedraagt 30 meter vanwege geluid. Vanwege de ligging in gemengd gebied kan dit met 1 afstandsstap worden teruggebracht naar 10 meter. Het plangebied grenst aan dit perceel. Dit betekent dat de beoogde woningbouw binnen de richtafstand ligt en dat nader onderzoek naar het woon- en leefklimaat aan de orde is (zie hierna). Bedrijfsverzamelgebouw De Nieuwe Vaart aan de Cruquiusweg 94-100. Afstand tussen plangebied en bedrijfsverzamelgebouw: circa 10 meter. De locatie mag volgens het bestemmingsplan Cruquius gebruikt worden door bedrijven in de milieucategorie 1, 2 en 3 en 4.1.

Dit betekent dat de beoogde woningbouw binnen de richtafstand ligt en dat nader onderzoek naar het woon- en leefklimaat aan de orde is (zie hierna). Nader onderzoek milieuplanologische inpassing - geluid Uit voorgaande is op te maken dat voor het maken van afwegingen over de milieuplanologische inpasbaarheid aan de hand van het hulpmiddel van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering, voor het aspect geluid, nader onderzoek moet plaats vinden. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening

bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)

blz. 51

(GRO) is het nader geluidsonderzoek in dit geval meerledig: a. GRO-onderzoek naar de vraag of sprake is van een goed woon- en leefklimaat vindt voor dit bestemmingsplan voor het aspect geluid plaats aan de hand van: 1. de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering'; 2. de Wet geluidhinder (Hiervoor wordt onder meer verwezen naar paragraaf 4.3); b. (GRO)-onderzoek naar de vraag of bestaande bedrijven in de bedrijfsvoering worden belemmerd vindt plaats aan de hand van de kaders van: 3. de Wet geluidhinder (Hiervoor wordt onder meer verwezen naar paragraaf 4.3); 4. kaders van de Wet milieubeheer en het Activiteitenbesluit. Het meerledige geluidsonderzoek is uitgevoerd door het adviesbureau Cauberg Huygen. De resultaten van het onderzoek zijn gerapporteerd in het document: "Bestemmingsplan Cruquius deelgebied 8/Drenth- en Werfkavel in Amsterdam; onderzoek omgevingsgeluid; Cauberg Huygen; Datum 21 november 2024; Referentie 05845-51840-14" (hierna: "de rapportage van het akoestisch onderzoek"). De rapportage is een bijlage bij deze toelichting. Onderdeel van het geluidsonderzoek is de toetsing aan en het maken van afwegingen op basis van de bepalingen van de Wet geluidhinder. De resultaten daarvan zijn weergegeven in paragraaf 4.3. Die Wet geluidhinder gerelateerde afwegingen zijn onder meer ook gemaakt aan de hand van het beleidskader van Amsterdam.

Dit heeft raakvlakken met de vraag in hoeverre sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij de nieuw te projecteren woningen in het plangebied. Die vraag is onderzocht met het oog op een goede ruimtelijke ordening. Specifiek daarvoor is mede gebruik gemaakt van de onderzoeks- en beoordelingssystematiek van handreiking VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering. Maar ook van de resultaten van het onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder. Het onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder betreft in dit geval enkel het geluid van bedrijven op het industrieterrein. Bij het hanteren van de VNG-publicatie wordt voor wat betreft het woon- en leefklimaat breder gekeken, namelijk ook naar geluid van potentiele hinder veroorzakende niet-bedrijfsfuncties. In dit geval is dat het geluid van de spelende kinderen op het plein van de basisschool, buitenschoolse opvang (BSO) en kinderdagverblijf (KDV) De Kleine Kapitein. Ad a) Deelonderzoek Goede ruimtelijke ordening - Woon- en leefklimaat Voor volledige (achterliggende) toelichting op begrippen en wettelijke en beleidsmatige bepalingen en overwegingen wordt verwezen naar de rapportage van het akoestisch onderzoek.

Kort samengevat en in sterk vereenvoudigde schematische weergave, vindt in analyse plaats aan de hand van het toetskader van bijlage 5 van de VNG-handreiking Bedrijven en milieuzonering (Editie 2009) zoals dat in de tabellen 2.3 en 2.4 van de rapportage van het akoestisch onderzoek is weergegeven (zie navolgende afbeelding, afkomstig uit de rapportage):

Ter toelichting:

Gemeente Amsterdam

blz. 52

"Stap 2": Indien geluid voldoet aan de richtwaarden van stap 2 van de VNG-publicatie, dan is de conclusie dat sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor een nieuwe hindergevoelige functie op deze locatie. "Stap 3": Indien geluid niet voldoet aan de richtwaarden van stap 2, maar wel aan de richtwaarden van stap 3 van de VNG-publicatie, dan verlangt het projecteren van nieuwe woningen een afweging en motivering over het aanvaardbaar zijn van het geluid op deze locatie voor de nieuwe hindergevoelige functie. Hierbij dient de hoogte van het cumulatieve geluid van de verscheidene geluidbronnen te worden meegewogen. "Stap 4": Indien gevelbelasting niet voldoet aan de richtwaarde van stap 3 van de VNG-publicatie, dan is de woonfunctie niet zonder meer passend op deze locatie. In de VNG-publicatie wordt dan aangegeven dat inpassing doorgaans niet mogelijk is. Indien de gemeente toch de keuze maakt om woningbouw hier in te passen, dan verlangt dat grondig onderzoek, onderbouwing en motivering over het aanvaardbaar zijn van het geluid op deze locatie voor de nieuwe hindergevoelige functie. Hierbij dient de hoogte van het cumulatieve geluid van de verscheidene geluidbronnen te worden meegewogen.

Resultaat deelonderzoek Goede ruimtelijke ordening - Woon- en leefklimaat: Uit de rapportage van het akoestisch onderzoek is voor wat betreft het deelonderzoek naar het woon- en leefklimaat op te maken dat zonder het treffen van maatregelen niet voldaan wordt aan de richtwaarden van de langtijdgemiddelde geluidbelasting en piekbelasting van "stap 2" van de VNG-publicatie en ook niet aan de richtwaarden van "stap 3". Daarbij wordt geconcludeerd dat de gecumuleerde geluidbelasting meer dan 3 dB(A) hoger is dan de maximaal toelaatbare ontheffingswaarde voor industrielawaai. Bij navolging van het stappenplan van de VNG-publicatie handreiking Bedrijven en milieuzonering is de conclusie dat inpassing in beginsel niet mogelijk is. Althans niet zonder het treffen van maatregelen. Ter overweging is het op grond van de VNG-publicatie mogelijk om te onderzoeken welke maatregelen er zijn om woningbouw op deze locatie toch mogelijk te maken. Afweging aanvaardbaar woon- en leefklimaat na treffen van maatregelen: Voor wat betreft de omgeving van de nieuw beoogde woningen wordt geconcludeerd dat er zonder het treffen van maatregelen, sprake zal zijn van een matig tot slecht woon- en leefklimaat.

En dat de gecumuleerde geluidbelasting op de gevels van woningen hoger is dan volgens het Amsterdamse geluidbeleid aanvaardbaar wordt gevonden bij het vaststellen van hogere waarden (zie paragraaf 4.3). De afweging die voor het plan met het oog op een goede ruimtelijke ordening mede aan de orde is, is de vraag welke maatregel(en) passend is / zijn om te komen tot een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. In het kader van toetsing aan de Wet geluidhinder zijn voor wat betreft het industrielawaai de volgende maatregelen varianten onderzocht (zie paragraaf 4.3): Onderzoek maatregelen variant 1 "beëindiging activiteiten Kapteijn": De conclusie is dat met het treffen van maatregel variant 1, bij medebeschouwing van het geluid van de basisschool-BSO-KDV (figuur 7.2 / bijlage VII-3 van het akoestisch rapport) en de representatieve bedrijfssituatie van Kleijer (figuur 7.4 / bijlage VII-6 van het akoestisch rapport) en de locatie Cruquiusweg 80-82 (figuur 7.1 / bijlage VII-2 van het akoestisch rapport) bij circa 40% van de gevels sprake zal zijn van woningen in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Door ook gevelmaatregelen te treffen bij circa 60% van de gevels, kan dat voor alle woningen het geval zijn.

Dit als voor die 60% het wonen in een woning in Amsterdam zonder te openen ramen en alleen met een "geluidwerend balkon" als buitenruimte, aanvaardbaar wordt gevonden (zie nadere afweging hieronder). Onderzoek maatregelen variant 2 "geluidscherm 10,5 meter Kapteijn": De conclusie is dat met het treffen van maatregel variant 2, bij medebeschouwing van het geluid van de basisschool-BSO-KDV (figuur 7.2 / bijlage VII-3 van het akoestisch rapport) en de representatieve bedrijfssituatie van Kleijer (figuur 7.4 / bijlage VII-6 van het akoestisch rapport) en de locatie Cruquiusweg 80-82 (figuur 7.1 / bijlage VII-2 van het akoestisch rapport) bij circa 34% van de gevels sprake zal zijn van woningen in bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)

blz. 53

een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Door ook gevelmaatregelen te treffen bij circa 66% van de gevels, kan dat voor alle woningen het geval zijn. Dit als voor die 66% het wonen in een woning in Amsterdam zonder te openen ramen en alleen met een "geluidwerend balkon" als buitenruimte, aanvaardbaar wordt gevonden. Onderzoek maatregelen variant 3 "geen bronmaatregelen, maar alleen gevelmaatregelen als overdrachtmaatregel": De conclusie is dat met het treffen van maatregel variant 3, bij medebeschouwing van het geluid van de basisschool-BSO-KDV (figuur 7.2 / bijlage VII-3 van het akoestisch rapport) en de representatieve bedrijfssituatie van Kleijer (figuur 7.4 / bijlage VII-6 van het akoestisch rapport), de locatie Cruquiusweg 80-82 (figuur 7.1 / bijlage VII-2 van het akoestisch rapport) en Kapteijn (figuur 7.3 / bijlage VII-4 van het akoestisch rapport) dat bij circa 15% van de gevels sprake zal zijn van woningen in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Door ook gevelmaatregelen te treffen bij circa 85% van de gevels (alle 'niet-groen' gekleurde geveldelen op navolgende indicatieve afbeelding waarop de resultaten van onderzoek in het kader van de Wet geluidhinder -zie paragraaf 4.3- en onderzoek in het kader van een goede ruimtelijke ordening, zijn samengevoegd), kan dat voor alle woningen het geval zijn.

Dit als voor die 85%, het wonen in een woning in Amsterdam zonder te openen ramen en alleen met een "geluidwerend balkon" als buitenruimte, aanvaardbaar wordt gevonden.

Gemeente Amsterdam

blz. 54

Afweging maatregelen variant 1, 2 of 3: In de periode december 2021 - juni 2022 is overleg opgestart met Kapteijn. Dit om in gezamenlijkheid de mogelijkheden voor bedrijfsverplaatsing of een geluidscherm te bespreken. Dit laatste voor het geval dat een eventuele bedrijfsverplaatsing om welke reden dan ook, bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)

blz. 55

niet zeker is of in het geheel niet aan de orde gaat zijn. Daarmee is de conclusie dat eventuele bronmaatregelen of overdrachtmaatregel in de vorm van een geluidscherm, onzeker zijn wat uitvoerbaarheid betreft. En dat betekent dat van die maatregelen voor dit bestemmingsplan niet mag worden uitgegaan. In dat geval resteert de keuze om hier geen woningen te realiseren of het om te kiezen voor maatregelen variant 3. Navolgend de te maken nadere afweging daartoe. Nadere afweging voorzien in ambitie van woningbouwproductie door bouw van woningen zonder geluidluwe buitenruimte versus niet voorzien in ambitie van woningbouwproductie door keuze voor geen woningbouw op deze locatie. Zoals in het Amsterdamse geluidbeleid voor vaststellen van hogere waarden is aangegeven (beleid vastgesteld 17-10-2023), voorziet een buitenruimte bij een woning volgens het Bouwbesluit 2012 in de fundamentele menselijke behoefte om in contact te kunnen staan met de omgeving. Het bestemmingsplan maakt de bouw mogelijk van woningen die niet allemaal gaan beschikken over een stille buitenruimte. De veronderstelling is dat een woning zonder te openen ramen en met enkel een "geluidwerend balkon" in de vorm van een afgesloten verglaasde serre of loggia als "buitenruimte" geen optimale woonsituatie is.

Zeker niet als in ogenschouw wordt genomen dat de geluidbelasting in dit "geluidwerend balkon" deels hoger is dan de voorkeursgrenswaarde. Daar staat tegenover dat het "geluidwerend balkon" voor een deel voorzien kan worden van wegschuifbare panelen of andere te openen delen (ramen of deuren) zodat de bewoner zelf de keuze heeft om iets van een "buitenlucht ervaring" te kunnen hebben. Bijvoorbeeld in de avond- en nachtperiode als de bedrijven in de omgeving en de basisschool-BSO-KDV niet operationeel zijn en geluid om die reden lager zal zijn.

In de Omgevingsvisie Amsterdam 2050 is onder meer aangegeven dat de stad op groei mikt. Dit kan onder meer door transformatie van bedrijventerreinen. Transformatie van bestaande bedrijventerreinen naar woon- en werkgebieden is doorgaans een meerjarig gefaseerd proces waarin de geluidsituatie

Gemeente Amsterdam

blz. 56

gefaseerd mee verandert. Voor geluid wordt in de omgevingsvisie verwezen naar het Amsterdamse geluidbeleid. Dit behelst onder meer "stille buitenruimten van woningen". In de situatie waarin de stille zijde van een woning, naast ramen en deuren ook een buitenruimte kent, zoals een balkon, is deze bij voorkeur stil, zodat bewoners daar "stil" kunnen verblijven. Dit is in het beleid als "voorkeur" verwoord. Daarmee biedt het beleid ook mogelijkheden voor een andere gemotiveerde keuze. Het is op voorhand voor een initiatiefnemer voor woningbouw voorstelbaar dat het verwezenlijken van het leveren van een bijdrage aan de actuele woningbouwambitie op enig moment door het bevoegd gezag zwaarder weegt dan het bij voorkeur kunnen aanbieden van woningen met stille open buitenruimte. Als het ontbreken van dit laatste door het bevoegd gezag minder zwaar weegt, dan aanvaardt het bevoegd gezag met het vaststellen van het bestemmingsplan dat toekomstige bewoners het bedrijfsgeluid in de naar eigen believen te openen en sluiten enige buitenruimte, als hinderlijk kunnen ervaren. En dat niet uitgesloten is dat toekomstige bewoners van de beoogde nieuwbouw in dat geval om die reden verzoeken om handhaving. Dit zolang in de omgeving nog bedrijven met geluiduitstraling aanwezig zijn.

Voor dit voorliggende bestemmingsplan is, gebaseerd op het transformatieproces van de voorgaande jaren, de veronderstelling dat het geluid in de buitenruimten in de toekomst afneemt naarmate de transformatie van het gezoneerde industrieterrein naar gemengd woon- en werkgebied vordert. De kans dat mensen omgevingsgeluid hinderlijk ervaren neemt af naarmate de transformatie van het gebied vordert. Het aanvaardbaar vinden van deze situatie is een keuze die wordt gemaakt met en door: de vaststelling van dit bestemmingsplan door de gemeenteraad; en daarvoor met en door vaststelling van hogere waarden door het college. Voorgaande heeft de volgende consequenties voor het bestemmingsplan: De gemeenteraad aanvaardt met het vaststellen van het bestemmingsplan dat woningbouw plaats vindt op een geluidbelaste locatie en dat de buitenruimten van de toekomstige woningen, in de dagperiode niet overal "stil" zijn.

Ter waarborging van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat wordt in het bestemmingsplan met het oog op een goede ruimtelijke ordening, een voorwaardelijke regeling opgenomen waarmee bepaald wordt dat woningen en andere geluidgevoelige functies alleen zijn toegestaan als de gevelbelasting niet hoger is dan de grenswaarden voor het langtijdgemiddelde en de maximale geluidbelasting / piekbelasting waarbij onder andere gekeken is naar het Activiteitenbesluit en de regels die voor activiteiten worden gesteld onder de werking van de Omgevingswet (*). De grenswaarden van het Abm (danwel de standaardwaarden van het Bkl / reguliere waarden van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam) zijn voor de omliggende bedrijven van belang omdat zij die waarden in acht dienen te nemen bij het uitoefenen van hun bedrijfsvoering / activiteiten. Om bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering te belemmeren door het in de nabijheid projecteren van nieuwe woningen, wordt voor de nieuwe beoogde woningbouw bepaald dat indien de gevelbelasting hoger is dan de grenswaarden, de gevel van een nieuwe woning dient te worden uitgevoerd als 'dove gevel'. Dit als maatregel bij de 'ontvanger' (de nieuwe woning) zodat de omliggende bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden belemmerd.

(*) De regeling in het bestemmingsplan heeft, met het oog op een goede ruimtelijke ordening, mede tot doel om de bedrijfsvoering van bestaande bedrijven niet onevenredig nadelig te belemmeren als gevolg van het nabij projecteren van nieuwe woningen (zie hierna ook onder ad b). En wat dat betreft is er bij vaststelling van het bestemmingsplan een nadere afweging aan de orde. Dit vanwege de omstandigheid dat het ontwerp bestemmingsplan voor 1-1-2024 voor zienswijze ter inzage heeft gelegen en daardoor op grond van het overgangsrecht van de invoering van de Omgevingswet, nog als bestemmingsplan wordt vastgesteld. Echter, na de invoering van het nieuwe omgevingsrecht op 1-1-2024 zijn de regels van het Activiteitenbesluit, met inachtneming van o.a. artikel 5.65 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl), overgegaan in regels van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam. Of met andere woorden, de bedrijfvoering van bedrijven c.q. het uitoefenen van milieubelastende activiteiten wordt na bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)

blz. 57

1-1-2024 niet getoetst aan het Activiteitenbesluit (Abm), maar aan het Omgevingsplan gemeente Amsterdam waarvoor de instructies in het Bkl staan. De grenswaarden van het Abm, de standaardwaarden van het Bkl en de reguliere waarden van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam zijn op veel onderdelen vergelijkbaar. Dit geldt echter niet voor wat betreft de grenswaarden (Abm) en standaardwaarden (Bkl) van het piekgeluid / maximale geluidniveau (LAmax). Anders dan volgens het Abm het geval was, gelden er op grond van het Bkl, na 1-1-2024 geen standaardwaarden voor het piekgeluid in de dagperiode. In het Omgevingsplan gemeente Amsterdam is er evenwel voor gekozen om voor het piekgeluid / maximale geluidniveau (LAmax) voor bepaalde activiteiten, waaronder handelingen met metaalschroot, toch ook in de dagperiode een maximum te stellen. Hiervoor is met het oog op een goede ruimtelijke ordening ook gekozen voor wat betreft de voorwaardelijke verplichting die in voorliggend bestemmingsplan is opgenomen voor nieuwe woningen in deelgebied 8. Ad b) Deelonderzoek Goede ruimtelijke ordening - Belemmering bedrijfsvoering Met het oog op een goede ruimtelijke ordening is onderzocht of bestaande bedrijven worden belemmerd in de bestaande bedrijfsvoering. Dit omdat het voornemen is om nieuwe woningbouw dichterbij bij bestaande inrichtingen te projecteren dan in de bestaande situatie het geval is.

Om daar inzicht in te krijgen is mede gebruik gemaakt van de onderzoeks- en beoordelingssystematiek van handreiking VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (zie ook voorgaande onder Ad a). De richtwaarden die in de VNG-publicatie worden gehanteerd zijn bij toetsing aan "stap 2", wat hoogte betreft, gelijk aan de grenswaarden van tabel 2.17a het Activiteitenbesluit milieubeheer (Abm). Het onderzoek aan de hand van de richtwaarden in de VNG publicatie is uitgevoerd voor elke inrichting in de omgeving van het plangebied afzonderlijk. Op grond van het Abm zijn bepaalde activiteiten uitgesloten van onderzoek. Het is om die reden voorstelbaar dat het onderzoek dat nu voor dit bestemmingsplan in het kader van "stap 2 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering" is verricht, een overschatting kan zijn ten opzichte van de uitkomst van een berekening op grond van het Abm. Desondanks laat het zich beredeneren dat daar waar nu berekend is dat de gevelbelasting hoger is dan de richtwaarden van "stap 2" van de VNG-publicatie, dat mogelijk ook het geval is bij toetsing aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit.

In dat geval is de conclusie dat de betreffende inrichting als gevolg van het projecteren van nieuwe woningen, niet meer gaat voldoen aan de grenswaarden van het Activiteitenbesluit en na het inwerking treden van de Omgevingswet de regels van het Bkl, dan wel Omgevingsplan gemeente Amsterdam. En dat de betreffende inrichtingen daardoor in beginsel worden belemmerd in hun bestaande bedrijfsvoering. Een dergelijke belemmering is vervolgens op te lossen met bijvoorbeeld het vaststellen van maatwerkvoorschriften voor het toestaan van een hogere waarde dan de grenswaarden van tabel 2.17a Activiteitenbesluit en na het inwerking treden van de Omgevingswet de reguliere waarden van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam. De ervaring leert dat het proces om te komen tot maatwerkvoorschriften in de praktijk, relatief gezien, niet eenvoudig is. Resultaat deelonderzoek Goede ruimtelijke ordening - Belemmering bedrijfsvoering Het bestemmingsplan projecteert een nieuwe geluidgevoelige functie (wonen) nabij bestaande inrichtingen. Een aantal inrichtingen voldoet in de bestaande situatie niet aan regels van het Activiteitenbesluit (Abm).

Los van die constatering, heeft dit tot gevolg dat de volgende inrichtingen daarna mogelijk niet voldoen aan de grenswaarden van tabel 2.17a van het Activiteitenbesluit (en na 1-1-2024 de reguliere waarden van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam) als de woningen niet worden gebouwd met een dove gevel. Dit geldt mogelijk voor: Autoparkeerterrein Cruquiusweg 80-82: 1. Maximale geluidniveau LA, max in de nachtperiode: 64 dB(A). Dit is een overschrijding van de richtwaarde van stap 2 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering en de grenswaarde van het Abm van 60 dB(A) met 4 dB(A). 2. Voor het totaaloverzicht van de geveldelen met een gevelbelasting hoger dan de richtwaarde van

Gemeente Amsterdam

blz. 58

stap 2 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering wordt verwezen naar figuur 7.1 en bijlage VII-2 van het akoestisch rapport.

Basisschool, BSO en KDV De Kleine Kapitein: 1. Met het oog op een goede ruimtelijke ordening is de situatie onderzocht inclusief het stemgeluid van spelende kinderen. Resultaat: LAr,LT: in de dagperiode maximaal 57 dB(A). Dit is een overschrijding van de richtwaarde van stap 2 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering van 50 dB(A) met 7 dB(A). 2. Voor het totaaloverzicht van de geveldelen met een gevelbelasting hoger dan de richtwaarde van stap 2 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering wordt verwezen naar figuur 7.2 en bijlage VII-3 van het akoestisch rapport. 3. Verschil tussen de VNG-publicatie en het Abm: Op grond van artikel 2.18, eerste lid van van het Activiteitenbesluit (en na 1-1-2024 de regels van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam), mag in bepaalde situaties stemgeluid buiten beschouwing worden gelaten. Bij het hanteren van de VNG-publicatie is dat anders. Indien artikel 2.18, eerste lid Abm (of na 1-1-2024 artikel 5.73 Bkl en regels van het Omgevingsplan gemeente Amsterdam) in beschouwing wordt genomen, dan zal het rekenresultaat lager uitvallen (immers het stemgeluid is een belangrijk onderdeel van het geluid van de school/BSO), maar ook dan wordt voor een deel van de activiteiten grenswaarden overschreden (denk bijvoorbeeld aan de installaties van het gebouw).

Hiervoor wordt verwezen naar de eerste twee afbeeldingen in bijlage VII-3 van het akoestisch rapport.

bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)

blz. 59

Kapteijn Metaal Recycling: 1. In de situatie dat geen geluidscherm van 10,5 meter op de noordelijke kavelgrens van Kapteijn wordt geplaatst: a. LAr,LT: in de dagperiode 68 dB(A). Dit is een overschrijding van de richtwaarde van stap 2 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering en de grenswaarde van het Abm van 50 dB(A) met 18 dB(A). b. LA, max: in de dagperiode 87 dB(A). Dit is een overschrijding van de richtwaarde van stap 2 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering en de grenswaarde van het Abm van 70 dB(A) met 17 dB(A). 2. In de onderzochte situatie van een geluidscherm van 10,5 meter op de noordelijke kavelgrens van Kapteijn: a. LAr,LT: in de dagperiode 62 dB(A). Dit is een overschrijding van de richtwaarde van stap 2 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering en de grenswaarde van het Abm van 50 dB(A) met 12 dB(A). b. LA, max: in de dagperiode 75 dB(A). Dit is een overschrijding van de richtwaarde van stap 2 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering en de grenswaarde van het Abm van 70 dB(A) met 5 dB(A). 3. Voor het totaaloverzicht van de geveldelen met een gevelbelasting hoger dan de richtwaarde van stap 2 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering wordt verwezen naar figuur 7.3 van het akoestisch rapport.

Gemeente Amsterdam

blz. 60

Machine- en Motorenfabriek Kleijer: 1. LAr,LT: in de dagperiode 53 dB(A). Dit is een overschrijding van de richtwaarde van stap 2 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering en de grenswaarde van het Abm van 50 dB(A) met 3 dB(A). 2. Voor het totaaloverzicht van de geveldelen met een gevelbelasting hoger dan de richtwaarde van stap 2 van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering wordt verwezen naar figuur 7.4 van het akoestisch rapport.

In de bestaande situatie is mogelijk al sprake van het niet voldoen aan het Activiteitenbesluit. Op grond van artikel 2.17, tweede lid Activiteitenbesluit geldt, op het moment van voorbereiden van het bestemmingsplan, voor inrichtingen die gelegen zijn op een gezoneerd industrieterrein dat de waarden van het langtijdgemiddelde beoordelingsniveau (LAr,LT) uit tabel 2.17a ook op een afstand van 50 meter vanaf de grens van de inrichting gelden. Uit de rapportage van het akoestisch onderzoek is op te maken dat de volgende inrichtingen daar in de bestaande situatie, op het moment van voorbereiden van het bestemmingsplan, niet aan voldoen: Kapteijn Metaal Recycling (Zeeburgerpad 112-114), waarbij wordt opgemerkt dat in de zienswijze op het ontwerp bestemmingsplan door de onderneming is aangegeven dat bij de omgevingsdienst een aanvraag is ingediend voor een maatwerkvoorschrift om het Abm te kunnen voldoen. Naar aanleiding van de zienswijze op het ontwerp bestemmingsplan is het akoestisch onderzoek voor de vaststelling van het voorliggende bestemmingsplan geactualiseerd door aan de omgevingsdienst een nieuw geluidmodel op te vragen waarin de aanvraag maatwerkvoorschrift van de onderneming is verwerkt; Machine- en Motorenfabriek Kleijer (Zeeburgerpad 102).

Bij het hanteren van de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering als hulpmiddel verlangt het overschrijden van de richtwaarden van stap 2 en stap 3 van de VNG-publicatie nadere afwegingen. In dat kader wordt voor dit bestemmingsplan gekeken naar paragraaf 4.3. Uit de afwegingen die daar in het kader van toetsing aan de Wet geluidhinder en het woon- en leefklimaat zijn gemaakt, is op te maken dat het treffen van maatregelen bij de gevel van woningen aan de orde zal zijn. Dit in de vorm van het realiseren van maatregelen voor de gevel in de vorm van een geluidwerend balkon, waardoor het geluid ter plaatse van te openen delen wordt gereduceerd tot maximaal 50 dB(A). Voorts door de overige delen van de gevels uit te voeren als dove gevel in de zin van de Wet geluidhinder. In dat geval is de

bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)

blz. 61

veronderstelling dat de betreffende inrichtingen bij de nieuw beoogde woningen gaan voldoen aan het Activiteitenbesluit. Dit omdat in het Activiteitenbesluit voor het begrip 'gevel' verwezen wordt naar het begrippenkader van de Wet geluidhinder en daarmee indirect ook naar 'dove gevel'. De conclusie voor dit bestemmingsplan is dan dat de nieuwe woningen daarmee niet extra belemmerend zijn voor de bestaande bedrijfsvoering van de inrichtingen in de omgeving voor zover het de verplichtingen betreft die de bedrijven op grond van het Activiteitenbesluit (en later het omgevinsgplan gemeente Amsterdam waarvoor de instructieregels van het Bkl gelden) in acht moeten nemen. Aandachtspunt en consequenties voor de ontwikkeling: In het bestemmingsplan is met het oog op een goede ruimtelijke ordening een voorwaardelijke verpichting opgenomen (zie hiervoor onder ad a). Voor de aanvrager omgevingsvergunning betekent de voorwaardelijke verplichting in de regels van dit bestemmingsplan een inspanning om met gedegen akoestisch onderzoek aan te tonen dat wordt voldaan aan de voorwaarden in de regels van dit bestemmingsplan. Beoordeling inpassing nieuwe bedrijvigheid en activiteiten in plangebied Juridische planbeschrijving Voorliggend bestemmingsplan laat naast de woonfunctie ook niet-woonfuncties toe, zoals bedrijvigheid en voorzieningen.

Ook is aan huis verbonden praktijk- of vrije beroepsuitoefening toegestaan. Voor een gebied waar (licht) milieuhinderlijke en milieugevoelige functies gemengd zijn, zoals in het plangebied van het voorliggende plan, zijn de eerder genoemde richtafstanden van de VNG-publicatie in mindere mate bruikbaar. In dit gebied is een fysieke scheiding van functies immers niet aan de orde. In de VNG-publicatie "Bedrijven en milieuzonering" is een aparte lijst opgenomen die specifiek gericht is op de toelaatbaarheid van milieubelastende activiteiten binnen gebieden met functiemenging. Bij toepassing ervan wordt niet gewerkt met richtafstanden, maar met het principe van aanpandigheid en bouwkundige afscheiding. "Bouwkundige afscheiding" betekent dat er ruimte is tussen bebouwing waarin de hinderveroorzakende functie (bedrijvigheid) plaats vindt en bebouwing van de hindergevoelige functie (wonen). De toelaatbaarheid van milieubelastende functies in gebieden met functiemenging wordt beoordeeld aan de hand van de volgende ruimtelijk relevante milieucategorieën: Categorie A: toelaatbaar aanpandig aan woningen. Betreft activiteiten die zodanig weinig milieubelastend voor hun omgeving zijn, dat deze aanpandig aan woningen kunnen worden uitgevoerd. De eisen uit het Bouwbesluit voor scheiding tussen wonen en bedrijven zijn daarbij toereikend.

Categorie B: toelaatbaar indien bouwkundig afgescheiden van woningen. Betreft activiteiten die in gemengd gebied kunnen worden uitgeoefend, echter met een zodanige milieubelasting voor hun omgeving dat zij bouwkundig afgescheiden van woningen en andere gevoelige functies dienen plaats te vinden. Categorie C: toelaatbaar indien gesitueerd langs een hoofdweg. Betreft activiteiten zoals genoemd onder B, waarbij vanwege de relatief grote verkeersaantrekkende werking een ontsluiting op de hoofdinfrastructuur is aangewezen. De VNG-lijst voor functiemenging is ook het uitgangspunt voor de lijst die in dit bestemmingsplan is gekoppeld aan de bedrijfs- en broedplaatsfunctie die met dit bestemmingsplan wordt mogelijk gemaakt. Deze "Staat van Inrichtingen" maakt als bijlage deel uit van de regels van dit bestemmingsplan. Binnen de in dit plan opgenomen bestemmingen waarin bedrijf en broedplaats is toegestaan, zijn afhankelijk van aanpandigheid of bouwkundig afgescheiden, verwijzend naar de Staat van Inrichtingen, bedrijven toegestaan met activiteiten van categorie A en B. Het type bedrijvigheid van deze categorien is van dien aard dat deze aanpandig (categorie A), dan wel bouwkundig afgescheiden (categorie B) wat potentiele hinderaspecten (bijvoorbeeld geluid) toelaatbaar is in een gemengd gebied. Deze functies zorgen niet voor een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat in het plangebied.

Gemeente Amsterdam

blz. 62

Voor wat betreft de bestaande (geprojecteerde) hindergevoelige functies in omgeving van het plangebied geldt dat er afstand is tussen bestaande meest nabij gelegen (geprojecteerde) woonfunctie en de nieuwe niet-woonfuncties die met voorliggend bestemmingsplan worden mogelijk gemaakt. De nieuwe functies zijn derhalve bouwkundig afgescheiden. Dit betekent dat de nieuwe functies in milieuplanologisch opzicht, inpasbaar zijn op deze locatie zonder dat hierdoor een onaanvaardbaar woon- en leefklimaat ontstaat bij bestaande hindergevoelige functies in de omgeving. Bovendien wordt met voorliggend bestemmingsplan een bestaande bedrijfsbestemming waarin maximaal categorie 4.1 bedrijvigheid is toegestaan herzien in een bestemming waarin een lichtere categorie bedrijvigheid is toegestaan. Effecten nieuwe activiteiten op woon- en leefklimaat Het bestemmingsplan maakt de realisatie mogelijk van een gemengd woon- en werkgebied. Zoals hiervoor onder 'juridische planbeschrijving is aangegeven, is de toegestane bedrijvigheid in het plangebied daarop afgestemd. Naast het gebruik van bebouwing voor de bedrijfsfunctie, komen er in het plangebied ook sociaal maatschappelijke voorzieningen (kunst, cultuur, buurthuis, jongerencentrum, kringloopwinkel) .

In de VNG-publicatie bedrijven en milieuzonering zijn dergelijke functies aangemerkt als categorie 1 of 2 met een indicatieve richtafstand van 0 meter, respectievelijk 10 meter in gemengd gebied. In milieu-planologisch opzicht zijn dergelijke functies passend in het woon- en leefklimaat van een gemengd woon-werkgebied.

4.3

Geluid - Wet geluidhinder

4.3.1

Kader

Wettelijk kader Een van de grondslagen voor de ruimtelijke afwegingen voor voorliggend bestemmingsplan is de Wet geluidhinder (Wgh). De Wgh bevat geluidnormen en richtlijnen met betrekking tot de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. Op grond van de Wgh gelden in bepaalde situaties zones rond (spoor)wegen en industrieterreinen. Voor vaststelling van een bestemmingsplan dat geheel of gedeeltelijk betrekking heeft op gronden behorende tot dergelijke zones stelt de Wgh eisen aan de geluidsbelasting op de gevel van nieuwe geluidsgevoelige functies. Indien een nieuwe geluidgevoelige functie binnen de zone van meer dan één geluidsbron van de Wet geluidhinder ligt, dient tevens onderzoek gedaan te worden naar de effecten van de samenloop van de verschillende geluidsbronnen (cumulatie) als voor de betreffende geluidgevoelige functies een hogere waarde wordt vastgesteld (artikel 110f lid 3 Wgh). Er dient te worden aangegeven op welke wijze met de samenloop rekening is gehouden bij het bepalen van de te treffen maatregelen (art. 110a en 110f van de Wgh). Middels akoestisch onderzoek wordt getoetst aan de geluidsnormen van de Wgh.

Indien de zogenaamde "hoogste toelaatbare geluidsbelasting" (ook wel voorkeursgrenswaarde of voorkeurswaarde genoemd) wordt overschreden, kan op grond van de Wgh een hogere waarde (ontheffing op de geluidsbelasting, ook wel hogere grenswaarde genoemd) worden vastgesteld door het bevoegd gezag. Hiervoor heeft de gemeente geluidbeleid vastgesteld (zie hierna). In de wet is een maximum gesteld aan de hoogte van de gevelbelasting die als hogere grenswaarde mag worden vastgesteld voor rail- en wegverkeer en industrielawaai (ook wel de maximale ontheffingswaarde genoemd). Beleid Het Amsterdams geluidbeleid 2016 (gewijzigd_2) - Hogere waarde Wet geluidhinder (hierna: Amsterdams geluidbeleid) wordt toegepast bij de ontwikkeling van woningen en andere geluidgevoelige

bestemmingsplan_Cruquius deelgebied 8, Drenth- en Werfkavel (vastgesteld)

blz. 63

objecten op locaties met een hoge(re) geluidbelasting. Het Amsterdams geluidbeleid is bij besluit 17 oktober 2023 van het college van burgemeester en wethouders geactualiseerd. Het doel van het geluidbeleid is het borgen van een akoestisch aanvaardbaar woon- en leefklimaat bij het bouwen van woningen en andere geluidgevoelige functies op geluidbelaste locaties. Geluidbelaste locaties zijn locaties waar een aanmerkelijke geluidbelasting heerst vanwege bronnen als genoemd in de Wet geluidhinder (wegverkeerslawaai, spoorweglawaai, industrielawaai), als ook lawaai vanwege andere bronnen (activiteitenbesluit). Het beleid is onder meer als volgt: Het streven is om geluidgevoelige objecten te realiseren met een belasting niet hoger dan de voorkeursgrenswaarde. Het voldoen aan de voorkeursgrenswaarde is echter niet altijd haalbaar, met name niet in een dynamische grootstedelijke omgeving. De wet geeft daarom de mogelijkheid om voor nieuwe geluidgevoelige objecten een hogere waarde vast te stellen. Bij het nemen van het hogere waarde besluit wordt afgewogen of er sprake is van een aanvaardbare geluidbelasting, al dan niet na het treffen van maatregelen.

In het Amsterdamse geluidbeleid voor het vaststellen van hogere waarden is aangegeven dat er een onaanvaardbare geluidbelasting optreedt als de gecumuleerde waarde meer dan 3 dB hoger is dan de hoogste van de maximaal toegestane ontheffingswaarden (63 dB bij wegverkeerslawaai en 68 dB bij railverkeerslawaai, 55 dB(A) bij industrielawaai); Indien volgens het Amsterdamse geluidbeleid voor het vaststellen van hogere waarden sprake is van "onaanvaardbare geluidbelasting" kan of niet worden gebouwd worden of er kunnen oplossingen worden gezocht met dove gevels. Een woning die moet worden uitgevoerd met een dove gevel (kort gezegd, geen gevel zonder te openen ramen en deuren) dient te allen tijde te zijn voorzien van een stille zijde (behoudens uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld in een tijdelijke situatie). Uitgangspunt van het Amsterdams geluidbeleid is dat iedere woning een stille zijde heeft: 1. De stille zijde is die zijde van de woning waar ten hoogste de voorkeursgrenswaarde heerst vanwege bronnen als genoemd in de Wet geluidhinder of de nachtwaarde van 40 dB bij overige bronnen (bedrijven buiten gezoneerde industrieterreinen, scheepvaartlawaai). 2. De focus van het Amsterdamse geluidbeleid ligt bij de bescherming van de bewoners tegen geluid en dus bij de delen van de gevel waar bewoners buiten verblijven of het geluid de woningen naar binnen kan komen. 3.

Voorgaande betekent dat sprake is van een stille zijde in de situatie dat op de te openen delen (ramen of deuren) van één van de woninggevels aan de voorkeurgrenswaarde wordt voldaan. Eventuele maatregelen zullen dus minimaal de geveldelen afdoende dienen af te schermen, zodat deze aan de voorkeursgrenswaarde voldoen. 4. Wanneer de geluidbelasting op te openen delen hoger is dan de voorkeursgrenswaarde kunnen op en/of aan de gevel maatregelen worden getroffen waardoor alsnog een stille zijde gerealiseerd wordt. Ook hier geldt dat eventuele maatregelen minimaal de te openen delen / geveldelen afdoende af dienen te schermen, zodat aldaar aan de voorkeursgrenswaarde wordt voldaan. 5. Wanneer per woning ten minste één geluidgevoelige ruimte beschikt over een raam waar de geluidbelasting voldoet aan de voorkeursgrenswaarde volgens de Wet geluidhinder, en het raam beschikt over zodanige spuiventilatie dat voldaan wordt aan de desbetreffende eisen van het Bouwbesluit 2012, dan wordt aan de eis van een stille zijde voldaan. Volgens het Bouwbesluit 2012 voorziet een buitenruimte bij een woning in de fundamentele menselijke behoefte om in contact te kunnen staan met de omgeving. Wanneer de stille zijde naast ramen en deuren ook een buitenruimte kent, zoals een balkon, is deze bij voorkeur stil, zodat bewoners daar 'stil' kunnen verblijven.

Ondanks dat de stedelijke omgeving van Amsterdam met zich meebrengt dat op veel plaatsen een hoge geluidbelasting aanwezig is, moeten ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk blijven. Een hogere waarde kan niet altijd vermeden worden en zelfs een stille zijde is niet altijd mogelijk, maar wel blijft

Gemeente Amsterdam

blz. 64

de bescherming van het woon- en leefklimaat van belang. Bij het ontwerpen van een bouwplan dient dat al te worden meegenomen. Als dat redelijkerwijs niet haalbaar is, is een goede motivering van groot belang, des te meer naarmate de geluidbelasting hoger is. Het Amsterdams geluidbeleid biedt de basis en het gereedschap voor het maken van een evenwichtige afweging van belangen. In het beleid zijn mogelijke maatregelen beschreven die kunnen worden genomen om een aanvaardbaar woon- en leefklimaat te bereiken. Deze maatregelen zijn niet uitputtend bedoeld. Andere oplossingen zijn mogelijk mits aangetoond wordt dat het doel, rustig slapen met open raam, wordt behaald. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd tot het vaststellen van hogere waarden. Voordat hogere waarden worden vastgesteld is het conceptbesluit hogere waarden ter advisering voorgelegd aan het Technisch Ambtelijk Vooroverleg Geluid Amsterdam (TAVGA). Het advies van het TAVGA wordt betrokken bij de besluitvorming en genoemd in het besluit. 4.3.2

Situatie plangebied

Door het adviesbureau Cauberg Huygen is een meerledig geluidsonderzoek uitgevoerd, waaronder de toetsing aan en het maken van afwegingen op basis van de bepalingen van de Wet geluidhinder. De resultaten van het onderzoek zijn gerapporteerd in het document: "Bestemmingsplan Cruquius deelgebied 8/Drenth- en Werfkavel in Amsterdam; onderzoek omgevingsgeluid; Cauberg Huygen; Datum 21 november 2024; Referentie 05845-51840-14" (hierna: "de rapportage van het akoestisch onderzoek"). Deze rapportage is een bijlage bij deze toelichting. Uit de rapportage van het akoestisch onderzoek is onder meer het volgende op te maken: (Spoor)wegen Op grond van artikel 1 Wgh hebben spoorwegen een zone. Deze zone is weergegeven op een krachtens artikel 1.3 en 1.4 van het Besluit geluidhinder (Bgh) vastgestelde kaart. Conform de zonekaart spoorwegen bedraagt de wettelijke zone voor het traject Amsterdam Muiderpoort en Amsterdam Centraal (traject nr. 376) 600 meter. Het plangebied valt buiten deze onderzoekszone. Conform hoofdstuk VI van de Wet geluidhinder (zones langs wegen) hebben alle wegen een zone, uitgezonderd een aantal situaties waaronder wegen met een maximumsnelheid van 30 km/uur. De zone is een gebied waarbinnen een nader akoestisch onderzoek verplicht is.

De breedte van de zone, aan weerszijden van de weg of spoor, is afhankelijk van het aantal rijstroken of sporen en de aard van de omgeving (stedelijk of buitenstedelijk). Bij besluit van 10 april 2018 heeft het algemeen bestuur van de bestuurscommissie van het stadsdeel Oost op de Cruquiusweg de maximumsnelheid ingesteld van 30 km/uur. De Th.K. van Lohuizenlaan en de Zeeburgerdijk hebben sinds 8 december 2023 een maximumsnelheid van 30 km/uur De Flevoweg/Zuiderzeeweg heeft een snelheidsregime van 50 km/uur. Het plangebied ligt in de onderzoekszone van de gezoneerde weg Flevoweg/Zuiderzeeweg. En In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de invloed van de 30 km/uur wegen onderzocht. Uit de rapportage van het akoestisch onderzoek is op te maken dat de geluidbelasting ten gevolge van de wegen nergens hoger is dan de voorkeurgrenswaarde. Dit betekent dat de Wet geluidhinder geen belemmering is voor wat betreft het wegverkeer. En voorts dat het geluidniveau in het plangebied ten gevolge van de omliggende wegen, in het kader van de afweging over goede ruimtelijke ordening, aanvaardbaar wordt geacht. Industrieterrein - wijziging industrieterrein en geluidzone industrieterrein Het plangebied is volgens het geldende bestemmingsplan Cruquius (zie paragraaf 1.4) onderdeel van een gezoneerd industrieterrein.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15784581/1